Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5806

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
R06/151HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht; faillissementsbeslag, gereedschappen van ambachtslieden en werklieden. Afgewezen verzoek van gefailleerde VOF en firmanten de curator te verbieden hun persoonlijke gereedschappen te verkopen, strekking van art. 21 F. jo. art. 447 Rv. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 477
RvdW 2007, 642
NJB 2007, 1598
JWB 2007/248
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. R06/151HR

mr. L. Timmerman

Parket 15 mei 2007

Conclusie inzake:

1. [Verzoekster 1]

2. [Verzoeker 2]

3. [Verzoeker 3]

(hierna: [verzoeker] c.s.)

Verzoekers tot cassatie

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2005 zijn de faillissementen uitgesproken ten aanzien van [verzoekster 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [betrokkene 1]. [Verzoekster 1] heeft tot aan de faillissementsdatum een onderneming gedreven die zich richtte op timmermanswerkzaamheden, in het bijzonder het plaatsen van stucwanden en systeemplafonds. [Verzoeker 2 en 3] zijn timmerlieden c.q. plafoneurs, [betrokkene 1] verzorgde de administratie.

1.2 [Verzoeker] c.s. hadden per faillissementsdatum onder meer de beschikking over een vervoermiddel, een bedrijfshal en een werkplaats, waarin zich een aantal roerende zaken (waaronder gereedschappen) bevond. De gereedschappen zijn getaxeerd op € 1.550,-- (liquidatiewaarde) resp. € 2.600,-- (onderhandse verkoopwaarde). De curator heeft aangekondigd deze zaken te gelde te willen maken. [Verzoeker] c.s. hebben hierop bij verzoekschrift van 26 april 2006 de rechter-commissaris gevraagd de curator te verbieden de gereedschappen te verkopen en de curator te gebieden de gereedschappen ter hand te stellen aan [verzoeker 2]. [Verzoeker] c.s. hebben zich hierbij beroepen op de artt. 21 Fw jo. 447 Rv, waarin - kort gezegd - is bepaald dat persoonlijke gereedschappen van ambachtslieden buiten het faillissementsvermogen vallen.

1.3 De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 21 juni 2006 dit verzoek van [verzoeker] c.s. afgewezen. Hierbij was de rechter-commissaris van oordeel dat alleen die zaken buiten het faillissementsbeslag (in de zin van de artt. 21 Fw jo. 447 Rv) vallen die ambachtslieden nodig hebben om met hun arbeid een zodanig inkomen te verwerven dat zij voor de lopende kosten van het bestaan nog juist genoeg in handen krijgen. Naar het oordeel van de rechter-commissaris kan [betrokkene 1] niet worden aangemerkt als ambachts-/werkvrouw in de zin van de bedoelde wetgeving. Verder heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat [verzoeker 3] al een baan heeft gevonden waarvoor hij geen eigen gereedschap nodig heeft, en heeft [verzoeker 2] ter zitting aangegeven dat het voor hem geen enkel probleem zal zijn om op korte termijn, net als [verzoeker 3], als timmerman/plafonneur een betrekking te vinden waarbij hij geen eigen gereedschappen hoeft mee te brengen. Hieruit heeft de rechter-commissaris de conclusie getrokken dat [verzoeker 3] en sr. ook zonder het bezit van de litigieuze gereedschappen in staat zijn om met hun ambacht de kost te verdienen.

1.4 Bij verzoekschrift van 26 juni 2006 zijn [verzoeker] c.s. in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechter-commissaris en hebben zij de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de curator te verbieden de in beslag genomen gereedschappen te verkopen en de curator te gebieden de gereedschappen ter hand te stellen aan [verzoeker 2] De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 juli 2006.

1.5 Bij beschikking van 26 oktober 2006 heeft de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd en de vorderingen van [verzoeker] c.s. afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat, indien een ambachtsman of werkman stopt als zelfstandige en in loondienst gaat werken, hij geen beroep meer kan doen op voormelde in art. 21 sub 1 Fw jo. 447 sub 2 Rv bedoelde bescherming ten aanzien van de gereedschappen (rov. 9).

1.6 [Verzoeker] c.s. hebben tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank(2).

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt zich met twee klachten tegen de overwegingen van de rechtbank in rov. 9 en betoogt dat deze overwegingen van de rechtbank getuigen van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de artt. 21 Fw jo. 447 Rv, athans onbegrijpelijk ofwel onvoldoende gemotiveerd is.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.2 De curator heeft in het verweerschrift betoogt dat [verzoekster 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep wegens gemis aan belang omdat de vennootschap geen ambachtsman of werkman is in de zin van de artt. 21 Fw jo. 447 Rv en daarom geen beroep toekomt op het beslagverbod in deze artikelen. Naar mijn mening gaat dit betoog op en komt de vennootschap geen beroep toe op de bescherming van het beslagverbod. De woorden 'ambachtslieden en werklieden' in art. 447 Rv worden door de Hoge Raad beperkt uitgelegd. Daaronder zijn slechts te verstaan zij die voor hun levensonderhoud van hun lichamelijke arbeid afhankelijk zijn en derhalve door uitwinning van hun gereedschap gevaar zouden lopen niet meer in dit levensonderhoud te kunnen voorzien.(3) Een vennootschap onder firma kan dan ook, mijns inziens, geen beroep doen op het beslagverbod in de bovengenoemde artikelen.

Nog een opmerking vooraf

2.3 In cassatie kan als onbestreden worden aangenomen dat de gereedschappen niet behoren tot het persoonlijk vermogen van [verzoeker 2] of [verzoeker 3], alle gereedschappen behoren tot het afgescheiden vermogen van de v.o.f. In feitelijke instanties hebben [verzoeker 2 en 3] immers nimmer betoogd dat de litigieuze gereedschappen behoren tot het persoonlijk vermogen van één van beiden. [Verzoeker 2 en 3] hebben net als [betrokkene 1] ieder voor 1/3 deel recht op de waarde van de onverdeelde gereedschappen uit de boedel van de v.o.f. Naar mijn mening valt dit vermogensrecht niet onder het begrip 'gereedschappen' in art. 447 Rv. Naar mijn mening dient het begrip gereedschappen van ambachtlieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behorende, zoals bedoeld in art. 447 Rv, restrictief te worden uitgelegd, gezien de uitzondering die dit beslagverbod vormt op de algemene regel (in art. 3:276 BW) dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor de voldoening van zijn schulden en kan onder dit begrip niet worden verstaan het 1/3 aandeel in de onverdeelde gereedschappen van de v.o.f.(4) De curator heeft zich ook primair op dit standpunt gesteld in eerste aanleg(5). De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking van 21 juni 2006 geoordeeld dat ook een constellatie als de onderhavige, waarbij het ambacht in v.o.f.-verband wordt verricht, onder het bereik van het beslagverbod in art. 447 Rv valt. In haar zienswijze in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft de curator met betrekking tot het gereedschap verwezen naar haar standpunt in de brief van 14 juni 2006 en de rechtbank verzocht haar verweren in eerste aanleg als herhaald en ingelast te beschouwen(6). De curator heeft haar primaire verweer in hoger beroep dan ook niet prijsgegeven. De rechtbank heeft dit verweer van de curator in hoger beroep onbesproken gelaten en de vordering van gefailleerden op andere gronden afgewezen. Ik laat deze kwestie buiten beschouwing, omdat het cassatieberoep mijns inziens op andere gronden afgewezen dient te worden.

Behandeling van het cassatieverzoek

2.4 De rechtbank heeft in rov. 9 als volgt overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat, indien een ambachtsman of werkman stopt als zelfstandige en in loondienst gaat werken, hij geen beroep meer kan doen op voormelde in art. 21 sub 1 Fw jo. 447 sub 2 Rv bedoelde bescherming ten aanzien van de gereedschappen. Immers, vanaf dat moment kan niet meer gezegd worden dat het behoud van die gereedschappen voor de gefailleerden noodzakelijk is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het enkele voornemen om in de toekomst na het einde van het faillissement (in casu eventueel na het einde van de wettelijke schuldsaneringsregeling, nu gefailleerde reeds verzocht hebben hun faillissement in een schuldsaneringsregeling om te zetten) wederom als zelfstandige aan het werk te gaan, wordt naar het oordeel van de rechtbank niet beschermd door art. 21 sub 1 Fw, jo. 447 sub 2 Rv.

Hierbij moet worden opgemerkt dat, gezien de werking van art. 20 Fw het faillissementsbeslag een voortschrijdend proces is. Het faillissement(sbeslag) omvat ook alle tijdens het faillissement aan de gefailleerde opkomende activa. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit in art. 20 Fw vastgelegd beginsel, mede gezien art. 21 Fw, met zich mee dat vanaf het moment dat bedoelde gereedschappen niet meer noodzakelijk zijn voor gefailleerde om in zijn levensonderhoud te voorzien, deze alsnog onder het faillissementsbeslag vallen. Het andersluidende standpunt van appelanten moet daarom als niet op de wet gegrond worden verworpen."

Klacht I

2.5 In cassatie wordt geklaagd dat de rechtbank door aldus te oordelen (in rov. 9) heeft miskend dat de vraag of bepaalde goederen die toebehoren aan de failliet al dan niet in het faillissement vallen, moet worden beantwoord aan de hand van de situatie die zich voordeed ten tijde van de faillissementsuitspraak. Betoogd wordt dat de rechtbank heeft miskend dat goederen die op het moment waarop een ambachtsman of handwerkman failliet werd verklaard werden aangemerkt als gereedschappen in de zin van art. 447 sub 2 Rv (en als zodanig op grond van art. 21 sub 1 Fw buiten het faillissement vallen) niet als gevolg van latere gebeurtenissen alsnog tot de failliete boedel gaan behoren.

2.6 Naar mijn mening wordt deze rechtsklacht tevergeefs voorgesteld. Art. 20 Fw bepaalt dat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring omvat, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. In art. 21 Fw worden enkele uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Eén van deze uitzonderingen betreft de zaken vermeld in art. 447 lid 2 Rv: de, tot hun persoonlijke bedrijf behorende, gereedschappen van ambachtslieden en werklieden. Deze gereedschappen vallen dus op grond van art. 21 Fw jo. art. 447 lid 2 Rv buiten het faillissementsbeslag. Het moment van faillietverklaring is dan ook bepalend voor de vraag of dit beslagverbod van toepassing is. Indien op de faillissementsdatum de gereedschappen aangemerkt kunnen worden als gereedschappen in de zin van art. 447 lid 2 Rv en de gefailleerde als ambachtsman of werkman in de zin van art. 447 lid 2 Rv, dan treedt het beslagverbod in werking en vallen de gereedschappen buiten de faillissementsboedel. Nu feitelijk vaststaat dat [verzoeker 3] en [verzoeker 2] aan eigen gereedschappen geen behoefte hebben voor het voorzien in levensonderhoud, nu zij beiden in loondienst zijn getreden (zie de rov. 10 en 11 van het bestreden vonnis), is aan de voorwaarde voor het intreden van het beslagverbod niet voldaan.

2.7 Het oordeel van de rechtbank in rov. 9 van de bestreden beschikking, dat zodra de gefailleerde de gereedschappen niet meer nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien deze alsnog onder het faillissementsbeslag vallen omdat hij geacht moet worden de gereedschappen te hebben verworven tijdens het faillissement, heeft mijns inziens geen dragende betekenis. De rechtbank overweegt immers: "Hierbij moet worden opgemerkt". Ik laat dit oordeel dan ook verder buiten beschouwing.

Klacht II

2.8 Het cassatiemiddel betoogt verder dat het oordeel van de rechtbank (in rov. 9), dat het voornemen van [verzoeker 2 en 3] om na de afwikkeling van het faillissement wederom als zelfstandig werkende timmerlieden aan het werk te gaan niet valt onder de bescherming van art. 21 sub 1 Fw jo. 447 sub 2 Rv, onjuist is, dan wel onvoldoende gemotiveerd is, in het licht van de bedoeling van de wetgever bij art. 21 Fw. Betoogd wordt dat de wetgever bij het ontwerp van art. 21 Fw uitdrukkelijk heeft beoogd de failliete handwerkman in de gelegenheid te stellen om ook na afwikkeling van het faillissement met behulp van zijn, buiten het faillissement blijvende, gereedschappen te blijven voorzien in zijn eigen levensonderhoud. Hierbij wordt verwezen naar de volgende passage in de memorie van toelichting op art. 21 Fw:

"Hoewel moet worden vastgehouden aan het beginsel dat het faillissement is een algemeen beslag, een beslag op het geheele vermogen van den schuldenaar, kan toch niet ontveinsd worden dat dit beginsel, streng toegepast, voert tot een ongewenschte en onnodige hardheid jegens den schuldenaar. Het strookt noch met de belangen van de schuldeischers, noch met die van de maatschappij den schuldenaar van alles te berooven. Hem uit zijne wooning te zetten, hem alle huisraad te ontnemen, tot de laatste penning van hem op te eischen, is het zekerste middel om hem voor goed tot den bedelstaf te brengen, en tevens voor schuldeischers alle kans te doen verloren gaan om na de insolventie, hetgeen zij dan nog tekort komen, ooit terug te zien. De humaniteit eischt, dat de schuldenaar bij alle noodzakelijke gestrengheid toch menschelijk worde behandeld; het welbegrepen belang van de schuldeischers wordt gediend, indien men den schuldenaar de mogelijkheid laat zijn eigen kost te verdienen en later nog weer eens tot welstand te komen; het belang van de maatschappij vordert dat de schuldenaar niet armlastig worde of in verzoeking kome op oneerlijk wijze zich een levensonderhoud te verschaffen."

2.9 Naar mijn mening getuigt het oordeel van de rechtbank, dat het enkele voornemen om na het einde van het faillissement wederom als zelfstandige aan het werk te gaan niet wordt beschermd door het beslagverbod in de artt. 21 Fw jo. 447 Rv, niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Uit de aangehaalde passage in de memorie van toelichting op art. 21 Fw is niet af te leiden dat de wetgever tot doel heeft gehad om, door middel van het beslagverbod op de gereedschappen van ambachtslieden, de failliete handwerkman in de gelegenheid te stellen om ook na het faillissement, als zelfstandige, in zijn eigen levensonderhoud te blijven voorzien. Het doel dat de wetgever beoogt te beschermen is het maatschappelijk belang dat gediend is bij het in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien van de gefailleerde, zowel gedurende als na het faillissement. In dit kader moet dan ook opgemerkt worden dat het beslagverbod in art. 447 lid 2 Rv een sterk verouderd karakter heeft omdat de meeste hedendaagse ambachtslieden en werklieden ook zonder persoonlijk gereedschap in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien door middel van een betaalde dienstbetrekking(7). In HR 14 juni 1991, NJ 1991, 631 deed een arts een beroep op het beslagverbod in art. 447 Rv met de stelling dat hij zijn apparatuur nodig had om zich inkomsten uit zijn praktijk te kunnen blijven verwerven. De Hoge Raad heeft dit beroep afgewezen en geoordeeld dat een arts, gezien zijn opleiding en maatschappelijke mogelijkheden, niet valt onder de bescherming van art. 447 Rv. Naar het oordeel van de Hoge Raad moet het begrip "ambachtlieden en werklieden" beperkt worden uitgelegd in die zin dat daaronder slechts zij vallen die voor hun levensonderhoud van hun lichamelijke arbeid afhankelijk zijn en derhalve door uitwinning van hun gereedschap gevaar zouden lopen niet meer in dit levensonderhoud te kunnen voorzien. Hieruit kan worden opgemaakt dat het beslagverbod in de artt. 21 Fw jo. art. 447 Rv zeer restrictief moet worden toegepast. Het belang van [verzoeker 2 en 3] om na faillissement als zelfstandige timmerlieden weer in hun levensonderhoud te voorzien valt, mijns inziens, dan ook niet onder de bescherming die art. 21 beoogt te bieden aan de gefailleerde.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster 1] en voor het overige tot verwerping van het cassatieverzoek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals vastgesteld in de beschikking van de rechter-commissaris van 21 juni 2006.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 6 november 2006 ter griffie ontvangen; de bestreden beschikking is van 26 oktober 2006.

3 Zie HR 14 juni 1991, NJ 1991, 631.

4 Zie bijv. aant. 2 op art. 447 Rv in de Losbladige Kluwer Burgerlijke Rechtsvordering.

5 Zie de brief van de curator d.d. 14 juni 2006 op p. 2.

6 Zie de brief van de curator d.d. 6 juli 2006 op p. 3.

7 Zie bijv. onderdeel 3.2 van de conclusie A-G bij HR 14 juni 1991, NJ 1991, 631.