Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2924

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R06/137HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsrecht; intrekking van naturalisatiebesluiten. Toepasselijkheid van de bij naturalisatie gehanteerde eis tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij huwelijk met een Nederlander ongeacht of tijdstip van indiening van het naturalisatieverzoek is gelegen voor of na de inwerkingtreding in 2003 van de wijziging van de RWN; Circulaire betreffende wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/463 met annotatie van prof. mr. H.U. Jessurun d'Oliveira
JOL 2007, 506
RvdW 2007, 694
NJ 2007, 406
NJB 2007, 1731
JWB 2007/271

Conclusie

Rek.nr. R06/137HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 13 april 2007

conclusie inzake

De Staat der Nederlanden

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Inzet is de vraag of het Koninklijk Besluit van 3 april 2000 waarbij aan thans verweerder tot cassatie het Nederlanderschap is verleend, bij Koninklijk Besluit van 4 februari 2002 al dan niet terecht is ingetrokken en of deze vraag in verband met het leerstuk van de formele rechtskracht überhaupt in het kader van een procedure als de onderhavige aan de orde kan worden gesteld.

2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.6 en 4.1 van de bestreden beschikking van de rechtbank. Zij komen voor zover thans nog van belang op het volgende neer.

(i) Thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], en zijn echtgenote bezitten de Turkse nationaliteit. Uit hun huwelijk, gesloten op 19 oktober 1988, zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

(ii) Zij hebben op 29 april 1999 een verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester van Amersfoort. Bij het advies van de burgemeester bevindt zich een door [verweerder] en zijn echtgenote op 29 april 1999 ondertekende bereidverklaring tot afstand van hun Turkse nationaliteit.

(iii) Bij Koninklijk Besluit van 3 april 2000 is aan [verweerder] en zijn echtgenote het Nederlanderschap verleend.

(iv) Op 8 april 2000 is aan [verweerder] en zijn echtgenote een kennisgeving van naturalisatie gezonden. In de bijlage bij deze kennisgeving zijn [verweerder] en zijn echtgenote in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden een originele verklaring van de betreffende autoriteiten toe te zenden waaruit blijkt dat zij, conform de door hen ondertekende bereidverklaring, afstand hebben gedaan van hun oorspronkelijke nationaliteit.

(v) Bij Koninklijk Besluit van 4 februari 2002 zijn de naturalisatiebesluiten ingetrokken wegens het feit dat [verweerder] en zijn echtgenote hebben nagelaten al het mogelijke te doen om hun oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. [Verweerder] en zijn echtgenote hebben tegen deze intrekking geen rechtsmiddelen ingesteld.

(vi) Thans verzoeker tot cassatie, hierna: de Staat, neemt inmiddels het standpunt in dat het naturalisatiebesluit van de echtgenote van [verweerder] ten onrechte is ingetrokken omdat zij behoorde tot één van de uitzonderingscategorieën op de afstandsplicht. De Staat is dan ook van mening dat de echtgenote van [verweerder] en de kinderen sinds 3 april 2000 in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit.

3. [Verweerder] heeft (tezamen met zijn echtgenote, die thans in cassatie niet meer als partij is betrokken) op 14 juni 2005 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ex art. 17 RWN tot vaststelling van zijn Nederlanderschap ingediend (op 8 november 2005 gevolgd door een aanvullend verzoekschrift). [Verweerder] heeft aangevoerd dat bij de verlening van het Nederlanderschap aan hem ten onrechte de afstandseis is gesteld. Hij heeft zich beroepen op het feit dat hij is gehuwd met een vrouw aan wie op 3 april 2000 het Nederlanderschap is verleend en op het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg van 1963 (Trb. 1994, 265), waarin wordt gewezen op het belang van eenheid van nationaliteit binnen een gezin, welk belang eveneens is opgenomen in de Circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, Stcrt. 1997, 128. [Verweerder] heeft erop gewezen dat dit een en ander thans is neergelegd in art. 9 lid 3, aanhef en onder d, RWN, waarin is bepaald dat de afstandseis niet van toepassing is op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.

4. De Staat heeft het verzoek van [verweerder] bestreden. De Staat heeft aangevoerd dat [verweerder] geen beroep toekomt op het Verdrag van Straatsburg en het Protocol, aangezien Turkije bij geen van beide partij is. Volgens de Staat komt [verweerder] ook geen beroep toe op art. 9 lid 3, aanhef en onder d, RWN, aangezien hij ten tijde van het indienen van het verzoek tot naturalisatie niet was gehuwd met een Nederlander.

5. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2006 het verzoek van [verweerder] toewijsbaar geoordeeld en vastgesteld dat [verweerder] sinds 3 april 2000 het Nederlanderschap bezit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, kort weergegeven (r.o. 5.2 en 5.3)

dat een van de doelstellingen van het Protocol is het bevorderen van eenheid van nationaliteit binnen het gezin, in welk kader het Protocol bepaalt dat de verdragsluitende staten kunnen bepalen dat, in afwijking van de hoofdregels als neergelegd in het Verdrag van Straatsburg, bij verkrijging van een nieuwe nationaliteit geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit intreedt indien de verzoeker in het kader van de eenheid binnen het gezin de nationaliteit van zijn echtgenoot verkrijgt;

dat deze uitzondering is neergelegd in artikel 9 lid 3, aanhef en onder d, RWN, welke uitzondering blijkens de Circulaire van 18 juni 1997 niet beperkt moet blijven tot personen die onderdaan zijn van een bij het Protocol aangesloten staat;

dat [verweerder], ook al is Turkije niet aangesloten bij het Protocol, zich derhalve in beginsel op de uitzonderingsbepaling kan beroepen;

dat [verweerder] strikt genomen niet binnen de uitzonderingsgroep viel waarvoor thans in art. 9 lid 3, aanhef en onder d, RWN een regeling is getroffen, aangezien zijn echtgenote ten tijde van de indiening van het naturalisatieverzoek niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit;

dat een strikte toepassing van voormelde regel echter leidt tot het onwenselijk gevolg dat binnen het gezin [van verweerder] sprake is van diversiteit van nationaliteiten, hetgeen het Protocol, de Circulaire van 18 juni 1997 en art. 9 lid 3 RWN nu juist beogen te voorkomen;

dat gelet op dit onwenselijk gevolg in het licht van de doelstellingen van voormelde regelingen moet worden geconcludeerd dat bij de verlening van de Nederlandse nationaliteit ten onrechte de afstandseis aan [verweerder] is gesteld en hem op 4 februari 2002 op onjuiste gronden het Nederlanderschap is ontnomen.

6. De Staat is tegen de beschikking van de rechtbank op de voet van art. 18 lid 2 RWN (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. [Verweerder] heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

7. Het middel verwijt de rechtbank te hebben miskend dat het Koninklijk Besluit van 4 februari 2002, waarbij het naturalisatiebesluit van 3 april 2000 werd ingetrokken wegens niet nakoming van de afstandsplicht ten aanzien van de in dat Besluit aangeduide persoon formele rechtskracht heeft, hetgeen met zich brengt dat [verweerder] sedert 4 februari 2002 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

8. Anders dan in het cassatierekest onder het hoofdje "Aanvulling van en toelichting op het cassatieberoep" onder 4.6 wordt aangevoerd, heb ik in de gedingstukken niet kunnen aantreffen (het cassatierekest vermeldt ook geen vindplaatsen) dat de Staat reeds in de feitelijke instantie een beroep heeft gedaan op de formele rechtskracht van het Koninklijk Besluit van 4 februari 2002, waarbij het naturalisatiebesluit van 3 april 2000 werd ingetrokken. Aangenomen moet derhalve worden dat het beroep op de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit voor het eerst in cassatie is gedaan.

9. In cassatie zijn slechts geoorloofd nieuwe stellingen die van zuiver juridische aard zijn, die zonder uitzondering te gelden hebben, waarvoor voldoende grondslag in de bestreden uitspraak en de stukken van het geding te vinden is, en die derhalve geen nader onderzoek van feitelijke aard nodig maken. Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 137.

10. Het beroep op de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit kan niet worden aangemerkt als een stelling van zuiver juridische aard, die zonder uitzondering te gelden heeft. Het beginsel van de formele rechtskracht, zoals dit zich in de jurisprudentie heeft ontwikkeld (zie als standaardarrest HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723 nt. MS), houdt in dat de burgerlijke rechter, wanneer tegen een overheidsbesluit een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en deze beroepsgang niet is gebruikt, in beginsel ervan dient uit te gaan dat het besluit zowel wat betreft zijn wijze van totstandkoming als wat betreft zijn inhoud in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Zie HR 19 juni 1998, NJ 1998, 869 nt. MS. "In beginsel": de aan de formele rechtskracht verbonden bezwaren kunnen door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op het beginsel van de formele rechtskracht een uitzondering moet worden aanvaard. Of een uitzondering op zijn plaats is, hangt af van de bijzonderheden van het geval. Zie het genoemde arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986, r.o. 3.3.2.

11. Het beroep op de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit moet, nu het beginsel van de formele rechtskracht niet absoluut is, maar afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval uitzondering kan lijden, derhalve beschouwd worden als een ongeoorloofd novum in cassatie. Vgl. ook de conclusie van A-G Mok onder 4.1 voor HR 11 november 1988, NJ 1990, 563. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

12. In het cassatierekest wordt onder 4.7 "ten overvloede" opgemerkt dat de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vraag of het naturalisatiebesluit ten aanzien van [verweerder] terecht is ingetrokken, onjuist zijn. Voor zover deze opmerking beschouwd moet worden als een (subsidiaire) cassatieklacht, kan ook deze klacht m.i. niet tot cassatie leiden.

13. In de meergenoemde Circulaire van 18 juni 1997 wordt onder meer opgemerkt (onder 6):

"Aangezien Nederland (voor het gehele Koninkrijk) tot het Protocol is toegetreden, zal - niet alleen waar het betreft het verlies van de Nederlandse nationaliteit, maar ook waar het de verkrijging betreft - rekening gehouden moeten worden met de daarin gegeven regelingen. Geen afstand zal dan ook gevraagd worden van de verzoeker die onderdaan is van een Staat die partij is bij het Tweede Protocol. De aan het Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit in het gezin brengen mee, dat de toepassing van de daarin genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kan blijven tot personen die onderdaan zijn van bij het Protocol aangesloten Staten; de genoemde uitzonderingen op de algemene regel dat de Staat van de oorspronkelijke nationaliteit die nationaliteit dient te ontnemen bij de verkrijging van het Nederlanderschap, zullen ook dienen te gelden voor een ieder die bij het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap behoort tot een van de doelgroepen omschreven in het Tweede Protocol."

14. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerder], ook al is Turkije niet aangesloten bij het Protocol, zich in beginsel op de uitzonderingsbepalingen kan beroepen, faalt zij. Blijkens de Circulaire brengen de aan het Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit in het gezin mee, dat de toepassing van de daarin genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kan blijven tot personen die onderdaan zijn van bij het Protocol aangesloten Staten, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [verweerder], ook al is Turkije niet aangesloten bij het Protocol, zich in beginsel op de uitzonderingsbepalingen van het Protocol kan beroepen.

15. Voor zover de klacht wil betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerder] behoort tot een van de doelgroepen omschreven in het Protocol, kan zij evenmin doel treffen. Zie ik het goed dan berust dit betoog op twee gronden. De eerste grond is dat [verweerder] door de naturalisatie tot Nederlander niet de nationaliteit verkreeg van zijn echtgenote (die immers tegelijk met [verweerder] Nederlander werd). De tweede grond is dat het Protocol voor Nederland slechts verplichtingen schept ten aanzien van de Nederlandse nationaliteit en het behoud van eenheid van Turkse nationaliteit binnen het gezin niet beschouwd kan worden als een doelstelling die op grond van het Protocol door de Nederlandse overheid zou moeten worden nagestreefd.

16. Het eerste grond is m.i. ondeugdelijk. De tekst van het ingevolge het Protocol aan art. 1 van het Verdrag van Straatsburg toegevoegde zesde lid luidt:

"Onverminderd de bepalingen van het eerste lid en, waar van toepassing, het tweede en het vijfde lid, kan elk van deze Partijen, in geval van een huwelijk tussen onderdanen van verschillende Verdragsluitende Partijen, bepalen dat de echtgenoot die door een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt, de oorspronkelijke nationaliteit behoudt."

De tekst van deze bepaling brengt niet mee dat "de echtgenoot die door een uitdrukkelijke wilsverklaring de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt", uitsluitend betrekking heeft op gevallen waarin de andere echtgenoot de gewenste nationaliteit reeds voorafgaande aan het verzoek bezat. Vereist is slechts dat de andere echtgenoot die nationaliteit bezit op het moment van naturalisatie. Dat is het geval indien de echtgenoten, zoals in het onderhavige geval, gelijktijdig de nationaliteit verkrijgen. Dat strookt ook met de aan het Protocol ten grondslag liggende doelstelling van eenheid van nationaliteit in het gezin; deze wordt bedreigt indien in een zodanig geval toch de afstandseis zou worden gesteld.

17. Ook de andere grond kan niet overtuigen. Juist is dat het behoud van eenheid van Turkse nationaliteit binnen het gezin niet beschouwd kan worden als een doelstelling die op grond van het Protocol door de Nederlandse overheid zou moeten worden nagestreefd. Miskend wordt evenwel dat het stellen van de afstandseis aan [verweerder] niet alleen gevolgen kan hebben voor de eenheid van Turkse nationaliteit in het gezin, maar ook voor de eenheid van Nederlandse nationaliteit in het gezin. Het niet voldoen aan de afstandseis kan immers leiden tot intrekking van de aan [verweerder] verleende Nederlandse nationaliteit en daarmee tot verbreking van eenheid van Nederlandse nationaliteit in het gezin van [verweerder]. Het behoud van eenheid van deze nationaliteit gaat Nederland aan en valt binnen de reikwijdte van de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit het Protocol.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden