Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
02589/06 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3139
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Redelijke termijn. 2. Motiveringsklacht. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden kan worden volstaan is niet begrijpelijk. Het middel voert terecht aan dat het Hof niet behoorlijk gemotiveerd is ingegaan op hetgeen de verdediging beargumenteerd heeft aangevoerd, hierop neerkomende dat de zaak niet ingewikkeld is te noemen en dat niet het feit dat getuigen enkele malen niet kwamen opdagen voor de grootste vertraging heeft gezorgd, maar dat de te trage appointeringen in eerste en in tweede aanleg het tijdsverloop hebben veroorzaakt, alsmede dat het Hof zijn oordeel dat de lange duur de betrokkene “ook voordeel heeft gebracht” niet kenbaar op feitelijke vaststellingen omtrent daadwerkelijk behaald rendement heeft gebaseerd. Ad 2. In de bestreden uitspraak ligt besloten dat het Hof de stelling van de verdediging dat A in totaal niet meer dan 8 dgn heeft gewerkt onaannemelijk heeft bevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk in het kader van een redelijke bewijslastverdeling tegenover de, mede o.g.v. verklaringen van A, beredeneerde aanname in het desbetreffende p-v van politie waaraan het Hof de schatting van het w.v.v. heeft ontleend van het aantal dagen per week dat zij gedurende de periode van 6 wkn heeft gewerkt, de stelling van de verdediging, die enkel erop berust dat o.g.v. het aantal tapgesprekken waarin A zelf aan het woord komt over haar werk ervan moet worden uitgegaan dat zij 8 dgn heeft gewerkt, onvoldoende concreet onderbouwd heeft geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 601
RvdW 2007, 817
NJ 2007, 531
JOW 2008, 21

Conclusie

Nr. 02589/06 P

Mr. Vellinga

Zitting: 10 april 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit "mensenhandel, meermalen gepleegd" en "voortgezette handeling van mensenhandel door twee of meer verenigde personen en mensenhandel door twee of meer verenigde personen" verkregen voordeel vastgesteld op € 49.847,76 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 49.000,-.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 02586/06 P, 02589/06 P en 02593/06 P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens veroordeelde heeft mr. J. Goudswaard, advocaat te 's-Gravenhage, zes middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en dat dit dient te leiden tot strafvermindering.

5. Namens veroordeelde is op 12 januari 2006 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 18 september 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de in HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.4 bedoelde maximale termijn van acht maanden met zes dagen is overschreden. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Nu de Hoge Raad de zaak bij een uitspraak vóór 12 mei 2007 binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep kan afdoen, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan, wat betreft de totale duur van de berechting in cassatie, (voorshands) niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn.(1)

6. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat ten aanzien van het beroep van de verdachte op schending van de redelijke termijn kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, gelet op hetgeen is aangevoerd omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en over de totale duur van de procedure, onvoldoende met redenen is omkleed.

8. De pleitnota van de raadsman in hoger beroep houdt, voor zover thans van belang, het volgende in:

"Redelijke termijn

4.54 Op het bovenstaande bedrag moet echter, zo meent de verdediging, een vermindering worden toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

4.55 In HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307 formuleerde de Hoge Raad algemene uitgangspunten en regels waarop in ontnemingszaken zijn rechtspraak terzake overschrijding van de redelijke termijn is gebaseerd. Hierbij werd aansluiting gezocht bij hetgeen de Hoge Raad reeds ten aanzien van strafzaken formuleerde in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721.

4.56 Ten aanzien van ontnemingszaken geldt in de eerste plaats dat de redelijke termijn minstgenomen begint te lopen op het moment dat de officier van justitie ter zitting zijn voornemen aankondigt om een ontnemingsvordering in te dienen (ex art. 311 lid 1 Sv). In casu is dat gebeurd op de zitting van 21 november 2000.

4.57 Vervolgens is het totale verloop van de procedure van belang, aldus de HR, waarbij de redelijkheid van die duur afhangt van de volgende omstandigheden: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Voor ontnemingszaken komt daar nog als bijzonderheid bij dat de afdoening van die zaken mede afhankelijk is van de termijn die met de afhandeling van de strafzaak is gemoeid (hetgeen in casu geen rol heeft gespeeld) en dat de ontnemingszaak (ex art. 511 b lid 1 Sv) zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 jaar na het de uitspraak in eerste aanleg aanhangig moet worden gemaakt.

4.58 De rechtbank deed uitspraak in de strafzaak op 5 december 2000. Vervolgens is de ontnemingszaak eerst op 19 september 2002 aanhangig gemaakt bij de rechtbank alhier. Zulks is niet ten spoedigste, zoals bepaald in art. 511 b Sv.

4.59 De uitspraak van de rechtbank volgde op 23 april 2003. Hiertegen werd op 28 april 2003 hoger beroep ingesteld. De stukken werden, volgens uw griffie, vervolgens op 10 juli 2003 ontvangen door uw Hof.

4.60 Het duurde vervolgens tot 10 december 2004 voordat de zaak in hoger beroep aanhangig werd gemaakt.

4.61 Een uitspraak is thans op zijn vroegst - indien de termijn van een strafzaak in acht wordt genomen - op 16 september 2005 te verwachten.

4.62 In strafzaken geldt - kort gezegd - het uitgangspunt dat een zaak in eerste en tweede aanleg binnen (tweemaal) 2 jaar moet zijn behandeld, behoudens bijzondere omstandigheden. Een dergelijke harde regel is in ontnemingszaken niet gegeven, maar er moet wel aansluiting bij die regel worden gezocht, gelet op het feit dat de HR in NJ 2001, 307 regels formuleerde ter aanvulling op het eerdere arrest dat zag op strafzaken.

4.63 Dit houdt in dat de redelijke termijn in casu is overschreden. Op 16 september 2005 zijn immers reeds 4 jaren, 9 maanden en 25 dagen verlopen sinds de aanvang van de op redelijkheid te beoordelen termijn.

4.64 Bijzondere omstandigheden die een dergelijk tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen zijn er niet.

4.65 Integendeel, de zaak is niet ingewikkeld te noemen en het feit dat de getuigen enkele malen niet kwamen opdagen heeft niet voor de grootste vertraging gezorgd, indien zulks al als een bijzondere omstandigheid zou zijn aan te merken.

4.66 Het is veeleer de trage appointering in eerste en tweede aanleg geweest die het grote tijdsverloop heeft veroorzaakt. Tussen uitspraak in de strafzaak en appointering van de ontnemingszaak zaten meer dan 1 jaar en 9 maanden. Tussen instellen van hoger beroep en appointering in tweede aanleg zaten bijna 1 jaar en 8 maanden.

4.67 Dit tijdsverloop is cliënt niet aan te rekenen.

4.68 De verdediging meent dan ook dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, welk verzuim tot vermindering van het eventueel te ontnemen bedrag zou moeten leiden. Gelet op het feit dat cliënt erg geleden heeft onder de druk van de onderhavige procedure, de ernst van de overschrijding (ruim 9 maanden) en de 'kortingspercentages' die plegen te worden toegepast (Vgl. bijv. HR 15 juni 2004, JOW2005, 3, HR 11 februari 2003, JOW 2003, 26), stelt de verdediging uw Hof voor een vermindering toe te passen van 10% van het te ontnemen bedrag."

9. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Schending van de redelijke termijn

Naar het oordeel van het hof heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de zeer geringe schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in dit artikel, bezien in het licht van de gehele procedure, de omvang van de zaak en op het aan het openbaar ministerie toe te rekenen deel daarvan zal het hof hieraan geen consequenties verbinden, mede omdat de veroordeelde van het behaalde voordeel, waarvan niet is gebleken dat hij daarvan niets heeft overgehouden, rente of andere opbrengsten kan hebben ontvangen, zodat de lange duur hem ook voordeel heeft gebracht."

10. In zijn standaardarrest van HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307 heeft de Hoge Raad ter aanvulling op zijn op gewone strafzaken toepasselijke HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 uitgangspunten geformuleerd aan de hand waarvan dient te worden beoordeeld of de redelijke termijn in ontnemingszaken is overschreden. Dat arrest houdt in dat als aanvangsmoment van de redelijke termijn geldt het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Een dergelijke handeling kan onder omstandigheden bestaan in een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv. De beoordeling van een gestelde overschrijding van de redelijke termijn is onder meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In een ontnemingszaak weegt bovendien mee dat de behandeling ervan afhankelijk is van de behandeling van de strafzaak, terwijl de ontnemingszaak ingevolge art. 511b lid 1 Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid uiterlijk twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak aanhangig moet worden gemaakt.

11. Zoals de Hoge Raad in HR 2 november 2004, LJN AR2439 nog eens heeft bevestigd dient - net als in een strafzaak - in een ontnemingszaak in beginsel binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn een einduitspraak in eerste aanleg tot stand te zijn gekomen terwijl voor de berechting in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden dat het geding in beginsel behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. In HR 20 juni 2006, LJN AW0254 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook bij een behandelingsduur in eerste aanleg van (aanzienlijk) meer dan twee jaren nog geen sprake behoeft te zijn van overschrijding van de redelijke termijn. Dat kan zich in het bijzonder voordoen, indien de redelijke termijn is aangevangen op het moment dat beslag is gelegd op de voet van art. 94a, Sv terwijl de inbeslagneming heeft plaatsgevonden in een vroeg stadium van het strafrechtelijk onderzoek. Ten aanzien van de vraag welke termijn - te rekenen tot aan de uitspraak in eerste aanleg - in die omstandigheden nog als redelijk kan worden aangemerkt, kan bezwaarlijk een algemene regel worden gegeven. De beantwoording van die vraag is sterk afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. In het betreffende geval achtte de Hoge Raad het niet onbegrijpelijk dat het Hof een periode van viereneenhalf jaar vanaf het conservatoir beslag tot aan de uitspraak in eerste aanleg in de ontnemingszaak een geringe overschrijding vond waaraan geen rechtsgevolg behoefde te worden verbonden, ondanks het feit dat ook in hoger beroep sprake was van een minieme overschrijding van de redelijke termijn.

12. Tot de stukken van het geding behoren, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, onder meer:

- een kennisgeving conservatoir beslag (art. 94a Sv) die aan verdachte is betekend in persoon op 12 april 2000;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg in de onderliggende strafzaak van 21 november 2000, inhoudende de aankondiging door de Officier van Justitie van zijn voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken;

- een (onherroepelijk) strafvonnis van de Rechtbank van 5 december 2000;

- een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die aan verdachte is betekend in persoon op 25 juli 2002;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2002 inhoudende onder meer dat de zaak naar de rechter-commissaris wordt verwezen om op verzoek van de verdediging 5 getuigen te horen;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 13 december 2002 inhoudende onder meer dat de zaak wordt aangehouden nu de rechter-commissaris de getuigenverhoren nog niet heeft afgerond alsmede de mededeling van de voorzitter dat de raadsman binnen 14 dagen naam en adres van de door de verdediging gewenste getuige die zij wil horen dient te achterhalen en aan de rechter-commissaris dient door te geven;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 april 2003;

- een ontnemingsvonnis van de Rechtbank van 23 april 2003;

- een appelakte waaruit blijkt dat door de veroordeelde op 28 april 2003 hoger beroep is ingesteld;

- een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel waaruit blijkt dat deze op 10 juli 2003 bij de strafgriffie van het Hof zijn ontvangen;

- een schrijven van de raadsman van 25 november 2004 waarin hij de Advocaat-generaal verzoekt vijf getuigen op te roepen tegen de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2004;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2004 inhoudende onder meer dat de voorzitter de oproeping voor de nadere terechtzitting van vier getuigen beveelt;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2005 inhoudende onder meer dat de raadsman om aanhouding van de zaak verzoekt om de niet opgeroepen getuigen te horen alsmede dat de voorzitter opnieuw de oproeping van die getuigen voor de nadere terechtzitting beveelt;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2005 inhoudende onder meer dat de stukken in handen worden gesteld van de raadsheer-commissaris om getuigen te horen;

- een proces-verbaal van verhoor van (enkele) getuigen door de raadsheer-commissaris van 15 augustus 2005;

- een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2005, inhoudende onder meer dat de raadsman persisteert bij het horen van een bepaalde getuige alsmede dat dit verzoek door de voorzitter wordt afgewezen;

- een ontnemingsarrest van het Hof van 29 december 2005.

13. Het Hof heeft niet heeft vastgesteld op welk moment de redelijke termijn een aanvang heeft genomen. Verdachtes raadsman noemt als datum van aanvang de dag waarop de Officier van Justitie heeft aangekondigd de vordering tot ontneming te zullen doen, 21 november 2000. Daarom dient de door veroordeeldes raadsman genoemde datum welke in overeenstemming is met hetgeen te dien aanzien is overwogen in HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov 3.8 onder a, als aanvang van de redelijke termijn te worden genomen. De Rechtbank heeft vonnis gewezen op 23 april 2003. Derhalve heeft de behandeling van de zaak in eerste aanleg ongeveer tweeëneenhalf jaar in beslag genomen. De zaak is twee maal aangehouden alsmede één maal naar de rechter-commissaris verwezen voor het - op verzoek van de verdediging - horen van getuigen. Daarmee is ongeveer 3,5 maand gemoeid geweest (van 19 december 2002 tot 2 april 2003). Deze periode komt in zijn algemeenheid voor rekening van de verdachte.(2) Derhalve heeft de behandeling in eerste aanleg - voor zover voor de vraag naar de redelijke termijn van belang - in het voor de verdachte ongunstigste geval ten minste ongeveer twee jaar en tweeeneenhalve maand in beslag genomen.

14. Vanaf de dag van het instellen van hoger beroep (28 april 2003) tot de dag waarop het Hof uitspraak deed (29 december 2005) zijn twee jaar en acht maanden verlopen. De behandeling van de zaak in hoger beroep is drie maal aangehouden alsmede één maal naar de raadsheer-commissaris verwezen, alles voor het op verzoek van de verdediging horen van getuigen. Daarmee is een periode gemoeid geweest van ruim acht maanden (van 10 december 2004 tot 2 september 2005). Deze periode kan in zijn algemeenheid aan de verdachte worden toegerekend. Voor zover voor de vraag naar overschrijding van de redelijke termijn van belang heeft de behandeling in hoger beroep in het voor de verdachte ongunstigste geval dus iets minder dan twee jaar geduurd.

15. Het Hof overweegt dat aan de geringe overschrijding van de redelijke in hoger beroep geen consequenties hoeven te worden verbonden, gelet op de zeer geringe schending, mede bezien in het licht van de gehele procedure, de omvang van de zaak en op het aan het OM toe te rekenen deel daarvan. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de tijd die het horen van getuigen op verzoek van verdachtes raadsman in beslag heeft genomen buiten beschouwing wordt gelaten, heeft de behandeling in eerste aanleg twee jaar en tweeeneenhalve maand in beslag heeft genomen, dus meer dan de twee jaar die als redelijk wordt beschouwd. 's Hofs verwerping van het beroep op overschrijding van de redelijke termijn is bij gebreke van nadere redengeving dan ook onbegrijpelijk. Dit klemt temeer wanneer in aanmerking wordt genomen dat de financiële rapportage blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 5 en 7 kennelijk reeds op 15 mei 2001 gereed was terwijl de vordering tot ontneming pas op 25 juli 2002 aan de veroordeelde is betekend.

16. Voorts is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof zijn overweging dat aan de lange duur van de termijn geen consequenties hoeven te worden verbonden, mede doet steunen op de grond dat de overschrijding van de redelijke termijn de veroordeelde ook voordeel heeft gebracht. Zoals in de toelichting op het middel terecht wordt gesteld, stelt het Hof niet vast dat rente is genoten maar overweegt het slechts dat de veroordeelde van het aan hem te ontnemen bedrag langer rente heeft kunnen genieten.

17. Overigens meen ik dat de overweging van het Hof reeds daarom onvoldoende met redenen is omkleed omdat het Hof niet heeft aangegeven wanneer de redelijke termijn in zijn ogen is aangevangen, niet heeft vermeld in hoeverre de periode van berechting voor rekening van de verdachte komt en waarom, en niet tot uitdrukking heeft gebracht in hoeverre de redelijke termijn is overschreden. Dat springt extra in het oog door de gedetailleerde onderbouwing van het beroep op schending van de redelijke termijn.(3) Thans dient ter toetsing van het oordeel van het Hof van een groot aantal vooronderstellingen te worden uitgegaan. Daardoor geeft het aan de veroordeelde gelet op de gedetailleerdheid van zijn verweer onvoldoende inzicht in de gronden waarop het Hof meent te kunnen volstaan met constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien voorziet de motivering van het Hof aldus niet in een toereikende basis voor toetsing van het oordeel van het Hof in cassatie.

18. Het middel slaagt.

19. Het derde middel klaagt dat het Hof op ontoereikend gemotiveerde gronden het verzoek om getuige '[persoon 4]' te horen heeft afgewezen.

20. Het middel wordt als volgt toegelicht. Het Hof heeft zich ten onrechte geen rekenschap gegeven van de vraag of er voldoende inspanning is verricht om de getuige te traceren. Uitgangspunt van de weigeringsgrond van art. 288 lid 1 sub a Sv dient te zijn dat het niet verschijnen van de getuige met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast moet staan en dat dient te blijken van de nodige inspanning van de zijde van het Openbaar Ministerie om de getuige te doen verschijnen. In de onderhavige zaak is evenwel niet gepoogd de door verbalisant genoemde persoon die zich van een goed vervalst identiteitsbewijs bediende te traceren, terwijl nader onderzoek van het prostitutieteam van de politie, onderzoek van de door [persoon 4] gebruikte telefoonaansluitingen, onderzoek van het vervalste paspoort en/of onderzoek via de Antwerpse politie aangewezen was.

21. Tot de stukken van het geding behoren, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, onder meer:

-een schrijven van de raadsman aan de Advocaat-Generaal d.d. 25 november 2004, inhoudende onder meer:

"(...) verzoek ik u om getuigen op te roepen tegen de terechtzitting van 10 december a.s. Het gaat om de volgende getuigen:

(...)

-Een vrouw, bekend onder de (werk) naam "[persoon 4]", verdere gegevens onbekend. In het ontnemingsrapport bevinden zich tapgesprekken waaruit op te maken is dat deze vrouw contact heeft met cliënt vanaf de volgende mobiele telefoonnummers: 06-28480577, 06-25442070 en 06-16260267;

(...)

Door de regiopolitie Haaglanden is op 26 maart 2000 een persoon gehoord die zich bekend maakte als [persoon 4], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]. Cliënt heeft in zijn verhoor bij de politie (d.d. 6 april 2000) verklaard dat hij [persoon 4] ook kent onder de werknaam "[persoon 4]". Getuige [persoon 4] is door de rechter-commissaris op 4 december 2002 gehoord. Zij heeft daar ontkend dat zij ooit aangifte heeft gedaan tegen cliënt of als prostituee heeft gewerkt. Op de terechtzitting in deze zaak van 13 december 2002 heeft de verdediging de rechtbank verzocht de persoon die op 26 maart 2000 door de politie is gehoord (en zich kennelijk van een valse naam heeft bediend) als getuige te doen horen door de rechter-commissaris. Deze getuige is door de rechtbank toegewezen, maar niet meer door de rechter-commissaris gehoord. De rechtbank heeft echter wel aangenomen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat cliënt zich jegens een persoon, zich noemende "[persoon 4]", aan soortgelijke misdrijven heeft schuldig gemaakt als die waarvoor hij is veroordeeld, en dat hij daaruit voordeel heeft genoten. Cliënt ontkent dit. De verdediging wenst deze "[persoon 4]" dan ook vragen te stellen over de hoogte van haar verdiensten en de vraag of zij deze afgaf aan cliënt. Daarnaast wenst de verdediging haar vragen te stellen over de kosten die met haar beroep gepaard gingen. (...)

De getuige "[persoon 4]" is waarschijnlijk niet opgeroepen omdat daarvan geen gegevens bekend waren. Naar de mening van de verdediging is het belang dat zij heeft bij het horen van deze getuigen evident en moet alles in het werk gesteld worden om deze personen alsnog als getuige te kunnen horen, ook al is dat bij eerdere pogingen niet gelukt. De laatste pogingen dateren blijkens de stukken van 13 februari 2003. Inmiddels zijn 1 jaar en 9 maanden verstreken en zijn er wellicht nieuwe adressen bekend, of zijn de getuigen wel bereid om te komen. Met betrekking tot de getuige "[persoon 4]" merkt de verdediging op dat haar gegevens waarschijnlijk bij de politie bekend zijn, of wellicht door middel van de door haar gebruikte mobiele telefoons achterhaald kunnen worden."

-een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2004 inhoudende onder meer:

"De raadsman licht zijn verzoek toe en verzoekt aanhouding van de behandeling van de zaak en deelt mede dat NN-[persoon 4] mogelijk in Antwerpen verblijft.

(...)

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof de behandeling van de zaak zal aanhouden teneinde de getuigen (...) en NN-[persoon 4] ter zitting te horen. Het hof verzoekt de advocaat-generaal om via het prostitutieteam Haaglanden na te gaan waar de getuigen zich bevinden. Ten aanzien van NN-[persoon 4] verzoekt het hof de raadsman om nadere gegevens omtrent de verblijfplaats aan de advocaat-generaal te verstrekken. (....)"

-een memorie van grieven van de raadsman d.d. 1 februari 2005 inhoudende onder meer:

"47. (..)De verdediging zou [persoon 4] dan ook als getuige willen horen over haar verklaring en de in het ontnemingsrapport genoemde tapgesprekken. Zowel de rechtbank als uw Hof hebben aangegeven dat het verhoor van deze getuige wordt toegestaan op de voorwaarde dat de verdediging met gegevens komt over haar ware identiteit en/of haar locatie. Nu cliënt absoluut niet weet waar zij zich bevindt of op de hoogte is van haar ware personalia, heeft de verdediging uw Hof voorgesteld om aan de hand van in het rapport vermelde telefoonnummers na te gaan of op die manier achter de identiteit van [persoon 4] kan worden gekomen. Uw hof heeft dat geweigerd met de overweging dat er waarschijnlijk gebruik is gemaakt van telefoons met pre paid telefoonkaarten, zodat toch niet achter enige gegevens zou kunnen worden gekomen.

48. De verdediging houdt er dan ook op dat zij niet in de gelegenheid is geweest, of zal komen, om deze getuige te ondervragen over haar verklaring."

-een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2005, inhoudende onder meer:

"Naar aanleiding van een binnengekomen lokalisatieverzoek inzake Takila-onderzoek heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de in het verzoek genoemde getuigen:

(...)

[persoon 4] (niet nader omschreven maar bij verbalisant bekend als [persoon 4], geboren [geboortedatum]-1983

(...)

Ten tijde van het sluiten van het proces-verbaal is het niet mogelijk gebleken de getuigen te localiseren."

-een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 maart 2005 inhoudende onder meer:

"Daarnaast deelt de advocaat-generaal mede dat zij er niet in is geslaagd de getuigen (...) en NN [persoon 4] op te roepen wegens het ontbreken van adresgegevens en er ook anderszins geen gegevens van deze getuigen bekend zijn geworden. De voorzitter deelt hierop mede dat, blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2005, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 4], de getuige [persoon 4] bij deze verbalisant bekend is als [persoon 4], geboren op [geboortedatum] 1983. Op vragen van de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede dat het mogelijk is te trachten deze [persoon 4] te benaderen. (...) De raadsman verzoekt vervolgens om aanhouding van de zaak teneinde de getuigen (...) [persoon 4] te horen.

De advocaat-generaal geeft aan zich niet te verzetten tegen aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde te proberen deze getuigen ter terechtzitting te horen.

(...)

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof van oordeel is dat, nu de verdediging nog niet in staat geweest de getuigen (...) en [persoon 4] te horen, de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden teneinde deze getuigen te kunnen horen.

Het hof (...)

verzoekt de advocaat-generaal naar de heden ter terechtzitting nader bekend geworden gegevens omtrent de getuigen en mogelijk andere gegevens tijdig bij de politie navraag te doen;

verzoekt de advocaat-generaal tevens het ertoe te leiden dat de verbalisant [verbalisant 4] een proces-verbaal opmaakt over zijn redenen van wetenschap omtrent de identiteit van de getuige [persoon 4] als [persoon 4]."

-een zogenaamd lokalisatieverzoek van de Advocaat-Generaal d.d. 30 maart 2005 aan verbalisant [verbalisant 5], inhoudende onder meer:

"NN[persoon 4]: In het onderzoek van [verbalisant 4] (bijlage 3) is zij bij hem kennelijk bekend als [persoon 4], geboren 23-06-1983. NN [persoon 4] heeft in het Takila-onderzoek valselijk gebruik gemaakt van de identiteitsgegevens van een ander, nl van [persoon 4]. Naar NN[persoon 4] is tijdens het strafrechtelijk onderzoek door het hof door de politie Den Haag (Promoteam) in 2001 naarstig gezocht. Zoudt u [verbalisant 4] willen vragen te relateren waarom hij meent, dat NN[pers[persoon 4] is? Indien zij inderdaad [persoon 4] is, zoudt u dan verder onderzoek willen (laten) doen naar haar juiste verblijfplaats en mij van het onderzoek en het resultaat daarvan alsmede haar geboortedatum en -plaats) voor 1 mei schriftelijk verslag uitbrengen?"

-een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2005, inhoudende onder meer:

"Naar aanleiding van een binnengekomen lokalisatieverzoek inzake Takila-onderzoek heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de in het verzoek genoemde getuigen:

(...) [persoon 4] (niet nader omschreven).

(...) Voorts is op diverse data en diverse tijdstippen getracht om contact te leggen met de genoemde getuigen. (...) Door mij, verbalisant, werd abusievelijk de naam van [persoon 4] genoemd als zijnde de [persoon 4] die in het lokalisatieverzoek werd genoemd. Dit is niet juist. De naam van [persoon 4] is afkomstig uit een ander onderzoek. [persoon 4] in het Takilaonderzoek betrof een dame die met een goed vervalst identiteitsbewijs zich uit had gegeven als [persoon 4]."

-een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2005 inhoudende onder meer:

"De voorzitter deelt mede de korte inhoud van:

(...)

-een kopie van een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2005 van de Politie Haaglanden, afdeling Mensenhandel en kinderporno inzake de getuigen.

(...) Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, (...) dat de getuigen NN [persoon 4] (...) door een door dit hof uit de aanwezige vice-president en raadsheren aan te wijzen raadsheer-commissaris op een nader vast te stellen tijdstip worden gehoord (...)."

-een proces-verbaal van bevindingen van de Raadsheer-Commissaris van 15 augustus 2005, inhoudende:

"De raadsheer-commissaris constateert dat de getuige:

Naam getuige NN [persoon 4]

Geboren te Woonplaats

niet is verschenen.

(...) Na controle bij de politie en in het dossier is er geen adres gevonden waar de oproeping heen gestuurd zou kunnen worden."

-een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2005 inhoudende onder meer:

"De voorzitter deelt mede dat de getuige NN [persoon 4] niet door de raadsheer-commissaris kon worden gehoord. De raadsman deelt hierop mede - zakelijk weergegeven -: De verdediging persisteert bij het horen van de getuige NN [persoon 4]. Deze getuige is niet eerder gehoord, terwijl zij van belang is voor de verdediging. Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede -zakelijk weergegeven - : Het is zinloos om in Nederland dan wel Antwerpen onderzoek te doen naar de getuige NN [persoon 4]. Wij weten zelfs niet of zij werkelijk [persoon 4] heet. Hierbij verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Haaglanden, d.d. 19 mei 2005, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie Haaglanden. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat deze getuige in Antwerpen is. Het verzoek tot het horen van de getuige NN [persoon 4] dient dan ook te worden afgewezen. Hierop deelt de raadsman mede dat in het proces-verbaal van [verbalisant 4] niet is vermeld dat er nader is gezocht naar [persoon 4]. Hij is van mening dat [persoon 4] nog steeds kan worden gehoord. Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van de getuige NN [persoon 4] wordt afgewezen, nu de kans niet groot is dat zij binnen een redelijke termijn zal kunnen worden gehoord, aangezien tot op heden zij onvindbaar is gebleken."

22. Zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde brief van de raadsman van 25 november 2004 heeft de verdediging tijdig en op de juiste wijze verzocht de getuige [persoon 4] voor de terechtzitting van 10 december 2004 op te roepen.(4)

23. Art. 288 (oud) Sv(5) bepaalt - voor zover hier van belang - dat de rechter bij met redenen omklede beslissing van het oproepen van een niet verschenen getuige kan afzien, indien hij van oordeel is "dat: a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;". Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de grond dat de kans niet groot is dat de getuige binnen een redelijke termijn zal kunnen worden gehoord. Hoewel de bewoordingen waarin het Hof het verzoek heeft afgewezen verschillen van die in art. 288 Sv, zijn de verschillen niet van zo wezenlijke aard dat daaruit zou moeten worden opgemaakt dat het Hof niet de juiste maatstaf heeft aangelegd.

24. Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken blijkt dat verdachte noch zijn raadsman in staat was enig gegeven omtrent de identiteit en/of verblijfplaats van de getuige [persoon 4] te verschaffen, dat het onderzoek meermalen is aangehouden opdat kon worden nagegaan of de politie de identiteit en/of de verblijfplaats van de getuige [persoon 4] kon achterhalen, dat de politie aanvankelijk meende haar identiteit te hebben achterhaald doch dat dit bij nader inzien een vergissing bleek te zijn en dat verder ieder aanknopingspunt voor de identiteit en/of verblijfplaats van de getuige ontbrak.

25. Tegen deze achtergrond is 's Hofs oordeel dat de kans niet groot is dat de getuige [persoon 4] binnen een redelijke termijn zal kunnen worden gehoord, aangezien zij tot op dat moment onvindbaar is gebleken, niet onbegrijpelijk en getuigt dit oordeel ook niet van gebrek aan inspanning om de getuige te traceren.(6)

26. Het middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt dat het Hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte de verklaring van getuige [persoon 4] als bewijsmiddel heeft gehanteerd, althans dat 's Hofs oordeel dat deze verklaring betrouwbaar moet worden geacht niet naar behoren is gemotiveerd.

28. De pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"C. [persoon 4]

3.38 De rechtbank heeft cliënt veroordeeld terzake van het plegen van mensenhandel met betrekking tot [persoon 4] in de periode van 1 augustus 1999 tot en met 21 maart 2000. Uit de door [persoon 4] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring d.d. 4 december 2002 blijkt dat zij niet degene is die aangifte tegen cliënt heeft gedaan. Degene die door de politie in het onderzoek is aangeduid als [persoon 4] heeft zich daar derhalve kennelijk bediend van een valse naam. Nu diegene heeft aangegeven dat haar werknaam [persoon 4] was, zal zij in het navolgende als [persoon 4] worden aangeduid.

3.39 Net als in eerste aanleg stelt de verdediging zich op het standpunt dat, nu blijkt dat [persoon 4] niet degene is geweest jegens wie cliënt de mensenhandel heeft gepleegd, er geen sprake kan zijn van ontneming ex art. 36e lid 1 Sr. Immers, cliënt heeft geen wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen jegens de persoon terzake van wie hij is veroordeeld: [persoon 4].

3.40 Hooguit zou er sprake kunnen zijn van een ontneming ex art. 36e lid 2 Sr, maar dan moet blijken van voldoende aanwijzingen dat cliënt zich ten aanzien van [persoon 4] heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke misdrijven als die, waarvoor hij veroordeeld is, en dat hij daaruit voordeel heeft genoten.

3.41 De rechtbank heeft zulks aangenomen op grond van het relaas op p. 1 t/m 36 van het ontnemingsrapport, dat verwijst naar de volgende bewijsmiddelen:

- De verklaring van [persoon 4] dat zij in de eerste maanden dat zij in de Geleenstraat werkte altijd goed verdiende, waarmee zij toch zo'n fl. 1000,- per maand bedoelde. Sommige avonden had zij wel een uitschieter van fl. 2000,-. Al het verdiende geld heeft ze aan [betrokkene] afgegeven.

- Een tapgesprek van 14 januari 1999 waarin [persoon 4] zegt dat ze erg moe is en wil stoppen. Ze heeft maar fl. 100,-. Dat is goed, zegt cliënt.

- Een tapgesprek van 24 februari 2000 waarin cliënt [persoon 4] belt in de club in Breda. Ze heeft nu fI. 2000,-. [betrokkene] is blij dat ze haar best doet en wil dat ze er ook vrijdag werkt.

- De berekening op p. 18 en 19 van het ontnemingsrapport.

3.42 De verdediging meent dat de rechtbank ten onrechte tot de overtuiging is gekomen dat cliënt zich ten aanzien van [persoon 4], met betrekking tot de gehele periode, schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke misdrijven als die, waarvoor hij werd veroordeeld, en dat hij daaruit voordeel heeft genoten.

3.43 Zoals eerder aangegeven meent de verdediging dat, hoewel de HR zich op het standpunt stelt dat de beslissing van de ontnemingsrechter niet op wettige bewijsmiddelen hoeft te worden gebaseerd, die bewijsmiddelen wel betrouwbaar moeten zijn (3.28). De verdediging vraagt zich in gemoede af of de verklaring van [persoon 4] wel betrouwbaar is.

3.44 In de eerste plaats moet immers worden geconstateerd dat degene die de bedoelde verklaring aflegde bij de politie, zich heeft bediend van valse personalia. Nu deze persoon ([persoon 4]) er kennelijk niet voor terugschrikt om een valse naam op te geven bij de politie, een naam van een bestaand persoon nog wel die daarom ten onrechte in de strafzaak en de ontnemingszaak is betrokken, moet ook aan het waarheidsgehalte van de inhoud van die verklaring worden getwijfeld.

3.45 Daar komt bij dat cliënt die inhoud stellig weerspreekt. De verdediging zou [persoon 4] dan ook als getuige willen horen over haar verklaring en de in het ontnemingsrapport genoemde tapgesprekken. Zoals eerder aangegeven is [persoon 4], ondanks vele verzoeken, uiteindelijk niet gehoord.

3.46 De verdediging houdt het er dan ook op dat zij niet in de gelegenheid is geweest, of zal komen, om deze getuige te ondervragen over haar verklaring. Het is (in strafzaken) vaste jurisprudentie van de HR dat, indien de betrokkenheid van de verdachte niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen op de punten die juist door hem worden betwist, art. 6 EVRM in een dergelijke situatie aan het gebruik van die verklaring in de weg staat (HR NJ 1999, 827 en recentelijk HR 16 november 2004, UN AR3215).

3.47 Onder verwijzing naar hetgeen eerder is opgemerkt over de noodzaak van de betrouwbaarheid van het bewijs in ontnemingszaken, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de bovenvermelde jurisprudentie in ontnemingszaken mutatis mutandis van toepassing moet worden geacht, en uw Hof in deze situatie voor het bewijs geen gebruik mag maken van de verklaring van [persoon 4] die zich in het ontnemingsrapport bevindt.

3.48 Uit de overige door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen kan immers niet blijken dat cliënt [persoon 4] er door (bedreiging met) geweld of misleiding toe heeft gebracht om zich voor hem te prostitueren, hetgeen cliënt juist betwist. Dit alles brengt met zich mee dat niet kan worden gesproken van voldoende aanwijzingen dat cliënt zich jegens haar aan soortgelijke misdrijven als die, waarvoor hij is veroordeeld, schuldig heeft gemaakt.

3.49 Mocht uw Hof van mening zijn dat er wel voldoende aanwijzingen bestaan dat cliënt zich jegens [persoon 4] aan soortgelijke misdrijven heeft schuldig gemaakt, dan wordt - subsidiair - nog het volgende aangevoerd.

3.50 In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een periode van half augustus 1999 tot en met medio maart 2000, een periode van 7 maanden derhalve. In die periode zou [persoon 4] 6 dagen per week hebben gewerkt en gemiddeld fI. 1.050,- per dag hebben verdiend. De verdediging betwist dat 'blijkt' (p. 18 rapport) dat [persoon 4] vrijwel dagelijks heeft gewerkt. Immers, die bewering wordt op geen enkele wijze nader onderbouwd. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing moet dan ook wederom van de data van de tapgesprekken in het rapport worden uitgegaan, waarin [persoon 4] zelf aan het woord komt (en niet een niet nader geïdentificeerde NN-vrouw). Worden die data bekeken, dan blijkt dat het gaat om 23 dagen (inclusief dagen als 'gisteren' en 'morgen' die worden genoemd).

3.51 Ook betwist de verdediging dat [persoon 4] gemiddeld fl. 1.050,- per dag zou hebben verdiend. Zij heeft zelf in haar verklaring aangegeven dat zij in het begin altijd goed verdiende, waarmee zij toch zo'n fl. 1000,- per maand bedoelde. Sommige avonden had zij wel een uitschieter van fI. 2000,-. De rapporteur heeft vervolgens het laagst genoemde bedrag en het hoogst genoemde bedrag opgeteld en door twee gedeeld, zo komend op een gemiddelde opbrengst van fl. 1.050,-. Echter, [persoon 4] zelf geeft al aan dat zij alleen in het begin goed verdiende. Uit de tapgesprekken blijkt dat het op vele avonden helemaal niet 'goed' ging, en zij slechts bedragen noemde variërend van fI. 100,- tot fl. 700,-. De verdediging meent dan ook dat het gemiddelde zoals genoemd niet kan worden gehanteerd. Bij gebrek aan een betrouwbare methode (de genoemde opbrengsten verschillen teveel om van een betrouwbaar gemiddelde te kunnen spreken) moet dan ook worden uitgegaan van de bedragen die in de tapgesprekken waarin [persoon 4] aan het woord komt worden genoemd: in totaal fI. 9.600,-

3.52 Concluderend moet ten aanzien van [persoon 4] worden gesteld dat er geen sprake is van voldoende aanwijzingen dat cliënt zich jegens haar aan soortgelijke misdrijven schuldig heeft gemaakt, nu haar verklaring niet zou mogen meewerken tot het bewijs en uit de door de rechtbank voor het bewijs gebruikte tapgesprekken niet kan blijken van dwang of misleiding. In het geval uw Hof van mening is dat er wel zodanige voldoende aanwijzingen bestaan, moet uit worden gegaan van 23 gewerkte dagen in plaats van de in het rapport genoemde periode, en moet worden uitgegaan van de bedragen die in de tapgesprekken worden genoemd: een totaal van fI. 9.600,-.

(...)

Ten aanzien van [persoon 4]

4.34 Getuige [persoon 4] is, ondanks herhaalde verzoeken en pogingen daartoe, niet gehoord. Uw Hof heeft ook het vandaag herhaalde verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen. Wat daarvan de consequenties moeten zijn zal hieronder worden besproken. Allereerst wordt echter ingegaan op de reacties van de A-G.

4.35 Onder punt 40-42 van haar eerste reactie, herhaald in de aanvullende reactie, gaat de AG in op de stelling van de verdediging dat met betrekking tot [persoon 4] geen sprake kan zijn van een ontneming ex art. 36e lid 1, nu cliënt geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van de persoon terzake van wie hij is veroordeeld: [persoon 4]. De A-G stelt dat pas in de appèlprocedures in de strafzaken van de medeverdachten van cliënt is gebleken dat [persoon 4] niet deze [persoon 4] was, reden waarom cliënt zich niet op deze vaststelling zou kunnen beroepen. Afgezien van het feit dat deze bewering naar de mening van de verdediging niet juist is, is ook in de ontnemingsprocedure gebleken dat [persoon 4] niet is, vide de r-c verklaring van [persoon 4].

4.36 Een eventuele ontneming ten aanzien van [persoon 4] zou dan ook alleen kunnen worden gestoeld op art. 36e lid 2 Sr.

4.37 Voor een dergelijke ontneming is benodigd dat aannemelijk wordt geacht dat cliënt zich schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke misdrijven als die, waarvoor hij werd veroordeeld, en dat hij uit die soortgelijke misdrijven voordeel heeft genoten.

4.38 Zoals eerder weergegeven heeft de Hoge Raad bepaald dat een dergelijk oordeel niet op wettige bewijsmiddelen behoeft te worden gestoeld. Dit Iaat echter onverlet dat het gebruikte bewijs wel aan de maatstaven der betrouwbaarheid moet voldoen.

4.39 Zulks geldt ook voor het bewijs dat wordt gebruikt om de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten.

4.40 Het is (in strafzaken) vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat, indien de betrokkenheid van de verdachte niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen op de punten die juist door hem worden betwist, art. 6 EVRM in een dergelijke situatie aan het gebruik van die verklaring in de weg staat (HR NJ 1999, 827 en recentelijk HR 16 november 2004, UN AR3215).

4.41 Deze regel moet, naar het oordeel van de verdediging, mutatis mutandis van toepassing worden geacht op ontnemingszaken. Ware zulks anders, dan zou het oordeel dat aannemelijk is dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke misdrijven kunnen worden gestoeld op een enkele verklaring van een getuige, die nooit op betrouwbaarheid kon worden getoetst. Dat zou onaanvaardbaar zijn.

4.42 In casu betekent dit dat de verklaring van [persoon 4] (onder de naam [persoon 4]) bij de politie d.d. 26 maart 2000 alleen voor het bewijs kan worden gebruikt indien deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar de mening van de verdediging is zulks niet het geval.

4.43 Dergelijk 'steunbewijs' zou alleen kunnen worden gevonden in de bij het ontnemingsrapport gevoegde tapgesprekken. Immers, de bewijsmiddelen ten aanzien van de andere getuigen in dit dossier zeggen niets over de aannemelijkheid van het plegen van soortgelijke misdrijven ten aanzien van [persoon 4].

4.44 Aan de tapgesprekken echter, kan ook geen steunbewijs worden ontleend. Uit de overige door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen kan immers niet blijken dat cliënt [persoon 4] er door (bedreiging met) geweld of misleiding toe heeft gebracht om zich voor hem te prostitueren, hetgeen cliënt juist betwist. 0ok de bewijsmiddelen waarvan de A-G wenst dat deze worden toegevoegd aan de uiteindelijke ontnemingsbeslissing brengen zulks niet met zich mee. Immers, van gebruikt geweld of uitgeoefende dwang blijkt niet, behalve wellicht uit het telefoongesprek van 27 december 1999, waarin cliënt zegt dat het geluk brengt als hij [persoon 4] een dikke lip heeft geslagen. Aangezien beide om deze opmerking moeten lachen, zo blijkt uit het gesprek, is niet aannemelijk dat deze eventuele klap in causaal verband staat met het zich prostitueren van [persoon 4].

4.45 Dit alles betekent dat de verklaring van [persoon 4] niet voor het bewijs kan worden gebruikt en er voor het overige onvoldoende bewijs aanwezig is om tot het oordeel te komen dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat cliënt zich jegens [persoon 4] aan soortgelijke misdrijven als die, waarvoor hij is veroordeeld, schuldig heeft gemaakt.

4.46 De vordering van de A-G moet dan ook ten aanzien van [persoon 4] worden afgewezen.

4.47 Subsidiair voert de verdediging nog aan hetgeen zij reeds aanvoerde in de memorie van grieven, hier herhaald onder punt 3.50 t/m 3.52, hetgeen erop neerkomt dat ten aanzien van [persoon 4] slechts een opbrengst van fl. 9.600,- zou kunnen worden vastgesteld (bij gebrek aan een betrouwbaardere rekenmethode) en een bedrag van (23 dagen * fI. 450,-) fI. 10.350,- aan kosten. Dit komt neer op een verlies van fI. 750,-, zijnde € 340,34.

29. Het arrest van het Hof houdt met betrekking tot het door [persoon 4] voor de veroordeelde gegenereerde wederrechtelijk verkregen voordeel in:

"[persoon 4] ("[persoon 4]"): De raadsman heeft gesteld dat uit de door [persoon 4] tegenover de rechter commissaris afgelegde getuigenverklaring blijkt dat zij niet degene is geweest die destijds aangifte heeft gedaan bij de politie en derhalve de veroordeelde met betrekking tot [persoon 4] geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

De veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld terzake mensenhandel met betrekking tot [persoon 4]. Inmiddels is gebleken dat deze in de bewezenverklaring voorkomende naam een valse naam is, opgegeven door de prostituee zich noemende [persoon 4], van wie de ware naam onbekend is gebleven. Dit staat er echter niet aan in de weg om terzake dit feit voordeel te kunnen ontnemen.

Onomstreden is immers dat dit deel van de veroordeling op de prostituee [persoon 4] betrekking heeft. (...)"

30. De aanvulling op het arrest bevat, voor zover hier van belang, de volgende bewijsmiddelen:

8. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL 15J2/1999/699, d.d. 26 maart 2000, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], brigadier van politie Haaglanden, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 26 maart 2000 tegenover deze opsporings-ambtenaren afgelegde verklaring van (hof: een vrouw, zich noemende:) [persoon 4] ("[persoon 4]"):

"Begin juli 1999 heb ik [betrokkene] leren kennen. Ik had in die tijd wel verhalen over [betrokkene] gehoord dat hij een soort pooiertje was. Hij vertelde dat hij een meisje genaamd [persoon 3] voor hem had werken. Ik was in die periode verliefd op [betrokkene]. Het kwam ter sprake dat ik mijzelf zou gaan prostitueren. De vriendinnen van [betrokkene] en zijn broer [persoon 5], [persoon 3] en [persoon 6] hebben ook als prostituee gewerkt. Medio augustus vorig jaar ben ik gaan werken in de Geleenstraat in Den Haag. [betrokkene] heeft mij daar gebracht. De eerste avond verdiende ik tussen de f 1.000,- en f 1.500,-. Ik heb het geld aan het einde van de avond aan [betrokkene] gegeven. Ik verdiende in de eerste maanden dat ik werkte in de Geleenstraat eigenlijk altijd goed. Ik bedoel dat ik minimaal f 1.000,- per avond verdiende. Sommige avonden had ik een uitschieter van f 2.000,-. Ik heb ongeveer f 150.000,- verdiend in de tijd dat ik met [betrokkene] omging. Al dat geld heb ik aan [betrokkene] afgedragen."

9. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL 15J2/1999/699, d.d. 6 april 2000, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], hoofdagent van politie Haaglanden, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 6 april 2000 tegenover deze opsporings-ambtenaren afgelegde verklaring van de veroordeelde:

"[persoon 4] is dezelfde als [persoon 4]. Ik ben met haar omgegaan. Ik denk dat ik haar heb leren kennen in augustus vorig jaar. Zij prostitueerde zich achter de ramen in de Geleenstraat."

10. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL15J2/1999/699, d.d. 15 mei 2001, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] voornoemd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (pagina 1 en volgende van bovengenoemd dossier):

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Verdiensten in tapgesprekken:

Gedurende het onderzoek vond een aantal telefoongesprekken plaats waarin de werkzaamheden en verdiensten in de prostitutie van [persoon 4] ter sprake kwamen. Ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte [betrok[betrokkene] zijn tapgesprekken waarin expliciete geldbedragen werden genoemd, waarvan aannemelijk is dat deze geldbedragen aan de verdachte ten goede kwamen, hieronder weergegeven.

29-10-1999 te 23.02 uur. [persoon 4] wordt gebeld door [betrokkene]. Ze heeft maar f 600,-. Ze heeft het bedrag van de huur niet. [betrokkene] regelt dat wel.

9-10-1999 te 22.59 uur. [persoon 4] heeft f 500,- verdiend.

14-11-1999 te 22.26 uur. [persoon 4] zegt dat ze erg moe is, ze wil stoppen. Ze heeft maar f 100,- verdiend. [betrokkene] zegt dat hij naar haar toekomt. [persoon 4] vraagt of ze zich aan mag kleden. Dat is goed zegt [betrokkene].

04-12-1999 te 22.19 uur. [persoon 4] zegt dat het slecht is vanavond. Ze heeft maar f 1.500,- en vraagt of [betrokkene] niet trots op haar is. [persoon 4] vraagt of ze morgen moet werken. [betrokkene] zegt dat hij bij haar slaapt maar er vroeg uit moet om zijn moeder weg te brengen. Dan kan [persoon 4] wel gaan werken. [persoon 4] vraagt of zij niet in "dat" pand hoeft te werken. Zij heeft de sleutels en moet het nog maar een keertje aankijken. Als het niet goed gaat, kijken ze nog wel.

24-02-2000 te 15.06 uur. [betrokkene] belt [persoon 4] in de club in Breda. [persoon 4] heeft nu f 2.000,-. [betrokkene] is blij dat ze haar best doet want hij heeft geen cent meer. Hij wil dat ze op vrijdag ook werkt daar.

06-03-2000 te 00.24 uur. [persoon 4] belt met [betrokkene]. [persoon 4] zit in Arnhem. Ze heeft er spijt van dat ze dingen heeft gedaan en houdt nog steeds van [betrokkene]. [persoon 4] heeft pas 1.000,- gespaard maar heeft nog wel wat geld voor [betrokkene] zegt ze. Ze blijft voorlopig nog even werken.

Berekening op basis van daggemiddelde:

(Hof: De vrouw, zich noemende:) [persoon 4], werknaam [persoon 4], verklaarde dat zij van half augustus 1999 tot en met medio maart 2000 voor [betrokkene] heeft gewerkt. Deze periode omvat 30 weken. Uit de telefoongesprekken bleek dat [persoon 4] gedurende het hele onderzoek voor [betrokkene] in de prostitutie werkzaam is geweest. Voorts bleek dat [persoon 4] vrijwel dagelijks werkte, 6 of 7 dagen per week. Aanvankelijk verdiende [persoon 4] 1.600,- tot 2.000,- gulden per dag. [betrokkene] zei hierover in een telefoongesprek dat hij toen naast haar raam stond en haar in de gaten hield. Later liepen de inkomsten terug en kon af en toe de kamerhuur maar net betaald worden. In de maand februari 2000 is [persoon 4] bij [betrokkene] weggelopen. Zij is gaan werken in een seksclub in Arnhem. Na korte tijd werd de verhouding met [betrokkene] hersteld waarna [persoon 4] het door haar verdiende geld weer aan [betrokkene] afdroeg. Uit telefoongesprekken bleek dat bij het bespreken van werkkamers [persoon 4], in vergelijking tot andere vrouwen, twee dagdelen werkte; overdag en 's avonds. De door [persoon 4] genoemde periode omvat 30 weken.

Uitgaande van 6 werkdagen per week en een gemiddelde dagopbrengst van f 1.050,-, (100 + 2000):2, zou dit neerkomen op een opbrengst van:

30 weken x 6 dagen x f 1.050,- = f 189.000,-"

Voorts houdt de aanvulling op het arrest het volgende in:

"Bewijsoverweging

Het hof acht, ondanks de onmogelijkheid "[persoon 4]" door een rechter met een raadsman van de verdachte te doen horen haar politieverklaring betrouwbaar, gelet op hetgeen onder 9 en 10 is opgenomen."

31. Het middel klaagt dat art. 6 lid 3 onder d EVRM is geschonden, nu de verdediging [persoon 4] in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen ondervragen omtrent haar bij de politie afgelegde belastende, voor het bewijs gebezigde verklaring, in het bijzonder niet ten aanzien van de punten die door de veroordeelde werden betwist.

32. Een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel volgend op een veroordeling in een strafzaak wordt beschouwd als voortzetting van de met de strafzaak aangevangen strafvervolging.(7) Dit brengt mee dat het bepaalde in art. 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM ook in de onderhavige zaak van toepassing is.

33. De tot het bewijs gebezigde verklaring van [persoon 4], voor zover inhoudende dat zij vanaf medio augustus 1999 voor de veroordeelde heeft gewerkt en dat zij in totaal fl.150.000,- heeft verdiend en aan veroordeelde heeft afgedragen, vindt, ook voor wat de betwiste onderdelen betreft, in voldoende mate steun in de bewijsmiddelen 9. en 10.(8) Anders dan het middel wil is de berekening in het financieel rapport, die komt tot een door de veroordeelde door middel van werkzaamheden van [persoon 4] verkregen voordeel van fl. 189.000,--, immers niet voornamelijk gebaseerd op tegenover de politie afgelegde verklaring van de getuige [persoon 4], maar in overwegende mate op de inhoud van telefoongesprekken gevoerd tussen [persoon 4] en de veroordeelde alsmede voor wat betreft het tijdstip van aanvang van [persoon 4]'s werkzaamheden voor de veroordeelde op bewijsmiddel 9. Art. 6 lid 3, aanhef en onder d EVRM is dus niet geschonden.

34. Voorts klaagt het middel dat het Hof de verklaring van [persoon 4] op ontoereikende gronden betrouwbaar heeft geoordeeld nu de getuige [persoon 4] aan de politie onjuiste personalia heeft opgegeven.

35. De tot het bewijs onder 9. gebezigde verklaring van de veroordeelde, afgelegd op 6 april 2000, houdt in dat hij [persoon 4] in augustus van het voorgaand jaar heeft leren kennen en dat zij zich achter de ramen prostitueerde. Voorts blijkt uit de onder bewijsmiddel 10. opgenomen telefoongesprekken dat die [persoon 4] vanaf eind oktober 1999 ten minste tot en met 6 maart 2000 voor de veroordeelde heeft gewerkt. In die telefoongesprekken legt zij verantwoording af aan de veroordeelde over hetgeen zij heeft verdiend en vraagt zij de veroordeelde een keer of ze zich mag aankleden omdat ze wil stoppen. Verder spreekt zij over werken in een pand of in een club en vindt de hoogte van de door haar aan de veroordeelde afgedragen verdiensten in belangrijke mate bevestiging in de in bewijsmiddel 10 vervatte, op de inhoud van tussen haar en de veroordeelde gevoerde telefoongesprekken. In een en ander heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk een bevestiging gezien van de verklaring van [persoon 4] dat zij ten behoeve van de veroordeelde in de prostitutie werkte en hem de verdiensten daarvan afdroeg.

36. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het Hof dat, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen 9 en 10 de bij de politie afgelegde verklaring van [persoon 4] betrouwbaar is, niet onbegrijpelijk en behoeft deze geen nadere motivering.

37. Het middel faalt.

38. Het vijfde middel klaagt dat het Hof zijn beslissing terzake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaken '[persoon 4]' en '[persoon 1]' onvoldoende heeft gemotiveerd.

39. De eerste klacht van het middel houdt in dat de bewijsmiddelen 8. t/m 10. onvoldoende inhouden om 's Hofs oordeel omtrent het aantal door [persoon 4] gewerkte dagen en haar gemiddelde dagopbrengst te rechtvaardigen. Het Hof zou nader hebben moeten motiveren waarom het conclusies die in het als bewijsmiddel 10. gebezigde financieel rapport worden getrokken uit telefoongesprekken, heeft overgenomen, nu de raadsman heeft aangevoerd dat die conclusies uit telefoongesprekken nergens op gebaseerd zijn. Voorts wordt geklaagd dat geen onderbouwing zou zijn te vinden voor het feit dat de NN-vrouw met wie sommige gesprekken zijn gevoerd, [persoon 4] is, en zouden deze gesprekken derhalve niet bij de schatting mogen worden meegenomen.

40. De pleitnota van de raadsman is hiervoor weergegeven onder 28. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen 8. tot en met 10. zijn hiervoor weergegeven onder 29. 's Hofs arrest houdt, voor zover hier van belang, voorts het volgende in:

"De veroordeelde heeft de hoogte van de inkomsten van deze "[persoon 4]" bestreden met de stelling dat haar daginkomen te hoog is geraamd en de "kosten" voor haar inclusief haar zakgeld te laag. Dat zij veel en soms heel lange dagen heeft gemaakt, bestrijdt hij echter niet. Uit de tapverslagen van gesprekken van haar met de veroordeelde van 29 oktober 1999 tot en met 1 november 1999 blijkt ook dat zij vier dagen achtereen werkte. Het hof acht in het bijzonder de in eerder genoemd rapport genoemde gemiddelde dagopbrengst te hoog en zal in zoverre rekening houden met het verweer dat, over het gehele bewezenverklaarde tijdvak, uitgaan van gemiddeld vier werkdagen per week met een gemiddeld bruto inkomen van ƒ 800,- per dag, waarvan ƒ 450,- als "kosten" moet worden afgetrokken, zodat het voordeel moet worden vastgesteld op 30 (weken) x 4 x ƒ 350 = ƒ 42.000 (omgerekend 19.058,77 euro)"

41. Het Hof heeft onder de bewijsmiddelen opgenomen de verklaring van [persoon 4] dat zij ongeveer fl. 150.000 heeft verdiend in de tijd dat zij met de veroordeelde omging en dat zij al dat geld aan de veroordeelde heeft afgedragen. Het Hof is er ter bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel van uitgegaan dat de veroordeelde 30x4x800= 96.000 van [persoon 4] heeft ontvangen. Dat bedrag kan zonder meer steun vinden in het door [persoon 4] genoemde bedrag. Daarom behoefde de schatting van het van [persoon 4] verkregen bedrag geen nadere motivering of het zou moeten zijn dat nader had moeten worden uiteengezet waarom het Hof een lager bedrag heeft genomen dan [persoon 4] heeft genoemd. Bij dat laatste heeft de veroordeelde echter geen belang.

42. Voorts klaagt het middel dat 's Hofs schatting van het wederechtelijk verkregen voordeel terzake van [persoon 1] niet begrijpelijk is. De pleitnota van de raadsman houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"3.65 In het rapport wordt vermeld dat [persoon 1] 6 dagen per week werkte voor cliënt. Uit het rapport blijkt echter niet waarop deze bewering stoelt. De verdediging meent dan ook dat voor de vaststelling van het aantal dagen van de data van de tapgesprekken uit moet worden gegaan waarin [persoon 1] zelf aan het woord komt over haar werk voor cliënt. Het gaat dan om 8 gesprekken, dus 8 dagen.

3.66 Ook betwist de verdediging dat [pers[persoon 1] gemiddeld fl. 700,- per dag zou hebben verdiend, zoals in het rapport wordt gesteld. Over haar verdiensten voor cliënt heeft [persoon 1] bij herhaling verklaard dat zij cliënt slechts fl.1.400,- heeft gegeven (bij de politie en bij de rechter-commissaris d.d. 19 april 2000 (bijlage 2) en 20 februari 2003). De rapporteur heeft echter het laagst genoemde bedrag en het hoogst genoemde bedrag uit de tapgesprekken opgeteld en door twee gedeeld, zo komend op een gemiddelde opbrengst van fl. 700,-. Gelet op de stellige en herhaalde verklaring van [persoon 1] dat zij cliënt in totaal een bedrag van fl. 1.400,- heeft gegeven, meent de verdediging dat slechts dat bedrag kan worden ontnomen en niet het in het ontnemingsrapport genoemde bedrag."

43. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

11. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL 15J2/1999/699-2, d.d. 28 maart 2000, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] voornoemd, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 28 maart 2000 tegenover deze opsporings-ambtenaren afgelegde verklaring van [persoon 1]:

"Medio december 1999 leerde ik [betrokkene] kennen. Rond 7 februari ging ik voor hem werken tot ongeveer maart van dit jaar.

Als u zegt dat er op 11 maart nog gesprekken waren van mij met [persoon 2] en [betrokkene] over verdiensten en werken, zal ik tot die tijd gewerkt hebben. Ik heb [betrokkene] f 1.400,- gegeven. Een keer heb ik hem f 1.000,- gegeven en een keer f 400,-."

12. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Haaglanden, nr. PL15J2/1999/699, d.d. 15 mei 2001, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] voornoemd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (pagina 1 en volgende van bovengenoemd dossier):

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

"Verdiensten in tapgesprekken:

Gedurende het onderzoek vond een aantal telefoongesprekken plaats waarin de werkzaamheden en verdiensten van [persoon 1] ter sprake kwamen. Ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte [betrokkene] zijn de tapgesprekken waarin expliciete geldbedragen werden genoemd, waarvan aannemelijk is dat deze geldbedragen aan de verdachte ten goede kwamen, hieronder weergegeven.

31-01-2000 te 23.06 uur. [betrokkene] wordt gebeld door zijn vriendin [persoon 3]. [betrokkene] zegt dat [persoon 1] nu voor hem werkt in Amsterdam. Dan heeft hij een zakcentje meer.

13-02-2000 te 16.35 uur. [persoon 1] belt met [betrokkene]. [persoon 1] gaat straks naar Amsterdam. [betrokkene] vraagt wat ze gisteren verdiend heeft. "Acht" zegt [persoon 1] en vraagt "Hoezo?". "Het was zaterdag mongool" zegt [betrokkene]. Hij vraagt hoeveel geld ze "daar" heeft dan. "De kamer" antwoordt [persoon 1]. "Alleen dat?" vraagt [betrokkene] en zegt dat ze serieus moet doen.

18-02-2000 te 23.07 uur. [betrokkene] belt [persoon 1]. [persoon 1] zegt dat ze pas 3 meier heeft.

19-02-2000 te 21.56 uur. [betrokkene] wordt gebeld door [persoon 1]. [persoon 1] krijgt net een klant waartegen ze zegt: "Niet vijftig, opkankeren". [persoon 1] staat pas net, het is drukker nu. "Ga wat centjes verdienen nu dan" zegt [betrokkene] tegen haar. Ze had vorige keer "twaalf'.

11-03-2000 te 15.11 uur. [betrokkene] belt [persoon 1]. [betrokkene] probeert erachter te komen hoeveel [persoon 1] heeft verdiend gisteren. Ze draait er omheen en zegt uiteindelijk dat ze "8" heeft maar een telefoon heeft gekocht van twee en een half. Dus je hebt nog 5 en een half over, zegt [betrokkene]. Heb je die nog en wanneer zie ik jou dan? "Hoezo?" vraagt [persoon 1]. [betrokkene] wordt boos, zegt dat ze niet stoer moet gaan praten en vraagt wanneer hij haar ziet. "Maandag" zegt [persoon 1]. [betrokkene] belt haar nog wel.

Berekening op basis van daggemiddelde:

[persoon 1] is na de eerste week in februari 2000 voor [betrokkene] gaan werken. Zij verklaarde dit tot half maart 2000 te hebben gedaan. Uit het onderzoek is gebleken dat [persoon 1] tot einde onderzoek (21 maart 2000) voor [betrokkene] in de prostitutie heeft gewerkt. Deze periode omvat 6 weken. [persoon 1] werkte 6 dagen per week. Naar aanleiding van de tapgesprekken over haar verdiensten wordt uitgegaan van een gemiddelde van f 700,- per dag. Het minimum verdiende bedrag bedroeg "de huur" (f 200,-), als maximum werd een geldbedrag van f 1.200,- genoemd. (200 + 1200/2).

6 (weken) x 6 (dagen) x f 700,- = f 25.200,-"

Voorts bevat het arrest de volgende overweging:

"[persoon 1]: het hof acht, op grond van verklaringen (van aangeefster [persoon 1]) alsmede van tapgesprekken, aannemelijk dat zij gedurende een periode van 6 weken x 5 dagen gemiddeld fl 700,- per dag heeft verdiend. Haar afgedragen inkomsten bedroegen derhalve 6 x 5 x fl 700,- = fl 21.000,-, te verminderen met de "kosten" (6 x 5 x fl 450,- = fl 13.500,-), zodat resteert fl 7.500,- (omgerekend euro 3.403,35)."

44. Het middel klaagt dat het gelet op het hiertoe gevoerde verweer van de raadsman onbegrijpelijk is dat het Hof zijn oordeel omtrent het gemiddeld aantal gewerkte dagen per week heeft doen berusten op het tot het bewijs gebezigd financieel rapport waarin wordt vermeld dat zij 6 dagen per week heeft gewerkt, nu dat gegeven noch uit dit rapport noch uit de tapgesprekken kan blijken. Dat wordt niet anders wanneer wordt uitgegaan van werken gedurende vijf dagen per week zoals het Hof heeft aangenomen. Dat kan immers ook niet volgen uit de tapgesprekken en het daarop gebaseerde rapport. Tevens zou onbegrijpelijk zijn dat het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld op fl 7.500,- nu uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [persoon 1] blijkt dat zij veroordeelde fl.1400,- heeft gegeven.

45. Noch de voor het bewijs gebezigde verklaring van [persoon 1], noch de tot het bewijs gebezigde inhoud van telefoongesprekken bevatten gegevens waaruit kan worden afgeleid dat [persoon 1] vijf dagen per week voor de veroordeelde heeft gewerkt. In zoverre is het oordeel van het Hof onvoldoende met redenen omkleed.

46. In de in bewijsmiddel 12 weergegeven telefoongesprekken worden bedragen aan door [persoon 1] ontvangen inkomsten genoemd van fl. 300, fl. 800 en fl. 1200. Voorts wordt eenmaal genoemd dat de huur is verdiend, volgens bewijsmiddel 12 een bedrag van 200.(9) Het oordeel van het Hof dat de verdiensten van [persoon 1] naar schatting derhalve gemiddeld fl. 700 bedroegen is daarom niet onbegrijpelijk. Daaraan doet gelet op de inhoud van de telefoongesprekken niet af dat [persoon 1] slechts verklaart een bedrag van fl. 400 en een bedrag van fl. 1000 aan de veroordeelde te hebben gegeven.

47. Het middel slaagt ten dele.

48. Het zesde middel klaagt dat het Hof in de zaken '[persoon 4]' en '[persoon 3]' niet, althans in onvoldoende mate de bewijsmiddelen waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust, in de uitspraak heeft opgenomen.

49. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het Hof in zijn motivering van de op te leggen maatregel inzake [persoon 3] verwijst naar verklaringen van [persoon 7] en [persoon 8], terwijl deze verklaringen in het arrest ontbreken en ook niet op eenvoudige wijze in een andere rechterlijke uitspraak gevonden kunnen worden.

50. De verklaringen van [persoon 7] en [persoon 8] zijn inderdaad niet onder de bewijsmiddelen opgenomen. De feiten, die door het Hof aan de schatting van het voordeel verkregen door van [persoon 3] ontvangen bedragen ten grondslag zijn gelegd, zijn echter zonder meer te ontlenen aan de inhoud van de bewijsmiddelen 2 tot en met 5. Daarom heeft de veroordeelde in zoverre bij zijn middel geen belang.

51. Inzake [persoon 4] verwijst het Hof naar telefoongesprekken gevoerd op 29 oktober 1999 tot en met 1 november 1999 terwijl uitsluitend de inhoud van een telefoongesprek van 29 oktober 1999 onder de bewijsmiddelen is opgenomen.

52. Het Hof heeft niet met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduid het wettig bewijsmiddel waaraan het de inhoud van die telefoongesprekken heeft ontleend. Evenmin heeft het de feiten of omstandigheden weergeven die het aan die telefoongesprekken heeft ontleend. Het Hof heeft zich immers beperkt tot de conclusie die het uit de inhoud van die telefoongesprekken heeft getrokken, te weten dat [persoon 4] vier dagen per week heeft gewerkt.(10) In strijd met het bepaalde in art. art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met de art. 415 en art. 359, eerste lid, Sv bevat de uitspraak dus niet de inhoud van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.(11)

53. Het middel slaagt ten dele.

54. De middelen 1, 3, en 4 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

55. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.5.

2 HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.9 jo HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.13 onder b.

3 Vgl. HR 9 januari 2007, LJN AZ2479 en HR 21 september 2004, LJN AQ4361.

4 Zie art. 511g Sv jo art. 414 (oud) Sv jo art. 263 (oud) Sv.

5 Jo. art. 511g Sv jo. art. 415 Sv. Zie HR 1 april 2003, LJN AF4159, rov. 3.5. en HR 24 september 2002, NJ 2003, 3.

6 Zie voor iets andere gevallen:

HR 11 juli 2002, NJ 2002, 459, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof, dat niet aannemelijk was dat de getuigen binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zouden verschijnen niet onbegrijpelijk was in aanmerking genomen a. dat het hof de zaak had verwezen naar de rechter-commissaris met het verzoek "alle mogelijke pogingen te doen" om de getuigen te horen, b. dat de rechter-commissaris verschillende pogingen had gedaan deze getuigen voor zich te doen verschijnen doch dat het hem niet was gelukt hen te horen, en c. dat verdachtes raadsman verklaarde te begrijpen dat hernieuwde oproeping overbodig en nutteloos was doch dat hij om formele redenen geen afstand deed.

HR 23 november 1999, NJ 2000, 126: bij de beoordeling van de vraag of verschijning binnen een aanvaardbare termijn onaannemelijk is, kan mede worden betrokken de voorafgaande procesgang en de duur van de behandeling van de zaak in hoger beroep tot dan toe, alsmede de vraag of met een redelijke waarschijnlijkheid te verwachten is dat de getuige op een nadere terechtzitting wel zou verschijnen. HR 29 september 1998, NJ 1999, 74.

In HR 30 juni 1998, NJ 1998, 861 oordeelde de Hoge Raad dat 's Hofs oordeel dat de getuige kennelijk niet te traceren was, onvoldoende was gemotiveerd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bleek niet waarop het Hof die vaststelling had gebaseerd. Van dit laatste is in de onderhavige zaak geen sprake.

7 O.a. EHRM 1 maart 2007, Appl.nr. 30810/03 (Geering tegen Nederland), par. 43, 44 (eerste volzin).

8 Zie o.m. (in strafzaken) HR 5 december 2006, LJN AZ0690; HR 15 februari 2005, LJN AR8286; HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344; HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 en HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427.

9 Zo ook bewijsmiddel 8 van het vonnis in de strafzaak dat door het Hof ook onder de bewijsmiddelen wordt genoemd.

10 Vgl. in strafzaken HR 23 september 2003, NJ 2004, 166 en HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165.

11 HR 5 juli 2005, LJN AT5797 en HR 23 januari 2001, NJ 2001, 208.