Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3618

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2007
Datum publicatie
11-09-2007
Zaaknummer
01891/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3618
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 231.2 Sr; uitleg term “reisdocument”. Mede in het licht van de wetsgeschiedenis mbt art. 231 Sr valt niet in te zien waarom niet meer gesproken zou kunnen worden van het gebruik van een niet op de naam van de drager gesteld reisdocument indien het document vals of vervalst zou blijken te zijn. Uit het in de MvT gegeven voorbeeld van het gebruik van een niet-vervalst reisdocument op naam van een ander kan niet worden afgeleid dat er geen sprake zou kunnen zijn van het gebruik van “een niet op zijn naam gesteld reisdocument” uit het 2e lid bij een vals of vervalst reisdocument. De kennelijk door het Hof aan de term “reisdocument” ex art 231.2 Sr gegeven uitleg, te weten dat daaronder ook dat reisdocument kan worden verstaan dat vals of vervalst is, is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 362
JOL 2007, 565
RvdW 2007, 780
NJ 2007, 495
NJB 2007, 1921

Conclusie

Nr. 01891/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 17 april 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte op 2 februari 2006 ter zake van "opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken.

2. Mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring geen steun vindt in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, althans dat die bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het tweede middel houdt de klacht in dat het Hof het feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2 Ter terechtzitting van het Hof is namens verdachte een uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw verschenen.(1) Het proces-verbaal houdt voorzover hier van belang het volgende in:

"De advocaat-generaal voert het woord, zakelijk weergeven:

Het feit is wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de identiteitskaart gebruikt en deze kaart was niet op zijn naam gesteld. Verdachte heeft bewust een andere identiteit aangenomen.

(...)

De raadsvrouw voert het woord tot de verdediging, zakelijk weergegeven:

Mijn cliënt heeft gebruik gemaakt van een vervalste identiteitskaart en niet van een niet op zijn naam gestelde identiteitskaart, zoals is tenlastegelegd. Derhalve zal cliënt moeten worden vrijgesproken."

3.3 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij op 09 mei 2005 te Arnhem, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Nederlandse identiteitskaart (op naam van [naam], geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] en voorzien van documentnummer [001]), welk gebruik hierin bestond dat verdachte heeft gepoogd een bankrekening te openen en zich daarbij heeft gelegitimeerd met voornoemde identiteitskaart;"

3.4 Het Hof heeft die bewezenverklaring gegrond op de volgende bewijsmiddelen:

- het door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie Gelderland-Midden op 3 juni 2005 opgemaakte proces-verbaal van verhoor, genummerd PL0785/05-071293, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 1):

"Ik ben bankmedewerkster bij de ABN-Amro in het filiaal in Arnhem-Zuid aan de Kronenburgpromenade 6.

Op 9 mei 2005 wilde een donkere man bij mij een rekening openen. Hij overhandigde daartoe aan mij een Nederlandse identiteitskaart. Ik zag meteen dat deze vervalst was of niet correct omdat de foto niet klopte. Ik krijg dagelijks zoveel identiteitskaarten te zien dat ik ambtshalve weet welke correct zijn en welke niet. De man wilde een privé-rekening openen. Toen wij hem mededeelden dat zijn pasje niet klopte gaf hij mij een groene ziekenfondspas met de naam [achternaam]. Toen kreeg ik het gevoel dat het allemaal niet klopte."

- het proces-verbaal met nummer PL0785/05-071293, opgemaakt op 9 mei 2005 door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte (bewijsmiddel 2):

"Ik ben vandaag aangehouden in de ABN-AMRO bank te Kronenburg Arnhem-Zuid. Ik was daar omstreeks 12.00 uur aanwezig.

Ik heb dus met een valse Nederlandse identiteitskaart onder het documentnummer [001] en met een valse hoedanigheid, te weten [naam] geboren op [geboortedatum] 1970, een bankrekening willen openen."

3.5 Het bestreden arrest houdt voorts de volgende verwerping van het door de raadsvrouw op de zitting gevoerd verweer in:

"De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat het gaat om een vervalst reisdocument en dat er geen sprake is van een echt reisdocument dat niet op zijn naam is gesteld. Derhalve heeft verdachte het tenlastegelegde niet gepleegd en zal hij moeten worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent:

Het feitencomplex betreft het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam, maar op naam van een ander gesteld vervalst reisdocument. In het oude artikel 231 Wetboek van Strafrecht was -kort gezegd- enkel voorzien in het valselijk opmaken, vervalsen of valselijk doen afgeven van een reisdocument met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als echt en onvervalst (lid 1) en in het opzettelijk als echt en onvervalst gebruik maken van een dergelijk (ver)vals(t) reisdocument (lid 2). Volgens de memorie van toelichting vielen hieronder niet alle frauduleuze handelingen die met betrekking tot reisdocumenten gepleegd kunnen worden. Wanneer bijvoorbeeld geen sprake is van een vervalst document, maar iemand zijn eigen reisdocument ter beschikking stelt aan een ander om het te gebruiken als ware het aan hem verstrekt, valt dat niet onder de delictsomschrijving van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht" (Bijl. Hand. II, 1987-1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, p. 75). Het onderhavige feitencomplex, dat evenmin onder de oude redactie van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht was te brengen, verschilt hiervan in zoverre, dat gebruik is gemaakt van een vervalst reisdocument van een ander. Daar de memorie van toelichting het voormelde geval enkel heeft aangehaald als voorbeeld en expliciet vermeldt dat met de nieuwe redactie van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht is getracht alle frauduleuze handelingen die met betrekking tot reisdocumenten gepleegd kunnen worden onder deze strafbepaling te brengen, ziet het hof geen reden om dit feitencomplex niet ook onder de strafbaarstelling van de laatste zinsnede van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht te doen vallen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3.6.1 In de kern komt de hier aan de orde zijnde kwestie op het volgende neer.

3.6.2 De tenlastelegging is toegespitst op art. 231 Sr en wel meer in het bijzonder op de laatste zinsnede van het tweede lid daarvan.

Art. 231 Sr luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit (en luidt thans nog steeds) als volgt:

"1. Hij die een reisdocument valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig stuk op grond van valse gegevens doet verstrekken dan wel een aan hem of een ander verstrekt reisdocument ter beschikking stelt van een derde, met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of

geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het bezit is van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument."

3.6.3 Bij de Wet van 24 mei 1989 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met bestrijding van fraude met paspoorten en andere reisdocumenten (Stb. 1989, 189) is onder meer het laatste onderdeel van het huidige tweede lid van art. 231 in die bepaling ingevoegd. Voortaan was ook het gebruik van andermans (niet-valse of vervalste) reisdocument strafbaar.

3.6.4 Hoewel, naar in cassatie moet worden aangenomen, de desbetreffende identiteitskaart vals was, heeft de Officier van Justitie de tenlastelegging toegespitst op bedoeld nieuw onderdeel van art. 231, lid 2. Beslissend is of de Officier van Justitie dat heeft kunnen doen. Voor een antwoord op die vraag is bepalend of moet worden aangenomen dat toepassing van dat onderdeel van art. 231, tweede lid, Sr is uitgesloten voor zover het in werkelijkheid gaat om valse of vervalste documenten, waarvan het gebruik (en na die wetswijziging zelfs het bezit) ingevolge het eerste onderdeel van art. 231, lid 2, Sr strafbaar was en is. (2)

Als die toepassing inderdaad uitgesloten is, zou het bewezenverklaarde feit niet kunnen worden gekwalificeerd, omdat de bewezenverklaring verwijst naar een delictsomschrijving die door een andere - te weten art. 231, tweede lid eerste gedeelte, Sr - is verdrongen.(3)

3.7.1 In het eerste middel wordt geklaagd dat de identiteitskaart waarvan verdachte zich heeft bediend niet vervalst, maar vals was en dat het Hof ten onrechte spreekt van "vervalst". Gelet daarop zou de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen.

3.7.2 Ik moet de steller van het middel gelijk geven dat het bij een blik achter de papieren muur ernaar uitziet dat het Hof zich hier heeft vergist. Een zich bij de stukken bevindend proces-verbaal, opgemaakt door technisch rechercheur [verbalisant 2] op 30 mei 2005, houdt in dat deze deskundige tot de conclusie is gekomen dat de door hem onderzochte identiteitskaart, voorzien van het documentnummer [001], vals is.(4) Die misslag van het Hof kan wellicht mede in de hand zijn gewerkt door het op de zitting in hoger beroep door de verdediging gevoerde verweer; de raadsvrouw heeft immers daar volgens het proces-verbaal van de terechtzitting ook gesteld dat de kaart vervalst zou zijn.

Voor de bewezenverklaring heeft een en ander mijns inziens echter geen consequenties. Het Hof heeft de termen "reisdocument" en "identiteitskaart" in de tenlastelegging - in aanmerking genomen wat het heeft overwogen bij zijn verwerping van het verweer - kennelijk naar algemeen spraakgebruik uitgelegd en niet aldus dat daarmee uitsluitend is bedoeld een identiteitskaart die op regelmatige wijze is opgemaakt en afgegeven. Die uitleg van de tenlastelegging moet als niet onverenigbaar met haar bewoordingen in cassatie worden geëerbiedigd. Daarvan uitgaande kan de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid en is deze naar behoren gemotiveerd.

3.7.3 Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

4.1 In het tweede middel voert de steller van het middel aan dat het bewezenverklaarde niet te kwalificeren is als het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument. Dit middel raakt mijns inziens dus de kern van de zaak, zij het dat ik de toelichting met haar verwijzing naar art. 225, tweede lid, Sr niet goed begrijp. Als daarmee bedoeld is dat in dit geval art. 225, lid 2, Sr de toepassing van de bepaling waarop de tenlastelegging was toegesneden verdringt, lijkt mij dat niet juist.(5)

4.2.1 Uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde Wet van 24 mei 1989 (Stb. 1989, 189) volgt dat een van de redenen voor de wetswijziging was gelegen in de belangrijke rol die reisdocumenten spelen als legitimatiebewijs bij geldhandelingen.(6) Voorts houdt die Memorie van Toelichting, voorzover hier van belang, het volgende in:

"Bij frauduleuze handelingen met paspoorten denkt men in de eerste plaats aan vervalsingen. In titel XII van het Wetboek van Strafrecht, (valsheid in geschriften) is thans een speciale bepaling opgenomen over valsheid ten aanzien van paspoorten (art. 231).

Dit artikel luidt:

1. Hij die een reispas, veiligheidskaart of reisorder valselijk opmaakt of vervalst, of die zodanig stuk op een valse naam of voornaam of met aanwijzing van een valse hoedanigheid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware het echt en onvervalst of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van enig in het eerste lid vermeld vals of vervalst stuk als ware het echt en onvervalst of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Onder dit artikel vallen echter niet alle frauduleuze handelingen die met betrekking tot reisdocumenten gepleegd kunnen worden. Wanneer bij voorbeeld geen sprake is van een vervalst document, maar iemand zijn eigen reisdocument ter beschikking stelt aan een ander om het te gebruiken als ware het aan hem verstrekt, valt dat niet onder de delictomschrijving van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. In dat geval is noch tegen degene die het reisdocument uit handen geeft noch tegen degene die er gebruik van maakt een strafvervolging op grond van dit artikel mogelijk.

Wel wordt aangenomen dat degene die het document aan een ander ter beschikking stelt verduistering pleegt, aangezien het paspoort rijkseigendom blijft. Degene die er gebruik van maakt, maakt zich schuldig aan heling. Een Iacune is ook dat tegen degene, die wordt aangetroffen met een vals of vervalst reisdocument, zonder dat hij daar op dat moment gebruik van maakt, geen strafvervolging op grond van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht mogelijk is. Wel zal in dat geval een strafvervolging wegens heling kunnen worden ingesteld. In aI deze gevallen is de constructie echter enigszins gewrongen. Getracht is daarom thans alle misdrijven welke met betrekking tot reisdocumenten kunnen worden begaan in één artikel samen te brengen. Weliswaar kunnen niet al deze delictomschrijvingen worden gekwalificeerd als valsheid in geschriften, zoals het opschrift van Titel XII Iuidt, maar meer als valsheid met geschriften, maar deze kleine zonde tegen de systematiek is te prefereren boven het onderbrengen van misdrijven ten aanzien van reisdocumenten in verschillende artikelen, verspreid over het Wetboek.

Voorgesteld wordt in artikel 231 strafbaar te stellen:

- het valselijk opmaken of vervalsen van reisdocumenten;

- het doen verstrekken van een zodanig stuk op grond van valse gegevens; met gegevens wordt hier bedoeld al hetgeen moet worden medegedeeld of overgelegd om een reisdocument te verkrijgen zoals de personalia, nationaliteit en foto's; de ambtenaar die dergelijke gegevens opneemt, terwijl hij weet dat ze onjuist zijn, maakt zich schuldig aan valselijk opmaken van een reisdocument;

- het ter beschikking stellen van het eigen of het aan een ander verstrekt reisdocument aan derden met het oogmerk het door dezen te doen gebruiken als ware het aan hen verstrekt;

- het in bezit hebben van een reisdocument waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is;

- het opzettelijk gebruik maken van een niet op de eigen naam gesteld reisdocument.

(...)

In het voorstel wordt gesproken over ‹‹reisdocumenten››. Hieronder worden verstaan de in het bovengenoemde voorstel voor een Paspoortwet genoemde reisdocumenten te weten (...)" (7)

De Nederlandse identiteitskaart is bij art. 2 van de Paspoortwet aangewezen als reisdocument.

4.2.2 De Memorie van Antwoord houdt voorts op een vraag van de vaste commissie voor justitie omtrent het voorgestelde tweede lid van art. 231 Sr het volgende antwoord in:

"Allereerst vroegen zij of een reisdocument waarop de foto van de houder vervangen is door die van een ander, maar dat overigens echt is, als ‹‹vervalst›› moet worden aangemerkt dan wel als een niet op zijn naam gesteld reisdocument. Een dergelijk reisdocument moet worden beschouwd als een vervalst reisdocument, omdat er een wijziging is aangebracht in een essentieel onderdeel van het reisdocument."(8)

4.3 Uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis heeft het Hof terecht afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest door middel van de voorgenomen wijziging van art. 231 Sr alle frauduleuze handelingen die met betrekking tot reisdocumenten gepleegd kunnen worden strafbaar te stellen. Uit wat in de Memorie van Toelichting is opgemerkt volgt dat de wetgever art. 231 Sr heeft willen uitbreiden door zowel diegene strafbaar te stellen die het aan hem of een ander (door de bevoegde instantie) verstrekte reisdocument met het omschreven oogmerk aan een derde ter beschikking stelt, als de persoon die van een dergelijk aan een ander uitgegeven document gebruik maakt. Het gebruik maken van een vervalst dan wel een vals document was al strafbaar onder art. 231 (oud) Sr.

4.4 Gelet hierop begrijp ik het oordeel van het Hof dat het onderhavige feitencomplex niet onder de oude redactie van art. 231 Sr was te brengen, niet goed. Verder lag het in de omstandigheden van dit geval op zichzelf lijkt mij meer voor de hand de vervolging te baseren op het bezit van het valse document.

Maar dat is, gelet op wat hiervoor onder 3.6.4 is vermeld, het punt niet. Het gaat erom of de Officier van Justitie de vervolging kon richten op art. 231, tweede lid, tweede gedeelte, Sr of dat die bepaling buiten spel stond, omdat zij alleen maar van toepassing is op documenten die niet vals of vervalst zijn.

De steller van het middel beantwoordt die vraag in elk geval impliciet bevestigend en dat standpunt heeft zeker op het eerste gezicht uit systematisch oogpunt een zekere aantrekkelijkheid. Immers, de wetgever was er bij meergenoemde wet van 1989 op uit om noodzakelijke aanvullingen op art. 231 te creëren. Voor het (al strafbare) gebruik maken van valse of vervalste papieren was aanvullende wetgeving niet nodig.

4.5 Daar staat echter tegenover dat de wetsgeschiedenis naar mijn mening geen aanknopingspunten bevat voor de veronderstelling dat de wetgever een verdringing als hiervoor bedoeld, heeft beoogd.(9)

Wat hiervoor onder 4.2.2 is vermeld levert mijns inziens geen contra-indicatie op. De vraag van de kamerleden over het reisdocument waarvan de foto vervangen is, suggereert weliswaar dat er of wel sprake is van een vals reisdocument dan wel van een "niet op zijn naam gesteld reisdocument" en dat het een het ander uitsluit. Een tegenstelling die niet zonder meer voor de hand ligt. Het antwoord van de Minister bevestigt die suggestie ook niet, maar beperkt zich tot de opmerking dat in het genoemde geval sprake is van een vervalst reisdocument.

Ik zie niet in dat in het bedoelde voorbeeld niet meer gesproken kan worden van een niet op naam van de gebruiker gesteld paspoort. Wanneer A zijn paspoort ter beschikking stelt aan B om dat te gebruiken, en ter bevordering van een efficiënt gebruik daarvan door B. diens foto daarop wordt geplaatst, neemt dat niet weg dat het paspoort een op naam van A gesteld paspoort is (blijft) dat door B wordt gebruikt.

Een andere opvatting zou, lijkt mij, in de praktijk juist in grensgevallen ook tot onwenselijke problemen kunnen leiden. Stelt een verdachte die voor een soortgelijk feit wordt vervolgd als de betrokkene in deze zaak, dat het gebruikte paspoort toch niet helemaal koosjer was,(10) dan zou dat moeten worden onderzocht en zou de verdachte ingeval het gestelde aannemelijk wordt en de tenlastelegging niet tijdig wordt gewijzigd, vrijuit gaan, hoewel hij met gebruikmaking van een niet op zijn naam afgegeven paspoort en dus op frauduleuze wijze aan het handelsverkeer heeft deelgenomen.

4.6 Al met al meen ik dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat de toepassing van art. 231, tweede lid, tweede gedeelte, Sr is uitgesloten ingeval in concreto het niet op naam van de betrokkene staande reisdocument vals of vervalst is.(11) Het Hof heeft dus terecht het bewezenverklaarde gekwalificeerd als hiervoor onder 1 weergegeven.

4.7 Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. De middelen falen.

6. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Dezelfde raadsvrouw staat verdachte nu ook in de cassatieprocedure bij.

2 Vóór genoemde wetswijziging was alleen het opzettelijk gebruik van de valse of vervalste reispas etc. als ware het echt en onvervalst (...) strafbaar, nu reeds het bezit van een reisdocument waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat het vals of vervalst is.

3 Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 5e dr., blz. 695.

4 Daarbij wijst hij in zijn proces-verbaal op de afwijkende gebruikte druk/reproduktie-technieken, de onjuiste c.q. afwijkende reactie onder aanstraling met UV-licht, het ontbreken van het voelbare reliëf aan de voorzijde en het ontbreken van een tweede foto (beeltenis van de houder), welke bij doorzichtlicht zichtbaar dient te worden.

5 De discussie ten aanzien van art. 225 Sr verloopt op dit punt in de regel juist "in omgekeerde" richting. De meestal ontkennend beantwoorde vraag is dan of bepalingen in bijzondere wetten als specialis ten opzichte van art. 225 Sr gelden (vgl. NLR (Van Dorst) art. 225, aantek.12, en art. 55 aantek. 13 (Machielse) .

6 Zie de Memorie van Toelichting bij voormelde wet, TK 1987-1988, 20 652, nr. 3, p. 1. Die reden wordt overigens ook genoemd in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet), TK 1987-1988, 20 393, nr. 3, p. 75.

7 TK 1988-1989, 20652, nr. 3, p. 2-3. Zie in gelijke zin ook TK 1987-1988, 20393, nr. 3, p. 75 (Paspoortwet).

8 Zie het Voorlopig verslag van de vaste commissie voor justitie, TK 1988-1989, 20652, nr. 186 en de Memorie van Antwoord, TK 1988-1989, 20652, nr. 186a.

9 Van een logische specialiteit is ook geen sprake.

10 Bijv.: het paspoort staat op naam van een ander maar die heeft het op grond van niet geheel juiste gegevens doen verstrekken.

11 Tot dezelfde conclusie komen kennelijk Van Dorst NLR, art. 231 aantek. 4 en 6 en Verheul, T. en C. art. 231 aantek. 8.