Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3536

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
R07/073HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; verlening van voorlopige machtiging op grond van een niet door – ter zitting aanwezige – (waarnemend) geneesheer-directeur ondertekende geneeskundige verklaring.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 366
NJ 2007, 311
RvdW 2007, 527
NJB 2007, 1308
JWB 2007/192
BJ 2007/34 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R07/073HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 20 april 2007

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

tegen

Officier van justitie te Haarlem

In deze Bopz-zaak gaat het om de ondertekening van de geneeskundige verklaring.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft op 8 januari 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven(1). Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift verbleef betrokkene in het Waterlandziekenhuis (PAAZ) te Purmerend(2).

1.2. Bij het verzoekschrift waren gevoegd: (i) een geneeskundige verklaring, op 4 januari 2007 opgemaakt en ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 1]; (ii) een behandelingsplan, opgemaakt en ondertekend door de behandelend psychiater [psychiater 2].

1.3. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 19 januari 2007 en betrokkene en haar advocaat, de behandelend psychiater [psychiater 2], de arts [arts] en de verpleegkundige [verpleegkundige] gehoord. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is namens betrokkene onder meer aangevoerd dat de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet(3).

1.4. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank geen overweging heeft gewijd aan het ontvankelijkheidsverweer. Het onderdeel bevat zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht. Met de gecombineerde klacht is kennelijk bedoeld dat voor zover de rechtbank dit verweer niet relevant heeft geacht, die opvatting rechtens onjuist is, gelet op het bepaalde in art. 5 lid 1, in verbinding met art. 2 lid 4 Wet Bopz. Voor zover de rechtbank het verweer wel relevant heeft geacht, maar dit heeft verworpen, klaagt het middelonderdeel over het geheel ontbreken van een motivering voor dit oordeel.

2.2. De motiveringsklacht is in elk geval gegrond. Uit het proces-verbaal blijkt dat dit verweer is gevoerd. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank dit verweer onder ogen heeft gezien, noch wat de reden is waarom de rechtbank dit verweer heeft verworpen. De rechtbank heeft volstaan met een standaardoverweging. Hieraan doet niet af, dat aan het slot van het proces-verbaal als mededeling van de rechter is vermeld:

"Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt gepasseerd, omdat [psychiater 2], ter zitting aanwezig, de geneeskundige verklaring heeft bekrachtigd door zijn handtekening op het behandelingsplan en zijn mondelinge toelichting. Nu de geneeskundige verklaring is opgemaakt door een psychiater die niet bij de behandeling is betrokken, is dit, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende."

Bij de beoordeling van een motiveringsklacht blijft buiten beschouwing de toelichting op de beslissing die de rechter tijdens de zitting mondeling heeft gegeven, maar die niet in de beschikking zelf is opgenomen(4).

2.3. Art. 5 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat in het geval, bedoeld in art. 2, vierde lid (d.w.z. in het geval dat de betrokkene reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, maar blijk geeft het vrijwillig verblijf te willen beëindigen en zich ook niet in een ander psychiatrisch ziekenhuis wil laten opnemen), door de officier van justitie een verklaring moet worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin betrokkene verblijft, die:

a. indien hij niet bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog daarop kort te voren heeft onderzocht of doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was;

b. indien hij bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog daarop kort te voren heeft doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was.

Deze verklaring moet met redenen zijn omkleed en zijn ondertekend. Indien de officier van justitie heeft verzuimd zulk een verklaring over te leggen, leidt dit in beginsel niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn verzoek, maar is het rechtsgevolg dat de rechter het verzoek niet kan toewijzen zolang die verklaring niet is overgelegd(5).

2.4. In het voorgeschreven model voor de geneeskundige verklaring voor het aanvragen van een voorlopige machtiging(6) is opgenomen dat de verklaring dient te worden ondertekend als volgt: voor een patiënt die nog niet is opgenomen: door een psychiater die niet bij de behandeling van de patiënt betrokken is geweest, respectievelijk: voor een patiënt die reeds is opgenomen: door de geneesheer-directeur persoonlijk.

2.5. De ratio van dit voorschrift is te kennen uit de jurisprudentie. In HR 1 juli 1994, NJ 1994, 723 (m.nt. JdB), waar het ging om de vereiste geneeskundige verklaring bij een vordering tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf, is verwezen naar de parlementaire geschiedenis van art. 16 Wet Bopz(7). Hierin was gesteld dat de eindbeoordeling van de stoornis en de gevaarlijkheid als gevolg van de stoornis bij de geneesheer-directeur(8) en niet bij de behandelend arts is gelegd omdat de eerstgenoemde de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de situatie in het ziekenhuis. Tevens wordt op deze wijze een eenduidige beoordeling per ziekenhuis bevorderd. Gelet op deze redenen voor het voorschrijven van een verklaring van de geneesheer-directeur, moet volgens de Hoge Raad de eis worden gesteld dat deze door de geneesheer-directeur zelf wordt ondertekend ten blijke van zijn instemming met en verantwoordelijkheid voor de inhoud van de verklaring. De geneeskundige verklaring hoeft niet door de geneesheer-directeur zelf te zijn opgesteld, maar moet wel door deze persoonlijk worden ondertekend(9); wanneer de geneesheer-directeur de verklaring "voor gezien en accoord" mede-ondertekent is dit voldoende(10).

2.6. In deze zaak staat vast dat de geneeskundige verklaring niet door de geneesheer-directeur was (mede) ondertekend toen zij door de officier van justitie werd overgelegd bij het verzoek. Dit gebrek kon worden hersteld door de verklaring alsnog te doen ondertekenen(11). Ook dat is niet geschied.

2.7. De aangehaalde passage in de parlementaire geschiedenis maakt vooral duidelijk waarom niet kan worden volstaan met een verklaring van de behandelend arts en waarom - als alternatief - een verklaring van de geneesheer-directeur nodig is. In het huidige geval heeft de geneesheer-directeur, overeenkomstig de tekst van art. 5 zoals deze is gewijzigd bij wet van 22 juni 2000, Stb. 292, betrokkene met het oog op het verzoek tot verlenen van een voorlopige machtiging laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Aan de door art. 5 EVRM gestelde eis van een objectief onderzoek door een psychiater is derhalve voldaan. De vraag zou kunnen worden gesteld of het genoemde belang, te weten dat de geneesheer-directeur de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de situatie in het ziekenhuis en dat door middel van de vereiste handtekening van de geneesheer-directeur op de geneeskundige verklaring een eenduidige beoordeling per ziekenhuis wordt bevorderd, de interne organisatie in het ziekenhuis dient of (ook) dient ter bescherming van de individuele patiënt. Wat daarvan zij, de wet verplicht tot overlegging van een door de geneesheer-directeur (zo nodig: alsnog) ondertekende verklaring. Nu deze ontbreekt, rest mij niet anders dan te concluderen tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Haarlem.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De beschikking van de rechtbank verwijst naar een op 5 januari 1997 ter griffie ontvangen verzoekschrift. Dit lijkt mij een verschrijving.

2 De psychiatrische afdeling van het algemeen ziekenhuis Waterlandziekenhuis is voor de toepassing van de Wet Bopz aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.

3 In het procesverbaal staat als standpunt van de advocaat: "De geneesheer-directeur heeft het verzoek niet ondertekend". Dit lijkt mij een verschrijving. Het verzoekschrift is ingediend door de officier van justitie en behoeft niet door de geneesheer-directeur te worden ondertekend. Het cassatiemiddel gaat ervan uit dat het verweer in eerste aanleg inhield dat (niet het verzoekschrift, maar) de geneeskundige verklaring had moeten worden ondertekend door de geneesheer-directeur.

4 Zie: HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB; HR 1 mei 1998, BJ 1998, 24; HR 11 februari 2000, NJ 2000, 260.

5 Zie voor deze jurisprudentie onder meer: HR 1 juli 1994, NJ 1994, 722 m.nt. JdB onder nr. 723; HR 24 juli 1995, NJ 1996, 606; HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599. Het overleggen van de juiste verklaring moet dan wel op korte termijn gebeuren, omdat de wet een termijn stelt waarbinnen de rechtbank moet beslissen.

6 Bijlage 1 bij de Vaststellingsregeling modellen Bopz (d.d. 28 oktober 2003, Stcrt. 217), gebaseerd op het Besluit administratieve bepalingen Bopz (Stb. 2003, 322).

7 Nadere MvA, Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 12, blz. 43.

8 Ten overvloede: het begrip geneesheer-directeur is bepaald in art. 1 lid 3 Wet Bopz.

9 In gelijke zin: HR 1 juli 1994, NJ 2004 nrs. 716 - 721 m.nt. JdB onder nr. 723; HR 10 augustus 1994, NJ 1995, 123 m.nt. JdB; HR 6 januari 1995, NJ 1995, 324 m.nt. JdB. In HR 21 januari 2000, NJ 2000, 191 is beslist dat de bevoegdheid van de geneesheer-directeur niet kan worden gemandateerd.

10 HR 1 juli 1994, NJ 1994, 719; HR 17 november 2006, BJ 2007, 1 m.nt. WD.

11 HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 125 m.nt. JdB; HR 18 november 1994, NJ 1995, 262.