Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3533

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
R07/011HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Afgewezen verzoek tot faillietverklaring wegens niet gebleken toestand van te hebben opgehouden te betalen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 428
RvdW 2007, 610
NJB 2007, 1478
JWB 2007/233
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R07/011HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 20 april 2007

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

[Verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], heeft bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift d.d. 6 oktober 2006 ingediend strekkende tot faillietverklaring van thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker].

2. Wat haar vorderingsrecht op [verzoeker] betreft, heeft [verweerster] het volgende gesteld. Zij heeft zaken gedaan met de eenmanszaak van [verzoeker], Dutch Crown Flowers (hierna: DCF). Op enig moment verzocht [verzoeker] de facturen voortaan aan zijn Engelse vennootschap Dutch Crown Flowers UK Ltd. (hierna: DCF/UK) te adresseren. [Verweerster] heeft daarmee ingestemd, maar heeft daarbij aangegeven dat zij verhaal wenste te houden op [verzoeker]. [Verweerster] bleef zaken doen met [verzoeker]. Omdat de betalingsachterstand van de facturen gericht aan DFC/UK opliep hebben [verweerster] en [verzoeker] op 11 maart 2006 een overeenkomst gesloten welke inhield dat [verzoeker], op de openstaande facturen gericht aan DFC/UK, wekelijks een bedrag van Euro 2.500,- zou aflossen. Hoewel dit niet met zoveel woorden in de overeenkomst is neergelegd stond [verzoeker] volledig in voor de betaling van de openstaande facturen gericht aan DCF/UK. [vVrzoeker] heeft vervolgens conform die bedoeling gehandeld, hetgeen blijkt uit de betalingen die na het sluiten van de overeenkomst zijn gedaan. [Verzoeker] betaalde de openstaande facturen die aan de eenmanszaak waren gericht en daarenboven vonden aflossingen plaats op de nog openstaande facturen van [verweerster] aan DCF/UK.

3. [Verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [verweerster]. Wat het door [verweerster] gepretendeerde vorderingsrecht betreft, heeft [verzoeker] betwist dat hij nog enig bedrag aan [verweerster] verschuldigd is. Hij heeft bestreden dat hij bij overeenkomst van 11 maart 2006 met [verweerster] is overeengekomen hoofdelijk aansprakelijk te zijn of borg te staan voor de schulden van DCF/UK, dan wel zich op enige andere wijze jegens [verweerster] verplicht te hebben. De extra betalingen van minimaal Euro 2.500,- per factuur waren niet bedoeld om de betalingsachterstand van DCF/UK in te lopen maar om een financiële buffer ten behoeve van DCF te creëren zodat er bij spoedbestellingen geen betalingsachterstand zou ontstaan.

4. De rechtbank heeft bij vonnis van 22 november 2006 het verzoek van [verweerster] afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is [verweerster] noch door de overgelegde producties, noch door het door haar aangevoerde ter zitting, in staat gebleken summierlijk haar op [verweerster] gepretendeerde vorderingsrechten te onderbouwen.

5. [Verweerster] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en had succes: bij arrest van 8 januari 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en [verzoeker] alsnog in staat van faillissement verklaard. Ten aanzien van de vraag of summierlijk is gebleken van het vorderingrecht van [verweerster], overwoog het hof (r.o. 4):

"Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Blijkens de overeenkomst van 11 maart 2006 zijn [verweerster] en [verzoeker] overeengekomen "elke vrijdag de rekening te betalen + aflossing van minimaal Euro 2.500,-" en voorts "aflossing geschiedt tot overeengekomen bedrag van 3 facturen (3 weken)". De facturen zouden worden gesteld op naam van de eenmanszaak van [verzoeker], DCF. Na 11 maart 2006 is door [verzoeker] een bedrag van Euro 373.567,84 betaald. Het totale factuurbedrag bedroeg Euro 401.998,57. Hiervan ziet een bedrag van Euro 112.434,79 op facturen van DCF/UK.

Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat partijen bij de overeenkomst van 11 maart 2006 de bedoeling hadden dat [verzoeker] hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor alle openstaande facturen van DCF/UK.

Het hof acht het verweer van [verzoeker] dat de extra betalingen van Euro 2.500,- niet zien op aflossing van openstaande facturen van DCF/UK, maar dat deze betalingen dienen te worden beschouwd als een financiële buffer voor DCF, niet aannemelijk geworden."

6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 12 lid 1 Fw) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel, dat door [verweerster] is bestreden met conclusie tot afwijzing van het beroep.

7. Onderdeel 1 van het middel neemt met een motiveringsklacht stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4 - dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen bij de overeenkomst van 11 maart 2006 de bedoeling hadden dat [verzoeker] hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor alle openstaande facturen van DCF/UK. Volgens het onderdeel is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, aangezien de overeenkomst, overgelegd als prod. 2 bij het beroepschrift, geen steun biedt aan de conclusie van het hof.

8. Het onderdeel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Het mist feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat het hof zijn oordeel louter heeft doen steunen op de tekst van de overeenkomst en zijn oordeel niet nader heeft gemotiveerd. Blijkens r.o. 4 is het oordeel van het hof niet enkel gebaseerd op de tekst van de overeenkomst, maar tevens op de andere door het hof in die rechtsoverweging genoemde omstandigheden, met name de na de overeenkomst verrichte betalingen door [verzoeker], waaronder de extra betalingen van Euro 2.500,- en de onaannemelijkheid van de door [verzoeker] voor deze extra betalingen gegeven verklaring.

9. Onderdeel 2 van het middel betoogt dat het in onderdeel 1 aangevoerde temeer geldt omdat onbegrijpelijk is wat het hof bedoelt met zijn overweging (in r.o. 4): "Na 11 maart 2006 is door [verzoeker] een bedrag van Euro 373.567,84 betaald. Het totale factuurbedrag bedroeg Euro 401.998,57. Hiervan ziet een bedrag van Euro 112.434,79 op facturen van DCF/UK."

10. Ook dit onderdeel faalt m.i. Het hof heeft met de aangehaalde overweging kennelijk bedoeld dat na 11 maart 2006 van het totale factuurbedrag van Euro 401.998,57 door [verzoeker] Euro 373.567,84 is betaald, terwijl van het totale factuurbedrag een bedrag van Euro 112.434,79 ziet op facturen van DCF/UK, waaruit volgt dat [verzoeker] privé (en niet DFC/UK) een gedeelte van de achterstallige facturen van DCF/UK heeft voldaan. Het is geenszins onbegrijpelijk dat het hof deze omstandigheid mede redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat partijen bij de overeenkomst van 11 maart 2006 de bedoeling hadden dat [verzoeker] hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de openstaande facturen van DCF/UK. Het ligt immers niet voor de hand dat [verzoeker] privé de facturen van DFC/UK voldoet, zonder dat hij zich daartoe jegens [verweerster] heeft verplicht.

11. Voor zover het onderdeel voorts nog de klacht inhoudt dat het hof zonder nadere motivering niet van de in de gewraakte overweging bedoelde bedragen aan betalingen en factuurbedragen mocht uitgaan, omdat deze door [verzoeker] waren betwist, kan het onderdeel evenmin tot cassatie leiden. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat [verweerster] de bedoelde, door haar gestelde bedragen voldoende aannemelijk heeft gemaakt met haar in hoger beroep overgelegde producties (producties 3a, 3b en 4 bij het beroepschrift) en dat deze producties door [verzoeker] onvoldoende zijn betwist. Dit oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Het behoefde, gelet ook op de aard van de onderhavige procedure (zie o.m. HR 7 september 2001, NJ 2001, 550), geen nadere motivering.

11. Onderdeel 3 van het middel klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de - volgens het onderdeel voor de uitleg van de overeenkomst van 11 maart 2006 relevante - stelling van [verzoeker] dat [verweerster] na 11 maart 2006 heeft getracht via een andere advocaat dan haar huidige, [verzoeker] alsnog een borgstelling te laten ondertekenen, hetgeen niet is gelukt (proces-verbaal zitting in hoger beroep, blz. 2).

12. Het onderdeel zal geen doel kunnen treffen. Het hof heeft op grond van tekst van de overeenkomst van 11 maart 2006 en de na het sluiten van die overeenkomst door [verzoeker] verrichte betalingen geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen bij de overeenkomst van 11 maart 2006 de bedoeling hadden dat [verzoeker] hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor alle openstaande facturen van DCF/UK. Bij dit uitgangspunt heeft het hof de door het onderdeel bedoelde stelling van [verzoeker] kennelijk niet relevant geoordeeld. Dat is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk: de poging van de toenmalige advocaat van [verweerster] om [verzoeker] alsnog een borgstelling te laten ondertekenen, ontneemt de overeenkomst van 11 maart 2006 haar bindende kracht niet. Het hof was niet gehouden expliciet op alle stellingen van partijen in te gaan (zie o.m. HR 26 augustus 2003, NJ 2003, 693).

13. Onderdeel 4 van het middel verwijt het hof het door [verzoeker] gevoerde verweer dat hij de hem regarderende facturen heeft betaald, onbesproken te hebben gelaten.

14. Voor zover dit onderdeel voortbouwt op de vorige onderdelen, zal het het lot daarvan moeten delen.

15. Voor zover het onderdeel wil betogen dat het hof afzonderlijk op het bedoelde verweer van [verzoeker] had behoren in te gaan, faalt het. In het oordeel van het hof dat [verzoeker] gehouden is ingevolge de overeenkomst van 11 maart 2006 ook de openstaande facturen van DCF/UK aan [verweerster] te voldoen, ligt besloten dat en waarom het verweer van [verzoeker] dat hij de hem regarderende facturen heeft voldaan en dat daarom geen sprake is van een vorderingsrecht van [verweerster], geen doel kan treffen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden