Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3631

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
03192/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3631
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening dagvaarding. Het in de bestreden – bij verstek gewezen - uitspraak besloten liggende oordeel dat verdachte in 1e aanleg behoorlijk is gedagvaard, is niet begrijpelijk nu de akte inhoudt dat de dagvaarding niet op het adres X, 2e verdieping, kon worden uitgereikt en kennelijk daar een bericht van aankomst is achtergelaten, terwijl verdachte als ingezetene in de GBA was ingeschreven op de 3e verdieping van genoemd adres. Daaraan kan niet afdoen dat de dagvaarding later als gewone brief naar het juiste adres is verzonden. HR verklaart om doelmatigheidsredenen de inleidende dagvaarding nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 467
NJ 2007, 367
RvdW 2007, 666
NJB 2007, 1599
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 03192/06

Mr Wortel

Zitting:17 april 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "valsheid in geschrift" is veroordeeld tot elf weken gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr K. Canatan, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de inleidende dagvaarding nietig had behoren te verklaren wegens een fout bij het betekenen daarvan.

4. Op de bij de inleidende dagvaarding behorende akte van uitreiking is als verzoekers adres afgedrukt "[a-straat 2]", op welk adres verzoeker (blijkens een aangehechte uitdraai uit een register) stond ingeschreven.

De steller van het middel wijst er terecht op dat de postbesteller die de eerste rubriek van de akte invulde, daarop heeft aangetekend dat hij het gerechtelijk schrijven op 8 november 1995 heeft aangeboden aan het adres "[a-straat 1] [woonplaats]", doch het stuk aldaar niet kon uitreiken omdat niemand werd aangetroffen.

5. Blijkens diezelfde akte is de inleidende dagvaarding, nadat zij naar het parket was teruggezonden en aan de griffier uitgereikt, door de laatste als gewone brief verzonden naar het "aan ommezijde vermelde adres" hetgeen verstaan zal moeten worden als "[a-straat 2], derde étage"; het juiste, van verzoeker bekende adres.

6. Daarom konden politierechter en Hof aannemen dat de inleidende dagvaarding (tijdig, gelet op art. 370 Sv) aan verzoeker is betekend op de in art. 588, derde lid, onder c, Sv voorziene wijze, en dus - uiteindelijk - geldig.

Daarom faalt de klacht bij gebrek aan belang.

7. Het tweede middel klaagt over overschrijding van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn, doordien na het wijzen van de bestreden uitspraak onvoldoende voortvarendheid is betracht bij het betekenen van de in art. 366 Sv voorgeschreven 'verstekmededeling'.

8. De bestreden uitspraak is gedaan op 1 juli 1997.

Het meest recente overzicht van de verzoeker betreffende GBA-gegevens (opgevraagd in verband met het betekenen van de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging) houdt in dat verzoeker

- ten tijde van de bestreden uitspraak ingeschreven was op een adres in [plaats A] (maar ten tijde van het betekenen van de appèldagvaarding nog op het [...] adres [a-straat 2]);

- bijna vijftien maanden later, per 22 september 1998, is uitgeschreven als "zonder vaste woon- of verblijfplaats";

- na een periode van ongeveer anderhalf jaar weer is ingeschreven (per 24 maart 2000) op een adres in [woonplaats], en in die gemeente op verschillende adressen bekend is geweest totdat hij, ook weer na een periode van ongeveer anderhalf jaar, wederom werd uitgeschreven (per 4 september 2001) wegens "zonder vaste woon- of verblijfplaats";

- ongeveer vier jaar en drie maanden zwervend is gebleven, namelijk pas sinds 19 december 2005 weer is ingeschreven op een adres in [woonplaats].

De mededeling van het bij verstek gewezen arrest is verzoeker in persoon uitgereikt op 20 oktober 2005.

Voordien is gepoogd deze verstekmededeling aan verzoeker uit te reiken op 20 januari 1998 en op 23 maart 1998, telkens op het toen van verzoeker bekende inschrijvingsadres in [plaats A]. Beide betekeningspogingen zijn mislukt omdat een op het betreffende adres aangetroffen persoon mededeelde dat verzoeker daar woonde noch verbleef. Na de laatste vergeefse aanbieding (23 maart 1998) is de mededeling van de bestreden uitspraak aan de griffier uitgereikt en door deze (op 15 april 1998) als gewone brief naar het adres in [plaats A] verzonden.

9. Er heeft derhalve binnen een jaar na de uitspraak een geldige betekening van de verstekmededeling plaatsgevonden, namelijk op de in art. 588, derde lid, onder c Sv voorziene wijze.

10. Tussen het moment van die (geldige) betekening en het moment waarop de verstekmededeling aan verzoeker in persoon kon worden uitgereikt zijn er ongeveer zeven jaren en zes maanden verstreken, maar in dit tijdvak heeft verzoeker in totaal vijf jaar en negen maanden niet op een adres ingeschreven gestaan, zodat hij het grotendeels aan zichzelf te wijten heeft dat justitie er niet eerder in slaagde verzoeker persoonlijk met de bestreden uitspraak bekend te maken.

Voor zover men het Openbaar Ministerie zou kunnen verwijten dat er te weinig werk is gemaakt van pogingen de verstekmededeling (na de geldige betekening overeenkomstig het derde lid van art. 588 Sv) aan verzoeker in persoon uit te reiken betreft dat een periode van enkele maanden in 1998, en voorts een periode van ongeveer anderhalf jaar tussen maart 2000 en september 2001.

11. Ik zie in deze gang van zaken niet een zó ernstige overschrijding van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke berechtingsduur dat er aanleiding is het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet-ontvankelijk te verklaren, zoals in de toelichting op het middel verzocht.

Daarom houd ik het middel voor vruchteloos voorgesteld.

12. Voor zover de opgetreden en aan justitie toe te rekenen vertraging invloed zou moeten hebben op de straf, kan daarvoor aansluiting worden gevonden bij een volgend middel, dat betrekking heeft op het overschrijden van de zogenaamde inzendtermijn na het instellen van dit cassatieberoep.

13. Het derde middel klaagt over grondslagverlating. Die klacht wordt als volgt onderbouwd. De bewezenverklaring houdt in dat verzoeker een formulier, dat hij moest invullen met het oog op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, valselijk heeft opgemaakt door op dat formulier niet te vermelden dat hij "inkomsten uit werkzaamheden" had genoten. Dat moet, aldus de steller van het middel, worden verstaan als werkzaamheden in loondienst. Voor het bewijs is evenwel gebruik gemaakt van een stuk tekst uit het formulier, waaruit moet worden afgeleid dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat verzoeker inkomsten uit zelfstandige beroepsbeoefening heeft genoten en verzwegen. Bewijsmiddel 3 geeft immers weer dat verzoeker met "nee" heeft beantwoord de vraag "Heeft u vorig jaar en/of dit jaar inkomsten uit uw bedrijf of zelfstandig beroep genoten".

14. De klacht is geenszins onzinnig, maar tot cassatie behoeft dit niet te voeren, aangezien uit bewijsmiddel 2, een verklaring van een leidinggevende van de uitkeringsinstantie, kan worden afgeleid dat verzoeker door middel van het betreffende formulier ook inkomsten uit arbeid had behoren op te geven.

15. Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd omdat die bewezenverklaring inhoudt dat door het gebruik van het valse of vervalste geschrift enig nadeel kon ontstaan, doch de bewijsmiddelen ten aanzien van zulk nadeel niets inhouden.

16. Het middel faalt omdat uit het reeds genoemde bewijsmiddel 2 kan worden afgeleid dat de verzwegen inkomsten bepalend behoorden te zijn voor het recht op, en de hoogte van, de aan verzoeker toegekende uitkering.

17. Het vijfde middel klaagt over overschrijding van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn voor berechting bij de behandeling van dit cassatieberoep, doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 28 oktober 2005, terwijl de stukken van het geding eerst op 16 november 2006 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht voorgesteld.

18. Teneinde de gevolgen van deze vertraagde inzending zo veel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging, namelijk op de (eerste) dienende dag, genomen. Niettemin zal de Hoge Raad in het tijdsverloop aanleiding willen vinden de opgelegde straf te matigen, daarbij wellicht ook rekening houdend met de totale duur van deze strafzaak, betreffende een feit dat ongeveer vijftien jaar geleden is gepleegd.

19. Behoudens het laatste middel lenen de middelen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, matiging van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor berechting, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,