Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5659

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
02594/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5659
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Grondslag van de tll. Het middel berust op de stelling dat het Hof t.a.v. drie bewezenverklaarde feiten “plegen” en “doen plegen” naast elkaar bewezen heeft verklaard. Het Hof heeft, aldus het middel, ten onrechte niet gekozen uit die telkens primair en subsidiair tenlastegelegde varianten en heeft daarmee de grondslag van de tll verlaten. HR: Blijkens de door het Hof aan de bewezenverklaarde feiten gegeven kwalificaties is het uitgegaan van bewezenverklaringen die inhouden dat verdachte die feiten heeft “gepleegd” en niet (ook) dat hij deze heeft “doen plegen”. Gelet daarop heeft het Hof de tll kennelijk aldus verstaan dat, vzv. zij telkens het verwijt inhoudt dat verdachte bepaalde handelingen heeft “doen” verrichten, met die formulering slechts een feitelijke beschrijving wordt gegeven van de wijze waarop verdachte de feiten heeft gepleegd. Die uitleg van de tll is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Van grondslagverlating is daarom geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 532
RvdW 2007, 731
NJB 2007, 1790

Conclusie

Nr. 02594/06

Mr. Vellinga

Zitting: 15 mei 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. opzettelijk als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, een zodanige administratie niet voeren, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, 2. en 3. opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, 4. medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, 5. opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en 7. en 8. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte hebben mrs. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en J.Y. Taekema, advocaten te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door ter zake van het onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde niet te kiezen uit de primair/subsidiaire varianten. Daarbij heeft het middel het oog op het naast elkaar bewezenverklaren van (feit 1) voeren, althans doen voeren, opnemen, althans doen opnemen, verwerken, althans doen verwerken, bijhouden, althans doen bijhouden, boeken, althans doen boeken, (feit 2) doen, althans doen doen, opgeven, althans doen opgeven, en (feit 5) inleveren, althans doen inleveren.

4. De verdachte in de onderhavige zaak dreef in de vorm van een eenmanszaak een uitzendbureau onder de naam [bedrijf B]. Hij had ongeveer 50 werknemers in dienst, legale en illegale. Zijn personeel betaalde hij contant uit. [Bedrijf B] voerde geen kasadministratie (feit 1). Voorts waren de aangiften voor de loonbelasting/premie volksverzekering over het jaar 2000 onjuist. Zo had [bedrijf B] ten aanzien van illegale werknemers de loonbelasting niet ingehouden naar het juiste tarief. De aangiften werden gevuld door de boekhouder, die bij [bedrijf B] in dienst was. Op instructie van de verdachte (bewijsm. 21) werden mensen voor een bepaalde periode uit de loonadministratie gehaald. (feit 2). Feit 5 behelst valsheid in geschrift in een suppletie-aangifte omzetbelasting. Deze aangifte is door de boekhouder van [bedrijf B] ingevuld en door deze met de verdachte besproken. Vervolgens heeft de verdachte deze ondertekend (bewijsm. 16).

5. Aan de verdachte is onder 1, 2 en 5 tenlastegelegd dat:

"1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 25 maart 2003, althans tot en met 24 februari 2002, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, (telkens) opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, althans doen voeren, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk (ten aanzien) van het bedrijf (van) [bedrijf A]/[bedrijf B],

* (de) (kontant) uitbetaalde lonen van (de) werknemers niet opgenomen, althans doen opnemen, en/of verwerkt, althans doen verwerken, in de/een kasadministratie, en/of

* geen primaire urenregistratie van (de) werknemers bijgehouden, althans doen bijhouden, en/of verwerkt, althans doen verwerken, in de administratie, en/of

* in de loonadministratie (een) naam/namen en/of (een) sofinummer(s) van (een) perso(o)n(en) (waaronder, althans in ieder geval, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) opgenomen, althans doen opnemen, die niet gewerkt heeft/hebben in dienst van het bedrijf (van) [bedrijf A]/[bedrijf B], en/of op een (aantal) werknemer(s) meer uren geboekt, althans doen boeken, dan zij/hij in werkelijkheid gewerkt hebben/heeft en/of van een (aantal) werknemer(s) uitbetaald vakantiegeld en/of uitbetaalde overwerkuren opgenomen, althans doen opnemen, terwijl er in werkelijkheid geen vakantiegeld en/of overwerkuren aan die werknemer(s) zijn/is uitbetaald en/of

* geen personeelsdossiers en/of kopieën van identiteitsbewijzen en/of loonbelastingkaarten en/of werkbriefjes van (de) werknemers in de administratie opgenomen, althans doen opnemen, en/of opgenomen gehouden, althans opgenomen doen houden;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond d Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

en/of

hij op een of meerdere tijdstippen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 25 maart 2003, althans tot en met 24 februari 2002, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het bewaren van boeken, bescheiden, en/of (andere) gegevensdragers, (telkens) opzettelijk deze niet heeft bewaard, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk (ten aanzien) van het bedrijf (van) [bedrijf A]/[bedrijf B] (telkens) de primaire urenregistratie en/of (de) werkbriefjes van (de) werknemers en/of personeelsdossiers, en/of kopieën van identiteitsbewijzen en/of loonbelastingkaarten van (de) werknemers weggegooid, althans niet bewaard;

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond e Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij op of omstreeks 28 of 30 april 2000 en/of op of omstreeks 31 juli 2000 en/of op of omstreeks 31 oktober 2000 en/of op of omstreeks 30 januari 2001, althans op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 april 2000 tot en met 31 januari 2001 (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en/of premie volksverzekeringen ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B] over het eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal (van) 2000, (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans doen doen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Den Haag/'s-Gravenhage ingeleverde aangiftebiljet(ten)/aangifte(n) loonbelasting en/of premies volksverzekeringen ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B] over genoemd(e) tijdvak(ken), (telkens) een te laag (totaal) te betalen bedrag (aan) loonbelasting/premie volksverzekeringen, althans een te laag bedrag aan belasting, opgegeven, althans doen opgeven, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(betreft D/018 en/of D/019 en/of D/020a en/of D/021, als bijlagen opgenomen in proces-verbaal 23.533 van FIOD-ECD Rijswijk)

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

(...)

5.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 17 januari 2002 tot en met 24 januari 2002, althans van 1 januari 2002 tot en met 24 januari 2002, (telkens) te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans gebruik heeft doen maken, van een vals(e) of vervalst(e) suppletieaangifte omzetbelasting, althans jaaroverzicht omzetbelasting (ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B]) over het jaar 2000, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift (telkens) echt en onvervalst, althans (telkens) opzettelijk die/dat vals(e) of vervalst(e) suppletieaangifte omzetbelasting, althans jaaroverzicht omzetbelasting (ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B]) over het jaar 2000, heeft afgeleverd, althans doen afleveren, en/of voorhanden heeft gehad, althans voorhanden heeft doen hebben, terwijl hij/zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken, althans doen gebruik maken, althans dat afleveren, althans doen afleveren en/of voorhanden hebben, althans doen hebben, hierin dat verdachte en/of een/zijn mededader(s) dat geschrift heeft/hebben in- of afgeleverd, althans doen in- of afleveren, bij, althans heeft/hebben doen toekomen aan, ((een) medewerker(s) van) de Belastingdienst Den Haag, en/of dat geschrift (telkens) heeft/hebben opgenomen, althans doen opnemen, althans aanwezig heeft/hebben gehad, althans doen hebben (in de administratie van [bedrijf B]), en

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in dat geschrift een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan (te betalen) belasting, was opgegeven;

(betreft D/092, als bijlage opgenomen in proces-verbaal 23.533 van FIOD-ECD Rijswijk)

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht"

6. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat (waarbij door mij de passages waarop het middel het oog heeft zijn gecursiveerd):

"hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 25 maart 2003 te 's-Gravenhage als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daar- aan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd, althans doen voeren, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, toen en daar opzettelijk ten aanzien [bedrijf B],

* de kontant uitbetaalde lonen van de werknemers niet opgenomen, althans doen opnemen, en/of verwerkt, althans doen verwerken, in de kasadministratie, en

* geen primaire urenregistratie van de werknemers bijgehouden, althans doen bijhouden, en/of verwerkt, althans doen verwerken, in de administratie, en

* in de loonadministratie namen en sofinummers van personen (waaronder in ieder geval, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) opgenomen, althans doen opnemen, die niet gewerkt hebben in dienst van [bedrijf B], en op een aantal werknemers meer uren geboekt, althans doen boeken, dan zij in werkelijkheid gewerkt hebben

2.

hij op of omstreeks 28 of 30 april 2000 en op of omstreeks 31 juli 2000 en op of omstreeks 31 oktober 2000 en op of omstreeks 30 januari 2001 telkens te 's-Gravenhage telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de loonbelasting en/of premie volksverzekeringen ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B] over het eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal van 2000, telkens onjuist heeft gedaan, althans doen doen, immers heeft verdachte toen en daar telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst 's-Gravenhage ingeleverde aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B] over genoemde tijdvakken, telkens een te laag totaal te betalen bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen opgegeven, althans doen opgeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

5.

hij op 24 januari 2002 te 's-Gravenhage opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse suppletieaangifte omzetbelasting ten name van [bedrijf A]/[bedrijf B] over het jaar 2000, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat geschrift heeft ingeleverd, althans doen inleveren, bij de Belastingdienst Den Haag, en

bestaande die valsheid hierin dat in dat geschrift een te laag bedrag aan te betalen belasting, was opgegeven;"

7. Het is vaste rechtspraak dat de rechter dient te kiezen uit alternatieven in de tenlastelegging die voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van belang zijn.(1) In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat dat laatste hier het geval is omdat het Hof door niet te kiezen tussen voeren, althans doen voeren etc. heeft opengelaten of sprake was van plegen of doen plegen.(2) Dat klemt volgens de toelichting op het middel temeer omdat voor doen plegen andere eisen gelden dan voor plegen zoals de straffeloosheid van de uitvoerder.

8. Feit 1 betreft het niet voldoen aan de plicht tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daar aan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen. Volgens de tenlastelegging heeft de verdachte niet aan die plicht voldaan omdat hij die administratie niet zelf heeft gevoerd en evenmin heeft gezorgd dat een ander die voor hem voerde. Dat laatste is in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de zinsnede "althans doen voeren" etc. Enige vorm van doen plegen kan ik hierin niet zien.(3) Niets dwingt er immers toe de tenlastelegging aldus te verstaan dat de verdachte door gebruikmaking van een ander als instrument heeft voorkomen dat de administratie aan de eisen van de wet zou voldoen. Pas dan zou van doen plegen van het niet voeren van een aan de eisen van de wet voldoende administratie kunnen worden gesproken. Het Hof heeft dus tussen de door het middel bedoelde, hiervoor gecursiveerde alternatieven niet behoeven te kiezen.

9. Doelmatigheidshalve bespreek ik nu eerst het onder 5 bewezenverklaarde. Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit heeft het Hof een keuze gemaakt uit "gebruik maken" en "gebruik doen maken" door alleen "gebruik maken", dus plegen bewezen te verklaren. Dienovereenkomstig spreekt de kwalificatie van "gebruik maken".(4) In de feitelijke uitwerking van het "gebruik maken" heeft het Hof niet gekozen tussen "inleveren" en "doen inleveren". Kennelijk heeft het Hof het inleveren en het doen inleveren gezien als feitelijke uitwerking van het door het Hof functioneel uitgelegde(5) "gebruik maken", welke aan art. 225 Sr ontleende bewoordingen, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, in de tenlastelegging zijn gebezigd in dezelfde betekenis als waarin deze voorkomen in art. 225 Sr. Daarom behoefde het Hof niet meer te kiezen tussen "inleveren" en "doen inleveren". Die keuze is immers in de door het Hof gekozen uitleg van de tenlastelegging voor de strafrechtelijke betekenis van het feit niet meer van belang: of het nu inleveren is of doen inleveren, het blijft plegen. Of, in de termen van het door het middel aangehaalde HR 22 november 1994, NJ 1995, 174, het is voor verdachtes strafrechtelijke aansprakelijkheid om het even of hij zelf het aangiftebiljet heeft ingeleverd of dat hij dat door één van zijn personeelsleden heeft laten doen.

10. Ten slotte het onder 2 bewezenverklaarde. Evenals bij feit 5 is ook hier de tenlastelegging zo opgebouwd dat het feit eerst wordt omschreven aan de hand van aan de wet ontleende termen waarna vervolgens (nader) feitelijk wordt uiteengezet wat de verdachte zou hebben gedaan. Hoewel in de feitelijke uitwerking wordt gesproken van "inleveren, althans doen inleveren" etc. en dit in zijn geheel wordt bewezenverklaard, wordt het feit gekwalificeerd als - kort gezegd - een aangifte onjuist doen, dus als plegen. Anders dan in de bewezenverklaring van feit 5 wordt in de bewezenverklaring van feit 2 in het deel dat is vervat in aan de wet ontleende termen, niet alleen gesproken van een aangifte onjuist doen, maar ook van een aangifte onjuist doen doen. Gelet op de kwalificatie alsmede op de wijze waarop het Hof ten aanzien van feit 5 te werk is gaan, moet dit op een vergissing berusten. De bewezenverklaring moet kennelijk aldus worden gelezen dat de verdachte een aangifte onjuist heeft gedaan hetgeen feitelijk is uitgewerkt in die zin dat de verdachte een te laag bedrag heeft opgegeven, althans heeft doen opgeven.

11. Uitgaande van deze lezing van de bewezenverklaring heeft het Hof het onjuist aangifte doen, een aan de wet ontleend begrip, dat in de tenlastelegging kennelijk is gebezigd overeenkomstig diens wettelijke betekenis, opgevat in functionele zin. Daarom behoefde het Hof niet meer te kiezen tussen opgeven en doen opgeven. Die keuze is immers in de door het Hof gekozen uitleg van de tenlastelegging voor de strafrechtelijke betekenis van het feit niet meer van belang. Ook hier geldt: of het nu opgeven is of doen opgeven, het blijft plegen.

12. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat bij de onderhavige feiten steeds mede is tenlastegelegd dat deze tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen zijn begaan, doch dat steeds van dat tezamen en in vereniging is vrijgesproken. Die omstandigheid zou dwingen tot een keuze uit de door het middel genoemde alternatieven omdat anders dan in HR 22 november 1994, NJ 1995, 174 waarin de Hoge Raad goedkeurde dat bij feitelijk leidinggeven niet werd gekozen uit feitelijk leiding geven aan - kort gezegd - plegen of medeplegen, in het onderhavige geval geen sprake is van feitelijk leidinggeven aan gedragingen van een rechtspersoon. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet brengt de door het Hof kennelijk gekozen functionele uitleg van de aan de wet ontleende begrippen mee dat voor verdachtes aansprakelijkheid keuze tussen de door het middel bedoelde alternatieven niet relevant is.

13. Blijven alternatieven, zoals hier het opgeven, althans doen opgeven etc. staan, dan dienen beide alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen te kunnen worden afgeleid.(6) Het middel klaagt niet dat aan die eis niet is voldaan.

14. Rest nog de vraag of de door mij aan het Hof toegeschreven functionele uitleg van "voeren" en "gebruik maken" verenigbaar is met de tekst van de tenlastelegging en/of de inhoud van de strafbepalingen waaraan deze termen zijn ontleend.

15. De inhoud van bedoelde strafbepalingen verzet zich niet tegen een functionele uitleg.(7) Dat valt reeds hieruit op te maken dat de delictsomschrijvingen van art. 69 AWR en art 225 Sr heel wel door een rechtspersoon kunnen worden vervuld.(8) Daarmee is echter nog niet gezegd dat de functionele uitleg ook verenigbaar is met de tekst van de tenlastelegging.

16. Door in de op de tekst van de wet toegesneden aanhef van de tenlastelegging ter zake van de feiten 2 en 5 naast elkaar op te nemen "aangifte doen" en "aangifte doen doen" respectievelijk "gebruik maken" en "gebruik doen maken" heeft de steller van de tenlastelegging onmiskenbaar niet gekozen voor een functionele uitleg van "aangifte doen" respectievelijk "gebruik maken". Zou immers wel zijn gekozen voor een functionele uitleg, dan zou het tenlaste leggen van "aangifte doen doen" respectievelijk "gebruik doen maken" overbodig zijn. Het afzien van een functionele uitleg van "aangifte doen" en "gebruik maken" verklaart ook waarom in de tenlastelegging is voorzien in medeplegen van "aangifte doen" en "aangifte doen doen" respectievelijk "gebruik maken" en "gebruik doen maken", een voorziening die bij een functionele uitleg gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen evenzeer overbodig zou zijn. Het middel wijst daarop terecht.

17. De door mij aan het Hof toegeschreven uitleg van de tenlastelegging is voor wat betreft het onder 2 en 5 tenlastegelegde met de inhoud van de tenlastelegging niet verenigbaar en leidt er dus toe dat de grondslag van de tenlastelegging is verlaten.

18. Het middel neemt kennelijk als uitgangspunt dat genoemde termen niet in functionele betekenis zijn gebezigd. Gezien ik hiervoor onder 16 heb uiteengezet vindt die opvatting voor wat betreft het onder 2 en 5 tenlastegelegde steun in de tekst van de tenlastelegging. Deze brengt mee dat het Hof inderdaad had moeten kiezen tussen plegen of doen plegen. Uitgaande van de juiste uitleg van de tenlastelegging klaagt het middel dus terecht dat de grondslag van de tenlastelegging is verlaten. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 7 heb uiteengezet.

19. Het middel slaagt.

20. In het tweede middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

21. De verdachte heeft op 28 oktober 2005 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 18 september 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden en de straf dus moet worden verminderd.

22. Het middel slaagt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 en 5 tenlastegelegde voor wat betreft de opgelegde straf en terugwijzing naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 10 november 1970, NJ 1971, 42, HR 18 april 2004, LJN AU8103, HR 14 juni 2005, NJ 2006, 65.

2 Vgl HR 14 juni 2005, NJ 2006, 65: geen keuze uit plegen en medeplegen.

3 Vgl. HR 11 mei 2004, 01721/03, HR 16 juni 1998, DD 98.329.

4 Vgl. HR 11 mei 2004, 01721/03, HR 16 juni 1998, DD 98.329.

5 F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, diss. Groningen 1985, p. 134: het delict van art. 225 Sr kan ook in de vorm van functioneel daderschap worden gepleegd. Zie HR 14 november 1938, NJ 1939, 367, HR 12 juni 1934, W 12760, HR 26 februari 1934, NJ 1934, 788.

6 O.a. HR 22 juni 2004, NJ 2004, 439, rov. 3.4.2.

7 Zie bijvoorbeeld J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2003, derde druk, p. 166 e.v. en F.C. Bakker, t.a.p.

8 Vgl. A. Mulder en D.R. Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht, Kluwer 2002, zesde druk, p. 41: een rechtspersoon is een functionele dader bij uitstek.