Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5800

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
C06/110HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; geschil tussen voormalige echtelieden over verdeling van ontbonden huwelijksgemeenschap; voldoende geconcretiseerd en gespecificeerd bewijsaanbod in appel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 621
RvdW 2007, 811
NJ 2007, 524
RFR 2007, 121
NJB 2007, 1964
FJR 2008, 49
JWB 2007/309

Conclusie

Rolnr. C06/110HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 25 mei 2007

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze procedure, hierna: de man en de vrouw, zijn op 20 augustus 1991 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 2 november 2000 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 22 februari 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. In de onderhavige procedure, ingeleid bij dagvaarding van 30 mei 2002 voor de rechtbank Roermond, heeft de man verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap gevorderd. Voor zover thans in cassatie nog van belang houden twee kwesties partijen verdeeld. In de eerste plaats de vraag of de man gelden van zijn vader heeft geleend die nog moeten worden terugbetaald, en in de tweede plaats de vraag of gelden die door de vader van de vrouw zijn geschonken alsnog in de verdeling moeten worden betrokken. Partijen gaan er beiden vanuit dat als peildatum voor de waardebepaling bij de verdeling heeft te gelden 1 februari 2000, de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan (zie r.o. 4.3 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 5.5 van het tussenvonnis van 7 mei 2003 van de rechtbank).

3. Wat de eerstbedoelde kwestie betreft, heeft de man gesteld dat hij van zijn vader een bedrag van in totaal f 24.920,- (thans Euro 11.308,20) heeft geleend. Ten bewijze daarvan heeft de man onder meer twee door hemzelf en zijn vader ondertekende verklaringen d.d. 13 maart 1998 en 13 februari 1998 in het geding gebracht (productie 1a en 1b bij conclusie van repliek), waarin zijn vader verklaart dat hij aan de man renteloos bedragen van f 15.246,- resp. f 9.674,- heeft geleend, welke bedragen aan hem moeten worden terugbetaald zodra de man daartoe in staat is. De vrouw heeft het bestaan van de leningen betwist.

4. Wat de tweede kwestie betreft, heeft de man gesteld dat de vader van de vrouw een bedrag van f 25.000,- heeft geschonken, en dat de vrouw een groot gedeelte van dat geld, te weten f 18.500,-, bij haar vertrek uit de echtelijke woning heeft meegenomen. De vrouw heeft erkend dat haar vader tijdens het huwelijk inderdaad een bedrag van f 25.000,-, telkens in gedeelten, ter beschikking heeft gesteld. Zij heeft evenwel aangevoerd dat de geschonken bedragen op de peildatum voor de verdeling geheel waren verteerd omdat zij de bedragen heeft aangewend ter voldoening van schulden en ter voorziening in de kosten van de huishouding.

5. De rechtbank heeft bij (tussen)vonnis van 7 mei 2003 ten aanzien van de eerstbedoelde kwestie (de gestelde geldleningen door de vader van de man) de man in het gelijk gesteld. De rechtbank was van oordeel dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft weersproken, zodat het bestaan van de leningen rechtens als vaststaand moet worden aangemerkt en het totaalbedrag van de leningen in de verdeling dient te worden betrokken (r.o. 5.1). Ten aanzien van de tweede kwestie (de schenking door de vader van de vrouw) heeft de rechtbank de vrouw in het gelijk gesteld. De rechtbank oordeelde dat het op de weg van de man lag zijn stelling dat de vrouw een groot gedeelte van dat geld bij haar vertrek uit de echtelijke woning heeft meegenomen tegenover de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting door de vrouw te bewijzen, dat de man op dit punt echter geen (voldoende concreet) bewijs heeft aangeboden, en dat dus als vaststaand moet worden aangenomen dat de geschonken bedragen zijn verteerd, zodat de schenking niet meer in de verdeling behoeft te worden betrokken (r.o. 5.8).

6. De man is in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij richtte (onder meer) een grief tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het geschilpunt over de schenking door de vader van de vrouw (grief 4 in het principaal beroep). De vrouw stelde incidenteel hoger beroep in en richtte (onder meer) een grief tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het geschilpunt over de gestelde leningen door de vader van de man (grief 1 in het incidenteel beroep).

7. Bij arrest van 6 december 2005 heeft het hof ten aanzien van de kwestie van de schenking door de vader van de vrouw de grief van de man verworpen. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 4.11):

"Gelet op enerzijds de (geringe) inkomsten van de gemeenschap in het tijdvak tot de peildatum en anderzijds de omvang van de op die datum openstaande schulden is het hof van oordeel dat voorshands als vaststaand kan worden aangenomen dat op de peildatum de geschonken bedragen inderdaad waren verteerd. De man heeft slechts in algemene termen bewijs aangeboden. De bewijsaanbod is zodanig weinig concreet dat het hof geen gronden aanwezig acht hem toe te laten tot bewijslevering."

8. Ten aanzien van de kwestie van de gestelde leningen door de vader van de man heeft het hof de grief van de vrouw gegrond geoordeeld. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 4.20):

"De bewijslast van het bestaan van de overeenkomst(en) van geldlening rust op de man. De man beroept zich op een tweetal tussen hem en zijn vader opgemaakte onderhandse akten, waarin zijn vader verklaart dat hij deze gelden ter leen heeft verstrekt. De vrouw betwist deze verklaringen. Deze akten leveren ten opzichte van de vrouw - die daarbij geen partij is - geen dwingend bewijs op van de waarheid van de daarin opgenomen verklaringen, zodat het bestaan van de geldlening(en) behoudens door de man te leveren aanvullend bewijs niet is komen vast te staan. Dit aanvullend bewijs ontbreekt en de man heeft op dit punt geen specifiek bewijsaanbod gedaan."

9. De man is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een twee middelen, die door de vrouw zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

10. Middel I neemt stelling tegen het oordeel van het hof ten aanzien van de kwestie van de gestelde geldlening door de vader van de man, middel II tegen het oordeel van het hof inzake de kwestie van de schenking door de vader van de vrouw. Beide middelen klagen dat het hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, aan het bewijsaanbod van de man als niet gespecificeerd dan wel als te weinig concreet is voorbijgegaan. Zij betogen dat de man in hoger beroep weliswaar een algemeen bewijsaanbod heeft gedaan (memorie van grieven, blz. 5), maar dat het door de man in eerste aanleg gedane specifieke bewijsaanbod (inleidende dagvaarding, onder 17) door de verwijzing in de inleidende alinea van de memorie van grieven naar hetgeen de man in eerste aanleg had aangevoerd ook in hoger beroep geacht moet worden te zijn gedaan. Hoewel het in eerste aanleg gedane bewijsaanbod alleen vermeldt wie als getuigen kunnen worden gehoord (onder anderen de vader van de man en de man zelf) en niet met zoveel woorden aangeeft wat die getuigen zouden kunnen verklaren, spreekt het niettemin vanzelf dat de vader van de man als getuige zijn schriftelijke verklaringen met betrekking tot de geldleningen kan bevestigen (middel I) en dat de man als (partij)getuige zijn stellingen omtrent de geldleningen en omtrent het overgespaarde deel van de schenkingen van de vader van de vrouw kan bevestigen (middel II). Ik lees in de middelen geen klacht tegen het oordeel van het hof dat in beide gevallen aan het bewijsaanbod van de man de eis moet worden gesteld dat het voldoende is gespecificeerd.

11. Bij de beoordeling van de middelen dient in het voetspoor van HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 nt. DA het volgende tot uitgangspunt te worden genomen. Ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv moet een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.

12. In het onderhavige geval blijkt uit de gedingstukken dat de man in hoger beroep een aanbod van bewijs door getuigen heeft gedaan (memorie van grieven, blz. 5). Dit aanbod is niet gespecificeerd, nu de te bewijzen stellingen of de te horen getuigen niet worden vermeld. In eerste aanleg heeft de man een aanbod van bewijs door getuigen gedaan dat in zoverre is gespecificeerd dat wordt aangegeven welke getuigen kunnen worden gehoord, onder wie de vader van de man en de man zelf (inleidende dagvaarding, onder 17). In eerste aanleg is de rechtbank aan het horen van getuigen niet toegekomen; wat de kwestie van de geldleningen door de vader van de man betreft niet, omdat de rechtbank de stellingen van de man op dit punt reeds wegens onvoldoende betwisting door de vrouw als vaststaand heeft aangenomen (r.o. 5.1 van het vonnis van 7 mei 2003), en wat de kwestie van het overgespaarde gedeelte op de schenking van de vader van de vrouw betreft niet, omdat de rechtbank van oordeel was dat de man geen (voldoende concreet) bewijs van zijn stellingen heeft aangeboden, terwijl er bovendien geen enkele aanwijzing is voor de juistheid van de stellingen van de man (r.o. 5.8 van het vonnis van 7 mei 2003).

13. In hoger beroep heeft het hof met betrekking tot de kwestie van de gestelde geldleningen door de vader van de man geoordeeld dat de twee door de man overgelegde opgemaakte onderhandse akten, waarin de vader verklaart dat hij gelden ter leen heeft verstrekt, ten opzichte van de vrouw geen dwingend bewijs van de waarheid van de daarin opgenomen verklaringen oplevert, zodat het bestaan van de geldlening(en) behoudens door de man te leveren aanvullend bewijs niet is komen vast te staan, nu aanvullend bewijs ontbreekt en de man op dit punt geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan.

14. Het oordeel van het hof dat de man op dit punt geen specifiek bewijs heeft aangeboden, wordt door middel I m.i. terecht bestreden. Het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk.

15. Het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat het door de man in eerste aanleg gedane en in hoger beroep als herhaald te beschouwen bewijsaanbod niet voldoende is gespecificeerd. Het bewijsaanbod vermeldt weliswaar niet de stellingen van de man waarop het betrekking heeft, maar het specificeert wel de getuigen die kunnen worden gehoord, onder wie de vader van de man. Gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat de man reeds schriftelijke verklaringen van de vader had overgelegd met betrekking tot de door de man gestelde leningen, alsmede de omstandigheid dat uit het debat van partijen met betrekking tot de andere geschilpunten duidelijk is dat de man de vader alleen als getuige heeft aangemeld met het oog op hetgeen deze zou kunnen verklaren over de kwestie van de geldleningen, is het bewijsaanbod in het licht van de hierboven onder 11 bedoelde maatstaven als voldoende gespecificeerd aan te merken.

16. Voor zover het hof wel van de juiste maatstaven is uitgegaan, doch heeft gemeend dat de man in hoger beroep enkel het algemene bewijsaanbod heeft gedaan, zoals verwoord op blz. 5 van de memorie van grieven, en niet geacht kan worden te hebben volhard bij zijn in eerste aanleg gedane bewijsaanbod, is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk. De man heeft immers in de aanhef van zijn memorie van grieven aangegeven dat de inhoud van de zijdens hem genomen stukken in eerste aanleg als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd en dat hij hetgeen in eerste aanleg namens hem is aangevoerd, handhaaft. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom deze verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg door de man naar voren was gebracht, niet geacht kan worden mede betrekking te hebben op het door de man in eerste aanleg gedane bewijsaanbod. Ook zonder deze verwijzing is overigens niet begrijpelijk waarom het hof niet alsnog het door de man in eerste aanleg gedane bewijsaanbod onder ogen heeft gezien, nu de rechtbank zonder bewijsopdracht te hebben bevolen de stellingen van de man als juist heeft aanvaard (en dus aan het bewijsaanbod van de man niet was toegekomen), terwijl het hof die stellingen nu juist niet bewezen achtte.

17. Middel II is echter tevergeefs voorgesteld. Weliswaar heeft de man bij zijn bewijsaanbod in eerste aanleg onder anderen zichzelf als te horen getuige genoemd, maar anders dan bij de kwestie van de geldleningen door de vader van de man, kan niet gezegd worden dat daarmee tevens duidelijk is op welke van zijn stellingen dit aanbod tot het horen van de man als getuige betrekking heeft. Ook de rechtbank was (daarom) reeds van oordeel dat de man op dit punt geen (voldoende concreet) bewijs heeft aangeboden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de man het hoger beroep heeft aangegrepen om zijn bewijsaanbod op dit punt nader te specificeren (het middel noemt ook geen vindplaatsen), zodat zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht tegen 's hofs oordeel dat het bewijsaanbod van de man te weinig concreet is, faalt.

18. Voor zover middel II voorts nog de klacht inhoudt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat voorshands als vaststaand kan worden aangenomen dat op de peildatum (1 februari 2000) de door de vader van de vrouw geschonken bedragen waren verteerd, kan het evenmin doel treffen. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op "enerzijds de (geringe) inkomsten van de gemeenschap in het tijdvak tot de peildatum en anderzijds de omvang van de op die datum openstaande schulden". In dit licht is niet onbegrijpelijk dat het hof ervan is uitgegaan dat voorshands kan worden aangenomen dat ook het op 4 januari 2000 door de vader van de vrouw geschonken bedrag (groot f 5.000,-) op 1 februari 2000 reeds was opgesoupeerd.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden