Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3634

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
03415/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3634
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM, art. 6 EVRM en art. 268.3 Sv. CAG: de positie van de AG bij het Hof in de zittingszaal van het Hof (te weten gesitueerd op het podium waarop ook de leden van het Hof en de griffier zitten) is niet in strijd met de wet of met de ratio van art. 268.3 Sv en vormt geen schending van art. 6 EVRM. HR: 81RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 468
RvdW 2007, 680
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03415/05

Mr. Bleichrodt

Zitting 17 april 2007

Conclusie inzake:

[verdachte = betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte op 5 april 2005 ter zake van "oplichting", "door listige kunstgrepen de verzekeraar in dwaling brengen ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zodat deze een overeenkomst sluit die hij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien hij de ware staat van zaken gekend had", "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en "opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Het Hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 139.990,72.

2. De verdachte heeft zelf cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging op onjuiste of ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt ten aanzien van dit verweer in:

"De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De verdachte verklaart dat, indien hij op de aangeboden stoel zou gaan zitten hij zich op een lagere, en daarmee ongelijkwaardiger positie zou bevinden dan de advocaat-generaal, die op het podium bij de leden van het hof zetelt. Hij wenst daarom te blijven staan.

(...)

Alvorens het woord ter verdediging te voeren, deelt de verdachte mee dat hij aan het hof reeds een notitie heeft verzonden waarin hij betoogt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De voorzitter merkt op dat het hof bekend is met de inhoud van de notitie en stelt voor dat, indien verdachte daartegen geen bezwaar heeft, hij volstaat met het verwoorden van de kern van hetgeen hij in zijn notitie heeft verwoord.

De verdachte stemt in met het voorstel van de voorzitter en voert het woord ter verdediging:

Ik verkeer in een (processueel) ongelijkwaardige positie ten opzichte van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, omdat deze tijdens de behandeling van de strafzaak plaatsneemt op het podium waarop de leden van de rechtbank of het hof en de griffier zetelen. Door deze positie op het podium worden de leden van het gerecht (onbewust) beïnvloed ten nadele van mij. Van deze verhoogde positie gaat een intimiderende werking uit waardoor ik niet in staat wordt gesteld mijn standpunt behoorlijk naar voren te brengen. Ik stel me op het standpunt dat aldus inbreuk wordt gemaakt op mijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (...).

Desgevraagd kan ik zeggen dat ik nu de gelegenheid heb gekregen om naar voren te brengen wat ik wilde."

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verdachte heeft ter zitting, onder verwijzing naar zijn aan het hof overgelegde stukken, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Volgens verdachte verkeert hij in een (processueel) ongelijkwaardige positie ten opzichte van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, omdat deze tijdens de behandeling van de strafzaak plaatsneemt op het podium waarop de leden van de rechtbank of het hof en de griffier zetelen. Door deze positie op het podium worden de leden van het betreffende gerecht (onbewust) beïnvloed ten nadele van verdachte. Voorts gaat volgens verdachte van deze verhoogde positie een intimiderende werking uit waardoor hij niet in staat wordt gesteld zijn standpunt behoorlijk naar voren te brengen. Verdachte stelt zich op het standpunt dat aldus inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 9 van het Wetboek van Strafvordering zijn de officier van justitie en de advocaat-generaal belast met de vervolging van strafbare feiten waarvan respectievelijk de rechtbank in het arrondissement en het gerechtshof in het ressort kennis nemen. Teneinde voor de ten behoeve van de uitvoering daarvan noodzakelijke onafhankelijkheid te waarborgen, worden (plaatsvervangende) officieren van justitie en (plaatsvervangende) advocaten-generaal ingevolge artikel 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie aangemerkt als rechterlijk ambtenaar. Een en ander brengt mee dat in de Nederlandse strafrechtpleging de vertegenwoordigers van de vervolgende instantie, in casu het openbaar ministerie, een positie bekleden die niet, zoals in het civiele geding, op één lijn kan worden gesteld met die van overige procesdeelnemers. Door het in artikel 268, derde lid, (juncto artikel 415) van het Wetboek van Strafvordering gestelde voorschrift, dat inhoudt dat tijdens de behandeling van een strafzaak behalve de rechters of raadsheren en de griffier niemand aan de tafel van de rechtbank c.q. het hof plaats neemt, wordt tot uitdrukking gebracht dat de rechter en de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie ieder een eigen taak en rol vervullen in het strafproces. Niet valt in te zien waarom een positie van het openbaar ministerie, weliswaar op het podium, doch niet aan de tafel van het hof, deze symboliek zou doorkruisen en de rechter ten gevolge daarvan zou worden beïnvloed in zijn oordeelsvorming en/of aangetast in zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid.

Het hof overweegt voorts dat de positie in de zittingszaal van waaruit de vertegen-woordiger van het openbaar ministerie aan het proces deelneemt, weliswaar niet dezelfde is als die van verdachte, maar dat dit niet meebrengt dat verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte er geen blijk van gegeven dat hij door de positie van de advocaat-generaal op het podium niet in staat is geweest zijn standpunt onbelemmerd naar voren te brengen. Verdachte heeft ook overigens niet inzichtelijk gemaakt waardoor de positie van de officier van justitie of de advocaat-generaal hem in zijn verdedigingbelang heeft geschaad.

Om voormelde redenen kan van een inbreuk op verdachtes recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geen sprake zijn. Het hof verwerpt het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte."

3.4. Het middel komt tegen deze overwegingen op met de klacht dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gekregen in de zin van art. 6 EVRM, doordat de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie tijdens de behandeling van de zaak zich op het podium bevond, net als het Hof. Hierdoor kan het Hof ten nadele van verdachte zijn beïnvloed in zijn oordeelsvorming. Bovendien is er volgens het middel door deze opstelling geen sprake van eerbiediging van het beginsel van equality of arms (equality of positions). De positie van de Advocaat-Generaal op het podium levert ook strijd op met de ratio van art. 268, derde lid, Sv.

3.5. Het middel verwijst naar de wetsgeschiedenis van de voorganger - art. 275 (oud) - van het huidige art. 268, derde lid, Sv. Die bepaling houdt in dat behalve de rechters en de griffier niemand plaatsneemt aan de tafel van de rechtbank. Op deze wijze wordt het verschil in rol duidelijk tussen rechtbank, openbaar ministerie en verdediging.(1)

Het wetsvoorstel dat leidde tot art. 275 (oud) Sv bevatte na een wijziging van het ontwerp op een gegeven moment nog een volzin: "Ten aanzien van hunne plaats in de rechtszaal wordt tusschen den officier van justitie en den raadsman gelijkheid betracht".(2) Deze zin heeft het uiteindelijk niet gehaald.(3) Er bestond teveel weerstand tegen deze bepaling, die door het OM als degradatie van het ambt van officier werd gezien.(4)

Bij de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel werd door de afgevaardigde Mendels verwezen naar die later verwijderde tekst.(5) Minister Heemskerk heeft daar het volgende over gezegd:

"Ik meen nu, dat de heer Mendels art. 275 niet geheel te recht heeft gecritiseerd.

Ik heb dat zoo in het wetsontwerp opgenomen. Er stond aanvankelijk iets anders, nl. dat een gelijke plaats gegeven zou moeten worden aan het OM en aan den verdediger. Dit achtte ik niet juist, aangezien zij beiden niet dezelfde rol vervullen.

Het OM komt als overheidsorgaan op tegen de schennis van de wet; de verdediger komt op als vertegenwoordiger van den verdachte tegen de beschuldiging. Nu staan beiden alleen in zoover gelijk, dat zij gelijke aanspraak hebben op waardering door den rechter. Maar hun rollen zijn verschillend en het is onjuist te zeggen, dat zij in geheel gelijke positie verkeeren.

Iets anders is, dat het niet den schijn moet hebben alsof het OM deel uitmaakt van de rechtbank en alsof de rechtbank reeds van te voren de partij van het OM heeft gekozen. Daarom moet men eenvoudig zeggen: rechtbank en OM moeten niet aan dezelfde tafel zitten.

Als de geachte afgevaardigde het zoo voorstelt, dat beiden niet aan een tafel zitten als zij zich bevinden op 1 d.M. afstand, wat dan het idee van waarneembaren afstand zou zijn, terwijl een zelfde groene kleed de geheele tafel bedekt, dan moet ik zeggen, dat dit m.i. niet zou zijn naleving van de bepaling der wet: het zou in alle opzichten den schijn hebben van dezelfde tafel te zijn.

De geachte afgevaardigde spreekt herhaaldelijk van een podium; daarvan staat niets in de wet. Er zullen eenige huishoudelijke voorschriften gegeven moeten worden, opdat duidelijk blijke, dat het OM niet aan dezelfde tafel zit."(6)

In Blok-Besier wordt het aldus verwoord:

"Het artikel is alzoo teruggebracht tot een voorschrift van huishoudelijken aard en losgemaakt van de oorspronkelijke beweegreden. Het dient alleen om den valschen schijn te voorkomen, alsof de O.v.J. deel uitmaakte van het rechtsprekend College, (...)."(7)

3.6. In de praktijk zijn de rechtbank en het openbaar ministerie in een rechtszaal (vaak) op een verhoging, een podium, gezeten, terwijl de verdachte en zijn raadsman daar geen plaats hebben en zich dus wat lager bevinden dan de zetel en het openbaar ministerie. Dat is blijkbaar ook bij het Hof Leeuwarden het geval. Tegen die ongelijke positie die volgens de verdachte ook van invloed kan zijn op de uitkomst van de zaak in het nadeel van de verdachte, had hij op verschillende gronden bezwaar.

3.7. Uit de hiervoor geschetste wetsgeschiedenis volgt dat aanvankelijk wel is gedacht aan een bepaling, inhoudende dat voor wat hun positie in de rechtszaal gelijkheid wordt betracht tussen de officier van justitie en de raadsman. De verdachte, die zoals in deze zaak is geschied, zijn eigen verdediging voert, werd in die bepaling overigens niet genoemd. Maar hoe dan ook, dat voorschrift is geen wet geworden. De positie van de Advocaat-Generaal in de zittingzaal van het Hof in deze zaak is dus niet in strijd met de wet en, anders dan het middel stelt, evenmin met de ratio van het huidige art. 268, derde lid, Sv. Die ratio is immers beperkt tot het voorkomen van de schijn dat de Advocaat-Generaal deel uitmaakt van het Hof, dus om verwarring daarover en eventueel de schijn van partijdigheid van de rechter te voorkomen. Voor dat doel was de bepaling naar het oordeel van de wetgever geschikt en voldoende.

In het midden kan hier verder blijven de vraag of ondanks de onmiskenbaar verschillende rol van openbaar ministerie en verdediging in het strafproces niettemin een andere plaats in de rechtszaal van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie dan gebruikelijk, gewenst zou zijn.

3.8. Ook het oordeel van het Hof dat geen inbreuk is gemaakt op de aanspraak van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik merk hierbij nog op dat de verdachte in zijn nog nader te noemen notitie (blz. 8) in dit verband heeft gesteld dat hij zich geen zorgen maakte over de onpartijdigheid van de rechters. Verder heeft het Hof zich ervan vergewist dat de betrokkene, die niet was voorzien van rechtsbijstand, alle verweren naar voren heeft kunnen brengen die hij wenste te voeren.

Het beginsel van equality of arms houdt, lijkt mij, niet in een aanspraak op "equality in positions" (in ruimtelijke zin). Waar het om gaat is of de verdachte alle hem toekomende verdedigingsrechten naar behoren heeft kunnen uitoefenen en in het kader van het onderzoek niet op een ongerechtvaardigde achterstand is geplaatst ten opzichte van het Openbaar Ministerie. Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat de verdachte zijn verdedigingsrechten onbelemmerd heeft kunnen uitoefenen en voor wat betreft de verdediging van zijn standpunt niet is benadeeld ten opzichte van de Advocaat-Generaal.

Als er geen sprake is geweest van een schending van genoemde bepaling van het EVRM is er uiteraard geen plaats voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging omdat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR NJ 1996, 249).

Voor zover in het middel nog wordt aangevoerd dat door de gestelde inbreuk het wettelijke systeem, dat uitgaat van gelijkheid van partijen, in de kern wordt geraakt,(8) kan het, gelet op wat hiervoor onder 3.7 is vermeld, reeds daarom niet tot cassatie leiden omdat het wettelijk systeem de bepleite gelijkheid in ruimtelijke zin niet behelst.

3.9. Het middel bevat ten slotte de klacht dat het standpunt van de verdachte meer inhield dan is opgenomen in het proces-verbaal en dat hem in de omstandigheden van het geval niet kan worden tegengeworpen dat bepaalde verweren (of onderdelen daarvan) die in zijn tevoren aan het Hof toegezonden notitie waren vervat, niet uitdrukkelijk ter terechtzitting zijn voorgedragen. Het betoog in de notitie hield, aldus het middel, meer in dan in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt vermeld.

3.10. Ter terechtzitting heeft de verdachte gewezen op een notitie(9) die hij op voorhand aan het Hof heeft verzonden. Op voorstel van de voorzitter van het Hof heeft de verdachte de kern van de notitie, die voor wat betreft het onderhavige verweer negen pagina's beslaat, naar voren gebracht. Het Hof heeft bij de bespreking van het verweer gerefereerd aan de stukken die door de verdachte aan het Hof zijn overgelegd. Op welke (onderdelen van) verweren in deze notitie het Hof geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven, wordt in de toelichting op het middel niet vermeld en is mij na kennisneming van die notitie ook niet duidelijk geworden. Wel voert de betrokkene in de notitie allerlei argumenten aan voor zijn opvatting maar dat betekent niet dat het Hof gehouden was op ieder van die door de betrokkene relevant geacht punten afzonderlijk in te gaan.

Ik meen dat, ook als men de notitie in de beschouwing betrekt, wat betreft de gestelde niet-ontvankelijkheid verder geen stellingen zijn betrokken die het Hof als een afzonderlijk (onderdeel van een) verweer had behoren op te vatten.

Mijn conclusie is dat het Hof het in het middel bedoelde verweer zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting op toereikende gronden heeft verworpen.

3.11. Het middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering.

4. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende. Het cassatieberoep is ingesteld op 5 april 2005. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan 24 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in deze zaak is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

Voor de goede orde merk ik nog op dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat verdachte van de raadsman het advies had gekregen om af te zien van het indienen van middelen. Omdat de betrokkene persisteerde (hij heeft in de tussentijd ook nog een brief aan de Hoge Raad geschreven), is alsnog een schriftuur ingezonden en wel binnen de oorspronkelijke termijn. Aan een vertraging van de behandeling in cassatie heeft een en ander dus niet bijgedragen.(10)

5. Gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Wöretshofer, T & C Sv, art. 268, aant. 5.

2 Opgenomen als art. 273a, eerste lid, in Kamerstukken II 1917-1918, 77, nr. 2 (Gewijzigd Ontwerp van wet).

3 Kamerstukken II, 1919-1920, 18, nr. 1 (Nota van Wijzigingen), blz. 6.

4 Zie M.I. Veldt, in Melai, Het Wetboek van Strafvordering, art. 268 Sv, aant. 12.

5 Handelingen I, 1921, blz. 208-209.

6 Handelingen I, 1921, blz. 223.

7 Blok-Besier II, 1925, blz. 36.

8 Hier refereert het middel kennelijk aan HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 (ontoelaatbare toezegging aan "kroongetuige" waardoor het wettelijk systeem voor wat betreft de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en openbaar ministerie in de kern wordt geraakt).

9 Het gaat, als ik het goed zie, uiteindelijk om een notitie gedateerd "januari 2003". De zaak is namelijk al eerder bij het Hof geweest en toen teruggewezen naar de Rechtbank. Bij een ongedateerde brief waarin naar die eerdere behandeling wordt verwezen, is genoemde notitie nogmaals bijgevoegd.

10 Het dossier is juist binnen de termijn van acht maanden na het instellen van cassatie binnengekomen zodat de vertraging in dit geval in het bijzonder te wijten is aan de verdere (administratieve) afwikkeling van de zaak bij de Hoge Raad.