Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3628

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
02496/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3628
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding instellen appel, eerst in cassatie aangevoerde feiten en omstandigheden. De opvatting dat het Hof blijk had moeten geven een onderzoek te hebben ingesteld naar mogelijke verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding bij het instellen van appel vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht. Niet blijkt van bijzondere omstandigheden op grond waarvan i.c. anders zou moeten worden geoordeeld. Vzv. de middelen in dat verband feiten en omstandigheden aanvoeren waaromtrent door het Hof niets is vastgesteld en waarvan niet blijkt dat daarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan, stuiten ze af op de regel dat in cassatie op zodanige feiten niet met vrucht een beroep kan worden gedaan. Die regel lijdt geen uitzondering in het geval verdachte in appel niet door een raadsman werd bijgestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 469
RvdW 2007, 679
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02496/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 17 april 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's Gravenhage heeft de verdachte op 18 april 2006 niet ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

2. De verdachte heeft zelf beroep in cassatie ingesteld. Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft tijdig een schriftuur (en een aanvulling daarop) ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. De middelen richten zich alle tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte wegens het verstrijken van de termijn binnen welke hoger beroep moet worden ingesteld, niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte - die ter terechtzitting niet werd bijgestaan door een raadsman - niet heeft voorgehouden dat en op welke grond niet-ontvankelijkheid dreigde en dat het Hof niet heeft onderzocht of er een omstandigheid was op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar zou kunnen zijn. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien aan de verdachte over de beroepstermijn door de griffie onjuiste informatie is verstrekt, waardoor de overschrijding verontschuldigbaar is. Nu verdachte in hoger beroep niet werd bijgestaan door een raadsman, brengt het recht op een eerlijk proces mee dat de verdachte in cassatie een beroep moet kunnen doen op nieuwe feiten en omstandigheden die de rechter in feitelijke aanleg niet bekend konden zijn, zeker nu verdachte in eerste instantie bij verstek is veroordeeld. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien het dictum van de uitspraak van de Kantonrechter door de griffie niet tijdig aan de verdachte kon worden medegedeeld, zodat verdachtes onbekendheid daarmee hem niet kan worden toegerekend in verband waarmee de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar is.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2006 houdt in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik was van tevoren op de hoogte van de zitting op 6 september 2005 bij de kantonrechter. Ik ben niet op die zitting geweest omdat ik aan het werk was.

De advocaat-generaal requireert tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatste woord te voeren.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak."

3.3. De bestreden uitspraak houdt als motivering van de beslissing in:

"De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat hij op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg bij de kantonrechter te 's-Gravenhage op 6 september 2005. De verdachte kon volgens de wet hoger beroep instellen binnen veertien dagen na 6 september 2005.

Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld op 4 oktober 2005, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard."

3.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een op 19 juli 2005 op het arrondissementsparket te 's-Gravenhage ingekomen brief van de verdachte waarin hij onder verwijzing naar de dagvaarding in deze zaak voor de terechtzitting van de Kantonrechter van 6 september 2005 verzoekt om een transactie, evenals een brief van de Officier van Justitie van 17 augustus 2005, waarin wordt medegedeeld dat het niet mogelijk is om een transactie te voldoen aangezien er sprake is van recidive.

Terzijde merk ik op dat verdachte door deze gang van zaken minstens rekening moest houden met de mogelijkheid dat in deze zaak, waarin de maximumsnelheid met 51 km/ u was overschreden, naar het oordeel van de Officier van Justitie gelet op de recidive niet meer kon worden volstaan met een geldboete. Er stond dus voor hem nogal wat op het spel. Niettemin heeft de verdachte blijkbaar niet om aanhouding van de zaak verzocht toen hij niet op de terechtzitting aanwezig kon zijn en daarover contact heeft gehad met de griffie van de Rechtbank (zie hieronder sub 3.6 onder (i).

3.5. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.(1) Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

3.6. In de schriftuur wordt onder verwijzing naar een bijgevoegde brief van de moeder van verdachte aangevoerd dat

(i) verdachte, anders dan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep vermeldt, op de dag waarop de zaak in eerste aanleg werd behandeld ziek was, dat hij tevoren telefonisch contact had opgenomen met de griffie van de Rechtbank en hem toen is medegedeeld dat hij bericht zou krijgen van de uitspraak omdat hij ter terechtzitting niet aanwezig zou zijn;

(ii) de moeder van verdachte binnen de beroepstermijn bij de griffie van de Rechtbank herhaaldelijk heeft geïnformeerd hoe de zaak in eerste aanleg was afgelopen;

(iii) zij toen telkens geen uitsluitsel kon krijgen omdat de uitspraak nog niet in de computer was geregistreerd en haar is medegedeeld dat de verdachte schriftelijk bericht kon afwachten, waarna hij alsnog binnen veertien dagen in beroep zou kunnen gaan;

(iv) dat een medewerkster van de griffie op 30 september 2005 haar de uitspraak kon mededelen en dat verdachte de dag daarop per brief, die overigens is gedateerd op 18 september 2005 maar is ingekomen op 4 oktober 2005, heeft doen weten hoger beroep te willen instellen.

3.7. Wat in cassatie wordt aangevoerd komt er dus op neer dat de griffie van de Rechtbank enerzijds niet de nodige informatie over de uitspraak(2) heeft verschaft (kon verschaffen) op een moment dat de verdachte daar wel aanspraak op kon maken met het oog op de vraag of hij hoger beroep zou instellen. Anderzijds zou zijn medegedeeld dat een schriftelijk bericht over de uitspraak van de Kantonrechter kon worden afgewacht, waarna alsnog hoger beroep zou kunnen worden ingesteld, terwijl dat laatste in deze zaak, waarin de beroepstermijn op de dag van de uitspraak van de Kantonrechter was gaan lopen, niet het geval was. De dagvaarding in eerste aanleg was weliswaar niet in persoon betekend, maar, naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en in cassatie ook niet wordt tegengesproken, de verdachte was wel op de hoogte gekomen van de dag van de terechtzitting van de Kantonrechter.

Hoe dat laatste ook zij de gang van zaken betreffende (het gebrek aan) informatie zoals die wordt geschetst, zou op zichzelf het onderzoeken waard zijn.

3.8. Maar voor een zodanig onderzoek van de feiten is in cassatie geen plaats. In cassatie kan niet met vrucht ter ondersteuning van een standpunt voor het eerst een beroep worden gedaan op bepaalde feiten die niet vaststaan en waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan.

Als wat nu in cassatie wordt aangevoerd, door de verdachte op de terechtzitting van het Hof naar voren zou zijn gebracht, zou het Hof het aangevoerde hebben behoren te onderzoeken en indien dat aannemelijk zou worden de verdachte hebben moeten ontvangen in het hoger beroep. Maar de verdachte heeft toen daarover niets aangevoerd.

Het gaat in cassatie in een geval als dit tenslotte om de beoordeling van de uitspraak van het Hof, meer in het bijzonder om de vraag of zijn beslissing naar behoren is gemotiveerd. Het Hof is, zoals in cassatie gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden aangenomen (en in de cassatieschriftuur trouwens in feite wordt bevestigd), door verdachte niet geattendeerd op de gang van zaken in eerste aanleg en bij het instellen van het hoger beroep, zoals die nu in cassatie naar voren is gebracht.

3.9. Het eerste middel stelt zich echter op het standpunt dat het Hof eigener beweging een onderzoek had moeten instellen naar de mogelijkheid dat de overschrijding van de appe`ltermijn verontschuldigbaar was. Aangevoerd wordt dat het Hof de verdachte, die niet werd bijgestaan door een raadsman, had moeten uitleggen waarom hij, naar het zich liet aanzien, met zijn beroep te laat was en hem had moeten vragen of er bepaalde redenen waren waarom het hoger beroep niet eerder was ingesteld.

3.10. Op zichzelf ligt het voor de hand dat bij het onderzoek ter terechtzitting niet wordt volstaan met de vaststelling dat de verdachte tevoren met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg bekend was, maar dat tevens ter terechtzitting ter sprake wordt gebracht, dat de consequentie daarvan is dat - behoudens bijzondere omstandigheden - het beroep te laat is ingesteld indien het niet binnen veertien dagen na de einduitspraak is aangetekend. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt inderdaad niet met zoveel woorden dat het Hof die consequentie aan de orde heeft gesteld, maar wel dat de Advocaat-Generaal heeft gerekwireerd tot niet ontvankelijkheid van het beroep en dat niet blijkt dat verdachte daar iets tegenin heeft gebracht. Als de Advocaat-Generaal al niet uitdrukkelijk als reden heeft genoemd dat het beroep niet tijdig na de uitspraak van de Kantonrechter is ingesteld, kan men zich afvragen of die reden niet min of meer voor de hand lag. Uit de bij de cassatieschriftuur gevoegde brief van de moeder van verdachte zou kunnen worden afgeleid dat zij dat probleem in ieder geval wel heeft onderkend. Het spreekt verder vanzelf dat een verantwoorde beslissing over het al dan niet instellen van hoger beroep niet kan worden genomen indien de uitspraak in eerste aanleg niet bekend is en te bestemder plaatse ook niet tijdig informatie daarover kan worden verkregen.

Een enkele opmerking daarover van de verdachte zou het Hof hebben genoopt een nader onderzoek in te stellen.

3.11. Hoe dat ook zij, nu geen verweer is gevoerd kan niet worden gezegd dat 's Hofs beslissing ontoereikend is gemotiveerd. Anders dan het middel voorstaat, was het Hof, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, mijns inziens namelijk niet gehouden ambtshalve een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of een van de uitzonderingen op hoofdregel dat het beroep binnen veertien dagen had moeten worden ingesteld, van toepassing was. Dat verdachte in hoger beroep niet van rechtsbijstand was voorzien was een eigen keuze van hem en kan aan het voorgaande niet afdoen.

Echt bevredigend kan ik deze uitkomst in dit geval niet vinden, maar de beperkingen die zijn verbonden aan de beoordeling in cassatie staan er nu eenmaal aan in de weg dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar pas in die instantie naar voren gebrachte feiten.

3.12. Voor de goede orde merk ik nog op dat de jurisprudentie waarop het middel zich beroept, hier niet van belang is omdat in al die zaken in hoger beroep door de verdachte en/of zijn raadsman was aangevoerd waarom het rechtsmiddel verontschuldigbaar te laat was aangewend.(3)

3.13. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

3.14. In het tweede en het derde middel wordt een beroep gedaan op disculperende omstandigheden voor het te laat instellen van het hoger beroep, zoals hiervoor onder 3.1 omschreven. Omdat, zoals hiervoor al is uiteengezet, de daaraan ten grondslag gelegde feiten niet vaststaan en daarop niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan, kunnen die middelen niet tot cassatie leiden. De stelling in het tweede middel dat het recht op een eerlijk proces meebrengt dat in cassatie de mogelijkheid moet bestaan om - indien de verdachte in feitelijke aanleg geen raadsman heeft gehad - nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren, vindt geen steun in het recht. Verdachte heeft er zelf van afgezien om zich in hoger beroep te laten bijstaan door een raadsman.

Verder kan de omstandigheid dat een verdachte niet was voorzien van rechtsbijstand er niet toe leiden dat de beoordeling in cassatie een andere, ruimere, omvang heeft in die zin dat het ook een feitenonderzoek omvat.

3.15. Ook het tweede en derde middel falen en kunnen met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.

4. Ik heb geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, zodat deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie o.m. HR 6 januari 2004, LJN AN8587.

2 Ook niet over de (hoogte van) de veroordeling, zodat deze zaak m.i. anders ligt dan NJ 1987, 568

3 Zie bijvoorbeeld HR 20 december 1994, NJ 1995, 253; HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 498; HR 1 februari 2005, NJ 2005, 194; zie ook HR 23 januari 2007, LJN AZ3592.