Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2565

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
12-06-2007
Zaaknummer
01836/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2565
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslag. T.t.v. de bestreden beslissing was het beslag gegrond op art. 94a Sv. De Rb is in haar bestreden beschikking dus ten onrechte ervan uitgegaan dat (nog) sprake was van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag. Indien in een dergelijk geval een derde/niet-beslagene die stelt eigenaar te zijn, zich daartegen keert, dient de rechter die over dat beklag heeft te oordelen, als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is of de klager als derde/niet-beslagene als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijkt te geven. Indien dit laatste het geval is, zal hij tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a.3 of 4 Sv voordoet (vgl. HR LJN AT2970, rov. 3.5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 426
NJ 2007, 348
RvdW 2007, 620
JOW 2008, 7
NJB 2007, 1481
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01836/06 B

Mr. Wortel

Zitting:3 april 2007

Conclusie inzake:

[klager]

1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Utrecht waarbij een namens verzoeker ingediend klaagschrift, op de voet van art. 552a Sv strekkende tot teruggave aan verzoeker van een onder een ander inbeslaggenomen personenauto, ongegrond is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het enige middel betreft de maatstaf waarlangs de Rechtbank het beklag heeft beoordeeld en de begrijpelijkheid van de genomen beslissing.

4. In de bestreden beschikking is vastgesteld dat de auto op 27 juli 2005 is inbeslaggenomen onder [betrokkene 1], en overwogen dat het aanvankelijk krachtens art. 94 Sv gelegde beslag volgens mededeling van de officier van justitie nadien is gehandhaafd als een krachtens art. 94a Sv gelegd beslag tot bewaring van verhaal voor een vermogenssanctie of ontnemingsmaatregel.

5. Overigens blijkt uit een aan de schriftuur gehechte kopie van een "kennisgeving handhaving beslag (handhaving ex. art. 103 Sv)" dat het beslag op de auto met ingang van 9 september 2005 is overgegaan in een conservatoir beslag. Dat is drie weken na het indienen van het klaagschrift, maar ongeveer twee maanden vóór de behandeling in openbare raadkamer.

6. Voorts heeft de Rechtbank overwogen

- dat de inhoud van het dossier er op wijst dat de auto feitelijk in bezit was van [betrokkene 1], onder wie de auto in beslag is genomen;

- dat de Rechtbank van oordeel is dat indien klager redelijkerwijs als rechthebbende zou kunnen worden aangemerkt de teruggave van de auto aan hemzelf op het eerste gezicht niet redelijk en maatschappelijk niet verantwoord is, en

- dat hetgeen het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd de conclusie rechtvaardigt dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen auto aan verzoeker, aangezien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de auto verbeurd zal verklaren.

7. Aldus heeft de Rechtbank inderdaad een onjuiste maatstaf aangelegd. Ten eerste is miskend dat het aanvankelijke beslag ter fine van waarheidsvinding, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer ten tijde van het geven van de beschikking was omgezet in een conservatoir beslag. Daar is op zichzelf beschouwd overigens geen enkel bezwaar tegen. Indien de officier van justitie bemerkt dat de (feitelijke) grondslag van een onder zijn verantwoordelijkheid gelegd beslag is vervallen of binnenkort zal wegvallen, kan hij het beslag omzetten in een beslag op andere (juridische) grond, mits uiteraard aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten is voldaan, vgl. HR NJ 2004, 466.

8. De gedaantewisseling van het beslag op de in het klaagschrift genoemde auto, vóór het moment waarop de Rechtbank haar beslissing nam, bracht evenwel mee dat ook het voortduren van dat beslag aan een ander criterium onderhevig werd. Bij een conservatoir beslag kan uiteraard niet aan de orde zijn of het voorwerp nog de waarheidsvinding (ten aanzien van ten laste te leggen feiten) kan dienen of vatbaar blijft voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Bij conservatoir beslag dient te worden onderzocht of hoogst onwaarschijnlijk is dat een boete of een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd (waarvoor verhaal gezocht zal kunnen worden op het inbeslaggenomen voorwerp), vgl. HR NJ 2000, 161.

Dat onderzoek mag niet beperkt zijn tot de feiten die zijn genoemd in de vordering tot opening van een strafrechtelijk financieel onderzoek (HR NJ 2000, 161), respectievelijk de feiten ter zake waarvan wordt vervolgd (HR NJ 2003, 84), aangezien een ontnemingsmaatregel ook betrekking kan hebben op andere dan de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten.

9. Verder heeft de rechtbank verzoekers eigendomspretentie op de verkeerde wijze meegewogen.

Met betrekking tot voorwerpen die op de voet van art. 94 Sv zijn inbeslaggenomen (met het oog op de waarheidsvinding, of omdat zij vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer) is, in die gevallen waarin een ander dan de beslagene teruggave verzoekt, stellende de (werkelijke) rechthebbende te zijn, terwijl het belang van de strafvordering zich niet langer tegen opheffing van het beslag verzet, het criterium of die klagende derde /niet-beslagene "redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd", vgl. HR NJ 1997, 389.

Terzijde: de Rechtbank lijkt zich te hebben gericht op een formule ("op het eerste gezicht niet onredelijk en niet onverantwoord") die sinds het zojuist genoemde HR NJ 1997, 389 als achterhaald wordt beschouwd.

Met betrekking tot voorwerpen die op de voet van art. 94a Sv zijn inbeslaggenomen moet daarentegen, indien een ander dan de beslagene pretendeert rechthebbende te zijn en daarom teruggave verzoekt, worden nagegaan of buiten redelijke twijfel staat dat die derde (inderdaad) eigenaar is, vgl. HR NJ 1998, 575, maar zelfs indien die gepretendeerde aanspraak gegrond lijkt te zijn staat nog niet vast dat het beslag ten onrechte is gelegd of in ieder geval niet kan voortduren. De enkele omstandigheid dat een voorwerp geheel of ten dele aan een ander toebehoort brengt immers nog niet mee dat het voorwerp niet tot verhaal van een ontnemingsmaatregel kan dienen. Vgl HR 1998, 575 en HR 2002, 368 in verband met mede-eigendom, en sedert medio 2003 de in het derde en vierde lid van art. 94a Sv gegeven regeling.

10. De bestreden beschikking zal derhalve niet in stand kunnen blijven. Met het oog op een nieuwe behandeling wijs ik er voor de goede orde nog even op dat de wetgever bijzondere bepalingen heeft opgenomen teneinde in een beklagprocedure als de onderhavige te verzekeren dat diverse (mogelijk) belanghebbenden zich kunnen verweren, vgl art. 552ca, derde lid, en art. 552a, vijfde lid, Sv.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,