Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2923

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
C06/083HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Productaansprakelijkheid. Geschil over deugdelijkheid van geleverde krimpmoffen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 490
RvdW 2007, 647
NJB 2007, 1596
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C06/083HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 6 april 2007

Conclusie inzake

[Eiseres] B.V.

eiseres tot cassatie

tegen

Cellpack B.V.

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) De feiten waarom het in deze zaak gaat, zijn betrekkelijk eenvoudig weer te geven: de eiseres tot cassatie, [eiseres], heeft van de verweerster in cassatie, Cellpack, producten gekocht. Het betreft zgn. krimpmoffen, die onder meer bestemd zijn om bij aftakkingen in leidingsystemen voor telecommunicatie en datacommunicatie, de leidingen te beschermen, o.a. tegen vocht.

Nadat de door Cellpack geleverde krimpmoffen in een systeem waren verwerkt, bleek dat niet goed te werken. Als oorzaak werd vastgesteld dat er vocht toetrad, door onvoldoende afdichtende werking van (een deel van) de krimpmoffen.

2) Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar de oorzaken van het feit dat de krimpmoffen geen afdoende waterdichtheid bleken op te leveren. [Eiseres] voerde aan dat de oorzaak in gebreken van de krimpmoffen en/of van de daarbij geleverde handleidingen (montage-instructies) zou bestaan, terwijl Cellpack aanvoerde dat de moffen onoordeelkundig en met miskenning van de gegeven montage-instructies waren aangebracht.

Een in de appelinstantie als vaststaand aangenomen oorzaak is, dat de handleiding voor het aanbrengen van de krimpmoffen op bepaalde punten dusdanig onduidelijk was, dat dat tot het op gebrekkige wijze monteren van de moffen kon leiden (en ook kennelijk heeft geleid).

3) Cellpack heeft, nadat partijen enige tijd over de (mogelijke) gebrekkigheid van de aanvankelijk geleverde moffen contacten hadden uitgewisseld, moffen van een ander type geleverd. Na het aanbrengen hiervan functioneerde het desbetreffende kabelnetwerk wel naar wens.

In de documenten die terzake van [eiseres'] bestelling van de krimpmoffen zijn uitgewisseld, was door Cellpack beroep gedaan op algemene voorwaarden(2), waarin onder meer een exoneratiebeding staat.

4) [Eiseres] heeft Cellpack aangesproken tot vergoeding van de schade die zij, [eiseres], had geleden als gevolg van het niet naar behoren functioneren van de aanvankelijk geleverde krimpmoffen. Cellpack verweerde zich met een betoog waarin op de ondeugdelijkheid van het geleverde werd afgedongen én een beroep werd gedaan op de exoneratieclausule uit haar, Cellpacks, algemene voorwaarden.

In de eerste aanleg wees de rechtbank de vordering van [eiseres] toe. Zij oordeelde dat de bij de krimpmoffen geleverde handleiding onduidelijk was. Daardoor bestond het risico - dat zich ook had verwezenlijkt - dat de moffen niet op de juiste wijze zouden worden verwerkt, en (dus) niet goed zouden functioneren. Cellpacks beroep op het exoneratiebeding beoordeelde de rechtbank als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daartoe kwam de rechtbank, kort gezegd, omdat bij levering van producten waaraan een aanmerkelijk schaderisico inherent is, grote zorgvuldigheid vereist is, de montage van de onderhavige krimpmoffen in de praktijk moeilijk bleek, en Cellpack in zwaarwegende mate moest worden verweten dat zij [eiseres] had blootgesteld aan de risico's die zich in dit opzicht hadden verwezenlijkt.

5) Op het namens Cellpack ingestelde hoger beroep verwierp het hof argumenten die ertoe strekten dat de prestaties van Cellpack niet gebrekkig waren geweest (en in het bijzonder: dat de handleidingen voldoende duidelijk zouden hebben aangegeven hoe de te verbinden leidingen moesten worden ontdaan van een stukje van hun staaldraad-omhulling); maar honoreerde het hof het namens Cellpack gedane beroep op de exoneratieclausule. (Het hof oordeelde dus, anders dan de rechtbank, dat het beroep op deze clausule niet mocht worden aangemerkt als onaanvaardbaar met het oog op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.)

Dat bracht het hof ertoe de vordering(en) van [eiseres] alsnog af te wijzen.

6) Namens [eiseres] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(3). Van de kant van Cellpack is tot verwerping geconcludeerd. De standpunten zijn van weerszijden schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

7) Het cassatiemiddel bestrijdt, zoals voor de hand ligt, met een aantal verschillende argumenten de beoordeling, door het hof, van het namens Cellpack gedane beroep op de exoneratieclausule.

Onderdeel 1 van het middel vangt aan met de stelling dat het hof ("in wezen") de aansprakelijkheid van Cellpack in het midden zou hebben gelaten. Dat is echter maar zeer ten dele juist. In de rov. 4.12 en 4.13 van het bestreden arrest heeft het hof zich grondig verdiept in de vraag of de handleiding bij de geleverde krimpmoffen onduidelijk was als het gaat om de behandeling van kabels met een staaldraad-mantel (en geoordeeld dat dat inderdaad het geval was, en dat hier een tekortkoming aan de kant van Cellpack moest worden aangenomen). Vervolgens is in rov. 4.14 en 4.15 onderzocht of twee andere aspecten van de handleiding wegens onduidelijkheid tot de schade (kunnen) hebben bijgedragen, en is geoordeeld dat dat niet het geval was. In rov. 4.16 concludeert het hof dan ook dat de handleiding op het punt van de behandeling ("strippen") van kabels (met staalmantel) tekortschoot én dat aannemelijk is dat dit tot de schade heeft bijgedragen, maar dat dat voor de andere gestelde gebreken niet het geval was.

Slechts bij de beoordeling van de vraag of Cellpack toegelaten moest worden tot tegenbewijs (om aan te tonen dat er in werkelijkheid geen tekortkoming zou hebben bestaan), oordeelde het hof - nog steeds in rov. 4.16 - dat dat niet nodig was, vanwege het vervolgens te geven oordeel over de exoneratieclausule.

8) Volgens mij is het hof er dus van uitgegaan dat Cellpack in één welomschreven opzicht tekort was geschoten, door bijlevering van een handleiding die montagefouten in de hand kon werken (en in dit geval ook had veroorzaakt), en heeft het geoordeeld dat dat met betrekking tot de andere gestelde gebreken (aan de handleiding) anders lag. Vervolgens heeft het hof met dat gegeven voor ogen de vraag beoordeeld, of Cellpack zich op de exoneratieclausule mocht beroepen. De in onderdeel 1 tot uitgangspunt genomen veronderstelling dat over de exoneratieclausule zou zijn geoordeeld zonder eerst de gronden voor aansprakelijkheid te onderzoeken is (behalve waar het betreft Cellpacks aanbod van tegenbewijs, dat hier geen rol speelt), daarom niet juist.

9) De zojuist besproken kwestie lijkt mij overigens maar van zijdelings belang, en wel omdat onderdeel 1 van het middel ook overigens van een verkeerd begrip van het bestreden arrest uit gaat.

Ik begrijp het onderdeel namelijk zo, dat dat (alleen) gericht is tegen het in rov. 4.18 gegeven oordeel, waar het hof heeft verworpen dat [eiseres] er, in het licht van Cellpacks opstelling, op mocht vertrouwen dat Cellpack geen beroep op de exoneratieclausule zou doen. [Eiseres] baseerde het hier bedoelde beroep op "opgewekt vertrouwen" op stellingen die ertoe strekten dat Cellpack aan onderzoek van de oorzaken van de schade (en tot aansprakelijkheid leidende tekortkomingen) heeft meegewerkt, zonder van de mogelijkheid van een beroep op exoneratie melding te maken.

10) Anders dan het onderdeel aanvoert, lijkt mij dat voor de beoordeling van een beroep op "opgewekt vertrouwen" als hier aan de orde, wél betekenis toekomt aan de vraag of de aansprakelijkheid van de partij die zich (later) op exoneratie beroept, al vaststaat (of in hoge mate in de rede ligt).

Zo lang een partij op verdedigbare gronden kan menen dat zij in het geheel niet aansprakelijk is (omdat haar geen tekortkoming valt toe te rekenen), is te begrijpen dat die partij zich erop toelegt dat dát - haar niet-aansprakelijkheid wegens het ontbreken van materiële gronden - wordt onderzocht en vastgesteld, zonder meteen ook andere mogelijke verweren te onderzoeken of zich daarover uit te spreken.

Bij die stand van zaken kan men inderdaad oordelen - zoals het hof heeft geoordeeld - dat het niet aangaat om aan het enkele feit dat die partij niet al van de aanvang af op mogelijke exoneratie een beroep heeft gedaan, vertrouwen te willen ontlenen dat dat ook in een later stadium, als gebleken is dat er wél materiële gronden voor aansprakelijkheid bestaan, niet alsnog zal worden gedaan.

11) Bij de lezing van het arrest die ik zo-even voor juist hield doet het niet terzake of vervolgens aansprakelijkheid komt vast te staan (en dus ook niet, of het oordeel daarover in het midden wordt gelaten): in beide varianten blijft te begrijpen dat (het hof oordeelt dat) men niet aan de houding die een partij inneemt terwijl haar aansprakelijkheid nog niet vaststaat (en men daar ook nog geredelijk over van mening kan verschillen), het "gerechtvaardigde vertrouwen" kan verbinden dat de partij in kwestie op de voorhand afziet van verweren, die alsnog aan de orde kunnen komen als de aansprakelijkheid wel blijkt te bestaan.

12) Ter vermijding van mogelijk misverstand: ik stel niet dat er "harde regels" van de in de vorige alinea's omschreven strekking bestaan. Ik betoog (slechts) dat men bij de beoordeling van een beroep op "opgewekt vertrouwen" zoals dat van de kant van [eiseres] werd gedaan, geredelijk aan de omstandigheid dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten zich afspeelden terwijl de aansprakelijkheid van de wederpartij nog niet vaststond, de gevolgtrekking kan verbinden dat het voorbarig was om aan de houding van die wederpartij veronderstellingen te willen ontlenen over wat die mogelijk zou (gaan) doen nadat alsnog aansprakelijkheid was vastgesteld.

Er bestaat enige afstand tussen de grootheden "opgewekt vertrouwen" enerzijds en "wishful thinking" anderzijds; en het verbaast (mij) niet dat het hof het door [eiseres] ingeroepen vertrouwen niet in de eerste categorie heeft willen plaatsen. Voorzover het middel het oordeel van het hof als onbegrijpelijk aangemerkt wil zien, stem ik ook daar dus niet mee in.

13) Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.19), waarbij aan het feit dat Cellpack als tussenhandelaar niet bij de opstelling van de als gebrekkig beoordeelde handleiding betrokken is geweest, consequenties worden verbonden als het er om gaat of aan Cellpack grove schuld of bewuste roekeloosheid mag worden verweten. Het middelonderdeel benadrukt dat [eiseres] had aangevoerd dat reeds het (enkele) verstrekken van een gebrekkige handleiding in de gegeven context als "bewust roekeloos" aan viel te merken.

14) Ik beoordeel (ook) deze klacht als ongegrond. Het valt, volgens mij, goed te begrijpen dat het hof het enkele verstrekken van een (product, voorzien van een) gebrekkige handleiding, terwijl men met het opstellen van die handleiding geen bemoeienis heeft gehad, niet als "bewust roekeloos" heeft beoordeeld. De mate van zorg die gevergd mag worden als het gaat om het "doorleveren" van producten, met inbegrip van daarbij behorende handleidingen, is van een wezenlijk andere orde dan de zorg die gevergd mag worden bij het ontwerpen en vervaardigen van producten (inclusief handleidingen) die, indien gebrekkig, aanmerkelijke schade kunnen veroorzaken. Met zijn vaststelling dat Cellpack niet bij het opstellen van de handleiding betrokken is geweest, heeft het hof - kennelijk - willen markeren dat op Cellpack de minder zware zorgplicht rustte die in het algemeen bij doorlevering van producten aan de orde is (en dat, dat in aanmerking genomen, er geen sprake kon zijn van "bewuste roekeloosheid")(4).

Die beoordeling geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting(5); en ik acht die bij uitstek begrijpelijk.

15) Onderdeel 3 klaagt dat het hof zijn oordeel omtrent de exoneratie(-clausule) in algemene bewoordingen heeft gegeven, en dat niet blijkt dat alle omstandigheden van het geval daarbij in aanmerking zijn genomen (laat staan: hoe het hof die heeft gewaardeerd). Het onderdeel zoekt klaarblijkelijk aansluiting bij de rechtspraak zoals die blijkt uit o.a. HR 18 juni 2004, NJ 2004, 585, rov. 3.4 - 3.7(6).

In die rechtspraak is inderdaad aangenomen dat bij de beoordeling van het argument dat een beroep op een exoneratiebeding in een bepaalde context onaanvaardbaar is, alle relevante omstandigheden moeten worden betrokken. Daarbij blijkt ook van een betrekkelijk strenge motiveringseis.

16) Toch merk ik de onderhavige klacht als ongegrond aan.

Dat doe ik in de eerste plaats omdat de klacht in het geheel niet aanduidt, welke de omstandigheden zijn die de klacht op het oog heeft, en waarvan de weging onvoldoende uit 's hofs motivering zou blijken (en dus ook niet, waar in de processtukken op dergelijke omstandigheden een beroep zou zijn gedaan).

In dat opzicht voldoet deze klacht, denk ik, niet aan de in art. 407 lid 2 Rv. tot uitdrukking komende maatstaf(7).

17) Daarnaast geldt dat het hof in deze zaak, anders dan het geval was in de in NJ 2004, 585 gepubliceerde zaak, wél de omstandigheden in de motivering heeft betrokken die cruciaal zijn voor de vraag of aan Cellpack bewuste roekeloosheid is te verwijten. In de zaak uit NJ 2004, 585, ging het om het verzuim van een onderhoudsmonteur om een voor de desbetreffende installatie essentiële stap (namelijk: het correct inschakelen van de alarmvoorziening) uit te voeren, terwijl van het nalaten van die stap, naar zowel in de feitelijke instanties als in het middel benadrukt werd, de riskante en schadelijke consequenties in hoge mate evident waren. Daarmee stond de ernst van de relevante tekortkoming centraal - en woog het feit dat dat gegeven in de motivering was verwaarloosd, navenant zwaar.

18) In de onderhavige zaak gaat het daarentegen, zoals het hof met juistheid onder ogen heeft gezien, om de aansprakelijkheid van een tussenhandelaar die niet bij de opstelling van de als gebrekkig aangemerkte documentatie betrokken is geweest. Ik gaf al eerder aan dat in dat geval in de regel een aanmerkelijk minder zware zorgplicht ten laste van de tussenhandelaar mag worden aangenomen, dan wanneer het gaat om de partij die zelf primair voor het leveren van een deugdelijke en vakkundig uitgevoerde prestatie verantwoordelijk is (zoals dat in de zaak uit NJ 2004, 585 het geval was). Beoordeling van de zorgplicht van de tussenhandelaar aldus, dat een tekortkoming daarin (gewoonlijk) niet als bewuste roekeloosheid mag worden gekwalificeerd, ligt enigszins voor de hand. Dat het hof dit gegeven inderdaad zo heeft beoordeeld lijkt mij niet met enige rechtsregel in strijd en niet onbegrijpelijk. Daarmee heeft het hof, in deze zaak, wél gemotiveerd geoordeeld over de centraal staande vraag van de ernst van de tekortkoming, die in de zaak uit NJ 2004, 585 juist onvoldoende "uit de verf was gekomen".

19) Maar ook voor het overige heeft het hof wel degelijk aandacht geschonken aan de omstandigheden die door partijen naar voren waren gebracht, en daarover met een expliciet gegeven motivering geoordeeld. Het gaat dan om de omstandigheid dat Cellpack zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de aard van het werk waarvoor [eiseres] de krimpmoffen kocht, en dat de kwalificaties die voor deze producten werden gebezigd, (niet) als misleidend mogen worden aangemerkt, zie rov. 4.19; en om het gegeven dat voor Cellpack - evenals voor [eiseres] - een op schades als de onderhavige gerichte verzekering gold, zie rov. 4.20. De motivering van het hof geeft er dus, anders dan dit middelonderdeel aanvoert, blijk van dat met de aangevoerde omstandigheden wél rekening is gehouden, en maakt ook duidelijk waarom daarover geoordeeld is, zoals dat door het hof is gedaan.

20) Ik vermeld, volledigheidshalve, dat er wel omstandigheden zijn aan te wijzen die in de stukken waren aangevoerd en waarvan niet uit de motivering van het hof blijkt, dat daarvan nota is genomen(8); maar nog daargelaten dat in dit middelonderdeel niet wordt aangegeven dat de klacht mede op de hier bedoelde omstandigheden ziet: het gaat hier om punten waaraan verhoudingsgewijs minder gewicht toekomt, waarvan het in de gegeven context wel te begrijpen is dat het hof die niet als doorslaggevend heeft aangemerkt. Van deze punten denk ik daarom, dat de beoordeling niet expliciet in de motivering tot uitdrukking hoeft te komen.

21) Onderdeel 4 klaagt dat niet specifiek zou zijn aangegeven dat het hof de exoneratieclausule als mede toepasselijk op de schadeoorzaak in kwestie - de gebrekkige handleiding - heeft aangemerkt.

Die klacht is ongegrond, omdat het bestreden arrest geen enkele ruimte laat voor twijfel, dat het hof de clausule inderdaad op de aangegeven wijze heeft beoordeeld. De klacht vraagt, zoals een wat sleetse zegswijze dat uitdrukt, hier naar de bekende weg.

22) Daarnaast wordt geklaagd dat zonder motivering voorbij zou zijn gegaan aan de als essentieel te beoordelen stelling van [eiseres], dat de exoneratieclausule (niet) zo ruim mocht worden uitgelegd als het hof dat blijkt te hebben gedaan.

Ook deze klacht merk ik als ongegrond aan.

Ten eerste speelt daarbij een rol dat het onderhavige argument namens [eiseres] met weinig nadruk en met weinig onderbouwing was aangevoerd (het middelonderdeel verwijst naar de desbetreffende passage uit alinea 19 van de inleidende dagvaarding - en daar is het, voorzover ik heb kunnen nagaan, inderdaad bij gebleven). Een argument dat zodanig on-nadrukkelijk naar voren wordt gebracht, hoeft de rechter niet gauw als "essentieel" te beoordelen; en de rechter mag daar ook (al gauw) wél als "onvoldoende onderbouwd" voorbijgaan, zonder daarvan in zijn motivering rekenschap af te hoeven leggen.

23) Ten tweede weegt mee dat het hier een argument betreft dat zich voorshands als weinig plausibel aandient: de exoneratieclausule (geciteerd in rov. 4.2 van het bestreden arrest) betrof "...schade...ten gevolge van ondeugdelijke levering of gebreken van de geleverde goederen...". Namens [eiseres] werd aangevoerd dat de levering van een onduidelijke handleiding daardoor niet gedekt werd. Men kan zich echter zonder moeite voorstellen dat een tot beoordelen geroepen rechter daar anders over denkt: de handleiding maakt deel uit van de "levering" of van de "geleverde" goederen", en het ligt in uitgesproken mate voor de hand dat een op (gebreken in) die grootheden gerichte exoneratieclausule ook zulke "bijkomende" prestaties beoogt te dekken.

Bij die stand van zaken denk ik, dat het hof niet gehouden was dit gegeven expliciet in zijn motivering te betrekken; en dat duidelijk genoeg is, dát het hof dit argument van de kant van [eiseres] als onaannemelijk heeft beoordeeld (wat bovendien alleszins begrijpelijk is).

24) Onderdeel 5 is gericht tegen een overweging van het hof die begint met het woord : "Bovendien", en die ook blijkens wat daarna volgt kennelijk als overweging ten overvloede bedoeld is. Dat betekent dat de klacht, ook als die inhoudelijk gegrond zou zijn, niet tot vernietiging kan leiden (en dat [eiseres] daarom belang mist bij de verdere beoordeling).

25) Intussen lijkt mij de klacht ook inhoudelijk niet deugdelijk. Zij - de klacht - berust er op dat het hof in aanmerking heeft genomen, dat van [eiseres] verwacht mocht worden dat die, toen gemerkt werd dat de handleiding op bepaalde punten niet duidelijk was, Cellpack om verduidelijking zou vragen. Dat zou niet logisch te verenigen zijn met de bevinding dat Cellpack geen bemoeienis met het opstellen van de handleiding had gehad, c.q. dat men bij Cellpack (ook zelf) de instructies van de handleiding niet goed begreep.

26) Ik ben geneigd te vragen: hoezo? Dat Cellpack niet bij het opstellen van de handleiding betrokken was staat er toch allerminst aan in de weg dat men bij Cellpack - waarschijnlijk - wel kon weten hoe de krimpmoffen verwerkt moesten worden (en dus eventuele vragen daarover kon ophelderen), of anders dat men via Cellpack die vraag kon doorgeleiden naar degenen die het antwoord wel konden geven? En dat nog daargelaten: dat van [eiseres] verwacht mocht worden dat bij onduidelijkheden niet "op goed geluk" verder werd gewerkt, maar dat er navraag werd gedaan naar hoe de vork in de steel zat, doet nu eenmaal afbreuk aan het gewicht van de tekortkoming die de onduidelijke delen van de handleiding opleverden - ook al zou het zo zijn dat wanneer [eiseres] inderdaad navraag had gedaan, Cellpack (zelf) misschien niet tot een adequate reactie in staat zou zijn geweest. Aan het feit dat de ernst van de tekortkoming waar het per saldo om ging, door de genoemde omstandigheid gerelativeerd wordt, doen bespiegelingen omtrent wat Cellpack zou hebben kunnen doen als het allemaal anders was gelopen, niet wezenlijk af.

27) Voor het overige heb ik in het middel geen klachten aangetroffen; wat mij tot de uitkomst brengt, dat geen van de aangevoerde klachten als gegrond is te beoordelen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 (Vooral) ontleend aan rov. 4.2 van het in cassatie bestreden arrest.

2 In de eerste aanleg verwierp de rechtbank een beroep op het feit dat de algemene voorwaarden niet aan [eiseres] ter hand waren gesteld, met verwijzing naar art. 6:235 lid 1 onder b BW (meer dan 50 werknemers); en stelde de rechtbank vast dat (anders dan namens [eiseres] was verdedigd) de algemene voorwaarden van Cellpack als onderdeel van de overeenkomst(en) van partijen moesten worden aangemerkt. Deze kwesties zijn in appel niet verder aan de orde gesteld. Het hof heeft overigens in rov. 4.11 expliciet bevestigd dat het, met de rechtbank, Cellpacks algemene voorwaarden op "de onderhavige overeenkomst" van toepassing achtte. (Ook) in cassatie wordt niet betwist dat Cellpacks algemene voorwaarden op de rechtsverhouding van partijen van toepassing waren.

3 Het in cassatie bestreden arrest werd op 1 december 2005 gewezen. De cassatiedagvaarding is op 1 maart 2006 uitgebracht.

4 Zie voor de vraag welk gewicht toekomt aan de mate van betrokkenheid van de partij die een exoneratieclausule inroept, bij de tekortkoming die tot schade heeft geleid, bijvoorbeeld HR 15 januari 1999, NJ 1999, 242, rov. 3.3.

5 Dat aan de feitelijke rechter bij oordelen als de onderhavige een ruimte voor weging van de verschillende omstandigheden toekomt die zich aan verdere toetsing in cassatie onttrekt, kan onder andere worden afgeleid uit HR 5 september 1997, NJ 1998, 63 m.nt. R.E. Japikse, rov. 3.5.

6 Zie ook HR 12 mei 2000, NJ 2000, 412, rov. 3.4; maar zie ook HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158, rov. 3.11 (afwijkend van de conclusie van de Procureur-Generaal, alinea 19, waarin uitvoerig wordt verwezen naar de vindplaatsen die thans van de kant van [eiseres] worden ingeroepen).

7 Zie bijvoorbeeld HR 4 november 2005, NJ 2007, 1 m.nt. P.C.E. van Wijmen, rov. 3.6; HR 17 december 2004, rechtspraak.nl LJN AQ0537, rov. 3.5.2.

8 Dat geldt bijvoorbeeld voor de omstandigheid dat het exoneratiebeding "terloops" in de rechtsverhouding is "ingebracht" (door de verwijzing naar slechts door depot bij de Kamer van Koophandel bekend gemaakte algemene voorwaarden), zie o.a. de Memorie van Antwoord, alinea's 7.27 en 7.36; dat het om een uiterst nadelig exoneratiebeding ging, gezien de grote risico's die met gebrekkigheid van de relevante prestaties gepaard gingen; en dat [eiseres] zich niet bewust was van de mogelijkheid dat er een exoneratiebeding gold, Memorie van Antwoord, alinea 7.42.