Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3602

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
01472/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3602
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Na beschuldiging van winkeldiefstal meldt verdachte zich op politiebureau en voegt hij politieagenten de woorden “racisten, jullie zijn racisten” toe. Belediging ambtenaar gedurende of t.z.v. rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 266.1 jo. 267.2 Sr? HR: art. 81.1 RO. CAG: Term "racist" houdt een verwijzing in naar een dusdanig afkeurenswaardig, maatschappelijk niet geaccepteerd gedachtegoed dat die aanduiding door de meeste mensen z.m. als beledigend zal worden ervaren, zodat context niet ter zake doet, v.zv. het de vaststelling van het beledigende karakter van de uiting betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01472/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 17 april 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte op 31 januari 2006 ter zake van "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 220,- subsidiair vier dagen hechtenis.

2. Mr. M.J. van Rooij, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.G. Ouwejan, advocaat te Culemborg, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1 Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat in onderhavige zaak sprake is van belediging als bedoeld in art. 266 Sr jo art. 267 Sr.

3.2 Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij op 22 april 2005, in de gemeente Groningen, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van de regiopolitie Groningen en [verbalisant 2], hoofdagent van de regiopolitie Groningen, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid meermalen, mondeling heeft toegevoegd de woorden "Racisten, jullie zijn racisten"."

3.3 Die bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van 22 april 2005 met nummer PL01KA/05-049982, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen en [verbalisant 2], eveneens hoofdagent van voormelde Regiopolitie, inhoudende onder meer als verklaring van verbalisanten, dan wel één hunner (bewijsmiddel 1):

"Wij, verbalisanten, waren op vrijdag 22 april 2005 belast met de regionale noodhulp. Wij werden door de meldkamer gezonden naar supermarkt Aldi aan de Beren te Groningen, alwaar winkelpersoneel onenigheid zou hebben met een klant over een fles wijn. Wij hebben in deze zaak bemiddeld. Buiten de winkel hebben wij de klant gevraagd om zijn legitimatie. Hij gaf ons zijn W-document. Wij hoorden de man herhaaldelijk zeggen: 'Je bent niets, wat wil je nu.' Hierop hebben wij de klant verteld dat hij zijn W-document kon ophalen bij het hoofdbureau van de politie te Groningen. Wij wilden zijn gegevens verifiëren. Enige tijd later meldde de klant zich aan het bureau. Wij hebben de klant zijn W-document teruggegeven en hem verteld dat hij zich morgen bij de Aldi kon melden. Dan zou hij zijn fles wijn terugkrijgen. Hij was niet voor rede vatbaar. Hierop hebben wij de klant verzocht het politiebureau te verlaten. De man maakte geen aanstalten het politiebureau te verlaten, waarop wij hem met lichte dwang richting de uitgang geduwd hebben. Op het moment dat ik, verbalisant [verbalisant 2], de klant losliet zag ik dat hij mij wilde aanvallen. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], de klant bij een van zijn armen gepakt en de hal van het politiebureau ingetrokken. Hierop heeft een collega van de parkeerpolitie de klant bij zijn kleding gepakt en heeft hem het politiebureau uitgedirigeerd. De nooddeur van het politiebureau stond open. Wij hoorden de klant meermalen hard schreeuwen: 'Racisten, jullie zijn racisten.' De geuite beledigingen waren voor een ieder duidelijk hoorbaar."

- een proces-verbaal d.d. 22 april 2005 met nummer PL01KA/05-049982, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van de Regiopolitie Groningen, inhoudende voorzover hier van belang de volgende verklaring van verdachte (bewijsmiddel 2):

"Ik ben op 22 april 2005 in een Aldi supermarkt in Groningen geweest. Ik werd beschuldigd van diefstal van een fles wijn. Toen de politie kwam heb ik mijn W-document gegeven. De agent zei dat ik mijn W-document weer van het bureau kon ophalen. Ik ben toen op het bureau geweest. Ik heb tegen de agenten gezegd: 'Jullie zijn racisten.'

3.4 Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat een uitlating die een ander mondeling in diens tegenwoordigheid is toegevoegd als beledigend moet worden aangemerkt wanneer zij de strekking heeft de ander aan te randen in zijn eer en goede naam.(1) Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin die uitlating is gedaan.(2)

3.5 De term "racist" houdt, lijkt mij, een verwijzing in naar een dusdanig afkeurenswaardig, maatschappelijk niet geaccepteerd gedachtegoed dat die aanduiding door de meeste mensen zonder meer als beledigend zal worden ervaren.(3) In die lijn ligt het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1993, NJ 1994, 197, waarin de toevoegingen "jullie discrimineren godverdomme alles, vuile racist, smerige nazi" en "fascistische honden" als beledigend zijn aangemerkt, hoewel die belediging onder meer gelet op de gebruikte adjectieven en de verwijzing naar huisdieren zonder twijfel aanzienlijk verder ging dan de uiting die hier aan de orde is.

Gelet op de gebruikte term zelf doet hier de context eigenlijk niet ter zake, in ieder geval niet voorzover het de vaststelling van het beledigende karakter van zijn uiting betreft.

Voor een vrijspraak wegens het ontbreken van opzet op de belediging zal voorts bij dit soort scheldwoorden niet vaak plaats zijn; eventueel kan in deze gedacht worden aan de situatie dat vast is komen te staan dat verdachte de betekenis van het gebezigde scheldwoord zelf helemaal niet kende of slechts een - misplaatst - grapje heeft gemaakt.(4)

3.6 Volgens de steller van het middel was het voor verdachte onduidelijk waarom de verbalisanten zijn overgegaan tot het meenemen van zijn W-document (een verblijfsdocument voor vreemdelingen). Door die onduidelijkheid zou verdachte zich onheus behandeld hebben gevoeld, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat hij de in de bewezenverklaring vermelde woorden naar de politiefunctionarissen heeft geroepen. Gelet op de context waarin die uitingen zijn gedaan zou dan ook geen sprake zijn van belediging, omdat verdachte enkel zijn ongenoegen met de door de politie gevolgde handelswijze heeft willen uiten en niet de bedoeling had de politieambtenaren te kwetsen.

3.7 Uit bewijsmiddel 1 volgt dat verdachte al bij het overhandigen van zijn W-document enigszins provocerende taal tegenover de vrouwelijke hoofdagenten heeft geuit. Uit de verdere inhoud van dit tot het bewijs gebezigde proces-verbaal volgt dat de agenten het W-document ter verificatie hebben meegenomen omdat verdachte, die onder meer herhaaldelijk verklaarde geen respect te hebben voor vrouwen, kennelijk in eerste instantie weigerde zijn adresgegevens op te geven. Dat was blijkbaar de reden om het door verdachte opgegeven overhandigde document en de door hem verschafte gegevens op het politiebureau nader op hun juistheid te controleren.(5)

3.8 Niet uitgesloten is dat verdachte bedoelde woorden heeft geuit omdat hij zich onheus bejegend voelde door de politie, zoals de steller van het middel aanvoert, ook al kunnen vraagtekens worden gesteld bij dat oordeel van de verdachte. Die omstandigheid biedt echter geen vrijbrief voor het uiten van beledigingen aan het adres van de personen die dat gevoel bij de verdachte zouden hebben teweeggebracht.(6) Het uiten van een mening dat een bepaalde handelswijze van de politie discriminerend zou zijn, is wat anders dan het "labellen" van de politieambtenaren als racisten. Kortom: (ook) van verdachte mocht worden verwacht dat hij aan zijn ongenoegen betreffende het overheidsoptreden op een andere wijze uitdrukking zou geven dan in de vorm van beledigingen.

3.9 Voor zover het middel zich er op beroept dat de in de bewezenverklaring genoemde woorden minder spoedig als beledigend kunnen worden bestempeld indien zij zijn gericht tegen politieambtenaren, omdat dergelijke functionarissen uit hoofde van hun functie, waar het beledigende uitlatingen betreft, meer moeten kunnen verdragen dan anderen, faalt het omdat die stelling geen steun vindt in het recht.(7) Een andere vraag is uiteraard die naar de opportuniteit van een vervolging in gevallen, waarin de communicatie tussen de politie en de burger is ontspoord en de laatste zich in het kader daarvan beledigend heeft uitgelaten. Maar die vraag is in cassatie in deze zaak, waarin de verdachte overigens ook het politiebureau niet wilde verlaten, niet aan de orde.

4. Het middel faalt en leent zich naar mijn mening voor verwerping met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1989, 146, HR DD 98.007.

2 Zie in dit kader bijv. HR NJ 2004, 2001.

3 Volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (14e druk) kan racisme onder meer worden uitgelegd als "opvatting dat het ene ras superieur is aan het andere en, daaruit voortvloeiend dat ten aanzien van het ene ras andere maatstaven kunnen (mogen) worden aangelegd dan ten aanzien van anderen".

4 Vgl. NLR, aant. 4 op art. 261 Sr.

5 Enig verweer ter zake van de rechtmatigheid van de bediening is ter terechtzitting niet gevoerd.

6 Zie in dit kader de conclusie van mijn ambtgenoot mr. Machielse bij HR NJ 2001, 101.

7 HR NJ 2001, 101. Voorzover in het middel in deze een beroep wordt gedaan op de uitspraak van de Rechtbank Assen van 22 december 2004, NS 2005, 113 geldt dat aldaar wel degelijk door de Rechtbank is geoordeeld dat verdachte de politieambtenaren had beledigd door hen de woorden "hoer", "jij kan de kanker krijgen" en "kut molukkers" toe te voegen. Wél heeft de Rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding afgewezen, onder meer met de motivering dat agenten een hoger incasseringsvermogen moeten hebben dan gewone burgers. De andere in het middel genoemde uitspraken van hoven, die ik gelet op de onduidelijke verwijzingen niet heb kunnen vinden, lijken mij op het eerste gezicht op gespannen voet te staan met HR NJ 2001, 101.