Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5798

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
C06/061HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Koop-/aannemingsovereenkomst inzake ontwikkeling vakantiepark; recht op parkbijdrage van de exploitant kwalitatief recht in de zin van art. 6:251 BW?; onvoldoende motivering oordeel dat het voor toepasselijkheid van art. 6:251 BW vereiste verband bestaat tussen het recht op voldoening van de parkbijdrage en de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2007/264
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C06/061HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 25 mei 2007

Conclusie inzake

Vakantiepark Zeebad B.V.

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

Inleiding

1. Het gaat in de onderhavige zaak - evenals in de zaak met rolnummer C06/035HR waarin tevens heden conclusie wordt genomen - in cassatie om de vraag of de "parkbijdrage" van f 1.750,- per jaar die de individuele eigenaren van de vakantiebungalows in het recreatiepark Scheldeveste - bestaande uit 210 kavels met recreatiebungalows en uit gemeenschappelijke voorzieningen (zoals wegen en groenvoorzieningen) - uit hoofde van de met Bij de Vaate Recreatie Zeeland B.V. (verder: Bij de Vaate) gesloten koop-/aannemingsovereenkomsten verschuldigd zijn ter zake van de exploitatie van de gemeenschappelijke voorzieningen, een aan de eigendom van deze voorzieningen verbonden kwalitatief recht is in de zin van art. 6:251 BW. In geval van bevestigende beantwoording van deze vraag is de slotsom dat het recht op de parkbijdragen met de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen is overgegaan op B.V. Zeebad Breskens (verder: Zeebad Breskens of ZBB) aan wie Bij de Vaate de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen heeft geleverd en vervolgens op thans eiseres tot cassatie, verder: Vakantiepark of Vakantiepark Zeebad, aan wie Zeebad Breskens op haar beurt de eigendom heeft overgedragen. Deze vraag is aan de orde omdat Vakantiepark is geconfronteerd met de weigering van individuele eigenaren tot betaling van de parkbijdragen. In de onderhavige zaak vordert Vakantiepark van een aantal "weigerachtige" eigenaren de parkbijdrage, zich daarbij onder meer op het standpunt stellende dat de parkbijdrage als kwalitatief recht op haar is overgegaan met de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen. In deze zaak heeft het hof te 's-Gravenhage in een tussenarrest geoordeeld dat de parkbijdrage niet een kwalitatief recht is in de zin van art. 6:251 BW. In de zaak met rolnummer C06/035HR spreekt Vakantiepark - aan wie Zeebad Breskens haar rechten heeft gecedeerd - Bij de Vaate en [de notaris] aan wegens wanprestatie en onrechtmatige daad, zich daarbij op het standpunt stellende dat het recht op de parkbijdrage in strijd met de gemaakte afspraken niet op Zeebad Breskens is overgegaan; in die zaak heeft het hof te 's-Gravenhage - in een andere samenstelling - geoordeeld dat de parkbijdrage wél een kwalitatief recht is in de zin van art. 6:251 BW en heeft het de vorderingen van Vakantiepark afgewezen. Door Vakantiepark, die opmerkt dat de uitkomst "wat kafkaësks" heeft, is in beide zaken cassatieberoep ingesteld. In de onderhavige zaak - waarin zij verlof tot het instellen van tussentijds beroep heeft verkregen - bestrijdt zij het oordeel dat de parkbijdrage geen kwalitatief recht is; in de zaak met rolnummer C06/035HR bestrijdt zij het oordeel dat de parkbijdrage wel een kwalitatief recht is. Zij heeft rolvoeging van beide zaken gevraagd. Uw Raad heeft dat verzoek gehonoreerd.

2. In deze zaak moet in cassatie worden uitgegaan van de volgende feiten (zie het bestreden arrest van het hof, p. 1 onder "Beoordeling van het hoger beroep", waarin wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het vonnis in eerste aanleg, en waarin voorts nog een aantal aanvullende feiten wordt vastgesteld):

i) Verweerders in cassatie, verder gezamenlijk aan te duiden als: "[verweerder] c.s.", zijn eigenaar van één van de 210 kavels in Vakantiepark Scheldeveste te Breskens. Op de kavels staan vakantiewoningen. De kavels waren in het verleden eigendom van Bij de Vaate. Op grond van koop-/aannemingsovereenkomsten heeft Bij de Vaate de kavels geleverd aan de kopers en heeft zij op de kavels vakantiewoningen gebouwd. Op die overeenkomsten zijn van toepassing de algemene voorwaarden, vastgelegd bij notariële akte van 5 juli 1996. Deze voorwaarden houden onder meer in:

"III. Bepalingen omtrent het gebruik van de te stichten woningen.

1. De kopers van de woning zijn verplicht om hun woning aan te sluiten en aangesloten te blijven houden op de door Bij de Vaate dan wel een door Bij de Vaate op te richten exploitatiemaatschappij, aan te leggen antenne-inrichting. Bij de Vaate en/of de door Bij de Vaate op te richten exploitatiemaatschappij, hierna te noemen: exploitant.

(...)

3. Huisafval en andere afvalstoffen zullen door de eigenaren casu quo hun gebruikers slechts mogen worden gedeponeerd in de daarvoor door exploitant neergezette en daartoe bestemde containers.

Het is niet toegestaan om deze afvalstoffen te deponeren op eigen terrein, dan wel aan de straatzijde.

(...)

5. De eigenaren zijn verplicht om hun huis, eventuele oevers, tuin cum annexis als goed huisvader te onderhouden en te beheren.

(...)

7. De eigenaren zijn verplicht om gas, water en electriciteit af te nemen van het in het park aanwezige net.

(...)

IV. Verplichtingen exploitant

"1. Exploitant verplicht zich om de toegangswegen en de overige gemeenschappelijke voorzieningen behoorlijk te onderhouden en hun toegankelijkheid te waarborgen.

2. Zij zal zorgdragen voor een goede radio- en televisie ontvangst via een antenne-inrichting.

3. Zij zal zorgdragen voor voldoende afvoer van de afvalstoffen, alsmede rioolafvoer.

4. Zij zal zorgdragen voor het onderhoud van de waterpartijen en deze zoveel mogelijk in stand houden.

5. Iedere eigenaar heeft toegang tot het door exploitant te stichten zwembad.

De koper zal ter vergoeding van deze diensten jaarlijks aan de exploitant verschuldigd zijn een parkbijdrage van éénduizend zevenhonderdvijftig gulden (f. 1.750,--), exclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting.

Dit bedrag zal jaarlijks worden aangepast overeenkomstig de verhogingen of verlagingen van de Consumentenprijsindexcijfers (CPI) - Alle Huishoudens, waarbij als basis zal gelden het jaar negentienhonderd zesennegentig.

Deze bijdrage zal jaarlijks dienen te worden voldaan uiterlijk één april van het betreffende jaar.

(...)

VII. Overige bepalingen

Indien Bij de Vaate (voor de levering van de afzonderlijke bouwkavels aan de kopers) afspraken maakt met de gemeente Oostburg dat er geen Vereniging van Eigenaren als bedoeld in de hiervoor omschreven exploitatie-overeenkomst wordt opgericht, gelden de navolgende bepalingen:

(...)

3. Zodra Bij de Vaate of een met haar verbonden vennootschap de exploitatie van de gemeenschappelijke zaken niet meer voor haar rekening neemt, zijn alle eigenaren of beperkt zakelijk gerechtigden verplicht om mee te werken aan de oprichting van een Vereniging van Eigenaren ten behoeve van het ordelijk in stand houden van het plan en van deze vereniging lid te worden en te blijven.

Het niet nakomen van deze verplichting houdt in dat de betreffende persoon een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van éénhonderdduizend gulden (f. 100.000,-) per perceel dat hij in eigendom heeft of daarop een zakelijk genotsrecht heeft.

(...)

6. Deze op te richten vereniging zal verplicht zijn om alle infrastructurele zaken in het plangebied over te nemen voor één gulden (f. 1,--), terwijl Bij de Vaate zich verplicht aan deze levering mee te werken.

(...)"

ii) Bij overeenkomst van 26 november 1996 heeft Bij de Vaate aan Zeebad Breskens onder meer verkocht de wegen, water- en groenvoorzieningen (hierna ook te noemen: de infrastructuur of de gemeenschappelijke voorzieningen) van het bungalowpark "Scheldeveste"; daarbij is tevens overeengekomen dat na toestemming van de gemeente het totale parkbeheer toekomt aan Zeebad Breskens en dat Zeebad Breskens daarvoor een bedrag ad f 1.750,- exclusief omzetbelasting op jaarbasis in rekening zal brengen per bungalow.

iii) Bij de overgelegde stukken bevinden zich twee leveringsakten, gedateerd 2 november 1999, die betrekking hebben op de overdracht van de eigendom van onder meer de infrastructuur door Bij de Vaate aan Zeebad Breskens en door Zeebad Breskens aan Vakantiepark.

iv) Uit een notariële akte van 17 juli 2003 blijkt dat Rebel Beheer Zeeland B.V. op 27 december 2000 de eigendom van de infrastructuur van bungalowpark Scheldeveste heeft verkregen en dat zij deze bij de akte van 17 juli 2003 (weer) aan Vakantiepark heeft overgedragen.

3. Vakantiepark heeft [verweerder] c.s. bij inleidende dagvaarding van 28 november 2003 gedagvaard voor de rechtbank Middelburg, sector kanton, en daarbij gevorderd [verweerder] c.s. - hoofdelijk - te veroordelen tot betaling van de parkbijdragen over de jaren 2001 tot en met 2003 ten bedrage van in totaal € 3.097,32, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten. Vakantiepark heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] c.s. in hun hoedanigheid van eigenaar van een vakantievilla in Vakantiepark Scheldeveste de in de algemene voorwaarden d.d. 5 juli 1996 bepaalde parkbijdrage zijn verschuldigd aan de eigenaar en feitelijke exploitant van de gemeenschappelijke voorzieningen van Scheldeveste, in casu Vakantiepark aan wie deze rechten zijn verkocht en overgedragen, al dan niet in het kader van contractsoverneming ex art. 6:159 BW. Subsidiair heeft zij zich op ongerechtvaardigde verrijking beroepen, stellende dat [verweerder] c.s. de in het kader van de exploitatie verrichte diensten heeft afgenomen en daardoor ten koste van Vakantiepark is verrijkt tot een bedrag gelijk aan de parkbijdrage.

4. [Verweerder] c.s. hebben verweer gevoerd. Zij hebben betoogd dat van contractsoverneming geen sprake is nu voor contractsovername de instemming van [verweerder] c.s. is vereist en deze niet is gegeven. Voorts hebben [verweerder] c.s. aangevoerd dat Vakantiepark de infrastructuur op onrechtmatige wijze in eigendom heeft verkregen, aangezien op Bij de Vaate de verplichting rustte en nog rust om bij staking van de exploitatie van de gezamenlijke voorzieningen van het park, deze voorzieningen tegen een bedrag van f 1,- over te dragen aan een daartoe op te richten vereniging van eigenaren. Zij hebben betoogd dat Vakantiepark jegens [verweerder] c.s. onrechtmatig handelt door misbruik te maken van de wanprestatie van Bij de Vaate en door niet mee te werken aan de overdacht van die voorzieningen aan de op te richten vereniging van eigenaren. Subsidiair hebben [verweerder] c.s. gesteld dat Vakantiepark haar verplichtingen als exploitante niet is nagekomen.

5. Bij vonnis van 7 april 2004 heeft de rechtbank te Middelburg, sector kanton, de vordering van Vakantiepark - met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten - toegewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen als volgt. Van contractsovername kan geen sprake zijn wegens het ontbreken van de voor contractsoverneming vereiste instemming van [verweerder] c.s.; dat de meerderheid van de woningeigenaren wel met contractsovername heeft ingestemd betekent niet dat [verweerder] c.s. ook instemden of behoorden in te stemmen. Het recht op een overeengekomen parkbijdrage is een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat ingevolge art. 3:94 lid 1 BW wordt geleverd door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar. Vaststaat dat bij overeenkomst van 26 november 1996 Bij de Vaate aan Zeebad Breskens en Zeebad Breskens op haar beurt bij overeenkomst van 2 november 1999 aan Vakantiepark hebben overgedragen de rechten op de parkbijdragen, alsmede dat de verkrijgers van die rechten de parkbijdragen aan de woningeigenaren in rekening hebben gebracht, en dat op deze wijze ook aan [verweerder] c.s. mededeling is gedaan van de leveringen van die rechten. Vakantiepark is derhalve de schuldeiser van [verweerder] c.s. voor wat betreft de gevorderde parkbijdragen. De vraag of Vakantiepark de gemeenschappelijke voorzieningen, het recht op exploitatie daarvan en het recht op inning van de parkbijdragen onrechtmatig heeft verkregen, blijft verder in het midden. Het beroep van [verweerder] c.s. op het opschortingsrecht faalt.

6. Van dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's- Gravenhage. Vakantiepark heeft verweer gevoerd en bij akte het arrest overgelegd dat het hof heeft gewezen in de - hiervoor onder 1 genoemde - zaak van Vakantiepark tegen Zeebad Breskens en [de notaris], waarin het hof heeft geoordeeld dat het recht op de parkbijdragen als kwalitatief recht kan worden aangemerkt.

Bij tussenarrest van 24 november 2005 heeft het hof overwogen dat de leveringsakten van 2 november 1999 niet kunnen worden aangemerkt als akten bestemd tot levering aan Zeebad Breskens (ZBB) onderscheidenlijk Vakantiepark (Vakantiepark Zeebad) van het recht van Bij de Vaate jegens [verweerder] c.s. op betaling van een parkbijdrage van f 1.750,- per jaar in de zin van art. 3:94 lid 1 BW, aangezien deze akten aldus moeten worden begrepen dat deze bestemd zijn om de rechtsverhouding van Bij de Vaate tot [verweerder] c.s. over te dragen aan Zeebad Breskens (ZBB) onderscheidenlijk van Zeebad Breskens aan Vakantiepark (Vakantiepark Zeebad) als bedoeld in art. 6:159 lid 1 BW. Het hof heeft voorts overwogen met de rechtbank van oordeel te zijn dat de rechtsverhouding van Bij de Vaate met [verweerder] c.s. niet aan Zeebad Breskens (ZBB) en derhalve ook niet van Zeebad Breskens (ZBB) aan Vakantiepark (Vakantiepark Zeebad) is overgedragen wegens het ontbreken van de daartoe vereiste toestemming. Daarop heeft het hof overwogen als volgt:

"6. Vakantiepark Zeebad heeft bij akte een arrest van dit hof van 27 september 2005 overgelegd. Voor zover Vakantiepark zich erop beroept dat - in navolging van dat arrest - het recht op de parkbijdragen als een kwalitatief recht kan worden aangemerkt, geldt het volgende.

7. [Verweerder] c.s. hebben tijdens het pleidooi in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het aanvoeren van deze grondslag in een zo laat stadium. Het hof heeft vervolgens gevraagd of er van de zijde van [verweerder] c.s. behoefte bestaat aan aanhouding van de zaak teneinde zich hierover nader uit te laten. Hun raadsman heeft evenwel laten weren daaraan geen behoefte te hebben en zich op het aanvoeren van deze grondslag voldoende te hebben voorbereid. Mede gelet daarop gaat het hof aan het bezwaar voorbij.

8. Op grond van artikel 6:251 BW gaat een uit een overeenkomst voortvloeiend, voor overgang vatbaar recht dat in een zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij het goed behoudt, van rechtswege over op degene die dat goed onder bijzondere titel verkrijgt.

Vakantiepark Zeebad vordert betaling van de parkbijdrage over de jaren 2001 tot en met 2003. Van 27 december 2000 tot 17 juli 2003 was niet Vakantiepark Zeebad, maar Rebel Beheer Zeeland B.V. eigenaar van de infrastructuur. Alleen al om die reden kan geen sprake zijn van overgang aan Vakantiepark Zeebad van het onderhavige recht op betaling als kwalitatief recht, nu als zodanig het recht slechts kan toekomen aan de schuldeiser in zijn "kwaliteit" van eigenaar van de infrastructuur.

De stelling van Vakantiepark Zeebad tijdens het pleidooi in hoger beroep dat Vakantiepark Zeebad en Rebel Beheer Zeeland B.V. gelieerde vennootschappen zijn kan daaraan onvoldoende afdoen.

Voor de periode dat Vakantiepark Zeebad wel eigenaar van de infrastructuur was, geldt naar het oordeel van het hof het volgende.

Zowel uit voormelde, door Vakantiepark zelf gemaakte, splitsing tussen de eigendom van de infrastructuur en de uitvoering van de exploitatie/onderhoudsovereenkomst (en het daaruit voortvloeiende recht op betaling) als uit de tussen Bij de Vaate en [verweerder] c.s. overeengekomen algemene voorwaarden, waarin de betalingsverplichting van de eigenaren wordt vermeld als tegenprestatie voor de te verrichten onderhoudswerkzaamheden en niet direct samenhangt met de eigendom van de infrastructuur, valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat er niet een zodanig verband tussen het uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende recht op betaling en de eigendom van de infrastructuur bestaat dat de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij de eigendom van de infrastructuur behoudt."

Het hof heeft vervolgens overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel [verweerder] c.s. als eigenaren van een bungalow in beginsel ongerechtvaardigd worden verrijkt indien zij profiteren van de door Vakantiepark als exploitant van de gemeenschappelijke voorzieningen/infrastructuur verleende diensten zonder in de daarvoor benodigde kosten bij te dragen. In verband met het verweer van [verweerder] c.s. dat Vakantiepark geen parkbijdrage toekomt omdat [verweerder] c.s. bezwaar hebben tegen het niveau van de dienstverlening, heeft het hof ten slotte de zaak naar de rol verwezen teneinde [verweerder] c.s. in de gelegenheid te stellen bij akte opgave te doen van de naar hun mening ondeugdelijke dienstverlening gedurende de jaren 2001 tot en met 2003 en Vakantiepark in de gelegenheid te stellen daarop bij akte in te gaan en tevens aan te geven welke andere diensten zij in bedoelde jaren heeft verricht.

7. Vakantiepark heeft het hof verzocht alsnog tussentijds cassatieberoep open te stellen van zijn tussenarrest van 24 november 2005. Het hof heeft bij arrest van 16 februari 2006 dat verzoek gehonoreerd. Vakantiepark heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld bij dagvaarding van 8 februari 2006. [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. Vakantiepark heeft de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

8. Het cassatiemiddel richt zich tegen rechtsoverweging 8 (hiervoor onder 5 geciteerd) van 's hofs tussenarrest, waarin het hof oordeelde dat het recht op de jaarlijkse parkbijdrage niet een kwalitatief recht is als bedoeld in art. 6:251 BW dat ingevolge deze bepaling van rechtswege is overgegaan op Vakantiepark bij de overdracht van de eigendom van de gemeenschappelijke voorzieningen in het recreatieproject Scheldeveste door de oorspronkelijke eigenaar Bij de Vaate (via Zeebad Breskens) aan Vakantiepark. Het middel klaagt dat 's hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

9. Bij de bespreking van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 6:251 BW vormt een uitzondering op het beginsel dat overeenkomsten voor derden geen verplichtingen of rechten kunnen meebrengen. Anders dan in het oude BW (in art. 1376), is dit beginsel in het huidige BW niet in een wettelijke bepaling opgenomen, omdat op dit beginsel in de rechtspraak uitzonderingen zijn aanvaard en de wetgever wilde voorkomen dat verdere ontwikkelingen op dit gebied zouden worden afgesneden (Parl. Gesch. Boek 6, p. 917). Ingevolge art. 6:251 lid 1 BW gaat een uit een overeenkomst voortvloeiend recht dat in verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed als zogenaamd kwalitatief recht van rechtswege mee over op de rechtsverkrijger onder bijzondere titel van dat goed, indien dat recht voor overgang vatbaar is en in een zodanig verband staat met het aan de schuldeiser toebehorend goed dat hij bij dat recht slechts belang heeft zolang hij het goed behoudt. In het tweede lid van art. 6:251 BW wordt bepaald dat het recht niet overgaat ingeval de verkrijger van het goed tot de wederpartij bij de overeenkomst een verklaring richt dat hij de overgang van het recht niet aanvaardt; het derde lid bepaalt dat uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen kan voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt. Onder het begrip goed is voor de toepassing van art. 6:251 BW ook een algemeenheid van goederen, zoals een onderneming, begrepen.

10. Of het door art. 6:251 BW voor de overgang als kwalitatief recht vereiste nauwe verband met het aan de schuldeiser toebehorende goed bestaat, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als voorbeeld van een recht dat in een zodanig nauw verband met het goed staat, wordt vaak genoemd een ten behoeve van een onderneming bedongen non-concurrentiebeding. Zie ook Parl. Gesch. Boek 6, p. 932-933, waar erop wordt gewezen dat ook ten aanzien van andere, ten behoeve van een onderneming bedongen rechten toepasselijkheid van art. 6:251 niet is uitgesloten, maar dat men bedenke dat wanneer het gaat om rechten op prestaties die ook los van de onderneming een zekere waarde vertegenwoordigen (vordering tot levering van goederen, rechten tot gebruik van een bepaald goed), moeilijk gezegd kan worden dat de schuldeiser bij de overgang van de onderneming ieder relevant belang daarbij verliest. In de parlementaire geschiedenis wordt voorts als voorbeeld genoemd het geval waarin de eigenaar van een erf krachtens overeenkomst het recht verkrijgt als zodanig een zeker gebruik van een naburig erf te maken. Daarbij wordt overigens opgemerkt dat men ook hier voorzichtig moet zijn, omdat niet met iedere toestemming tot zulk een gebruik bedoeld zal zijn aan de betrokken eigenaar een voor overgang vatbaar recht te geven, zodat ook hier van belang is de toevoeging dat het moet gaan om een voor overgang vatbaar recht. Ook wordt als voorbeeld genoemd het recht op herstel van gebreken van een zaak, waarbij het antwoord op de vraag of de schuldeiser ook na de overdracht van de zaak bij zijn recht op herstel belang houdt, zal afhangen van de overeenkomst op grond waarvan de zaak wordt overgedragen: is het mogelijk dat hijzelf op grond van deze overeenkomst jegens de verkrijger tot herstel van de zaak wordt gedwongen, dan houdt hij belang bij zijn desbetreffende vordering tegen de schuldenaar en is van een kwalitatief recht geen sprake.

11. Met betrekking tot het door art. 6:251 BW gestelde vereiste dat het recht voor overgang vatbaar is, zoals bij een van de hiervoor genoemde voorbeelden hiervoor reeds ter sprake kwam, geldt het volgende. Een recht is niet voor overgang vatbaar ingeval de aard van het recht zich tegen overgang verzet (bijvoorbeeld omdat de persoon van de schuldenaar een doorslaggevende rol speelt) en ook ingeval overgang door een beding tussen de schuldeiser en zijn wederpartij is uitgesloten. Of sprake is van een beding waardoor overgang van het recht is uitgesloten, wordt bepaald door uitleg van hetgeen de schuldeiser en de schuldenaar zijn overeengekomen. Zie HR 29 januari 1993, NJ 1994, 171 m.nt. PvS, rechtsoverweging 3.4 slot: "... dat een vordering, ook wat betreft de vraag of zij vatbaar is voor overdracht, ook tegenover derdeverkrijgers wordt bepaald door de rechtsverhouding waaruit zij voortvloeit en derhalve, ingeval die rechtsverhouding een overeenkomst is, door hetgeen partijen bij die overeenkomst over en weer hebben bedongen (...)". Een beding dat de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht beperkt of uitsluit, kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend worden overeengekomen. Zie ook Beekhoven van den Boezem, Onverdraagzaamheid van vorderingen krachtens partijbeding, dis. Groningen, 2003, p. 57 e.v.

12. Du Perron komt in zijn dissertatie "Overeenkomst en derden" (dis. UvA, 1999) in het vijfde hoofdstuk, dat is gewijd aan kwalitatieve rechten en verplichtingen, tot de slotsom dat wanneer men art. 6:251 BW beziet vanuit het beginsel van de relativiteit van de contractswerking en daarmee vanuit het autonomiebeginsel, tegen de bepaling eigenlijk geen bezwaren blijken te bestaan. Met de autonomie van partijen houdt art. 6:251 voldoende rekening doordat krachtens deze bepaling slechts rechten die voor overgang vatbaar zijn, op rechtsopvolgers overgaan; partijen kunnen de overgang uitsluiten terwijl deze uitsluiting ook uit de aard van de overeenkomst of het verleende recht kan volgen, waarbij komt dat de schuldeiser bij de overdracht van het goed kan bedingen dat het recht niet zal overgaan. De enige moeilijkheid die in dit verband kan rijzen, aldus Du Perron, is dat partijen bij de oorspronkelijke overeenkomst niet beseffen dat het recht aan het belangcriterium voldoet en dus het betrokken goed zal volgen. De zeer beperkte inbreuk die art. 6:251 BW in dit opzicht op de autonomie van partijen maakt, wordt naar zijn oordeel gerechtvaardigd doordat, bij gebreke van zodanige bepaling, zich in de praktijk veelvuldig het spiegelbeeldige geval zou voordoen, te weten dat alle betrokkenen rekenen op de overgang, maar vergeten dat zij deze moeten regelen.

Cahen, Mon. Nieuw BW B-57, 2004, hoofdstuk 4, betoogt dat bij de meeste rechten die met een goed verbonden zijn, niet direct valt te zeggen of ze van rechtswege mee overgaan; de omstandigheden waaronder het goed overgaat, moeten uitsluitsel geven. Onder de noemer "Een prealabele vraag omtrent de kwalitatieve eigenschap", stelt hij voorop dat kwesties over kwalitatieve overgang pas rijzen als eerst vaststaat dat rechten voor zo'n overgang vatbaar zijn en dat een prealabele vraag dus is of de vordering om een of andere reden wellicht een persoonlijk karakter draagt. Hij stelt vervolgens dat rechten die met een goed verbonden zijn en geen persoonlijk karakter dragen, zich lenen tot kwalitatieve overgang bij overdracht van het goed waarmee zij verbonden zijn en dat zij ook daadwerkelijk mee overgaan als de leverancier geen en de verwerver van het goed wel belang bij dat recht heeft.

Zie over kwalitatieve rechten ook: Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nrs. 397 e.v. en Asser-Mijnssen-De Haan-Van Dam, 2006, nr. 46 e.v.; zie verder Van der Steur, Losbladige Verbintenissenrecht, art. 6:251.

13. Het middel dat, zoals gezegd, klaagt dat 's hof oordeel dat het recht op de parkbijdrage een kwalitatief recht is als bedoeld in art. 6:251 BW, voert het volgende aan. Het recht op de jaarlijkse parkbijdrage vloeit voort uit art. IV van de koop-/aannemingsovereenkomsten die Bij de Vaate met de individuele eigenaren heeft gesloten en strekt blijkens genoemd art. IV tot vergoeding van de diensten die zijn opgesomd in art. IV (onder meer het onderhoud van de toegangswegen en overige gemeenschappelijke voorzieningen, de afvoer van afvalstoffen en het verlenen van toegang tot het zwembad); deze diensten zijn - naar [verweerder] c.s. bij pleitnota in appel hebben aangevoerd en door het hof niet ongegrond is bevonden - steeds verricht door de exploitant, die tevens eigenaar is van de infrastructuur; Bij de Vaate was tot 2 november 1999 eigenaar van de infrastructuur en verrichtte de diensten waartegenover de parkbijdrage is verschuldigd; op 2 november 1999 is de eigendom van de infrastructuur (via Zeebad Breskens) overgedragen aan Vakantiepark en is Vakantiepark die diensten gaan verrichten. Hieruit volgt dat het belang van Bij de Vaate bij het recht op de parkbijdrage verloren ging zodra zij de eigendom van de infrastructuur (via Zeebad Breskens) overdroeg aan Vakantiepark en dat tussen de eigendom van de infrastructuur en het recht op de parkbijdrage jegens de kaveleigenaren een zodanig verband bestaat dat Bij de Vaate bij dit recht slechts belang had zolang hij de eigendom van de infrastructuur behield, een en ander als bedoeld in art. 6:251 BW. Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor overgang van het recht op de parkbijdrage als kwalitatief recht van Bij de Vaate (via Zeebad Breskens) op Vakantiepark. Aan het vorenstaande doet - anders dan het hof overweegt - niet af dat tussen 27 december 2001 en 17 juli 2003 niet Vakantiepark maar Rebel Beheer B.V. eigenaar is geweest van de infrastructuur, aangezien - zoals door Vakantiepark is aangevoerd - Vakantiepark en Rebel Beheer beide 100% dochters van de vennootschap Roompot Recreatie Beheer B.V. zijn en als zodanig onderdeel van een economische eenheid van rechtspersonen. Gelet hierop dient voor de toepassing van art. 6:251 BW het (tijdelijk) toebehoren van de infrastructuur aan Rebel Beheer te worden beschouwd als toebehoren van de infrastructuur aan Vakantiepark en/of dient het concern in het onderhavige verband te worden beschouwd als de eigenlijk rechthebbende. Aldus het middel.

14. Het hof heeft in zijn gewraakte rechtsoverweging de vraag beantwoord of tussen het recht op betaling dat voortvloeit uit de koop-/aannemingsovereenkomsten die Bij de Vaate als eigenaar van de infrastructuur sloot met de kaveleigenaren, en de eigendom van de infrastructuur een zodanig verband bestaat dat gezegd kan worden de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft zolang hij de eigendom van de infrastructuur behoudt, waarbij het hof ervan is uitgegaan dat Vakantiepark zich (slechts) erop hebben beroepen dat het recht op betaling van de parkbijdrage als kwalitatief recht is verbonden aan de eigendom van de infrastructuur. Het hof heeft geoordeeld dat zowel uit de door Vakantiepark zelf gemaakte splitsing tussen de eigendom van de infrastructuur en de uitvoering van de exploitatie/onderhoudsovereenkomst waaruit het recht op de parkbijdrage voortvloeide, als uit de tussen Bij de Vaate en [verweerder] c.s. overeengekomen algemene voorwaarden, waarin de betalingsverplichting van de eigenaren wordt vermeld als tegenprestatie voor de te verrichten onderhoudswerkzaamheden en niet direct samenhangt met de eigendom van de infrastructuur, valt af te leiden dat er niet een zodanig verband tussen het uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende recht op betaling en de eigendom van de infrastructuur bestaat dat de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft zolang hij de eigendom van de infrastructuur behoudt. Dat - mede op de in cassatie niet bestreden uitleg van de koop-/aannemingsovereenkomsten gebaseerde - oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtopvatting. Het middel ziet eraan voorbij dat de omstandigheid dat Bij de Vaate steeds zowel eigenaar van de infrastructuur is geweest als exploitant daarvan, en dat Bij de Vaate de exploitatie en de eigendom van de infrastructuur gelijktijdig aan Zeebad Breskens (en Zeebad Breskens vervolgens aan Vakantiepark) heeft overgedragen zodat in zoverre de eigendom van de infrastructuur en de exploitatie - en daarmee het recht op de parkbijdrage - aan elkaar gekoppeld bleven, op zichzelf niet meebrengt dat het door art. 6:251 BW vereiste verband bestaat tussen het recht op de parkbijdrage (de betalingsverplichting van de eigenaren) en de eigendom van de infrastructuur. De in het middel vervatte stelling dat het tijdelijk toebehoren van de infrastructuur aan Rebel Beheer voor de toepassing van art. 6:251 BW dient te worden beschouwd als een toebehoren van de infrastructuur aan Vakantiepark en/of Rebel Beheer dient te worden beschouwd als de eigenlijk rechthebbende, behoeft geen verdere bespreking - daargelaten wat er van deze stelling zij - nu het hof zijn oordeel dat het door art. 6:251 BW vereiste verband ontbreekt niet alleen heeft gebaseerd op de door Vakantiepark zelf gemaakte splitsing tussen de eigendom van de infrastructuur en de uitvoering van de exploitatie. Het hof heeft dat oordeel immers mede (als zelfstandig dragende grond) gebaseerd op zijn uitleg van de inhoud van de tussen Bij de Vaate en [verweerder] c.s. overeengekomen algemene voorwaarden, waarin de betalingsverplichting van de eigenaren wordt vermeld als tegenprestatie voor de te verrichten onderhoudswerkzaamheden en niet direct samenhangt met de eigendom van de infrastructuur. Kennelijk en in cassatie niet bestreden heeft het hof de algemene voorwaarden aldus uitgelegd dat deze niet eraan in de weg staan dat de eigendom van de infrastructuur en het recht tot exploitatie in handen van verschillende rechthebbenden zijn, zodat in zoverre ook geen sprake is van de door art. 6:251 BW vereiste nauwe verbondenheid.

In de schriftelijke toelichting op het middel wordt nog opgemerkt dat blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:251 BW (Parl. Gesch. Boek 6, p. 932-933) bij de beantwoording van de vraag of een bepaald recht als kwalitatief recht mee overgaat op de verkrijger van dat goed, geen strikt formele afbakeningen dienen te worden gemaakt. Gewezen wordt op het in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeeld van een concurrentiebeding ten behoeve van een onderneming dat bij overdracht van die onderneming als kwalitatief recht mee overgaat op de verkrijger, en voorts op de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat de omstandigheid dat in een dergelijk geval het concurrentiebeding strikt genomen niet aan één goed maar aan verschillende goederen tezamen (de onderneming) is verbonden, niet aan de overgang daarvan als kwalitatief recht in de weg staat. Dit betoog ziet eraan voorbij dat het hof, in zijn in cassatie niet bestreden uitleg van het beroep van Vakantiepark op art. 6:251 BW, slechts had te beoordelen of het recht op de parkbijdrage als kwalitatief recht was verbonden aan de eigendom van de infrastructuur, en niet of dit als kwalitatief recht was verbonden aan enig ander aan Vakantiepark overgedragen goed, zoals wellicht het recht tot exploitatie van de infrastructuur, dan wel enige aan Vakantiepark overgedragen algemeenheid van goederen.

Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden