Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA4940

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
01405/06 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA4940
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. ’s Hofs overweging dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiele Documentatie eerder t.z.v. vergelijkbare delicten is veroordeeld, is onbegrijpelijk, nu verdachte van die feiten niet onherroepelijk veroordeeld was. CAG over art. 10.3 Wm en opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 536
RvdW 2007, 754

Conclusie

Nr. 01405/06 E

Mr Machielse

Zitting 8 mei 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, economische kamer, heeft verdachte op 12 oktober 2005 voor 1. "Opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd" en 6. "Opzettelijk handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 10.3 van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot het betalen van een geldboete van EUR 3.900,-, subsidiair 78 dagen hechtenis, waarvan EUR 2.000,-, subsidiair 40 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. E. Jense, advocaat te Zaandam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel behelst twee klachten. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de steller van het middel niet volgen dat de verdachte met opzet het onder 6 bewezenverklaarde heeft begaan. De tweede klacht houdt in, zo lees ik het, dat uit die bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

3.2. De tenlastelegging ter zake van feit 6 is gestoeld op art. 10.3, tweede lid (oud) Wm.(1)

Ten laste van de verdachte is vervolgens onder 6 bewezenverklaard, dat:

"hij meermalen in de periode van 20 april 2001 tot 7 mei 2002 te Katwoude in de gemeente Waterland opzettelijk in de uitoefening van zijn bedrijf telkens afvalstoffen, te weten sorteerzeefzand en gebroken puin, in ontvangst heeft genomen en/of heeft bewaard en/of op de bodem heeft gebracht, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs had moeten weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, zulks terwijl zodanig handelingen hem niet bij of krachtens de Wet milieubeheer uitdrukkelijk waren toegestaan."

3.3. Als bewijsmiddelen heeft het hof, voor zover van belang hieronder weergegeven, de volgende stukken gebezigd:

"1. Een proces-verbaal met nummer PL1160/02-008039 van 23 oktober 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierparagraaf 2.1.2). Dit proces-verbaal houdt in, voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 31 januari 2002 bevond ik mij voor een milieucontrole, tezamen met mijn collega [verbalisant 2] ter assistentie van de toezichthoudend ambtenaar [verbalisant 3] van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Waterland, namens de gemeente Waterland bij een bedrijf gelegen aan de [a-straat 1] te Katwoude, gemeente Waterland. Op dit adres is een inrichting gevestigd, te weten een veehouderij, een kaasmakerij, een klompenmakerij, een bedrijf voor reparatie van machines en gebouwen en een horecagelegenheid. Het betreft derhalve een inrichting als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de Wet Milieubeheer en de categorieën 8.1.a, 9.1.d, 13.1.a, 15 en 18.1 van de bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Voor deze inrichting is na een aanvraag daartoe van [verdachte] door het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Waterland op 9 augustus 2000 een milieuvergunning afgegeven.

Tijdens mijn bezoek ter ondersteuning van het bevoegd gezag zag ik bij het naderen van de inrichting aan de voorzijde dat het parkeerterrein ter plaatse was verhard met asfaltgranulaat. Tevens zag ik dat binnen deze inrichting grote hoeveelheden bouw- en sloopafval, alsmede zeefzand en andere afvalstoffen op de bodem aanwezig waren.

(...)

Door het lnterregionaal Recherche Milieuteam is een onderzoek ingesteld bij een inrichting voor het inzamelen en beperken van onder andere bouw- en sloopafval, te weten [bedrijf A]. Ten behoeve van mijn onderzoek werden afschriften van vervoersdocumenten en afschiften van processen-verbaal van verhoor ter beschikking gesteld. Uit deze ter beschikking gestelde kopieën bleek mij dat geen gevolg was gegeven aan het verbod afvalstoffen afkomstig van derden binnen de inrichting in te nemen of op te slaan, als bedoeld in vergunningvoorschrift F11. Ook werd geen gevolg gegeven aan het verbod van artikel 10.2 Wet milieubeheer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen in te zamelen of anderszins in ontvangst te nemen, te bewerken, te verwerken, te vernietigen of op of in de bodem te brengen dan wel op andere wijze te verwijderen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had moeten weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Mij bleek dat in de periode van 16 februari 2001 tot en met 19 juli 2001 21 containers afvalstoffen, te weten sorteerzeefzand aan de eerdergenoemde inrichting waren afgeleverd door [bedrijf A] te [plaats A].

Uit kopieën van transportdocumenten en een kopiefactuur bleek mij dat aan deze inrichting, gevestigd aan de [a-straat 1] te Katwoude, ook wel in documenten omschreven als "[verdachte]", tevens in de periode 11 september 2000 tot 6 september 2001 75.460 kg gebroken puin was geleverd. Uit een volledige kopiefactuur bleek mij dat met "[verdachte]" werd bedoeld het adres [a-straat 1] te Katwoude. Zowel gebroken puin als sorteerzeefzand kan worden aangemerkt als afvalstof, te weten bouw- en sloopafval.

Binnen deze inrichting zijn zowel sorteerzeefzand als gebroken puin op een onbeschermde bodem gebracht al dan niet als grondwerk als bedoeld in het bouwstoffenbesluit. Hiermee zijn tevens op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming, waarvan men wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, terwijl niet alle maatregelen waren genomen die redelijkerwijs konden worden gevergd teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen.

2. Een kopie van een proces-verbaal met nummer 003-G.31-01 van 4 april 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 2] (gevoegd als bijlage 6 bij het onder 1 genoemd proces-verbaal met nummer PL1160/02-008039). Dit proces-verbaal houdt in, voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 april 2002 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik werk als chauffeur bij [bedrijf A] in [plaats A]. U toont mij een agenda met nummer [0001]. Dat is mijn agenda. Daarin moest ik ritten bijhouden die ik deed. U laat mij de bladzijde van 20 april 2001 zien. Daar staat: "4x [verdachte] zeefzand gebracht". U vraagt wat dat betekent. Ik heb die dag dus vier keer een zes-kuubertje met zeefzand naar [verdachte] gebracht. Hij woont bij [bedrijf B]. Ik heb dat zeefzand op zijn terrein aan de achterzijde van zijn erf gestort, aan de achterkant van zijn kaasboerderij. Het zeefzand kwam van ons terrein af.

3. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een factuur van containerverhuur/transportbedrijf [bedrijf A] b.v., gericht aan [verdachte], [a-straat 1], Katwoude, van 25 september 2001 (dossier p. 348). Dit geschrift houdt in, voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven:

7 september 2001: Aan u geleverd gebroken puin: 37,54 ton gebroken puin.

4. Een geschrift, zijnde een fotokopie van de 'voorschriften vergunning ingevolge Wet milieubeheer', gedateerd 9 augustus 2000 (gevoegd als bijlage I bij het onder 1 genoemd proces-verbaal met nummer PL1160/02-008039). Dit geschrift houdt in, voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven:

VOORSCHRIFTEN

A. Algemeen

3. De inrichting moet ordelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

4. Stoffen die niet meer worden toegepast, installaties of onderdelen van installaties, die buiten bedrijf zijn gesteld moeten worden verwijderd, tenzij deze in een goede staat van onderhoud worden gehouden.

Meet- en registratieverplichtingen

11. Het bedrijf dient een milieulogboek bij te houden op een daarvoor bestemde plaats binnen de inrichting. Het milieulogboek moet in ieder geval de volgende gegevens bevatten:

- de hoeveelheid afgevoerd (gevaarlijk) afval, de afgiftebonnen en ontvangstbewijzen.

F. Afvalstoffen

4. Afvalstoffen zoals gft (groente-, fruit- en tuinafval), papier/karton, glas, metaal, bouw- en sloopafval en overige afvalstoffen dienen gescheiden en in goed gesloten verpakking, zoals vaten, bussen, zakken of containers te worden bewaard op een daarvoor bestemde plaats binnen de inrichting.

11. Afvalstoffen en gevaarlijk afval afkomstig van derden mag niet worden ingenomen, opgeslagen of worden verwerkt binnen de inrichting.

(...)

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2005. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(...)

Het klopt dat [bedrijf A] in de periode van 20 april tot 7 mei 2002 zand en gebroken puin heeft gebracht naar mijn bedrijf aan de [a-straat] te Katwoude."

3.4. De eerste klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat met opzet is gehandeld.

Door opname van het woord "opzettelijk" wordt het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt op grond van art. 2, eerste lid, WED een misdrijf.

3.5. Alvorens op de eerste klacht van het middel in te gaan, wijd ik een aantal woorden aan de tenlastelegging. De vraag is of het tenlastegelegde, ook zonder het woordje opzettelijk, maar met de woorden "terwijl hij wist dat...." niet reeds als misdrijf moet worden aangemerkt.

In zijn conclusie vóór HR 23 april 1996, NJ 1996, 512 (Rietbranden Waterschap Westfriesland) signaleert mijn voormalig ambtgenoot mr. Fokkens ook deze problematiek. In die zaak was overtreding van art. 10.3 (oud) Wm tenlastegelegd, maar zonder het woordje "opzettelijk". Fokkens was van oordeel dat, nu de delictomschrijving inhield: weet of redelijkerwijs had kunnen weten, dit reeds impliceert dat de opzetvariant in de tenlastelegging zat ingebakken, en dus het woordje "opzettelijk" overbodig zou zijn. Dat zou betekenen dat Uw Raad het openbaar ministerie in die zaak niet-ontvankelijk had moeten verklaren, nu er alleen cassatie openstond in het geval er een overtreding was tenlastegelegd.(2) Uw Raad achtte echter, na te zijn ingegaan op het middel, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk op de grond dat het waterschap een openbaar lichaam is. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat Uw Raad het tenlastegelegde als een overtreding las. Immers, ware het geen overtreding, dan had het voor de hand gelegen op dié grond het cassatieberoep niet ontvankelijk te verklaren. De conclusie is dan ook dat art. 10.3 (oud) Wm alleen tot misdrijf kan worden gepromoveerd als het woordje opzettelijk in de tenlastelegging wordt opgenomen.

Dan rijst de vraag waar het opzet van de verdachte dan vervolgens op gericht moet zijn:

a. alleen het handelen en/of

b. het weten of redelijkerwijs moet vermoeden dat dat handelen nadelig gevolgen kan hebben voor het milieu en/of

c. dat handelen hem niet was toegestaan bij of krachtens de Wet milieubeheer?

In de literatuur worden over a. en b. verschillende meningen aangehangen.

Doorenbos(3) concludeert dat ontbreken van het woordje "opzettelijk" bij die delicten die al een schuldvorm in zich hebben (ingebakken in een werkwoord bijvoorbeeld) niet per sé betekent dat het delict niet opzettelijk is begaan. In zijn optiek voegt art. 2, eerste lid, WED bij dergelijke delicten niets toe.

Buiting(4) is van mening dat, net als bij de reguliere misdrijven, het opzet bij milieudelicten is gericht op alle bestanddelen die na het woordje opzettelijk in de tenlastelegging staat opgenomen. Wel signaleert ook hij het probleem van het opzet gericht op een andere, daarna in de tenlastelegging opgenomen, schuldvariant (p. 86). In zijn optiek zou dit in het onderhavige geval betekenen dat het feit alleen in de overtredingsvariant kan bestaan. De wetgever had dan maar een tweede bepaling in het leven moeten roepen: één met de opzetvariant en één met de schuldvariant, zo luidt zijn oordeel.

In HR 17 augustus 2004, NJ 2004, 539 was onder meer veroordeeld voor: "Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.3, tweede lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan."

Hoewel het middel zich richtte tegen een ander feit en er geen woorden aan zijn gewijd door de advocaat-generaal of de Hoge Raad, zou ik menen dat opzettelijk begaan van art. 10.3 Wm in de ogen van de Hoge Raad doorgang kan vinden, zodat de opvatting van Buiting verder geen steun vindt.

In een noot naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad uit 1996 (Rietbranden Waterschap Westfriesland), geschreven door A.M. Fransen(5) wordt gesteld dat dit arrest met zich brengt dat opzettelijk handelen in ieder geval uitdrukkelijk in de tenlastelegging moet worden opgenomen, althans voor die onderdelen van een zorgplichtbepaling die daarvoor taalkundig in aanmerking komen.

Kessler(6) bespreekt in Delikt en Delinkwent naast het arrest van de Hoge Raad met de conclusie van Fokkens de mening van Buiting en Doorenbos. Hij kan de opvatting van Buiting en Doorenbos niet delen.

Zijn "oplossing" is de volgende:

"Het bestanddeel opzettelijk in art. 2, lid 1, WED is bij die gronddelicten dan op de gedragsbestanddelen gericht, en de subjectieve bestanddelen in het gronddelict zijn daarbij gericht op de omstandigheden of gevolgen van dat handelen."(7)

Daarmee volgt hij mijn ambtgenoot mr. Jörg, een oplossing die door Buiting als reddingsoperatie wordt omschreven. Jörg stelt dat opzet alleen gericht hoeft te zijn op de handeling omschreven in de tenlastelegging, waarbij de rest van de tenlastelegging door een andere schuldvorm kan worden beheerst. Het bereik van opzet wordt beperkt tot de bestanddelen van het delict die er taalkundig door worden beheerst.(8)

Ik ben geneigd Kessler en Jörg daarin te volgen: Na het woordje opzettelijk komt onder meer de zinsnede "naar hij (...) wist(en) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten weten." Dit is een subjectief bestanddeel. Opzet daarop is onmogelijk. Het bestanddeel opzettelijk is (alleen) gericht op de handelingen die na het woordje opzettelijk in de tenlastelegging opgenomen. In het Wetboek van Strafrecht zijn vergelijkbare delictsomschrijvingen aan te treffen. Ik noem art. 98a, 198 lid 1, 227a, 227b, 232 lid 2, 248a, 248c, 250 lid 1 onder 2, 262 jo. 261, 272, 273f onder 7, 285a, 340 onder 2, 341 lid 1 onder b sub 3, 342 onder 2, 343 onder 3, 344 onder 1 en 3, 385c, maar ik geef meteen toe dat hier, anders dan in art. 10.3 (oud) Wm, het bestaan van het bijkomend subjectief bestanddeel niet meteen opzettelijk handelen impliceert. Bijkomstigheid van de WED is wel dat snel sprake is van opzet; in het economische verkeer wordt nu eenmaal veel opzettelijk gehandeld. Bovendien dwong de wettekst van art. 10.3 (oud) Wm niet tot het kiezen tussen weten en redelijkerwijs had moeten weten. Net als bijvoorbeeld bij art. 232, tweede lid, Sr (valse betaalpas) kunnen in de bewezenverklaring beide varianten blijven bestaan. Dit maakt voor de kwalificatie of de bewezenverklaring niet uit, alleen voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de hoogte van de straf.(9)

De conclusie is dus dat opzet niet het subjectieve bestanddeel hoeft te dekken.

Ik wijd nog een enkel woord aan punt c.

Moet het opzet wel gericht zijn op de zinsnede in de bewezenverklaring: zulks terwijl zodanig handelingen hem niet bij of krachtens de Wet milieubeheer uitdrukkelijk waren toegestaan?

Fokkens gaat in zijn conclusie voor HR NJ 1996, 512 in op de zinsnede die na het subjectieve bestanddeel in de tenlastelegging staat opgenomen: de uitzondering op het verbod, als men daar bijvoorbeeld een vergunning voor heeft. Moet de verdachte weten (opzet) dat zijn handelen niet onder de uitzonderingsbepalingen valt? Fokkens komt uiteindelijk tot de conclusie dat dit gedeelte van de tenlastelegging geen bestanddeel is, maar een strafuitsluitingsgrond. Het opzet hoeft daarom daar niet op gericht te zijn.(10)

Daar sluit ik me bij aan. Ook in de door Jörg aangereikte regel: "het bereik van opzet wordt beperkt tot de bestanddelen van het delict die er taalkundig door worden beheerst" is hierop van toepassing.

3.6. Zijdelings merk ik nog het volgende op.

In de bewezenverklaarde periode is art. 1a WED viermaal aangepast. Ten aanzien van art. 10.3 Wm is daarbij telkens niets veranderd.

Op 8 mei 2002 is art. 10.3 Wm echter anders geredigeerd.(11) Ik heb mij even afgevraagd of hier wellicht sprake is van een verandering van wetgeving door een eventueel gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid. Dat blijkt niet het geval. De verbodsbepaling van art. 10.3, tweede lid (oud) Wm staat thans in art. 10.1, derde lid, Wm.(12) Daarbij is de delictsomschrijving wel aangepast: in plaats van een verbod is sprake van een gebod. Tevens is de uitzondering (de strafuitsluitingsgrond) opgenomen onder een apart lid in dat artikel (lid 5). In de wetsgeschiedenis bij deze wetswijziging wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde noot van de hand van Fransen .(13) Wellicht heeft de wetgever zich de waarschuwing van Fransen dat bewijsrechtelijke problemen te verwachten waren ter harte genomen.

Art. 10.1 Wm is thans opgenomen in de WED, daar waar vroeger art. 10.3 Wm stond vermeld. Ten aanzien van de strafwaardigheid en van het onderscheid tussen misdrijf en overtreding is dus niets veranderd.

3.7. Terug naar de onderhavige zaak. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, in de uitoefening van zijn bedrijf, van de firma [bedrijf A] uit [plaats A] sorteerzeefzand en gebroken puin in ontvangst heeft genomen. Dit is op zijn erf gestort en daarvoor heeft de firma de verdachte een factuur gezonden. Daarmee is gegeven dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. De verdachte wilde immers dat bepaalde handelingen werden verricht. Hij was ervan op de hoogte dat het sorteerzeefzand en het gebroken puin werd geleverd en op zijn erf werd gestort.

De eerste klacht van het eerste middel faalt.

3.8. De tweede klacht van het eerste middel betreft het bewijs van de zinsnede "terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs had moeten weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan".

Of de (opzettelijke) handelingen met zich brachten dat nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, had de verdachte, ik zou welhaast zeggen, uit hoofde van zijn beroep, moeten weten. Daarenboven geldt dat de aan de verdachte verleende vergunningvoorschriften (bewijsmiddel 4) inhouden dat hij geen afvalstoffen, afkomstig van derden, mag innemen, opslaan of verwerken binnen de inrichting. Sorteerzeefzand en gebroken puin zijn afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer. Ook op grond hiervan had de verdachte redelijkerwijs moeten weten dat het zonder beschermende maatregelen laten storten op zijn erf van sorteerzeefzand en gebroken puin nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Ook de tweede klacht van het eerste middel faalt. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.

4.1. Het tweede en derde middel richten zich tegen de strafmotivering en de opgelegde straf. Nu in de strafmotivering is overwogen dat de verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 september 2005, eerder is veroordeeld voor vergelijkbare delicten, maar dit niet kan blijken uit dit uittreksel, is de strafmotivering volgens het tweede middel onjuist danwel onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft het hof uitdrukkelijk vastgesteld dat de redelijke termijn is geschonden en had het hof, zo begrijp ik het derde middel, de korting ook tot uitdrukking moeten brengen in het voorwaardelijke gedeelte van de op te leggen straf. Ik begrijp het middel aldus dat naast een korting van EUR 100,- op de onvoorwaardelijke straf, de voorwaardelijke straf ook lager had moeten uitvallen.

4.2. Vooropgesteld zij dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de factoren die hij voor de straftoemeting van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.(14) Enkel wanneer de strafoplegging toch verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen.(15)

4.3. In de strafmotivering in het arrest heeft het hof het volgende overwogen:

"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige milieudelicten, bestaande uit het overtreden van voorschriften van de aan hem verleende milieuvergunning. Tevens heeft de verdachte, kort gezegd, zonder dat hem dit was toegestaan, afvalstoffen op zijn land in ontvangst genomen en opgeslagen.

De aan de vergunning verbonden voorwaarden zijn gesteld met als doel bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Door het stellen van voorwaarden tracht de overheid de kans op nadelige gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid te beperken.

Door zijn handelen is verdachte verantwoordelijk voor de kans dat schade toegebracht zou worden aan het milieu en de volksgezondheid.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 september 2005 is verdachte eerder ter zake van vergelijkbare delicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete passend.

Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende en, gelet op het, naar het oordeel van het hof, ontbreken van de strafbaarheid van het onder 3 en 4 bewezengeachte; anders dan de advocaat-generaal, een geldboete van 4.000 euro waarvan 2.000 euro voorwaardelijk hebben opgelegd. Gelet echter op het feit dat sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, acht het hof een deels voorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden."

4.4. Bij de stukken bevindt zich een kopie van het gewraakte uittreksel. Tevens is een kopie van het uittreksel aan de schriftuur gehecht. Onder het kopje "gegevens betreffende niet afgedane rechtbankzaken" staan een aantal milieugerelateerde zaken van december 1996 en juli 1998, zonder dat daarbij een beslissing is weergegeven. Daarbij is, klaarblijkelijk door het openbaar ministerie, gebruik makende van ter beschikking staande informatiebronnen, met pen een uitkomst weergegeven. Uit die aantekeningen zou moeten blijken dat de verdachte voor die feiten inmiddels is veroordeeld.

Ik acht dit echter onvoldoende om buiten twijfel te kunnen stellen dat de verdachte voor die feiten is veroordeeld. Daarbij neem ik tevens in ogenschouw de omstandigheid dat de verdachte, ter terechtzitting met het uittreksel geconfronteerd, ontkend heeft ooit te zijn veroordeeld, waarna niet is doorgevraagd c.q. bekend is of hij met de aantekeningen op het uittreksel bekend is. Daarnaast komt nog dat uit de aantekeningen niet blijkt of de daar weergegeven vonnissen onherroepelijk zijn.(16) Deze onzekerheden hebben mij doen besluiten nadere inlichtingen te doen inwinnen. Die inlichtingen komen erop neer dat verdachte van de zaak met parketnummer 15-098145-00 op 23 november 2005 is vrijgesproken. Een uittreksel van 12 maart 2007 dat is aangeleverd door de Rechtbank Haarlem bevestigt deze afloop. Dat uittreksel bevestigt ook dat in de zaak met parketnummer 15-098366-97 een vrijspraak is gevallen.

Het tweede middel slaagt.

4.5. Tenslotte het derde middel. Het hof heeft in de strafmotivering nader toegelicht waarom het na de eis van de advocaat-generaal van EUR 8.000,- waarvan EUR 4.000, - voorwaardelijk, is afgeweken. Ten eerste omdat het hof het onder 3 en 4 bewezenverklaarde, in tegenstelling tot de advocaat-generaal, geen strafbare feiten vond opleveren. Het hof zou daarom een straf hebben opgelegd van EUR 4.000,- waarvan EUR 2.000,- voorwaardelijk. Op die overwogen straf heeft het hof, gelet op de redelijke termijn, nog een korting gegeven van EUR 100,- op het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf. Het hof heeft daarmee inzicht gegeven hoe het tot die straf is gekomen. Een korting op het onvoorwaardelijke gedeelte lijkt mij, gelet op HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 rov. 3.6 onder c, alleszins redelijk. Dat het hof ook het voorwaardelijk deel van de straf op grond van de overschrijding van de redelijke termijn had dienen te verminderen vindt geen steun in het recht.

Ik acht de strafoplegging, behoudens hetgeen naar aanleiding van het tweede middel is opgemerkt, niet verbazingwekkend of onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

5. Het tweede middel slaagt. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden voor vernietiging aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde opnieuw over de straftoemeting te beslissen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Art 10.3 Wm luidde van 1 januari 1998 tot en met 7 mei 2002:

"1. Het is een ieder bij wie in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten waarvan hij weet of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. Het verbod geldt niet voor zover het betreft zodanige handelingen die hem bij of krachtens de wet uitdrukkelijk zijn toegestaan.

2. Het is een ieder verboden in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen in te zamelen of anderszins in ontvangst te nemen, te bewaren, te bewerken, te verwerken, te vernietigen of op of in de bodem te brengen dan wel op andere wijze te verwijderen, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had moeten weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. Het verbod geldt niet voor zover het betreft zodanige handelingen die hem bij of krachtens de wet uitdrukkelijk zijn toegestaan."

2 Art. 96, tweede lid, (oud) RO bepaalde dat cassatie alleen openstond als er geen ander rechtsmiddel open stond of had gestaan. Op grond van het thans vervallen art. 51 WED stond voor het openbaar ministerie dan "gewoon" hoger beroep open.

3 D.R. Doorenbos, Schuldkwadratuur, iets over de betekenis van art. 2 lid 1 WED, DD 20 (1990) afl. 9, p. 810-819.

4 Dr. Th.J.B. Buiting, in: Strafrecht en milieu, Pompe reeks, 1993, Gouda Quint, Arnhem, hoofdstuk 5, p. 73-90.

5 A.M. Fransen in: Tijdschrift voor Milieu Aansprakelijkheid 1997-1.

6 M. Kessler, Opzet in de WED en subjectieve bestanddelen in het gronddelict, DD 29 (1999) afl. 10, p. 961- 976, met name paragraaf 3.3. (p. 971 ev) ev.

7 Kessler, aw, p. 972. Zie ook zijn proefschrift: Subjectieve bestanddelen in bijzondere wetten, Gouda Quint, Groningen, 2001, p. 153 ev.

8 N. Jörg in: Handboek Strafzaken, Hoofdstuk 99, Economische delicten (december 2004).

9 Ik trek hier eveneens een parallel met HR 23 februari 1982, NJ 1982, 647, waarin Uw Raad heeft geoordeeld dat voor het misdrijf van art. 68, tweede lid, AWR, naast opzettelijk handelen als bedoeld in art. 68, eerste lid, onder a, b en c AWR en de mogelijkheid dat als gevolg daarvan te weinig belasting wordt geheven, niet vereist is dat dat opzet is gericht op de mogelijkheid van dat gevolg.

10 Kessler ziet in de WED nog wel ruimte voor het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen alnaargelang opzettelijk is gehandeld in die gevallen waarin het delictshandelen op zichzelf een neutrale bezigheid is en uitzonderingssituaties op het verbod in de delictsomschrijving zelf negatief zijn geformuleerd, zoals "zonder vergunning". Het misdrijf zou er dan door kunnen worden gekenmerkt dat verdachte ook opzet had op het ontbreken van de uitzondering. Zie Subjectieve bestanddelen in bijzondere wetten, p. 205.

11 Wet van 21 juni 2001, Stb. 2001, 346.

12 Art 10.1 Wm luidt vanaf 8 mei 2002:

"1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.

5. De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen."

13 Kamerstukken 1998-1999, 26 638, nr. 3, Tweede Kamer, p. 38 (Memorie van Toelichting). Zie ook Schuurmans & Jordens, 5e druk, nr. 147a, p. 255.

14 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 22; HR 21 oktober 2003, LJN AL3537, rov. 4.3. en HR 11 april 2006, LJN AU9130, rov. 3.8.1.

15 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, p. 709-710.

16 Verg. HR 7 februari 2006, LJN AU8894 en HR 6 juni 2006 NJ 2006, 329.