Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA4202

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
C06/109HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA4202
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over verrekening wegens overbedeling ter zake van huurrecht van echtelijke woning; medehuur echtgenoot; voortzetting huurovereenkomst na echtscheiding, verhouding tussen art. 7:266 lid 5 en 3:185 BW; redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2007/441
JPF 2008/21
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/109HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 27 april 2007

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het huurrecht van de echtelijke woning dat op de voet van art. 7A:1623g lid 5 (oud) BW, thans art. 7:266 lid 5 BW, in geval van echtscheiding aan één der echtgenoten is toegewezen, een waarde vertegenwoordigt die voor verrekening tussen de echtgenoten in aanmerking komt.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3 van het arrest van het hof in verbinding met art. 1.1 t/m 1.6 van het tussenvonnis van de rechtbank van 13 augustus 2003).

(i) De partijen in deze procedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 11 december 1986 te Amstelveen met elkaar gehuwd onder uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap.

(ii) De vrouw was sedert 5 maart 1980 huurster van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats], hierna: de (echtelijke) woning. De man is na het huwelijk met de vrouw op grond van de wet medehuurder geworden.

(iii) Op 16 juli 1991 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken. Voorts vorderde de vrouw dat zal worden bepaald dat zij huurster zal zijn van de echtelijke woning. In reconventie heeft de man gevorderd te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning.

(iv) Bij vonnis van 25 augustus 1993 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 8 februari 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amstelveen.

(v) Bij voormeld vonnis is (in reconventie) bepaald dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning. Het vonnis is op dit punt bij arrest van 27 juni 1996 door het gerechtshof te Amsterdam bekrachtigd. De vrouw heeft hierin berust.

3. Bij exploot van 25 januari 2001 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat de man ten titel van verrekening van de waarde van het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw heeft te voldoen een bedrag van f 50.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat

- de woning op haar kosten volledig is gerenoveerd en dat de zolderkamer is verbouwd tot een zelfstandige woonruimte;

- de (verbouwings)werkzaamheden meer dan f 100.000,- hebben gekost;

- het huurrecht van de woning, doordat partijen buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest, een zgn. "gebonden" gemeenschap heeft opgeleverd en een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt, aangezien het gaat om een gerenoveerde woning gelegen in een van de betere buurten van [plaats] met een relatief lage huurprijs en een zolderverdieping die als zelfstandige woonruimte kan worden (onder)verhuurd voor een bedrag dat nagenoeg gelijk is aan de huurprijs van de gehele woning;

- de waarde van het huurrecht kan worden geschat op een bedrag van f 100.000,-, welk bedrag nog door partijen dient te worden verrekend.

4. De man heeft tegen de vordering van de vrouw op verschillende gronden verweer gevoerd. Hij heeft onder meer en voor zover thans in cassatie van belang aangevoerd dat de vordering van de vrouw geen wettelijke basis heeft en dat, voor zover er al enige waarde aan het huurrecht zou moeten worden toegekend, deze nihil is.

5. Bij tussenvonnis van 13 augustus 2003 heeft de rechtbank geoordeeld dat het huurrecht van de echtelijke woning in beginsel een waarde vertegenwoordigt en dat, nu rechtens is bepaald dat de man de huur mag voortzetten en hij daarmee ook de aan het huurrecht toe te kennen waarde heeft verkregen, de vrouw in beginsel recht heeft op een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van het huurrecht wegens overbedeling. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen termen zijn om de waarde van het huurrecht op nihil te stellen, nu onweersproken is gebleven dat de echtelijke woning in een van de betere buurten van [plaats] ligt, een relatief lage huurprijs heeft en bovendien een zolderverdieping heeft die als zelfstandige woonruimte kan worden onderverhuurd voor een bedrag dat nagenoeg gelijk is aan de huurprijs van de gehele woning, inclusief de zolder (r.o. 3.3). In verband met de toe te passen maatstaf bij de waardebepaling van het huurrecht (de rechtbank heeft aangegeven te overwegen aansluiting te zoeken bij art. 42 lid 2 van de Onteigeningswet, r.o. 3.5), heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de zaak naar de rol verwezen onder meer ten einde de man in de gelegenheid te stellen opgave te doen van de feitelijke huurprijs van de woning per 27 september 1996, onder overlegging van schriftelijke bewijsstukken, alsmede partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon van eventueel te benoemen deskundige(n) ter beantwoording van de vraag of de feitelijke huurprijs als een marktconforme huurprijs kan worden aangemerkt.

6. Bij eindvonnis van 10 maart 2004 heeft de rechtbank overwogen dat, nu de man geen gevolg heeft gegeven aan hetgeen hem bij het tussenvonnis is verzocht, moet worden uitgegaan van het bedrag van f 100.000,- waarop de vrouw de waarde van het huurrecht heeft geschat en de man veroordeeld aan de vrouw de helft van dit bedrag (Euro 22.689,01) te betalen.

7. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 december 2005 het tussen- en eindvonnis van de rechtbank evenwel vernietigd en de vordering van de vrouw alsnog afgewezen. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 4.4):

"Artikel 7:266 Burgerlijk Wetboek (BW) en voor de invoering daarvan artikel 7A:1623g BW, beoogt een regeling te geven om de positie van de scheidende en in de echtelijke woning blijvende echtgenoot te beschermen tegenover de verhuurder. In de echtscheidingsprocedure tussen partijen is onherroepelijk beslist dat de man huurder is van de voormalige echtelijke woning. Anders dan de vrouw stelt is het huurrecht dat aan partijen tot de echtscheiding gezamenlijk toekwam, geen vermogensbestanddeel dat na echtscheiding voor verdeling c.q. verrekening in aanmerking komt. De inspanningen en kosten waarvan de vrouw stelt dat zij zich deze in het verleden heeft getroost om de woning te verbeteren en/of te verfraaien waardoor de waarde van de woning is vermeerderd, komen niet aan de man als huurder doch aan de eigenaar die niet in deze procedure is betrokken, ten goede. Of de man de zolderetage al dan niet legaal kan verhuren is niet van belang, nu de zolderetage deel uitmaakt van de woning en bij het huurrecht is inbegrepen."

8. De vrouw is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen op gebouwd middel, dat door de man is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.

9. Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het huurrecht dat aan partijen tot de echtscheiding gezamenlijk toekwam, geen vermogensbestanddeel is dat na echtscheiding voor verdeling c.q. verrekening in aanmerking komt. Het onderdeel acht dit oordeel onjuist en verdedigt de opvatting dat, indien, zoals in het onderhavige geval, waarde aan het huurrecht verbonden kan worden, die waarde dient te worden verdeeld c.q. verrekend.

10. In beginsel vertegenwoordigt het huurrecht van een woning een economische waarde. Toedeling van het huurrecht van de echtelijke woning aan één der echtgenoten op de voet van art. 7A:1623g lid 5 (oud), thans art. 7:266 lid 5 BW, kan dan ook, zowel in het geval waarin de echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn gehuwd als in het geval waarin de echtgenoten buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, aanleiding geven de waarde van het huurrecht te verrekenen. Dit uitgangspunt wordt in de literatuur en de (lagere) rechtspraak algemeen aanvaard en lijkt mij ook juist. Weliswaar verbindt art. 7A:1623g lid 5 (oud), thans art. 7:266 lid 5 BW, aan de toedeling van het huurrecht niet rechtstreeks een verrekening van de waarde van dat recht, maar dit betekent niet - in de wetgeschiedenis van de regeling van het medehuurderschap van echtgenoten is daarvoor ook geen aanknopingspunt te vinden - dat het huurrecht van de echtelijke woning niet als een vermogensbestanddeel kan worden beschouwd dat na echtscheiding voor verdeling c.q. verrekening in aanmerking komt. Zie wat de literatuur betreft o.a. B. Breederveld, Boedelscheiding bij echtscheiding, 1988, blz. 110-112; A.R. de Bruijn, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, 3e dr. 1999 bew. door A.L.M. Soons, W.M. Kleijn, W.G. Huijgen en B.E. Reinhartz, blz. 144; C.A. Kraan m.m.v. Q.J. Marck, Het huwelijksvermogensrecht, 4e dr. 2003, blz. 81; Klaassen-Eggens, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte, Huwelijksgoederenrecht, herschreven door E.A.A. Luijten en W.R. Meijer, 13e dr. 2005, blz. 119. Zie wat de lagere rechtspraak betreft o.a. Rb Breda 5 dec. 1967, NJ 1968, 98 en Rb Alkmaar 11 oktober 1984, NJ 1986, 832.

12. De echtgenoot aan wie het huurrecht niet is toebedeeld, kan derhalve in beginsel aanspraak maken op de helft van de aan het huurrecht toe te kennen economische waarde. De vraag is hoe die te verrekenen waarde moet worden bepaald. Daarover bestaan uiteenlopende opvattingen. In de genoemde uitspraak van de rechtbank Breda is overwogen dat bij de bepaling van de waarde gelet moet worden op de mate waarin voor de echtgenoot aan wie het huurrecht niet is toegewezen, mogelijkheden en kansen bestaan om een soortgelijke woning ter plaatse voor een min of meer gelijke huurprijs te verkrijgen. Voorts moet volgens de rechtbank rekening worden gehouden met het feit dat die echtgenoot geconfronteerd zal worden met verhuiskosten. In de genoemde uitspraak van de rechtbank Alkmaar wordt voor de bepaling van de verrekenen waarde van het huurrecht aansluiting gezocht bij de (gefixeerde) schadeloossteling van de huurder als bedoeld in art. 42 lid 2 Onteigeningswet. In de derde druk (1997) van M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, blz. 363, wordt vooropgesteld dat het huurrecht in beginsel steeds een voor verrekening vatbare waarde vertegenwoordigt (de waarde kan slechts nihil zijn indien de relatie tussen huurprijs en huurgenot zodanig is dat niemand anders bereid zou zijn onder die condities als huurder op te treden), en dat deze waarde zal afhangen van de markt in huurhuizen en de hoogte van de huurprijzen. Aangezien deze laatste in veel gevallen niet tot stand komen op basis van vraag en aanbod, kan weinig concreets worden bericht omtrent de bepaling van de waarde van huurrechten, aldus Van Mourik/Verstappen. Luijten/Meijer t.a.p. en Kraan/Marck t.a.p. kiezen kennelijk een ander uitgangspunt: in beginsel vertegenwoordigt het huurrecht geen voor verrekening in aanmerking komende waarde, tenzij de huurprijs economisch niet meer het equivalent is van het huurgenot of indien sprake is van een bijzondere waarde (bijv. een koopoptie tegen gunstige voorwaarden).

13. De laatstbedoelde opvatting lijkt mij juist. De opvatting waarin aansluiting wordt gezocht bij de regeling van art. 42 lid 2 Onteigeningswet miskent dat deze regeling betrekking heeft op schadeloosstelling. In de door de onteigenende partij aan de huurder te betalen (gefixeerde) schadeloossteling (een som gelijkstaande aan de overeengekomen c.q. werkelijk betaalde huurprijs van twee jaren) is niet alleen het verlies van de economische waarde van het huurrecht verdisconteerd, maar ook de andere schade die de huurder rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn huurrecht lijdt. Zie nader Onteigening, eigendomsbeperking, kostenverhaal, losbl., II, hfdst. VI, § 2, nr. 5, Art. 42, lid 2: onteigening van een verhuurde woning (A.Ph. van Gelder). Verhuiskosten e.d. treffen ook de echtgenoot aan wie het huurrecht niet wordt toegewezen. Deze kosten zijn het gevolg van het opbreken van het huwelijk, maar vormen geen component van de economische waarde van het huurrecht. Ik zou daarom menen dat het huurrecht van de echtelijke woning alleen dan een voor verrekening in aanmerking komende waarde vertegenwoordigt, indien de huurprijs economisch niet meer het equivalent is van het huurgenot, d.w.z. indien de huurprijs niet (meer) overeenstemt met de huurprijs die betaald zal moeten worden voor huur van vergelijkbare woonruimte ter plaatse.

14. Uit het vorenstaande vloeit voort dat ik onderdeel 1 van het middel gegrond acht. Het oordeel van het hof dat het huurrecht dat aan partijen tot de echtscheiding gezamenlijk toekwam, geen vermogensbestanddeel is dat na echtscheiding voor verdeling c.q. verrekening in aanmerking komt, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaarden. Er is plaats voor verdeling c.q. verrekening indien de huurprijs die feitelijk voor de echtelijke woning wordt betaald, niet (meer) overeenstemt met de huurprijs die voor vergelijkbare woonruimte ter plaatse wordt gevraagd.

15. Onderdeel 2 van het middel neemt met een motiveringsklacht stelling tegen het oordeel van het hof dat de inspanningen en kosten waarvan de vrouw stelt dat zij zich deze in het verleden heeft getroost om de woning te verbeteren en/of te verfraaien waardoor de waarde van de woning is vermeerderd, niet aan de man als huurder doch aan de eigenaar die niet in deze procedure is betrokken, ten goede komen.

16. Het onderdeel slaagt. Voor zover het hof met zijn gewraakte oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de inspanningen en kosten die de vrouw stelt zich te hebben getroost om de woning te verbeteren en/of te verfraaien niet van belang zijn voor de vraag of het huurrecht van de woning een waarde vertegenwoordigt die voor verrekening in aanmerking komt, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk. De gestelde verbeteringen en/of verfraaiingen kunnen immers, ook al komen zij aan de eigenaar ten goede, tot een zodanige toename van het huurgenot leiden dat de werkelijk betaalde huurprijs economisch niet meer het equivalent is van het huurgenot. Er is dan plaats voor verrekening.

17. Onderdeel 3 van het middel komt, naar ik begrijp, eveneens met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat evenmin van belang is of de man de zolderetage al dan niet legaal kan verhuren, aangezien de zolderetage deel uitmaakt van de woning en bij het huurrecht is inbegrepen.

18. Ook dit onderdeel treft m.i. doel. Voor zover het hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de bedoelde omstandigheid niet van belang is voor de vraag of het huurrecht van de woning een waarde vertegenwoordigt die voor verrekening in aanmerking komt, is ook dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk. De omstandigheid dat de man de (verbouwde) zolderetage legaal kan verhuren, verhoogt immers de economische waarde van het huurrecht van de woning en kan derhalve meebrengen dat de feitelijk betaalde huurprijs achterblijft bij het huurgenot, zodat plaats is voor verrekening.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden