Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5639

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
02279/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5639
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. Anders dan het middel voorstaat, heeft het Hof het betoog niet behoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv. Het aangevoerde houdt immers niet in op grond waarvan de enkele omstandigheid dat de verhuur alleen heeft plaatsgevonden van juni t/m december, zou meebrengen dat van het “bedrijfsmatig” verschaffen van woon- of nachtverblijf geen sprake was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 533
RvdW 2007, 730

Conclusie

Nr. 02279/06

Mr. Vellinga

Zitting: 15 mei 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 18 november 2005 wegens 1. 'een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij en gelegenheid verschaffen tot het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, in vereniging begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, wegens 3. 'medeplegen van overtreding van artikel 6.1.1 van de Bouwverordening voor de gemeente Den Haag, achtmaal gepleegd' veroordeeld tot acht geldboetes van elk € 50,-, subsidiair één dag hechtenis, en wegens 4. 'medeplegen van overtreding van artikel 7.1.1 van de Bouwverordening voor de gemeente Den Haag, vijfmaal gepleegd' veroordeeld tot vijf geldboetes van elk € 50,- subsidiair één dag hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 02278/06 P tegen dezelfde verdachte en de zaken 022780/06 en 02281/06 P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof niet heeft beslist op de grondslag der telastelegging, nu de telastelegging onder 1 vermeldt welke personen -kort gezegd- de verdachte behulpzaam was bij hun verblijf in Nederland en het Hof onder 1 slechts bewezen heeft verklaard dat de verdachte 'personen' behulpzaam is geweest.

5. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat hij:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 10 december 2003 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 11] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] en/of [betrokkene17] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 20] en/of [betrokkene 21] en/of [betrokkene 22] en/of [betrokkene 23] en/of/althans een of meer (andere) perso(o)nen) (die wederrechtelijk toegang heeft/hebben verkregen tot Nederland en/of wederrechtelijk in Nederland verbleef/verbleven) bij het zich toegang verschaffen tot en/of verblijven in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en/of de hiervoor genoemde perso(o)nen) daartoe (telkens) uit winstbejag (telkens) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telken) (tegen betaling)

- de hiervoor genoemde perso(o)n(en) een of meer kamer(s), althans enige woonruimte verhuurd gelegen aan het adres [e-straat 1] en/of [f-straat 1] en/of [b-straat 1] en/of [b-straat 2] en/of [d-straat 1] en/of [c-straat 1] en/of [a-straat 1] en/of [h-straat 1] en/of [i-straat 1] en/of [g-straat 1]), althans enige verblijfsaccommodatie aangeboden en/of

- een of meer hiervoor genoemde perso(o)n(en) in de gelegenheid gesteld (via uitzendbureau(s) (van) [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D]) arbeid te verrichten (en daarmee geld, althans inkomsten, te verdienen teneinde (mede) in het (illegale) verblijf te voorzien) onder gebruikmaking van de personalia en/of het/de sofinummer(s) en/of (andere) gegevens van hem, verdachte, of diens mededader(s), en/of

- de hiervoor genoemde perso(o)n(en) van en/of naar de plaats van (illegale) tewerkstelling vervoerd en/of doen vervoeren,

van welk(e) feit(en) hij, verdachte, een beroep en/of gewoonte (heeft ge)maakt;"

6. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 primair bewezen verklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 9 december 2003 te 's-Gravenhage telkens tezamen en in vereniging met anderen uit winstbejag personen die wederrechtelijk in Nederland verbleven bij het verblijven in Nederland behulpzaam is geweest en deze personen daartoe telkens uit winstbejag gelegenheid heeft verschaft, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders telkens tegen betaling aan deze personen een of meer kamers, althans enige woonruimte verhuurd, gelegen aan de adressen [e-straat 1] en [b-straat 1] en [b-straat 2] en [d-straat 1]."

7. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof heeft nagelaten een beslissing te nemen over in de tenlastelegging opgenomen alternatieven ten aanzien van de personen die de verdachte behulpzaam is geweest, welke alternatieven niet subsidiair ten laste zijn gelegd.

8. Als zelfstandig alternatief is tenlastegelegd "en/of/althans een of meer (andere) perso(o)nen)" van wie de naam of namen niet is of zijn genoemd in de tenlastelegging. Dat alternatief heeft het Hof bewezenverklaard. De beslissing van het Hof houdt in dat het Hof niet bewezen heeft verklaard hetgeen onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd dan het bewezen heeft verklaard. Daarin ligt besloten de beslissing dat het Hof niet bewezen heeft geacht dat de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen heeft verricht ten aanzien van de met name in de tenlastelegging genoemde personen. Het Hof heeft dus niet verzuimd over de door het middel bedoelde alternatieven te beslissen. De in de toelichting getrokken parallel met HR 18 april 2006, LJN AU8108 gaat hier niet op, omdat het Hof in die zaak geen keuze had gemaakt uit de alternatieven die in die tenlastelegging waren opgenomen. Dat heeft het Hof in de onderhavige zaak wel gedaan.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft beslist op de grondslag der telastelegging ten aanzien van feit 4, nu het Hof in zijn bewezenverklaring woorden aan de tenlastelegging heeft toegevoegd, te weten de woorden "hebben [hij, verdachte,] en zijn mededaders". In de toelichting wordt gesteld dat de tenlastelegging ziet op het in gebruik geven van woningen door de verdachte terwijl de bewezenverklaring ook het in gebruik geven van woningen door anderen omvat.

11. Aan de verdachte is met inachtneming van de door de Rechtbank toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging(1) onder 4 ten laste gelegd dat:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 17 december 2003 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en),althans alleen heeft toegestaan dat een of meer woning(en), te weten (de woning(en) gelegen aan het/de adres(sen):

a. [b-straat 1] (blz 165 pv) en/of

b. [b-straat 2] (blz 167 pv) en/of

c. [d-straat 1] (blz 169 pv) en/of

d. [c-straat 1] (blz 171 pv) en/of

e. [g-straat 1] (blz 178 pv) en/of

werd(en) bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 (vierkante meter) gebruikersoppervlakte,

immers heeft hij, verdachte, die woning(en) (telkens) (tegen betaling) in gebruik gegeven aan:

a. 9 personen, althans meer dan 7 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 7 personen) en/of

b. 8 personen, althans meer dan 5 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 5 personen) en/of

c. 8 personen, althans meer dan 6 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 6 personen) en/of

d. 7 personen, althans meer dan 4 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 4 personen) en/of

e. 10 personen, althans meer dan 6 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 6 personen),

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging zoals gebezigd in de zin van de Bouwverordening voor de gemeente 's-Gravenhage;"

12. Het Hof heeft onder 4 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 17 december 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen heeft toegestaan dat woningen, gelegen aan de:

a. [b-straat 1] en

b. [b-straat 2] en

c. [d-straat 1] en

d. [c-straat 1] en

e. [g-straat 1]

werden bewoond door meer dan één persoon per 12 vierkante meter gebruiksoppervlakte, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders (mijn cursief; WHV) die woningen telkens tegen betaling in gebruik gegeven aan:

a. 9 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 7 personen), en

b. 8 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 5 personen), en

c. 8 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 6 personen), en

d. 7 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 4 personen), en

e. 10 personen (zulks terwijl de eis is maximaal 6 personen)."

13. Daarbij heeft het Hof het volgende overwogen:

"Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging."

14. De oorspronkelijke tenlastelegging hield in dat de verdachte het onder 4 genoemde feit alleen zou hebben gepleegd en de genoemde periode was korter, namelijk van 1 augustus 2002 tot en met 10 december 2003. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 april 2004 vordert de Officier van Justitie - voor zover hier van belang - wijziging van de tenlastelegging onder 4. Die wijziging houdt in dat aan de tenlastelegging als mogelijkheid wordt toegevoegd dat de verdachte het toestaan dat woningen werd(en) bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 (vierkante meter) gebruikersoppervlakte, heeft gepleegd tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) en dat de oorspronkelijk tenlastegelegde periode wordt gewijzigd in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 17 december 2003. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de verdachte en/of zijn raadsman tegen die vordering bezwaar hebben gemaakt. Vervolgens heeft de Rechtbank het onder 4 genoemde feit bewezenverklaard onder - kennelijk bij wege van herstel van een vergissing - toevoeging van de passage "hebben [hij, verdachte,] en zijn mededaders". In hoger beroep is hierover van de zijde van de verdachte niet geklaagd.

15. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof in navolging van de Rechtbank geoordeeld dat bij de vordering tot wijziging van de tenlastelegging bij wege van kennelijke vergissing is verzuimd aan de nadere feitelijke uitwerking van het tezamen en in vereniging toestaan van bewoning, toe te voegen dat het tegen betaling in gebruik geven als uitwerking van het toestaan van bewoning ook samen met mededaders kon geschieden.(2) Dat oordeel is allesbehalve onbegrijpelijk. Het moet hier immers wel om een vergissing gaan omdat anders de gevorderde en toegestane wijziging redelijk zin mist. Nu hier van een kennelijk vergissing sprake is en de verdachte over het herstel van die vergissing door de Rechtbank in hoger beroep niet heeft geklaagd, zijn verdachtes rechtens beschermde belangen door het herstellen van deze vergissing niet geschaad terwijl voorts door de door het middel gewraakte toevoeging de grondslag van de tenlastelegging niet is verlaten.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te reageren op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat van bedrijfsmatige verhuur geen sprake is geweest.

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt op dit punt in:

"De raadsvrouw voert vervolgens het woord tot verdediging, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

(...)

Voorts is van bedrijfsmatige verhuur geen sprake geweest, omdat de panden alleen van juni tot en met december zijn verhuurd."

19. Onder 3 is aan de verdachte tenlastegelegd:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 10 december 2003 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, zonder, althans in afwijzing van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een of meer bouwwerk(en), te weten

a. [a-straat 1] en/of

b. [b-straat 1] en/of

c. [b-straat 2] en/of

d. [c-straat 1] en/of

e. [d-straat 1] en/of

f. [e-straat 1] en/of

g. [f-straat 1] en/of

h. [h-straat 1] en/of

i. [i-straat 1] en/of

j. [g-straat 1]

in gebruik heeft gehad of gehouden, waarin aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woon- en/of nachtverblijf is verschaft,

immers heeft hij, verdachte, aan

a. [Betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 11] en/of [betrokkene17] en/of

b. [betrokkene 6] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 22] en/of

c. [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 21] en/of

d. [betrokkene 4] en/of [betrokkene 20] en/of

e. [Betrokkene 12] en/of [betrokkene 23] en/of [betrokkene 16] en/of/althans

a. t/m j. een of meer (andere) perso(o)n(en)

(telkens) (tegen betaling) een of meer kamer(s), althans enige woonruimte (gelegen aan (een van) vorengenoemd(e) adres(sen)) verhuurd, althans (aan (een van) die/dat adres(sen), enige verblijfsaccommodatie aangeboden,

zijnde de terminologie in deze telastelegging zoals gebezigd in de zin van de Bouwverordening voor de gemeente 's-Gravenhage;

art. 12.1 Bouwverordening voor de gemeente 's-Gravenhage

art. 6.1.1. Bouwverordening voor de gemeente 's-Gravenhage".

20. De art. 12.1 en 6.1.1. van de Bouwverordening voor de gemeente 's-Gravenhage luiden -voorzover hier van belang-:

"Artikel 6.1.1

Vergunning gebruik bouwwerk.

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin:

(...)

c. aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woon- en/of nachtverblijf zal worden verschaft (verblijfsinrichting);

(...)

2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.

3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en artikel 7.1.1. kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de in het eerste lid onder c genoemde bouwwerken aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met betrekking tot het maximum aantal bewoners per verblijfsruimte of per bouwwerk, de minimumgebruiksoppervlakte per verblijfsruimte of per bouwwerk dan wel met betrekking tot het beheer over (het gebruik van) het bouwwerk.

(...)

Artikel 12.1

Straf-, overgangs - en slotbepalingen

Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen (...) 6.1.1, eerste lid, (...) geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie."

In deze Bouwverordening bevat art. 1.1 de begripsomschrijvingen. Het begrip 'bedrijfsmatig' wordt in dit artikel niet genoemd. Onder verblijfsinrichting wordt volgens dat artikel verstaan:

"1. Een bouwwerk niet zijnde zelfstandige woonruimte, waarin ongeacht de duur van het verblijf aan meer dan vier niet tot het huishouden van de exploitant behorende personen woon- en nachtverblijf wordt verschaft.

2. Een woning in de zin van het Bouwbesluit bevattende twee of meer zelfstandige woonruimten, in welke woning ongeacht de duur van het verblijf aan meer dan vier niet tot het huishouden van de exploitant behorende personen woonverblijf wordt verschaft."

21. Van het onder 3 tenlastegelegde heeft het Hof bewezen verklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 13 februari 2003 tot en met 17 december 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen zonder een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken, te weten:

a. [a-straat 1](3) en

b. [b-straat 1] en

c. [b-straat 2] en

d. [c-straat 1] en

e. [d-straat 1] en

f. [e-straat 1] en

g. [f-straat 1] en

j. [g-straat 1]

in gebruik heeft gehad of gehouden, waarin aan meer dan vier personen bedrijfsmatig woon- en/of nachtverblijf is verschaft."(4)

22. Het in de onderhavige zaak door de verdediging naar voren gebrachte verweer stelt de vraag aan de orde of van de onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde verschaffen van woon- en /of nachtverblijf als "bedrijfsmatig" kan worden gekwalificeerd in geval de in de tenlastelegging genoemde panden niet meer dan zeven maanden zijn verhuurd. In aanmerking genomen dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "bedrijfsmatig" is ontleend aan art 6.1.1. van genoemde Bouwverordening behelst het verweer de vraag hoe bedoeld begrip dient te worden uitgelegd. Aldus ligt in het verweer een zogenaamd dakdekkerverweer besloten,(5) te weten een verweer waarin de uitleg van een in de telastelegging opgenomen of daarin besloten liggend begrip dat aan de wet is ontleend, aan de orde wordt gesteld.(6)

23. In HR 13 maart 2007, LJN AZ4717 overwoog de Hoge Raad:

"3.1. Bij de Wet van 10 november 2004, Stb. 580 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte (Wet bekennende verdachte), is het tweede lid van art. 359 Sv gewijzigd. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die Wet was de wijziging van art. 359, tweede lid, Sv - in elk geval - gericht op de codificatie van de motiveringsvoorschriften die de Hoge Raad reeds in zijn jurisprudentie had ontwikkeld, zulks in aansluiting op de wettelijke voorschriften van art. 359, tweede lid (oud), in verbinding met art. 358, derde lid, Sv inzake onder meer strafuitsluitingsgronden, alsmede op art. 360, eerste lid, Sv inzake de betrouwbaarheid van de daar genoemde bewijsmiddelen. Op grond van die jurisprudentie was de feitenrechter al gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen omtrent een aantal bewijsverweren (vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393).

3.2. Een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn doch die - indien juist - onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring (het Meer en Vaart-verweer, zo genoemd naar de casus van HR 1 februari 1972, NJ 1974, 450), is zo een bewijsverweer waarvan de feitenrechter ook vroeger al de juistheid niet in het midden mocht laten. Dat geldt ook voor de zogenoemde dakdekkerverweren - die hun benaming ontlenen aan de casus van HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411 - waarin de uitleg van een in de telastelegging opgenomen of daarin besloten liggend begrip dat aan de wet is ontleend, aan de orde wordt gesteld."

Uit het vorenstaande volgt dat wanneer - voor zover hier van belang - een zogenaamd dakdekkerverweer wordt gevoerd, de rechter de juistheid daarvan niet in het midden mag laten, ook al voldoet dit niet aan de strenge eisen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv, te weten een standpunt dat duidelijk is, wordt geschraagd door argumenten en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

24. Aan laatstgenoemde eis voldoet het onderhavige verweer niet. Er is immers geen ondubbelzinnige conclusie aan verbonden zoals vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. Niettemin had de rechter de juistheid van het verweer, immers een dakdekkerverweer, niet in het midden mogen laten. Het middel is echter louter gebaseerd op de stelling dat de rechter heeft verzuimd te reageren op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.

25. In HR 6 maart 2007, LJN AZ6109 werd in cassatie geklaagd dat het Hof niet had gereageerd op door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Deze bestonden kort gezegd hierin dat de verdachte, die was vervolgd ter zake van eenvoudige belediging, gelet op het bepaalde in art. 266 lid 2 Sr en art. 10 EVRM moest worden ontslagen van rechtsvervolging. De Hoge Raad toetste niet of dit verweer zoals het middel stelde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhield als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv, maar verstond het middel aldus dat het klaagde dat het Hof had verzuimd te beslissen op een door de verdediging gedaan beroep op niet-strafbaarheid van het feit en oordeelde vervolgens dat het Hof op grond van art. 358, derde en vijfde lid, en art. 359, tweede lid, eerste volzin, Sv gehouden was een gemotiveerde beslissing te geven op dit door de verdediging gedane beroep op niet-strafbaarheid van het feit.

26. Tegen deze achtergrond dient het middel mijns inziens daarom aldus te worden opgevat dat het klaagt over ontoereikende motivering van de bewezenverklaring bestaande in het in het midden laten van een dakdekkerverweer als door het middel bedoeld.

27. Het Hof heeft de juistheid van bedoeld dakdekkerverweer in het midden gelaten. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden omdat het Hof dit verweer slechts had kunnen verwerpen. Noch aan de Woningwet (waarop de Bouwverordening is gebaseerd), noch aan de Bouwverordening, noch aan de wijze van totstandkoming van deze regelingen kan enig argument worden ontleend voor de stelling dat van bedrijfsmatig onderdak verschaffen geen sprake zou zijn wanneer dit in tijd beperkt zou zijn tot minder dan zeven maanden. Het hiervoor aangehaalde art. 1.1 van de Bouwverordening bepaalt immers dat voor de vraag of van een bouwwerk of een woning sprake is de duur van het verblijf niet van belang is.

28. De in het verweer voorgestane uitleg ligt ook daarom allesbehalve voor de hand omdat het vereiste van de verbruiksvergunning gelet op de toelichting op de Model-bouwverordening(7) is bedoeld om overeenkomstig art. 8 lid 2 onder 4o en 5o Woningwet het brandveilig gebruik van bouwwerken te regelen. Het ongeregeld laten van gebruik wanneer dat niet meer dan een half jaar duurt, valt daarmee niet te rijmen. Ik wijs in dit verband op de toelichting op art 6.1.1 van de Model-bouwverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten waarmee de onderhavige bepaling - voor zover hier van belang - overeenstemt:

"Werkingssfeer

Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de zelfredzaamheid van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken waar een clustering van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen, bejaarden, en/of gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden (hotels, pensions). Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie inrichtingen waarin bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de gebruiksvergunningplicht zouden vallen."(8)

Het valt op dat in die toelichting niet wordt gesteld dat kortdurende kamerverhuur niet onder de in art. 6.1.1. geregelde vergunningplicht zou vallen.

29. Het middel faalt.

30. In het vierde middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

31. De verdachte heeft op 28 november 2005 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 14 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden en de straf dus moet worden verminderd.

32. Het middel slaagt.

33. De middelen 1 en 2 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

34. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het Hof heeft deze ten onrechte niet verwerkt in de weergave van de tenlastelegging in zijn arrest.

2 Vgl. HR 20 december 2005, NJ 2006, 37 waarin het Hof het tenlastegelegde "door/kapot geknipt" klaarblijkelijk als kennelijke vergissing had beschouwd en verbeterd had gelezen als "doorgezaagd" en HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 100 waarin het Hof de woorden uit de tenlastelegging "dat door de verdachte bestuurde voertuig" verbeterd las als "dat later door de verdachte bestuurde voertuig", welke uitleg volgens de HR niet onverenigbaar was met de bewoordingen van de tenlastelegging en evenmin onbegrijpelijk was. Zie ook HR 6 juni 2006, NJ 2006, 331 waarin het Hof kort gezegd de omschrijving (96) armbanden, (88) colliers, (39) ringen en/of (2) broches had vervangen door de term "sieraden".

3 Gelet op de bewijsmiddelen is hier sprake van een kennelijke verschrijving en moet hier gelezen worden 286.

4 Het valt op dat het middel niet klaagt over verlaten van de grondslag van de tenlastelegging doordat iedere feitelijke uitwerking, zoals tenlastegelegd, aan de bewezenverklaring ontbreekt.

5 Genoemd naar de casus uit HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411. Zie hierover verder G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 688 e.v.

6 Zie HR 13 maart 2007, LJN AZ4714, rov. 3.2.

7 De Vereniging van Nederlandse Gemeenten VNG) stelt ten behoeve van de gemeenten de Modelbouwverordening op als voorbeeld voor de gemeentelijke bouwverordeningen en actualiseert deze als ontwikkelingen in de wet- en regelgeving

dat nodig maken (Voorwoord Model-bouwverordening, SDU Haag 2006, p. 9.)

8 P. 120, 121.