Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA3132

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
02128/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA3132
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Begip “einde zaak”. Uit art. 552a.3 (oud) Sv volgt, ook gelet op de wetsgeschiedenis, dat een op de voet van art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang de vervolgde zaak niet tot een einde is gekomen. Indien het beslag is gelegd in een zaak waarin verscheidende personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen, indien de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. Nu de Rb niet heeft vastgesteld of de tegen hen ingestelde vervolgingen tot een einde zijn gekomen, heeft zij klaagster n-o verklaard op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 359
JOL 2007, 537
RvdW 2007, 751
NJ 2007, 472
JOW 2008, 18
NJB 2007, 1858

Conclusie

Nr. 02128/06 B en 02129/06 B

Mr. Knigge

Zitting: 10 april 2007

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De rechtbank te Haarlem heeft klaagster in één beschikking van 6 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard in de door haar ingediende klaagschriften onder de nummers 05/496 (betreffende geld en sieraden) en 05/852 (betreffende overige in beslag genomen voorwerpen) strekkende tot teruggave.

2. Namens klaagster is door mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. De schriftuur vermeldt alleen het griffienummer 02128/06 B, dat correspondeert met de beschikking van de Rechtbank in de zaak met nummer 05/496, doch heeft blijkens zijn inhoud mede betrekking op de zaak met griffienummer 02129/06 B, welk griffienummer hoort bij de zaak met nummer 05/852, in welke zaak eveneens cassatie is ingesteld. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de schriftuur is ingekomen ook binnen de voor het indienen van middelen gestelde termijn in de zaak met griffienummer 02129/06 B, beschouw ik het niet vermelden van laatstgenoemd griffienummer als een kennelijke vergissing, zodat klaagster ook in die zaak in haar cassatieberoep ontvankelijk kan worden geacht.

3. In het middel wordt opgekomen tegen de motivering van de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank van de onderwerpelijke klaagschriften.

4. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende in:

"2. De ontvankelijkheid

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in haar klaagschriften, nu deze beide niet zijn ingediend binnen drie maanden sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

De advocaat van klaagster stelt primair dat geen sprake is van enige termijnoverschrijding. [Betrokkene 1] is op 17 december 2004 overleden. Echter, nu eerst op 11 februari 2005 duidelijk is geworden dat het openbaar ministerie het in beslag genomen geld en de sieraden niet wilde teruggeven, is zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan op 20 april 2005 het klaagschrift (05/496) ingediend. Toen op 30 mei 2005 tevens duidelijk werd dat het openbaar ministerie ook de overige [voorwerpen] op de lijst van in beslag genomen voorwerpen niet wilde teruggeven, is op 8 juli 2005 een aanvullend klaagschrift ingediend (05/852). Subsidiair stelt de advocaat van klaagster dat sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan een (korte) termijnoverschrijding verschoonbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt - zakelijk weergegeven en voor zover te dezen van belang - dat het klaagschrift niet-ontvankelijk is indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De strafzaak tegen [betrokkene 1], levenspartner van klaagster, is van rechtswege door diens overlijden op 17 december 2004 geëindigd, waarmee de vervolgde zaak per die datum tot een einde is gekomen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel, dat beide klaagschriften, gedateerd 20 april 2005 en 8 juli 2005 en ter griffie ontvangen op respectievelijk 26 april 2005 en 14 juli 2005, niet binnen de daarvoor gestelde termijn van drie maanden zijn ingediend.

Met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen dient mitsdien te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

(inzake het klaagschrift met registratienummer 05/496):

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klaagschrift.

(inzake het klaagschrift met registratienummer 05/852):

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klaagschrift."

5. Tegen deze beslissing wordt in de schriftuur, kort samengeval, het volgende ingebracht:

(i) Onder het begrip "zaak" in art. 552a Sv moet worden verstaan het strafbare feit waarmee de inbeslagneming in verband staat; in casu het medeplegen van invoer van 80 kilo cocaïne en het medeplegen van opzetheling. De enkele omstandigheid dat één van de medeplegers overlijdt brengt niet mee dat de vervolgde zaak tot een einde is gekomen als bedoeld in art. 552a, derde lid Sv.

(ii) de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het subsidiaire verweer dat sprake is van bijzondere omstandigheden waaronder een (korte) termijnoverschrijding verschoonbaar is.

In het verband van de eerste klacht wordt nog betoogd dat de juistheid het gestelde "te meer" moet worden aangenomen nu de woning waarin de inbeslagneming heeft plaatsgevonden aan klaagster toebehoort en zij daar met [betrokkene 1] samenwoonde, "zodat niet kan worden uitgesloten dat zij in haar hoedanigheid als levenspartner en/of eigenaar van de woning als medepleger van evenbedoelde opzetheling heeft te gelden. Uit de stukken van het geding kan immers te dezer zake niet blijken dat het openbaar ministerie voor haar kenbaar het standpunt heeft ingenomen dat zij niet als zodanig wegens opzetheling strafrechtelijk vervolgd zal worden of wordt". Bij de tweede klacht wordt als bijzondere omstandigheid aangevoerd "het onder de gegeven omstandigheden nalaten van de officier van justitie klaagster te informeren dat zij geen verdachte is terzake van het medeplegen van opzetheling van haar levenspartner en/of nalaten tijdig te reageren op correspondentie".

6. Het zich bij de door de Rechtbank aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindende "proces-verbaal ten behoeve van de pro forma zitting op 04 maart 2005" van 15 februari 2005 houdt, kort samengevat en voor zover hier van belang, in:

- op 17 november 2004 zijn vier tassen met in totaal 80 kilogram cocaïne onderschept op de luchthaven Schiphol, op grond van informatie verkregen uit het onderzoek ten aanzien van [betrokkene 2], [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 4];

- uit dat onderzoek rees het vermoeden dat bedoelde personen zich tezamen en in vereniging bezig hielden met de invoer van verdovende middelen;

- op 29 november 2004 werd een aanvraag voor een verlof tot doorzoeking van onder meer het pand [a-straat 1] te [woonplaats] toegewezen;

- op 8 december 2004 is [betrokkene 1] aangehouden in zijn woning aan de [a-straat] en heeft vervolgens een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder meer bijna € 90.000,- contant geld in beslag werd genomen en een aanmerkelijke hoeveelheid sieraden en naar de merken te oordelen(1) luxe horloges;

- [Betrokkene 1] is als verdachte gehoord op 8 en 13 december 2004 en heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij de zending van 80 kilo cocaïne en daarover met [betrokkene 2] en [betrokkene 4] contact te hebben gehad;

- ook de andere genoemde personen hebben verklaard over hun eigen betrokkenheid bij de drugsinvoer en die van hun mededaders;

- op 16 december 2004 heeft [betrokkene 1] zichzelf in het Huis van Bewaring verhangen;

- [Betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] zijn aangehouden en worden vervolgd ter zake van overtreding van "artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet, strafbaar gesteld in artikel 10 van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, artikel 47 lid 1 en artikel 48 Wetboek van Strafrecht";

Tot slot houdt dit proces-verbaal in dat het onderzoek nog niet is voltooid.

7. Een zich tevens bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindende vordering gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 1] houdt in dat hij, kort gezegd, werd verdacht van medeplegen van invoer van verdovende middelen. Deze vordering is op 3 december 2004 toegewezen.

Het zich voorts bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindende proces-verbaal van binnentreden en doorzoeking ter inbeslagneming houdt in dat in het gerechtelijk vooronderzoek alsmede in het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [betrokkene 1] doorzoeking is gedaan in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Het proces-verbaal vermeldt voorts, voor zover hier van belang:

"Tijdens de doorzoeking heeft de rechter-commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen zijn vermeld op een aan dit proces-verbaal gehechte lijst (bijlage I) (...)

Tevens heeft de rechter-commissaris tijdens de doorzoeking in het kader van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen zijn vermeld op een aan dit proces-verbaal gehechte lijst (bijlage II)."

Voor zover uit de - alles behalve complete - toegezonden stukken valt op te maken is het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 1] niet uitgebreid tot andere feiten. Als afgegaan mag worden op de mededelingen in de schriftuur(2), is de inbewaringstelling van [betrokkene 1] gevorderd voor twee feiten, te weten het medeplegen van invoer van cocaïne en "het medeplegen van opzetheling met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag van € 89.500,-". [Betrokkene 1] is dus (nogmaals: als afgegaan mag worden op deze informatie) ook vervolgd wegens opzetheling ten aanzien van het geld, maar niet wegens opzetheling met betrekking tot de sieraden. De vervolging strekte zich voorts ook niet uit tot de verdenking ter zake van art. 10a Opiumwet en art. 140 Sr.(3)

8. Art. 552a, derde en vierde lid, Sv luidt (en luidde ten tijde van de procedure voor de Rechtbank), voor zover hier van belang, als volgt:

"3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming der(4) voorwerpen (...) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming (...) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (...) is geschied."

9. De vraag die het middel oproept, is wat in een geval als het onderhavige onder het begrip "vervolgde zaak" in de laatste volzin van art. 552a, derde lid, Sv dient te worden verstaan. Het is wellicht goed bij de beantwoording van die vraag voorop te stellen dat de laatste volzin van het derde lid van art. 552a Sv in de wet is gekomen om de klager (de belanghebbende) tegemoet te komen. De MvT op de desbetreffende wetswijziging houdt, voor zover hier van belang, in:

"De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van art. 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming der voorwerpen moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechterlijk en het civielrechterlijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van art. 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede is begrepen een s.f.o. en de ontnemingsprocedure, nog loopt. De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag <<zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming>> moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten."(5)

10. De Minister heeft, zo blijkt uit dit citaat, vooral, zo niet uitsluitend, gedacht aan langdurige vervolgingen, die eindigen met een einduitspraak. Dat de vervolging ook al in het vooronderzoek, zelfs kort nadat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden, kan eindigen, lijkt geen punt van aandacht te zijn geweest. De termijn van drie maanden voor het indienen van een klaagschrift is in dergelijke gevallen al gauw aan de korte kant. Daar komt bij dat de belanghebbende door de beëindiging van de vervolging in de fase van het vooronderzoek gemakkelijk kan worden overvallen(6), te meer daar de wet niet voorschrijft dat hij van die beëindiging moet worden verwittigd.

11. Uit het citaat blijkt voorts dat de Minister bij het einde van de vervolging dacht aan de vervolging van één bepaalde verdachte die eindigt met een onherroepelijk einduitspraak (of met een onherroepelijke beslissing in de ontnemingsprocedure). Wat de "vervolgde zaak" is, levert dan geen probleem op. De vraag is hoe geoordeeld moet worden als er medeverdachten zijn, die min of meer gelijktijdig worden vervolgd. Is dan, ondanks de onherroepelijkheid van de einduitspraak gewezen tegen één verdachte, de vervolgde zaak toch niet geëindigd zolang de vervolging tegen één van de medeverdachten nog loopt?

12. Het antwoord op die vraag ligt mogelijk besloten in HR 23 november 1993, NJ 1994, 264 m.nt. Th.W.v.V. In die zaak werd de ene verdachte - die na de einduitspraak in zijn zaak klaagde over het uitblijven van een last tot teruggave - voor het laatst vervolgd voor het Hof Amsterdam, terwijl zijn medeverdachten het laatst voor de Rechtbank Utrecht waren vervolgd. De voorwerpen waarvan de "Amsterdamse" klager de teruggave verlangde, waren onder zijn medeverdachten in beslag genomen. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de klager daarom aan het verkeerde adres was: hij had bij de Rechtbank Utrecht moeten klagen. In cassatie werd alleen over die laatste gevolgtrekking geklaagd. Het Hof had zich onbevoegd moeten verklaren en het klaagschrift ter verdere afhandeling naar de Rechtbank moeten zenden. Het is die klacht die de Hoge Raad gegrond achtte. Hij overwoog daarbij dat een redelijke wetstoepassing dit meebracht, mede in aanmerking genomen "dat met name een derde-belanghebbende veelal niet op de hoogte zal zijn van de stand van zaken met betrekking tot [de} vervolging". Dat lijkt me een gezichtspunt dat ook in de onderhavige beklagzaak richtinggevend zou kunnen zijn.

13. Als ik het goed zie sprak de Hoge Raad zich in de zo-even genoemde beschikking niet uit over de vraag of het Hof Amsterdam terecht of op goede gronden had geoordeeld dat de Rechtbank Utrecht bevoegd was. In die beschikking kan mijns inziens dan ook niet gelezen worden dat voor die bevoegdheid bepalend is onder welke verdachte het voorwerp in beslag is genomen. Ik merk daarbij op dat niet alle voorwerpen onder verdachten worden in beslag genomen, zodat het criterium niet steeds uitkomst biedt. Belangrijker nog is misschien dat het criterium tot onbevredigende uitkomsten leidt. Stel bijvoorbeeld dat de aan de verdachte toebehorende, ter verbeurdverklaring inbeslaggenomen schroevendraaier (waarmee de inbraak werd gepleegd), onder de medeverdachte in beslag werd genomen. Omdat het voor de hand ligt dat de schroevendraaier verbeurd wordt verklaard in de strafzaak tegen de verdachte (het was tenslotte zijn schroevendraaier(7)), zou het op zijn zachtst gezegd vreemd zijn als de bevoegdheid over het beklag te oordelen, afhankelijk is van de vervolging van de medeverdachte. In dit verband verdient aandacht dat de Hoge Raad in de bedoelde beschikking, na de wettelijke regeling te hebben weergegeven, overwoog (rov. 4.2.2):

"De aanwijzing van het bevoegde gerecht is op deze wijze geschied met het oog op het verband tussen de beslissing op het klaagschrift en de vervolging terzake van het strafbare feit, in het kader waarvan de inbeslagneming is geschied."

In deze overweging ligt een veel bevredigender criterium besloten. Bepalend voor de bevoegdheid is de (stand van de) vervolging in het kader waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgehad.

14. Dit criterium zal ook hebben te gelden bij de beantwoording van de vraag of (en wanneer) de "vervolgde zaak" tot een einde is gekomen in de zin van art. 552a, derde lid, Sv. Het gaat om de strafzaak in het kader waarvan de inbeslagneming is geschied. Ik teken daarbij direct aan dat dit niet een eenvoudig te hanteren criterium is, dat in alle gevallen zonder meer uitsluitsel biedt. Als er medeverdachten zijn - en dus verschillende strafzaken - is maar de vraag in welke zaak het desbetreffende voorwerp in beslag is genomen. Het antwoord zal kunnen zijn dat het voorwerp in alle zaken als beslaggoed heeft te gelden. Dat antwoord ligt, als het om een stuk van overtuiging gaat dat in alle zaken een rol speelt in de bewijsvoering, zelfs voor de hand. Daar komt bij dat onder inbeslagneming niet alleen wordt verstaan het onder zich nemen van een voorwerp, maar ook het onder zich gaan houden van het voorwerp (art. 134, eerste lid, Sv). Een voorwerp dat aanvankelijk alleen in de ene strafzaak in beslag genomen is, kan daardoor later (ook) in de andere strafzaak als inbeslaggenomen gelden. Voldoende is dat men het voorwerp ten behoeve van die strafzaak is gaan houden.

15. Het voorgaande brengt mee dat in gevallen waarin het voorwerp in het kader van meer dan één strafzaak in beslag is genomen, het einde van één van die strafzaken niet kan betekenen dat het beklagrecht na drie maanden verloren gaat. Niet goed valt in te zien waarom het beklagrecht afhankelijk moet zijn van de strafzaak waarin de vervolging achteraf gezien toevallig het eerste is geëindigd. Juist de door de wetgever wenselijk geachte koppeling tussen de beslissing op het klaagschrift en de strafzaak waarin het voorwerp in beslag is genomen, brengt mee dat, zolang van een dergelijke strafzaak sprake is, het de strafrechter is die op het klaagschrift beslist. Een andere opvatting brengt mee dat de belanghebbende zich tot de civiele rechter moet wenden. De problemen die dat meebrengt wenste de wetgever juist te vermijden (zie hiervoor, onder 9).

16. De vraag in welke strafzaken het voorwerp zo al in beslaggenomen is, zal niet altijd gemakkelijk zijn te beantwoorden. De problemen die zich op dit punt in de fase van het eindonderzoek kunnen voordoen, worden er in de fase van het vooronderzoek alleen maar groter op. Juist omdat het onderzoek nog niet is afgerond, is vaak nog onduidelijk in het kader van welke strafzaken het voorwerp in beslaggenomen is. Daarbij dient bedacht te worden dat wellicht nog niet alle verdachten en alle strafbare feiten in beeld zijn gebracht. Bedacht dient ook te worden dat het onderzoek vaak niet of maar ten dele is ingekaderd in een vervolging. Dat onderzoek kan zich richten op feiten die buiten de vordering gerechtelijk vooronderzoek of de vordering bewaring zijn gehouden. Als de inbeslagneming ook in het kader van het opsporingsonderzoek naar die feiten (ter zake waarvan nog geen vervolging is ingesteld) is geschied, geldt dat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaar na inbeslagneming moet worden geklaagd (art. 552a, vierde lid, Sv).

17. Men kan zich afvragen of de wetgever met de wijziging van art. 552a Sv een gelukkige hand heeft gehad. Beter ware het wellicht geweest indien als hoofdregel voorop was gesteld dat het beklag zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee jaar na inbeslagneming moet worden gedaan en dat daarbij was voorzien in een verlenging van die termijn in gevallen waarin de vervolging binnen die termijn is aangevangen (zodat de termijn doorloopt tot drie maanden na het einde van de vervolging).

18. De wet luidt echter zoals die luidt. Met de huidige regeling zullen we ons anders gezegd moeten behelpen. Tot dat behelpen behoort mijns inziens in de eerste plaats dat het openbaar ministerie - vanuit zijn verantwoordelijkheid die het ten aanzien van de rechten van belanghebbenden heeft - het gebrekkige zicht dat de belanghebbende heeft op de stand van het onderzoek, zoveel mogelijk compenseert door het geven van adequate informatie. Er kunnen uiteraard goede redenen zijn waarom die informatie niet verschaft kan worden - bijvoorbeeld omdat het openbaar ministerie zelf ook nog geen volledig zicht op de zaken heeft, of omdat het opsporingsbelang zich tegen het betrachten van openheid verzet. Daarom brengt het behelpen in de tweede plaats met zich mee dat de belanghebbende van het gebrek aan informatie niet de dupe mag worden. Als eerst achteraf blijkt dat het voorwerp uitsluitend in beslag is genomen in het kader van een reeds geëindigde vervolging, kan dat de belanghebbende bezwaarlijk worden tegengeworpen.

19. Terug naar de onderhavige zaak. Uit de onder 7 vermelde gedingstukken kan worden afgeleid dat de voorwerpen in beslag zijn genomen in het kader van een tegen [betrokkene 1] ingestelde strafvervolging wegens (alleen) medeplegen van invoer van verdovende middelen. Als juist is wat in de schriftuur wordt gesteld, blijkt uit de vordering bewaring zoals wij reeds zagen dat [betrokkene 1] vervolgens tevens is vervolgd wegens het medeplegen van opzetheling van een geldbedrag van € 89.500,-. Het mag er daarom voor gehouden worden dat de inbeslagneming van het geld ook in het kader van de vervolging van deze opzetheling is geschied (doordat men dit geld met het oog op die vervolging onder zich is gaan houden). Men kan zich daarbij afvragen wat de status van de (buiten de vordering bewaring gehouden) inbeslaggenomen sieraden was. Men zou in elk geval verwachten dat ook ten aanzien van deze voorwerpen een verdenking van opzetheling bestond, zodat die sieraden mede in beslag genomen zijn in het kader van een opsporingsonderzoek naar die opzetheling.

20. De Rechtbank overweegt dat de vervolging van [betrokkene 1] door diens dood van rechtswege is geëindigd. Mijns inziens getuigt deze overweging van een onjuiste rechtsopvatting. Het recht op vervolging eindigt door de dood van de verdachte (art. 69 Sr), maar de vervolging zelf niet. Als de verdachte overlijdt nadat de zaak ter terechtzitting is aangebracht, zal de rechter de niet-ontvankelijkheid van het OM moeten uitspreken. De vervolging loopt dan dus door totdat die uitspraak onherroepelijk is geworden. Het overlijden van de verdachte tijdens het vooronderzoek brengt mijns inziens evenmin mee dat de vervolging automatisch stopt. Ik wijs er daarbij op dat de OvJ niet van de dood van verdachte - die zelfs nog NN kan zijn - op de hoogte hoeft te zijn. Ook hier geldt dat die dood netjes moet worden vastgesteld en dat de vervolging daarom in beginsel eerst eindigt door een handeling of beslissing van de justitiële autoriteiten. Maar hier doet zich wel een probleem voor. De beëindiging van een vervolging in het vooronderzoek geschiedt volgens de wet door middel van een kennisgeving van niet verdere vervolging (artt. 244 en 245 Sv), waardoor de zaak eindigt (art. 246, eerste lid, Sv).(8) De vraag is natuurlijk of een dergelijke kennisgeving veel zin heeft als de verdachte overleden is. Wellicht dient hier te worden onderscheiden tussen de onderliggende beslissing tot niet verdere vervolging en de betekening daarvan aan de verdachte, zodat alleen die betekening (de kennisgeving) achterwege kan blijven. Maar hoe dit ook zij, het feit dat betekening van de kennisgeving weinig zinvol is(9), rechtvaardigt mijns inziens eerder de (ook weinig aantrekkelijke) conclusie dat de vervolging niet kan eindigen(10) dan dat de termijn van art. 552a, derde lid, Sv op het tijdstip van overlijden begint te lopen. Die laatste conclusie zou een ongerechtvaardigde verkorting van de rechten van de belanghebbende betekenen.(11)

21. Nu klaagt het middel niet, althans niet met zoveel woorden, over de gesignaleerde onjuiste rechtsopvatting van de Rechtbank.(12) Wellicht kan geoordeeld worden dat het middel, vanwege de verwevenheid met hetgeen wel wordt aangevoerd, geacht wordt ook hierover te klagen. Ik geloof overigens niet dat het lot van het middel hiervan afhangt.

22. Naar mijn oordeel namelijk is het impliciete oordeel van de Rechtbank dat de desbetreffende voorwerpen uitsluitend in beslag waren genomen in het kader van de tegen [betrokkene 1] ingestelde vervolging, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Ik wijs er daarbij in de eerste plaats op dat ook tegen de medeverdachten [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] een vervolging lijkt te zijn ingesteld en dat de mogelijkheid dat de bedoelde voorwerpen - waaronder drie mappen met administratieve bescheiden - ook in het kader van de tegen hen ingestelde vervolgingen in beslag waren genomen, zo voor de hand ligt dat van een Rechtbank die overweegt het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding, verwacht mag worden dat zij zich ervan vergewist dat die mogelijkheid zich niet voordoet.(13) Ik wijs er daarbij in de tweede plaats op dat de stukken van het geding het ernstig vermoeden wekken dat [betrokkene 1] - naast de feiten waarvoor hij werd vervolgd - tevens werd verdacht van strafbare voorbereidingshandelingen (art. 10a Opiumwet), van deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) en van opzetheling met betrekking tot de sieraden en dat terzake van die verdenkingen een opsporingsonderzoek had gelopen en dat de bedoelde voorwerpen ook in het kader van dat opsporingsonderzoek waren inbeslaggenomen. Derhalve mocht van de Rechtbank worden verwacht dat zij ervan blijk gaf naar deze mogelijkheid een onderzoek te hebben ingesteld. Ik wijs er in de derde plaats op dat de mogelijkheid dat klaagster zelf van opzetheling werd verdacht - en tegen haar een opsporingsonderzoek liep of had gelopen in het kader waarvan het beslaggoed een rol speelde - van de Rechtbank, zeker nu de raadsman in raadkamer op die mogelijkheid had gewezen, mocht worden gevergd dat zij zich daarover uitliet.(14)

23. Min of meer terzijde wijs ik er nog op dat de ongemotiveerde weigering van de OvJ om de voorwerpen terug te geven voor de Rechtbank een aanleiding te meer had kunnen zijn tot nader onderzoek. Als het immers inderdaad zo was dat de voorwerpen uitsluitend in het kader van de tegen [betrokkene 1] ingestelde vervolging waren in beslag genomen, kan de conclusie slechts zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzette. Dat maakt de weigering niet direct begrijpelijk, hetgeen de vraag oproept of de vork niet anders aan de steel zat.

24. Voor zover het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het impliciete oordeel van de Rechtbank dat de bedoelde voorwerpen uitsluitend in het kader van de tegen [betrokkene 1] ingestelde vervolging in beslag zijn genomen, is het gegrond.

25. Ook de tweede klacht treft doel, nu daarin terecht wordt geklaagd over het verzuim van de Rechtbank om te reageren op het subsidiaire betoog dat een (kleine) termijnoverschrijding in casu verschoonbaar is. Hoewel voor de raadkamerprocedure niet dezelfde motiveringseisen gelden als bij het onderzoek ter terechtzitting, brengt de eis van art. 24, eerste lid, Sv dat de beslissing met redenen is omkleed mijns inziens mee dat op een dergelijk gemotiveerd betoog - dat, naar ik uit HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 106 m.nt 't H afleid, onder omstandigheden kan slagen - uitdrukkelijk wordt gereageerd.

26. Redenen om het verzuim in dit geval te pardonneren, zie ik niet. Zoals hiervoor, met name onder punt 18, is betoogd, vraagt de weinig gelukkige wettelijke regeling om enige soepelheid in gevallen waarin de vervolging in een nog zeer pril stadium van het onderzoek eindigt. Daar komt in dit geval bij dat de OvJ (voor zover kan worden nagegaan) geen enkel inzicht heeft verschaft in de stand van het allesbehalve doorzichtige onderzoek. In een zich als bijlage aan het eerste klaagschrift gehecht schrijven van de OvJ aan de raadsman van klaagster d.d. 11 februari 2005 houdt niet veel meer in dan: ik bericht u "dat het dossier geen aanleiding biedt het onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geld aan cliënten te verstrekken". Dat is niet direct informatie op grond waarvan klaagster erop bedacht had moeten zijn dat de termijn waarbinnen beklag moest worden gedaan, weldra zou verstrijken. Dat de klaagster niet zo spoedig mogelijk heeft geklaagd, kan - in aanmerking genomen dat het als regel aangewezen is om zich eerst met het OM te verstaan - mijns inziens voorts moeilijk worden gezegd.

27. Beide klachten van het middel slagen.

28. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot de verdere afdoening als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Onder meer: Patek Philippe, Vacheron Constantin, Tag Heuer, Breitling, Pequignet.

2 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich noch een vordering bewaring, noch een bevel bewaring.

3 Een Proces-verbaal ten behoeve van de gevangenhouding raadkamer woensdag 15 december 2004 houdt met betrekking tot verdachte [betrokkene 1] in: :"Verdacht van overtreding van: Artikel 2 onder A, B, C en D van de Opiumwet, strafbaar gesteld in artikel 10 van deze wet en/of artikel 10a Opiumwet. Artikel 416 en artikel 417 Wetboek van Strafrecht. Artikel 47 lid 1 en 48 Wetboek van Strafrecht. Artikel 140 Wetboek van Strafrecht."

4 Met de sedert 1 september 2006 geldende tekst is dit woord vervangen door "van de".

5 Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 44-45. Ook aangehaald in HR 3 januari 2006, NJ 2006, 51, LJN AU6781.

6 Dat is anders bij een einduitspraak, die men in de regel kan zien aankomen zodat tijdig met de voorbereiding van een klaagschrift kan worden begonnen.

7 Gezien art. 33a lid 2 Sr is verbeurdverklaring in de zaak van de medeverdachte in dit geval overigens niet uitgesloten.

8 Daaraan voorafgaand zal een nog lopende gerechtelijk vooronderzoek moeten worden gesloten (artt. 237, eerste lid, en 238 Sv). Of het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 1] voor of na diens overlijden is gesloten, valt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet op te maken.

9 Maar voor wie wil, niet onmogelijk: de kennisgeving zou aan de griffie betekend kunnen worden omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is.

10 Beëindiging door middel van een verklaring dat de zaak geëindigd is, kan alleen op verzoek van de verdachte (art. 36 Sv).

11 Deze termijn loopt immers eerst vanaf het moment van betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Zie HR 6 oktober 1998, NJ 1999, 106 m.nt. 't H.

12 Dat behoeft niet te verbazen, nu in de beide klaagschriften telkens onder punt 6 wordt gesteld dat de vervolging van rechtswege is geëindigd door het overlijden van [betrokkene 1]. Het zou dus wel eens de raadsman kunnen zijn die de Rechtbank op het verkeerde been heeft gezet.

13 Dat de raadsman dit niet in raadkamer heeft aangevoerd, zou ik de klaagster in dit geval dus niet tegen willen werpen.

14 Ik herinner er hier even aan dat de twee jaarstermijn van art. 552a, vierde lid, Sv geldt indien en voorzover geoordeeld moet worden dat de voorwerpen mede in het kader van een opsporingsonderzoek in beslag zijn genomen.