Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3142

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
03316/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3142
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Begrippen “feit” en “vervoeren” in de Ow. Art. 10a.1 Ow stelt, in verbinding met art. 10.3 en art. 2.1, aanhef en onder B, Ow, vzv. hier van belang, strafbaar het voorbereiden of bevorderen van het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen, waaronder heroïne. Het middel stelt dat onder “feit” i.d.z.v. art. 10a.1 Ow enkel feiten kunnen worden begrepen die - in ieder geval deels - in NL zijn begaan zodat het bewezenverklaarde voorbereiden van het opzettelijk vervoeren van 2 kg heroïne in B niet strafbaar is gesteld bij laatstgenoemde bepaling. Vzv. aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat het in art. 2.1, aanhef en onder B, Ow vervatte verbod om heroïne te vervoeren slechts zou zien op gedragingen in NL zodat het opzettelijk vervoeren van heroïne buiten NL grondgebied niet door de NL wet als een misdrijf wordt beschouwd, kan deze opvatting niet als juist worden aanvaard, aangezien een zodanige beperking niet volgt uit de redactie van die bepaling en daarvoor ook elders geen steun is te vinden (vgl. HR LJN AC4133). Het in art. 2.1, aanhef en onder B, Ow verboden “vervoeren” levert een “feit” op a.b.i. art. 10.3 Ow. De tekst van art. 10a.1 Ow, noch de strekking daarvan bieden grond aan de door het middel voorgestane opvatting dat deze strafbepaling enkel ziet op het voorbereiden of bevorderen van (deels) in NL gepleegde strafbare feiten a.b.i. art. 10.3 of art. 10.4 Ow.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 364
RvdW 2007, 663
JOL 2007, 453
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03316/06

Mr. Knigge

Zitting: 10 april 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem vrijgesproken van het hem onder 1. primair en subsidiair tenlastegelegde en terzake van het "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander te trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken - een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld, zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Blijkens de bewijsmiddelen gaat het in deze zaak samengevat om het volgende. De verdachte, die de Turkse nationaliteit bezit(1), heeft zijn toenmalige vriendin [betrokkene 1] op 30 oktober 2000 kennelijk in Cuijk(2) overgehaald om drugs naar Groot-Brittannië te vervoeren, door haar te zeggen dat hij "een meisje" nodig had voor het vervoer van drugs(3) en dat hij van de opbrengst van de drugssmokkel met haar zou trouwen. Hij heeft [betrokkene 1] in dit gesprek gezegd hem de volgende dag te bellen om te vernemen of de smokkel door zou gaan. [betrokkene 1] heeft de verdachte de volgende morgen vroeg vanaf het station in Cuijk gebeld. De verdachte heeft [betrokkene 1] toen gezegd dat het plan doorgang zou vinden en dat zij naar zijn huis moest komen.(4) Daar heeft de verdachte [betrokkene 1] "alles" verteld. Vervolgens is [betrokkene 1] nog even naar haar huis gegaan om haar paspoort en wat kleren te halen, waarna zij en de verdachte met ene [medeverdachte 1] naar België zijn gereden. Daar aangekomen hebben de verdachten de drugs (twee kilo van een materiaal bevattende heroïne) opgehaald bij een garage en heeft [betrokkene 1] een korset omgekregen waarin de drugs werden gestopt. Vervolgens hebben de verdachte en [medeverdachte 1] [betrokkene 1] in Brussel op de trein naar Groot-Brittannië gezet. Aldaar aangekomen is [betrokkene 1] door de douane aangehouden.

4. Van het onder 1. primair (kortweg: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne) en subsidiair (kortweg: het vervoer, althans het aanwezig hebben van heroïne) tenlastegelegde heeft het Hof de verdachte vrijgesproken. De bewezenverklaring betreft het onder 1. meer subsidiair tenlastegelegde (kort gezegd: voorbereidingshandelingen).

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 31 oktober 2000 te Cuijk en op een of meer plaatsen in Nederland en op een of meer plaatsen in België, tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren van ongeveer 2 kilogram, heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en verdachtes mededaders,

- [betrokkene 1] benaderd met het verzoek/overgehaald om die hoeveelheid heroïne naar Groot-Brittannië te koerieren en

- [betrokkene 1] (per auto) naar een plaats in België gebracht en

- die hoeveelheid heroïne (middels een elastieken korset) op het lichaam van [betrokkene 1] aangebracht en

- [betrokkene 1] (vervolgens)naar het treinstation te Brussel gebracht en voor haar en treinkaartje naar Londen gekocht en

- [betrokkene 1] geïnstrueerd hoe te handelen en/of met wie contact te leggen bij aankomst in Groot-Brittannië."

6. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof het Openbaar Ministerie (OM) ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van het de verdachte subsidiair ten laste gelegde. Het tweede middel bevat een vergelijkbare klacht met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde. Het derde middel klaagt over de motivering van deze beslissingen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

7. Het Hof heeft een in hoger beroep terzake gevoerd verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Immers, het vervoeren en aanwezig hebben, heeft plaatsgevonden in België. Verdachte heeft de Turkse nationaliteit en het hof heeft derhalve geen rechtsmacht. Voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde is de raadsman van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is voor zover betreffende de voorbereidingshandelingen, die in België hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van voornoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (HR 13 april 1999, NJ 1999, 538; HR 30 september 1997, NJ 1998, 117).

Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt het hof het verweer van de raadsman ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde."

8. Het Hof heeft de verdachte als gezegd van het subsidiair tenlastegelegde feit vrijgesproken. Ik meen daarom dat de verdachte bij zijn klachten voor zover die betrekking hebben op dat subsidiair tenlastegelegde feit, geen redelijke belang heeft.(5) Ik beperk mij daarom tot de middelen voor zover die betrekking hebben op het meer subsidiair tenlastegelegde feit.

9. De middelen berusten als ik het goed begrijp op de opvatting dat in Nederland gepleegde voorbereidingshandelingen in Nederland niet vervolgbaar zijn als die voorbereiding betrekking heeft op een feit - in casu het opzettelijk vervoeren van heroïne - dat in zijn geheel buiten Nederland zou worden gepleegd (en in casu ook daar buiten is gepleegd).

10. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. De in art. 10a (oud) Opw. strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen vormen een zelfstandig strafbaar feit, waarvan de strafbaarheid niet afhangt van het al dan niet volgen van het strafbare feit dat werd voorbereid.(6) In het verlengde daarvan ligt dat het voorbereidingsdelict in beginsel zijn eigen tijd en plaats heeft, zodat voor het vaststellen van de locus delicti niet bepalend is de plaats waar het strafbare feit zou plaatsvinden waarop de voorbereiding was gericht.(7)

11. Voor deze opvatting kan steun worden gevonden in de wetsgeschiedenis van art. 46 Sr. "De leer van de locus delicti, zoals voor strafbare poging ontwikkeld, zal ook gelden voor voorbereidingshandelingen" zo vermeldt de MvT(8)

12. Dat het Hof niet met zoveel woorden tot uitdrukking heeft gebracht dat de aan de middelen ten grondslag liggende opvatting onjuist was, maakt de verwerping van het verweer onjuist noch onbegrijpelijk. Het (juiste) uitgangspunt van het Hof is onmiskenbaar geweest dat de plaats waar de verdachte de voorbereidingshandelingen pleegde, als locus delicti in aanmerking mag worden genomen. Ik merk daarbij op dat door de raadsman ter zitting van het Hof alléén de niet-ontvankelijkheid is bepleit voor zover de voorbereidingshandelingen in België plaats hadden (zie pleitnota, punten 41-43). Het Hof heeft, reagerend op dat beroep op partiële niet-ontvankelijkheid, overwogen dat een strafbaar feit ook dan in Nederland is gepleegd - zodat vervolging in Nederland voor het gehele feitencomplex mogelijk is - als niet alle handelingen in Nederland hebben plaatsgevonden. Dat juridisch oordeel is juist.(9)

13. Met de strafbaargestelde voorbereiding heeft de verdachte blijkens de bewijsmiddelen een aanvang gemaakt in Nederland. Daar immers heeft hij [betrokkene 1] overgehaald de heroïne naar Groot-Brittannië te smokkelen en haar samen met [medeverdachte 1] richting de Belgische grens gereden. Aldus is het delict deels gepleegd in Nederland, hetgeen meebrengt dat ook de vervolgens in België gepleegde handelingen onder het bereik van de Nederlandse strafwet vallen. Het oordeel van het Hof is dus - uitgaande van hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt - juist. Daaraan doet uiteraard niet af dat, zoals in de toelichting op het middel op zich terecht wordt gesteld, art. 13 lid 3 Opw in de onderhavige zaak toepassing mist.(10)

14. De middelen kunnen, voor zover zij betrekking hebben op het subsidiair tenlastegelegde feit, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Zij falen voor zover zij betrekking hebben op het meer subsidiair tenlastegelegde feit.

15. Het vierde middel begrijp ik zo dat het de klacht bevat dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft veroordeeld voor het voorbereiden van het vervoeren van heroïne in België, omdat art. 10a Opw enkel strafbaar zou stellen het voorbereiden van (deels) in Nederland gepleegde feiten. Daartoe wordt gesteld dat met het woord "feit" in art. 10a Opw is bedoeld "een feitencomplex dat in Nederland heeft plaatsgevonden".

16. Art. 10a Opiumwet zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, stelt straf op bepaalde gedragingen begaan om "een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10" voor te bereiden of te bevorderen. Art. 10, derde lid, (oud) Opw stelt via verwijzing naar art. 2 onder B Opw onder meer straf op het vervoeren van bepaalde verdovende middelen, waaronder heroïne. Het middel berust dus klaarblijkelijk op de opvatting dat in elk geval in het kader van art. 10a Opw onder "vervoeren" in de zin van art. 2 onder B Opw verstaan moet worden het in Nederland vervoeren van de desbetreffende middelen.

17. In het algemeen geldt dat "het in Nederland begaan zijn van het feit", geen (stilzwijgend) bestanddeel van de delictsomschrijving vormt. Ook gedragingen die in het buitenland worden begaan, kunnen dus beantwoorden aan de delictsomschrijving. Als het anders was, zou bijvoorbeeld art. 5 lid 1 onder 2 Sr. zinledig zijn. Niemand kan zich dan immers in het buitenland nog schuldig maken aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd. Daarom kan slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen dat een strafbepaling enkel betrekking heeft op in Nederland gepleegde feiten. Een voorbeeld van een dergelijke uitzondering is te vinden in HR 31 mei 1983, NJ 1983, 786, waarin de Hoge Raad overwoog:

"6.2 Het Hof heeft de verwerping van het onder 5 weergegeven verweer klaarblijkelijk doen steunen op de opvatting, dat het in de Nederlandse straf[w]et, te dezen de Vuurwapenwet 1919 ook het voorhanden hebben van een zodanig vuurwapen als misdrijf beschouwt voor zover dit buiten Nederlands grondgebied plaatsvindt. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard.

6.3 Uit de geschiedenis met betrekking tot de totstandkoming van de Vuurwapenwet 1919, alsmede uit het samenstel van de bepalingen dezer wet kan worden afgeleid dat de Vuurwapenwet uitsluitend ziet op gedragingen in Nederland, immers beoogt - onder meer door een stelsel van door lokale autoriteiten te verlenen machtigingen - de gevaren te keren, welke uit de onbelemmerde verspreiding van wapenen onder de bevolking in Nederland voortvloeien."(11)

18. De vraag of ten aanzien van het in de Opiumwet strafbaar gestelde "vervoeren" een dergelijke uitzondering moet worden aanvaard, is in de jurisprudentie reeds aan de orde geweest. In HR 15 mei 1979, NJ 1979, 485 beantwoordde de Hoge Raad die vraag ontkennend.

19. Ik zie geen reden om daarover anders te oordelen als het gaat om de toepassing van art. 10a (oud) Opiumwet. De tekst van deze strafbepaling biedt daarvoor in elk geval geen steun. Het in art. 2 onder B van de Opiumwet verboden "vervoeren" levert een feit op als bedoeld in art. 10, derde lid (oud), Opw. Een restrictieve uitleg strookt ook niet met re ratio. De Opiumwet heeft juist mede tot doel het tegengaan van de internationale handel in drugs.(12) Het zal Nederland niet in dank worden afgenomen als het organiseren van de internationale drugshandel hier straffeloos zou kunnen geschieden zolang die handel zelf zich maar niet op Nederlandse bodem afspeelt.

20. Het middel faalt.

21. Het vijfde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te responderen op het ter terechtzitting hoger beroep gevoerde verweer dat het voorbereiden van het in België vervoeren van heroïne niet strafbaar is (door de steller van het middel aangeduid als "Het verweer aangevoerd in middel IV").

22. In het voorgaande heb ik reeds uiteengezet dat en waarom het oordeel van het Hof dat de door verdachte verrichte voorbereidingshandelingen strafbaar zijn, juist is. Daaruit volgt dat de onderhavige klacht niet tot cassatie zal kunnen leiden. Het Hof had een verweer als waarop het middel doelt, immers slechts kunnen verwerpen. In het midden kan daarom blijven of het Hof in het in punt 43 van de pleitnota aangevoerde een zelfstandig verweer had moeten herkennen waarop het had moeten responderen.

23. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

24. Het zesde middel richt zich tegen de gronden waarop het Hof tot het oordeel is gekomen dat de verklaringen van getuige [betrokkene 1] betrouwbaar zijn.

25. Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep terzake gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Verweer

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdenking van verdachte enkel en alleen gebaseerd is op de verklaringen van [betrokkene 1], waarvan het duidelijk is dat haar verklaringen (vanwege enkele tegenstrijdigheden) onbetrouwbaar en niet geloofwaardig zijn. Derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Het hof is van oordeel dat het betoog van de raadsman van verdachte ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Er is geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van de raadsman afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

[betrokkene 1] is in 2001 en in 2003 door verbalisanten gehoord. Zij is ook bij de rechter-commissaris gehoord op 9 juli 2003. Ter terechtzitting van het hof is [betrokkene 1] onder ede als getuige wederom gehoord. Het hof is van oordeel dat de verschillende door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen in onderling verband beschouwd consistent zijn en allerlei onderling met elkaar overeenstemmende details bevatten die maken dat deze verklaringen als betrouwbaar kunnen gelden. Essentiële delen van voornoemde verklaringen van [betrokkene 1] vinden in belangrijke mate steun in de verklaring van haar vader, haar zus [betrokkene 2] en de telefonische contacten die hebben plaatsgevonden. Voorts heeft het hof mede in acht genomen de geloofwaardige wijze waarop [betrokkene 1] ter terechtzitting haar verklaring heeft afgelegd."

26. Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die terzake slechts in een aantal gevallen tot een nadere motivering gehouden is.(13) Wanneer de rechter, zoals klaarblijkelijk in het onderhavige geval het Hof, aanleiding ziet tot een dergelijke motivering zal die in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid getoetst kunnen worden.(14) Daarbij geldt dat de omstandigheid dat in die motivering niet wordt ingegaan op ieder detail van hetgeen de verdediging tegen een positieve waardering van de betrouwbaarheid van, bijvoorbeeld, een getuigenverklaring heeft ingebracht de gegeven motivering niet onbegrijpelijk maakt.(15)

27. In de toelichting op het middel wordt ten eerste aangevoerd dat het Hof, overwegende als hiervóór vermeld, voorbij is gegaan aan de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen stelling dat [betrokkene 1]' verklaring dat [medeverdachte 1], nadat hij omstreeks 12:00 uur bij verdachte zou zijn aangekomen, "de hele tijd" zou hebben gebeld onjuist is.(16) Ook zou uit printgegevens blijken dat de verklaring van [betrokkene 1] dat [medeverdachte 1] op het station in België een Turkse man heeft gebeld niet klopt.(17)

28. Dit onderdeel van het gevoerde verweer komt mij niet zo klemmend voor dat het Hof daarop afzonderlijk had moeten ingaan. Het gaat hier bepaald niet om een wezenlijk onderdeel van de verklaring van [betrokkene 1]. Dat haar verklaring op dit ondergeschikte punt mogelijk onjuist is, wettigt nog niet de gevolgtrekking dat haar verklaring op de cruciale onderdelen ervan onbetrouwbaar is. Daar komt bij dat de verklaringen van [betrokkene 1] over het gebel van [medeverdachte 1] weliswaar geen steun vinden in de printgegevens van de onderzochte telefoonaansluitingen, maar daardoor ook niet worden ontkracht. Het is immers niet uitgesloten dat [medeverdachte 1] nog een andere telefoon gebruikte (waarvan zich geen printgegevens in het dossier bevinden) en dat hij daarmee de door [betrokkene 1] bedoelde gesprekken voerde.

29. Hetgeen voorts volgens de pleitnota in hoger beroep onder het kopje "Onlogische verklaringen van [betrokkene 1]" (nummers 17. en 18.) is aangevoerd noopte het Hof evenmin tot een nadere motivering dan hiervóór vermeld. Nog daargelaten dat de volstrekt logisch handelende mens nog gevonden moet worden, zijn voor het feit dat [betrokkene 1] niet vanuit huis belde en evenmin naar het huis van de verdachte toeging om te horen of de onderneming doorgang zou vinden, verschillende (wel degelijk begrijpelijke) verklaringen denkbaar.(18) De opmerking van de verdediging over hetgeen [betrokkene 1] heeft geantwoord op de vraag wie haar de telefoonnummers heeft gegeven die op een in haar bezit aangetroffen - en voor het bewijs gebruikt - briefje stonden deed, indien juist, evenmin wezenlijk af aan de betrouwbaarheid van (het voor het bewijs relevante deel) van haar verklaring.(19) Ik merk daarbij op dat de wijze waarop het Hof dit briefje voor het bewijs heeft gebruikt niet veronderstelt dat dit briefje (deels) door de verdachte is geschreven.

30. Over hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd tegen 's-Hofs overweging dat [betrokkene 1] consistent heeft verklaard ("Niets is minder waar. Haar verklaringen bij de politie afgelegd zijn niet consistent (...)") meen ik voorbij te kunnen gaan, nu de steller van met middel niet uiteenzet welke inconsistenties in [betrokkene 1]' verklaringen 's-Hofs overweging in zoverre onbegrijpelijk maken. Ook wat betreft de omstandigheid dat [betrokkene 1] begin 2006 - ruim vijf jaar na het bewezenverklaarde feit - ter terechtzitting van het Hof zich enkele details niet meer kon herinneren kan ik kort zijn: dat het Hof kennelijk heeft gemeend dat die omstandigheid geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar (eerdere) verklaring(en) is ook zonder nadere motivering geenszins onbegrijpelijk.

31. Verder merk ik in het kader van dit middelonderdeel slechts geheel ten overvloede op dat ook als er met de steller van het middel van zou worden uitgegaan dat het verhoor van [betrokkene 1] bij het Hof slechts tien minuten heeft geduurd dat er niet aan af doet dat het Hof in dat tijdbestek een betrouwbare indruk van [betrokkene 1] heeft kunnen verkrijgen, dat de verdediging bij dat verhoor bovendien zelf aanwezig was en dat zij blijkens het desbetreffende proces-verbaal geen bezwaar heeft gemaakt tegen de gestelde korte duur daarvan, maar dat integendeel met instemming van de verdediging afstand is gedaan van het verder horen van [betrokkene 1]. Ik schrijf ten overvloede, omdat het middel in zoverre reeds faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag: het proces-verbaal van de terechtzitting bij het Hof van 23 februari 2006 houdt omtrent de duur van het verhoor niets in.

32. Ten slotte wordt in de toelichting op het middel gesteld dat 's-Hofs overweging dat "[es]sentiële delen van voornoemde verklaringen van [betrokkene 1] (...) in belangrijke mate steun [vinden] in de verklaring van haar vader, haar zus [betrokkene 2] en de telefonische contacten die hebben plaatsgevonden" onbegrijpelijk zou zijn.

33. Ik deel die mening niet. De verklaring van [betrokkene 1]' vader (bewijsmiddel 11.) ondersteunt de verklaring van [betrokkene 1] niet enkel in die zin dat zij klaarblijkelijk ook tegen hem heeft verklaard in overeenstemming met hetgeen zij de politie, de R-C en het Hof heeft verteld, maar ook op het punt van de gang van zaken voorafgaand aan het vertrek van [betrokkene 1] en de verdachte richting België (in de auto van [medeverdachte 1]). [betrokkene 1]' zus heeft inderdaad enkel verklaard over hetgeen zij van [betrokkene 1] heeft vernomen. Dat neemt echter niet weg dat het Hof ook uit haar verklaring omtrent hetgeen zij van [betrokkene 1] had vernomen steun voor de (andere) verklaringen van [betrokkene 1] heeft kunnen putten, ook voor zover het de betrokkenheid van de verdachte betrof. Uit het kort na haar aanhouding door [betrokkene 1] gedane verzoek om aan de verdachte door te geven: "Ik ben aangehouden; het is misgegaan" kan immers worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van de smokkel. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat op de ochtend van de smokkel vanaf het nummer [06-nummer] - welk nummer op naam staat van een zekere [betrokkene 3], die derhalve dezelfde achternaam draagt als [medeverdachte 1] en die op hetzelfde adres woonachtig is - meermalen is gebeld met de [medeverdachte 2] aan wie [betrokkene 1] de heroïne in Groot-Brittanie had moeten afgeven, met het op het meergenoemd briefje vóór "[medeverdachte 1]" vermelde nummer(20) en met (het nummer van de mobiele telefoon van) de verdachte. Kennelijk hielden de verdachten (afgezien van [betrokkene 1]) voorafgaand aan de smokkel via dit telefoonnummer (indirect) contact met elkaar en met personen in Londen die bij de smokkel betrokken waren. In zoverre ondersteunen deze gegevens dus [betrokkene 1]' verklaringen over hun betrokkenheid.

34. Hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [betrokkene 1] noopte het Hof niet tot een nadere motivering dan die welke het gegeven heeft. Die motivering is niet onbegrijpelijk.

35. Het middel faalt.

36. Het zevende middel richt zich tegen de strafmotivering met de klacht dat die onbegrijpelijk zou zijn omdat het Hof niet heeft uiteengezet waarom het zwaarder strafte dan de Rechtbank had gedaan.

37. Deze klacht faalt omdat het Hof tot een dergelijke uitleg niet gehouden was.(21)

38. Alle middelen, met uitzondering van het tweede en het vierde middel, kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

39. Ambtshalve vestig ik nog de aandacht op het volgende. Het Hof heeft in de bewezenverklaring - die is afgestemd op de tekst van de Opiumwet zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde luidde - laten staan dat het handelen van de verdachte gericht was op het voorbereiden of bevorderen van "een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet". Het Hof heeft het bewezenverklaarde dienovereenkomstig gekwalificeerd. Voor het alternatief dat het ging om een feit als bedoeld in het vierde lid, is evenwel geen steun te vinden in de bewijsmiddelen. Dat betekent dat ook de kwalificatie niet deugt.(22) Dit kan aangemerkt worden als een kennelijk misslag, die in cassatie kan worden hersteld.

40. Dat is nog niet alles. Volgens de bewezenverklaring heeft de verdachte getracht een ander te bewegen om het bedoelde feit "te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen." Al deze alternatieven zijn in de kwalificatie verwerkt, hoewel in de bewijsmiddelen alleen steun is te vinden voor het trachten te bewegen van [betrokkene 1] om het feit te plegen of mede te plegen. Voorts is verdachtes medeplegen in de kwalificatie betrokken op het voorbereiden of bevorderen van het feit, terwijl de verdachte volgens de bewezenverklaring - en in overeenstemming met de delictsomschrijving - het trachten te bewegen heeft medegepleegd. Een en ander zou betrokken kunnen worden bij de herstelwerkzaamheden.

41. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik verder niet aangetroffen.

42. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad zal verstaan dat de kwalificatie van het meer subsidiair bewezenverklaarde feit luidt: "medeplegen van: om een feit bedoeld in het derde lid van art. 10 (oud) van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen dat feit te plegen of mede te plegen" en voorts tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit kan worden afgeleid uit het ten behoeve van de aanzegging in cassatie opgevraagde GBA-overzicht. Zie ook de in hoger beroep overgelegde pleitnota, p. 8.

2 Hoewel dat in de bewijsmiddelen niet met zoveel woorden wordt gesteld, heeft het Hof dit daaruit wel kunnen afleiden. In elk geval lijkt de vermelde gang van zaken zo goed als uitgesloten dat de verdachte zich niet in Nederland bevond toen hij tegen [betrokkene 1] zei dat hij "een meisje nodig" had.

3 Bewijsmiddel 9. houdt in dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] door deze opmerking jaloers zou worden.

4 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2005 verklaard dat zijn woning "dicht" bij het station ligt.

5 Vgl. Van Dorst, 5e, p. 35 e.v., in het kader van het belang bij cassatieberoep. Vgl. ook HR 1 mei 1990, NJ 1990, 783, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de verdachte ieder redelijk belang miste bij de klacht dat het Hof niet had beslist over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken.

6 Vgl. HR 29 april 1997, NJ 1997, 665, HR 3 maart 1998, 106.677, HR 13 maart 2001, NJ 2001, 338, HR 11 november 2006, 03366/05.

7 De vraag of als plaats van de voorbereidingshandeling tevens is aan te merken de plaats waar het voorbereide delict uiteindelijk is begaan, kan hier blijven rusten.

8 Kamerstukken II, 1990-1991, 22268, nr 3, p. 13. Vgl. Wolswijk, Locus delicti en rechtsmacht, p. 282 en 283, die ook wijst op de parlementaire geschiedenis van art. 10a Opw (kamerstukken II, 1982-1983, 17975, nr. 3, p. 8). Wolswijk schrijft voorts: "Het Nederlandse strafrecht kent behalve de voorbereidingshandelingen ex art. 46 Sr nog andere, zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen. Er is geen reden waarom voor deze voorbereidingshandelingen iets anders zou gelden. Ook hier is dus de plaats van de voorbereidingsgedraging de locus delicti."

9 HR 30 september 1997, NJ 1998, 117, HR 27 oktober 1998, NJ 1999, 221, HR 13 april 1999, NJ 1999, 538

10 Art. 13 lid 3 Opw breidt het bereik van de Nederlandse strafwet kort gezegd uit tot in het buitenland gepleegde handelingen ter voorbereiding van het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen genoemd op lijst I.

11 Zie ook HR 15 april 1975, NJ 1975, 290, waarin de Hoge Raad overwoog "dat ingevolge art. 5, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr. de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is straf is gesteld; dat dit voorschrift weliswaar niet kan worden toegepast, wanneer het gaat om Nederlandse wetsbepalingen welke slechts zien op gedragingen in Nederland - hetgeen o.m. het geval is met een aantal bepalingen van de Wegenverkeerswet - maar art. 36 van die wet, dat niet gewaagt van wegen, niet tot die bepalingen behoort." Uitzonderingen op de hoofdregel dat het bereik van Nederlandse strafbepalingen niet beperkt is tot het Nederlandse territoir kunnen voorts gelegen zijn in de omstandigheid dat de desbetreffende strafbepaling een zogenaamd 'typisch nationaal bestanddeel' bevat. Te denken is dan bijvoorbeeld aan de term "wettelijk voorschrift" in art. 184 Sr, waarmee gedoeld wordt op enig Nederlands wettelijk voorschrift (HR 17 maart 1987, NJ 1987, 887). Wanneer een strafbepaling een dergelijk typisch nationaal bestanddeel bevat zal overigens in voorkomende gevallen de beperking van het bereik van die strafbepaling wellicht niet zo zeer ingegeven zijn door het (aangenomen) door de wetgever beoogde bereik daarvan, maar door het ontbreken van een buitenlands equivalent, hetgeen voor toepasselijkheid van de strafwet op grond van art. 5 lid 1 sub 2 Sr vereist is. Vgl. voor e.e.a. Koopmans en Van Elst in T&C, aant. 6 bij art. 5 Sr. Zie ook hun aant. 8, waarin zij als voorbeeld van een manier om "dubbele strafbaarheidsperikelen" te voorkomen geven het tenlasteleggen van vervoeren van heroïne in plaats van het invoeren van heroïne.

12 Op p. 4 van de MvT bij de Wet van 4 september 1985 tot nadere wijziging van de Opiumwet, Stb. 1985, 495, wordt opgemerkt dat het wetsontwerp zich primair richt op "de bestrijding van de internationale handel in drugs met onaanvaardbaar risico en op degenen die daarin betrokken zijn" en dat het beoogt "het mogelijk te maken in een vroeg stadium van de organisatie van die handel in te grijpen." Zie voorts het door J. de Hullu en A.J.P. Tillema in H.G.M. Krabbe (red.), De Opiumwet, geschreven hoofdstuk 1. getiteld: De verdragsverplichtingen en de wetgevingsgeschiedenis, en Bloms eerste inleidende opmerking bij de Opiumwet in T&C.

13 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt. YB, ro. 3.8.1.

14 De vraag of het aangevoerde (volgens het Hof) een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv opleverde is daarbij mijns niet van wezenlijk belang. Ook een onverplichte betrouwbaarheidsmotivering zal de toets der begrijpelijkheid moeten kunnen doorstaan.

15 Vgl. HR NJ 2006, 393, ro. 3.8.4. onder d. Daarmee is overigens nog niets gezegd over de vraag óf een bepaald feit of een bepaalde omstandigheid waarop de verdediging zich beroept als een detail kan worden beschouwd. Voor het antwoord op die vraag zal in ieder geval veel gewicht toekomen aan de indringendheid van desbetreffende argument.

16 Dit heeft [betrokkene 1] volgens haar als bewijsmiddel 9. opgenomen verklaring inderdaad verklaard.

17 Dit onderdeel van [betrokkene 1]' verklaring heeft het Hof niet overgenomen in de weergave van die verklaring in de aanvulling op het bestreden arrest. Het desbetreffende proces-verbaal van politie vermeldt evenwel op p. 66 dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] met "een andere Turk" belde omdat de prijs die hij in eerste instantie in rekening kreeg gebracht voor het treinkaartje voor [betrokkene 1] niet zou kloppen. De "andere Turk" zou [medeverdachte 1] toen gezegd hebben dat die prijs inderdaad te hoog was.

18 [betrokkene 1]' verhoor door de politie van 29 maart 2001, p. 58 houdt in dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat "ons pap en ons mam het niet leuk vinden als ik iets met hem bel of zo". Voorts had de verdachte [betrokkene 1] gezegd hem te bellen en dus kennelijk niet langs te komen (bewijsmiddel 9).

19 Op dit briefje (zie bewijsmiddel 3) stonden de nummers van ene [medeverdachte 2] (de persoon die [betrokkene 1] in Groot-Brittannië moest bellen), van [medeverdachte 1] en van "Nederland". De in de voorgaande voetnoot bedoelde verklaring van [betrokkene 1] houdt terzake in: "[medeverdachte 1] heeft die twee nummers opgeschreven en [verdachte] (de verdachte, Kn) heeft het Nederlandse nummer volgens mij opgeschreven." [betrokkene 1] was dus in elk geval niet erg stellig in haar verklaring.

20 Volgens de als bewijsmiddel 7. gebruikte printgegevens betrof het hier een nummer in Londen. Het lijkt dus (gelet op de tijdstippen van de gesprekken en het feit dat [medeverdachte 1] rond een uur of twaalf 's-middags de verdachte en [betrokkene 1] kwam ophalen) niet aannemelijk dat toen met [medeverdachte 1] zelf is gebeld. In de aan de Hoge Raad gezonden stukken (het op 22 mei 2003 door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal, p. 12) staat achter dit nummer vermeld: "Crimineel contact van [medeverdachte 1]".

21 HR 27 maart 2001, NJ 2001, 297, HR DD 98.095, HR 16 januari 1990, NJ 1990, 580 (conclusie A-G Leijten)

22 HR 8 oktober 2002, LJN AE5612 (niet gepubliceerd).