Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2547

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
C06/126HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Geschil over de onrechtmatigheid van in het kader van strafvervolging verrichte onderzoeksrapportages over lichamelijk en geestelijk welzijn van verdachte (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 332
RvdW 2007, 496
NJB 2007, 1129
JWB 2007/200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/126HR

mr. J. Spier

Zitting 16 maart 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

1. De Staat der Nederlanden,

2. [Verweerder 2]

3. Stichting De Gelderse Roos

4. Stichting Ziekenhuisvoorzieningen Gelderse Vallei

5. [Verweerster 5]

6. [Verweerder 6]

7. [Verweerder 7]

(hierna respectievelijk: de Staat, Gelderse Roos, Gelderse Vallei, [verweerster 5], [verweerder 6], [verweerder 7] en [verweerder 2]).

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten, zoals deze zijn vastgesteld in het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 20 oktober 2004. Ook het Hof Arnhem is daarvan, zoals blijkt uit rov. 3 van zijn arrest van 20 december 2005, uitgegaan.

1.2 Op 18 februari 1996 is [eiseres] in verzekering gesteld op het politiebureau te Arnhem op verdenking van het plegen van strafbare feiten gericht tegen een haar bekende familie. Het ging daarbij om feiten zoals het meerdere malen gooien van (bak-)stenen door de ruiten van hun woning, het opzettelijk beschadigen van hun auto, het bekladden van de woning van hun dochter met verf, het plegen van telefoonterreur, bedreiging en smaad.

1.3.1 Aansluitend is [eiseres] in bewaring gesteld. Op 21 februari 1996 heeft de Rechter-Commissaris in strafzaken van de Rechtbank Arnhem (hierna: de R-C) tot deskundige benoemd dr. D. Daniëls, verbonden aan de toenmalige districtspsychiatrische dienst (thans genaamd de forensisch psychiatrische dienst; hierna FPD). Daniëls - of een andere door hem aan te wijzen psychiater/psycholoog - diende zo spoedig mogelijk een multidisciplinair onderzoek te doen naar de persoonlijkheid van [eiseres] en de eventuele achtergronden van haar delinquent gedrag. Ook moest hij een onderzoek instellen naar - samengevat - de geestelijke vermogens van [eiseres] (hierna: het pro justitia-onderzoek). In deze beschikking heeft de R-C voorts bepaald dat het onderzoek per 21 februari 1996 aanving en diende plaats te vinden waar de deskundige dit nodig achtte.

1.3.2 Bij brieven van 21 februari 1996 van de R-C is [verweerder 2] verzocht om [eiseres] zo spoedig mogelijk te bezoeken. Het doel van dit consultbezoek was een eerste psychiatrische beoordeling van [eiseres] teneinde haar "geschiktheid om in detentie te verblijven" in te schatten, de noodzaak van zorg- of hulpverlening te onderzoeken en daarover aan de R-C te rapporteren.

1.4 [Verweerder 2] heeft [eiseres] op 22 februari 1996 in de politiecel bezocht. Diezelfde dag heeft hij de R-C geadviseerd [eiseres] voor nadere observatie en diagnostiek op te laten nemen. De R-C heeft geïnformeerd bij [verweerster 5] (psychiater in het psychiatrisch ziekenhuis te Wolfheze (thans een onderdeel van Gelderse Roos) of [eiseres] daar kon worden opgenomen; zulks was op dat moment nog niet het geval. Vervolgens heeft de R-C telefonisch contact gehad met de psychiater [verweerder 7] van de Bennekomse vestiging van Gelderse Vallei. [Verweerder 7] heeft ingestemd met opname van [eiseres] op de psychiatrische afdeling aldaar (hierna: de paaz).

1.5.1 Op 23 februari 1996 heeft de R-C [eiseres] als verdachte verhoord. In het proces-verbaal daarvan is (onder meer) opgenomen:

"Verdachte verklaart:

U houdt mij de schorsingsvoorwaarden voor. Ik ga daarmee accoord. Ik ben bereid om mij in het kader van een schorsing tot bewaring vrijwillig te laten opnemen op de psychiatrische afdeling van het streekziekenhuis in Bennekom."

1.5.2 Diezelfde dag is [eiseres] opgenomen op de paaz te Bennekom.

1.6.1 Op 29 februari 1996 heeft [verweerder 2] aan de R-C een "brief-rapport" met betrekking tot de toestand van [eiseres] uitgebracht. In het rapport staat (onder meer) dat [eiseres] instemde met een vrijwillige opname. [Verweerder 2] heeft in het rapport de volgende differentiaal diagnostiek vermeld:

"1. Uitsluiten ruimte-innemend proces in cerebro

2. Geïsoleerd paranoid waansysteem, met sexueel getinte betrekkingsideeën.

3. Dyssociatieve stoornis

4. Bijkomende persoonlijkheidsstoornis."

1.6.2 Onder het kopje 'Beleid' staat in het rapport vermeld:

"In overleg met de R.C. vrijwillige opname. [Verweerster 5] van "Wolfheze" heeft hierin bemiddeld: pat.e is op 24 februari opgenomen op de Paaz te Bennekom, bij [verweerder 7].

Vraagstelling in deze: nadere diagnostiek.

Pat.e is opgenomen in het kader van schorsing. Mocht zij vertrekken dan zijn er afspraken voor een justitiële opname in

"Wolfheze" waar P.J. rapportage zal worden verricht. (...)"

1.6.3 Van zijn rapport heeft [verweerder 2] een kopie verzonden aan [verweerder 7].

1.7.1 Op de paaz is [eiseres] geobserveerd en onderzocht door onder meer [verweerder 7] en de psychologe [betrokkene 1]. Op 14 maart 1996 heeft [verweerder 7] een rapportage uitgebracht, gericht aan de huisarts van [eiseres] en in afschrift verzonden aan de opnamecoördinator van Wolfheze, aan [verweerster 5] en [verweerder 2]. In zijn rapport heeft [verweerder 7] de volgende diagnose gesteld:

"(...) bij patiënte is sprake van een geïsoleerd paranoid waansysteem, naast persoonlijkheidsproblematiek waarin paranoidie eveneens een groot aandeel lijkt te hebben.(...) Een ruimte-innemend proces in cerebro kon worden uitgesloten. Tijdens de observatieperiode werden geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een dissociatieve stoornis."

1.7.2 [Verweerder 7] heeft zijn rapportage besloten met het advies [eiseres] langduriger te observeren, na de opmerking dat in de observatieperiode onvoldoende inzicht werd verkregen - zowel uit observaties als uit psychologisch onderzoek - "over wat zich in [eiseres] afspeelde."

1.8 De R-C heeft op 21 maart 1996 de voorwaarde voor de schorsing van de bewaring van [eiseres] - op grond waarvan zij op de paaz te Bennekom verbleef - gewijzigd. Na (onder meer) te hebben overwogen dat [eiseres] uiterlijk 2 april 1996 in Wolfheze kon worden opgenomen voor het pro justitia-onderzoek, dat zij tot die tijd in een ziekenhuis diende te verblijven en dat zij blijkens telefonische mededelingen van haar raadsman daarmee instemde, heeft de R-C beslist:

"..dat verdachte mee blijft werken aan opname in het streekziekenhuis te Bennekom en zal meewerken aan opname en observatie in het psychiatrisch ziekenhuis te Wolfheze, terwijl zij zich voorts zal houden aan de aanwijzingen en voorschriften door medewerkers van die instellingen te geven."

1.9 Aansluitend aan haar opname op de paaz werd [eiseres] op 26 maart 1996 opgenomen in Wolfheze. Die opname heeft geduurd tot 2 mei 1996; de R-C heeft de bewaring toen opgeheven.

1.10 In Wolfheze is [eiseres] onderzocht door onder meer [verweerster 5] en de psycholoog [verweerder 6]. Op 14 juni 1996 hebben [verweerster 5] en [verweerder 6] op basis van lichamelijk, psychiatrisch en psychologisch onderzoek, alsmede verpleegkundige observatie een 20 pagina's tellende pro justitia-rapportage aan de R-C uitgebracht. Aan het einde daarvan hebben zij - samengevat - aangegeven dat [eiseres] lijdt aan een paranoïde waanstoornis welke met haar persoonlijkheid samenhangt en die op oudere leeftijd is ontstaan. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat [eiseres] leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens op grond waarvan inzicht in de wederrechtelijkheid van haar daden en de mogelijkheid haar wil te bepalen ontbraken. Deswege zou het haar ten laste gelegde, indien bewezen, niet zou kunnen worden toegerekend. Zij hebben tot slot geadviseerd [eiseres] op de voet van art. 37 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis te laten plaatsen, in verband met de naar hun mening grote kans op recidive.

1.11 Op 6 september 1996 heeft de met de behandeling van de strafzaak belaste Officier van Justitie (hierna: OvJ) aan de Crisisdienst van het RIAGG te Nijmegen (onder meer) geschreven:

"De familie [A] (de slachtoffers) ervaart tot op de dag van vandaag nog steeds intensieve overlast o.a. in de vorm van telefoontjes, het bestellen van taxi's en het afleveren van bloemen en gebak. Middels een vangapparaat op hun telefoon kunnen de vele telefoontjes door de PTT in kaart worden gebracht (...). De overlast duurt nu circa anderhalf jaar. Alleen in de periode van 23 februari 1996 tot en met 2 mei 1996, 12.00 uur (periode waarin [eiseres] voor pro-justitia onderzoek en onder voorwaarden van de Rechter-Commissaris in psychiatrische ziekenhuizen verbleef) is er geen overlast geweest.

Hoewel er op zich een panklare strafzaak ligt gaat de voorkeur onzerzijds uit naar een andere afdoening, namelijk door middel van een Rechterlijke Machtiging in welk geval de strafzaak voorwaardelijk zal worden geseponeerd.

Wilt u de mogelijkheden bezien en mij berichten?"

1.12 [Eiseres] is vervolgens door de Crisisdienst van het RIAGG uitgenodigd voor een gesprek op 14 oktober 1996. Op 2 december 1996 heeft de psychiater [betrokkene 2] van die dienst aan de OvJ onder andere geschreven:

"Wij zagen cliënte verspreid over twee contacten. Verder hebben wij de zeer uitvoerige documentatie bestudeerd.

(...)

Psychiatrisch onderzoek:

(...) Er zijn geen psychotische kenmerken. (...) Dit gedrag past psychodynamisch gezien bij een paranoïde tendens.

Conclusie en overweging:

Gezien de anamnese, de levensgeschiedenis en het psychiatrische onderzoek kunnen wij thans geen psychiatrisch ziektebeeld vaststellen. Ook is er geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis.

Wel zijn er bij herhaling paranoïde tendensen vastgesteld, maar die hoeven niet per se een psychopathologisch kaliber te hebben.

Het komt wel voor dat er focale stoornissen, eventueel waanstoornissen bestaan, die buiten het gezichtsveld van de behandelaren, zelfs cliënten vallen. Het is de vraag, indien het haar ten laste gelegde bewezen wordt, of men dit als een waanstoornis kan betitelen. Betrokkene had en heeft een relatie met het slachtoffergezin en in zekere zin kan haar gedrag 'functioneel' zijn. Een variant dissociatieve stoornis zou dan ook overwogen moeten worden.

Al met al zijn er thans te weinig zichtbare psychopathologie en gedragsstoornissen aanwezig om door ons een rechterlijke machtiging te laten uitschrijven. (...)"

1.13 Op 16 december 1996 is vanuit de afdeling psychiatrie van het Radboudziekenhuis te Nijmegen aan de RIAGG Crisisdienst over [eiseres] (onder meer) geschreven:

"Op 14/11/96 zagen ondergetekenden bovengenoemde patiënte. Zij had met ons een afspraak om een aantal onduidelijkheden te bespreken, welke voortvloeiden uit de ingewikkelde gang van zaken n.a.v. een verwijzing naar onze polikliniek op verzoek van patiënte zelf.

(...)

Onze psychiatrische bevindingen tot dusverre: wij hebben geen psychotische verschijnselen bij patiënte kunnen vaststellen. Er bestaat inderdaad, zoals patiënte ook zelf aangeeft, een verhoogde mate van achterdocht. Deze is niet wanend van karakter, daar patiënte genegen is om hier kritisch naar te kijken, over kan nadenken en ook kan aangeven waarom er een ernstige achterdocht is ontstaan. Wij zijn van mening dat wij op basis van onze bevindingen niet konden concluderen tot een waanstoornis. (...)"

1.14 Bij brief van 17 april 1997, gericht aan de Raad van Bestuur van Gelderse Vallei, heeft [eiseres] een klacht ingediend. In die brief heeft zij (onder meer) vermeld:

"Voor de handelwijze van alle opgesomde punten en nalatigheid stel ik het ziekenhuis "de Gelderse Vallei" en [verweerder 7] en [betrokkene 1] persoonlijk en/of hun werkgevers) dan ook volledig aansprakelijk voor de somma van f 250.000,00 (...) voor alle materiële en immateriële (letsel en psychische) schade die is ontstaan en in de toekomst nog zullen ontstaan.

Ook stel ik bovengenoemde personen aansprakelijk voor zowel de buitengerechtelijke- en de processuele kosten alsmede de wettelijke rente om een volledige rehabilitatie van mij als persoon te verkrijgen. (...)"

1.15 Ook aan de Raad van Bestuur van het Algemeen Psychiatrisch ziekenhuis te Wolfheze heeft [eiseres] op 15 mei 1997 een "klachtbrief" gestuurd. Daarin staat (onder andere) vermeld:

"Voor de handelwijze van alle opgesomde punten en nalatigheid stel ik het APZ te Wolfheze voor de somma van f 500.000,00 (...) en de behandelaars ieder persoonlijk te weten [verweerster 5] psychiater, [verweerder 6], psycholoog en [betrokkene 3], psychiater in opleiding dan ook aansprakelijk voor de somma van f. 500.000,00 (...) voor alle materiële -en immateriële (letsel en psychische) schade die is ontstaan en in de toekomst nog zullen ontstaan.

Ook stel ik bovengenoemde personen een ieder en het APZ te Wolfheze aansprakelijk voor zowel de buitengerechtelijke- en de processuele kosten alsmede de wettelijke rente om een volledige rehabilitatie van mij als persoon te verkrijgen. (...)"

1.16 De klachtencommissie van Gelderse Vallei heeft de klacht van [eiseres] in behandeling genomen. Op 16 juni 1997 heeft (onder andere) [verweerder 7] daarover aan de secretaris van de commissie geschreven:

"Bij dezen willen we reageren op uw brief dd. 5 juni 1997.

Deze brief heeft betrekking op de klacht zoals deze gemeld werd bij de commissie door (..) [eiseres].

(...)

Met betrekking tot haar klachten genoemd onder de hoofdletters:

(...)

Hopende u zo voldoende geïnformeerd te hebben, (...)".

1.17 Op 4 augustus 1998 heeft [eiseres] bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle (RTC) klachten ingediend tegen vijf psychiaters, waaronder [verweerder 2], [verweerder 7] en [verweerster 5]. Tegen [verweerder 6] heeft zij een klacht ingediend bij het College van Toezicht (CvT) van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).

1.18 De klacht tegen [verweerder 2] is op 19 februari 2000 door het RTC gegrond verklaard en gevolgd door het opleggen van een waarschuwing. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep aangetekend.

1.19 Bij onherroepelijk arrest van het Hof 's Hertogenbosch van 12 oktober 2000 is een aantal van de onder 1.2 genoemde feiten bewezen verklaard.(1) Het Hof heeft de conclusie van het pro justitia-onderzoek van [verweerster 5] en [verweerder 6] niet overgenomen en heeft [eiseres] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

1.20 Op 5 januari 2001 heeft [eiseres] opnieuw brieven over de kwestie geschreven, gericht aan de Raad van Bestuur van het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis Wolfheze en aan de Raad van Bestuur van Gelderse Vallei. In beide brieven staat (onder meer):

"U zult begrijpen dat ik u en uw behandelaars onverkort aansprakelijk acht voor de geleden materiële en immateriële schadevergoeding (...)

(...)

Teneinde niet in het geding te komen met een eventuele verjaring kom ik op de kwestie terug en houd dus u onverkort aansprakelijk voor alle materiële en immateriële schade alsmede voor de buitengerechtelijke en processuele kosten en de wettelijke rente. In dit kader verwijs ik u naar alle eerder gevoerde correspondentie. (...)".

1.21 Het College van Beroep (CvB) van NIP heeft op 23 februari 2001 de beslissing van het CvT van 9 februari 2000 op de klacht tegen [verweerder 6], waartegen zowel [eiseres] als [verweerder 6] beroep hadden aangetekend, vernietigd. Deze zaak is geëindigd zonder oplegging van enige maatregel aan [verweerder 6].

1.22 In zijn beslissingen van 7 juni 2001 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) in het door [eiseres] ingestelde hoger beroep de door bet RTC afgewezen klachten tegen [verweerder 7] en [verweerster 5] alsnog (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

1.23 Bij brief van 8 augustus 2001 aan de Raad van Bestuur van Gelderse Vallei heeft [eiseres], onder andere, geschreven:

"Bij deze houd ik u dan ook overkort aansprakelijk voor alle materiële en immateriële schade, buitengerechtelijke en processuele-kosten en wettelijke rente. Ten einde niet in herhaling te hoeven treden verwijs ik u en uw medewerkers c.q. [verweerder 7] en [betrokkene 1], in dit kader naar alle eerder gevoerde correspondentie waarin uitvoerig de aansprakelijkheid is uiteengezet.

(...)"

1.24 Op 29 januari 2002 heeft de raadsman van [eiseres] aan de raadsvrouwe van [verweerder 7] geschreven dat [verweerder 7] door [eiseres] aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden door de rapportage van [verweerder 7].

1.25 Het is wellicht dienstig nog te vermelden dat uit de stukken blijkt dat:

a. de raadsman van [eiseres] in de strafzaak in appèl heeft bepleit dat zij zou worden ontslagen van rechtsvervolging, zulks op basis van de hiervoor bedoelde rapportages;

b. het Hof bij de bepaling van de strafmaat expliciet heeft verdisconteerd "het leed dat verdachte reeds heeft ondergaan, waaronder twee opnames in psychiatrische ziekenhuizen".(2)

2. Procesverloop

2.1.1 [Eiseres] heeft op 27 januari 2003 de Staat, Gelderse Roos, Gelderse Vallei, [verweerster 5], [verweerder 6], [verweerder 7] en [verweerder 2] doen dagvaarden voor de Rechtbank Arnhem. Zij heeft gevorderd:

a. een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [verweerster 5], [verweerder 6], [verweerder 7] en [verweerder 2];

b. hoofdelijke veroordeling van gegaagden tot betaling van € 50.000 als voorschot op de definitief vast te stellen schadevergoeding;

c. hoofdelijke veroordeling tot betaling van de door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zulks met een nevenvordering.

2.1.2 [Eiseres] heeft aan haar vordering, naast hetgeen onder 1 is weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. [Verweerder 2] heeft onzorgvuldig/onrechtmatig gehandeld door ondeugdelijk over haar te rapporteren. Het "briefrapport" voldoet niet aan de eis van inzichtelijkheid en consistentie, onder meer omdat een voorlopige conclusie ontbreekt en bronvermeldingen onvolledig zijn. De Staat is eveneens voor deze schade aansprakelijk omdat [verweerder 2] destijds bij hem in dienst was, althans door de Staat (FPD) als hulppersoon is ingeschakeld.

2.1.3 [Verweerder 7] heeft onzorgvuldig/onrechtmatig gehandeld door [eiseres] niet goed te informeren over aard en doel van haar verblijf en ondeugdelijk over haar te rapporteren. Gelderse Vallei is eveneens voor deze schade aansprakelijk omdat [verweerder 7] destijds bij haar in dienst was, althans door haar als hulppersoon is ingeschakeld.

2.1.4 [Verweerster 5] en [verweerder 6] hebben onzorgvuldig gehandeld door ondeugdelijk over [eiseres] te rapporteren. [Verweerster 5] is er voorts voor verantwoordelijk dat [eiseres] te lang en op onjuiste gronden in een gesloten afdeling van het ziekenhuis moest blijven. Voorts is zij er verantwoordelijk voor dat [eiseres] tijdens haar verblijf onbehoorlijk werd bejegend. [Verweerster 5] heeft verder onrechtmatig gehandeld door, vooruitlopend op de uitkomst van haar onderzoek, een opnameplaats althans een behandelplaats bij de afdeling psychiatrie van het ziekenhuis AZN "St. Radboud" te Nijmegen voor haar te regelen. [Eiseres] is hiermee haar opdracht te buiten gegaan en heeft haar geheimhoudingsverplichting en het recht op pricacy van [eiseres] geschonden. Tot slot is [verweerster 5] er voor verantwoordelijk dat het letsel dat [eiseres] bij gelegenheid van haar arrestatie aan haar arm had opgelopen niet goed is verzorgd.

2.1.5 [Verweerder 6] is samen met [verweerster 5] verantwoordelijk voor de pro-justitia-rapportage die zij gezamenlijk hebben verzorgd.

[Verweerder 6] onderschrijft de conclusies die onjuist zijn gebleken. [Verweerder 6] heeft voorts zijn geheimhoudingsverplichting en daarmee de privacy van [eiseres] geschonden door tijdens een latere therapeutische sessie met andere patiënten dermate expliciet over haar casus te vertellen, dat een van de deelnemende patiënten onmiddellijk wist dat het om [eiseres] ging.

2.1.6 Gelderse Roos is aansprakelijk omdat [verweerster 5] en [verweerder 6] destijds bij haar in dienst waren, althans door haar als hulppersonen zijn ingeschakeld.

2.1.7 Door een en ander is zij getraumatiseerd.

2.2 De Staat en [verweerder 2] enerzijds en de overige partijen anderzijds hebben gezamenlijk verweer gevoerd.

2.3.1 In haar vonnis van 20 oktober 2004 heeft de Rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

2.3.2 Met betrekking tot de vorderingen tegen de Staat en [verweerder 2] verwerpt de Rechtbank de stelling dat uit de beslissing van de tuchtrechter volgt dat [verweerder 2] onrechmatig zou hebben gehandeld. [Eiseres] heeft (overigens) onvoldoende gesteld waaruit het onrechtmatig handelen valt af te leiden (rov. 6). Bovendien ontbreekt het causaal verband, terwijl [eiseres] zelf heeft ingestemd met haar vrijwillige opname (rov. 7).

2.3.3 Met betrekking tot de vordering tot de overige gedaagden, wordt het door [verweerder 7], [verweerster 5] en [verweerder 6] gedane beroep op verjaring gehonoreerd (rov. 9).

2.3.4 Voor zover de vorderingen tegen Gelderse Roos en Valei is gebaseerd op de in rov. 2.2 gemoemde omstandigheden overweegt de Rechtbank dat deze zijn bestreden en dat [eiseres] heeft nagelaten "die gebeurtenissen nader feitelijk te onderbouwen" (rov. 12). Op de onrechtmatigheid, gebaseerd op het tuchtrechtelijk oordeel, gaat de Rechtbank niet in omdat de vordering al afstuit op het ontbreken van causaal verband (rov. 13 met uitwerking in de daarop volgende rovv.). Daarbij wijst de Rechtbank nog op de hierboven onder 1.25 sub a genoemde omstandigheid (rov. 15). Met betrekking tot het getraumatiseerd en gestigmatiseerd zijn, heeft [eiseres] "geen voldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat zij in haar persoon is aangetast" (rov. 16). Het voor [eiseres] zwaar wegende aspect van de aantasting in eer en goede naam, wordt van tafel geveegd met de overweging dat haar eigen gedrag, waarvoor zij is veroordeeld, de aanleiding is geweest tot wat zij noemt "aanraking met het psychiatrisch circuit". Dit is niet veroorzaakt door [verweerder 7] c.s. of door de opnames "hoezeer zij ook als negatief en stigmatiserend zijn ervaren door [eiseres], op zich zelf een publieke schande zijn"(3) (rov. 17). Nu de inhoud van de rapportages, indien al onjuist, slechts in beperkte kring van juristen en psychiaters/psychologen bekend zijn, hebben zij de goede naam en eer van [eiseres] niet kunnen aantasten; nog daargelaten dat [eiseres] zich zelf in de strafzaak van de rapporten heeft bediend (rov. 18).

2.4 [Eiseres] heeft hoger beroep ingesteld. Geïntimeerden hebben het bestreden vonnis verdedigd.

2.5.1 Het Hof te Arnhem heeft in zijn arrest van 20 december 2005 het bestreden vonnis bekrachtigd. Na in rov. 5.1 de kern van het geschil te hebben omlijnd, wordt - voor zover in cassatie van belang - overwogen:

"5.2 De rechtbank heeft, voor zover de vorderingen betrekking hebben op [verweerder 2] en de Staat, geoordeeld dat, kort gezegd, niet is komen vast te staan dat [verweerder 2] onzorgvuldig heeft gehandeld (rov. 6 van het bestreden vonnis) en voorts - als zelfstandige afwijzingsgrondslag - dat het causaal verband ontbreekt tussen het vermeende onrechtmatig handelen van [verweerder 2] en het verdere verloop van de strafprocedure (en de gestelde dientengevolge geleden schade) (rov. 7 van het bestreden vonnis).

5.3 Tegen laatstgenoemd oordeel heeft [eiseres] geen grief gericht zodat in appel als vaststaand heeft te gelden dat het causaal verband ontbreekt tussen het vermeende onrechtmatig handelen van [verweerder 2] en de schade. De vorderingen zoals weergegeven in rov. 4 onder b en c, voor zover gericht tegen [verweerder 2] en de Staat, kunnen reeds op die grond niet worden toegewezen. Gelet daarop behoeft grief I, waarmee [verweerder 2] opkomt tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het onrechtmatig handelen van [verweerder 2], geen beoordeling omdat ook indien deze grief slaagt, dit niet kan leiden tot toewijzing van voornoemde vorderingen.(...)."

2.5.2 Met betrekking tot de verjaring geeft het Hof aan dat het in appèl gaat om de vraag of aan de brief van 17 april 1997 aan Gelderse Valei en van 15 mei 1997 aan Gelderse Roos stuitende werking toekomt (rov. 5.5). Het Hof neemt aan dat [verweerder 7] kennis heeft genomen van de brief van 17 april 1997 (rov. 5.6). [Verweerster 5], [verweerder 6] en [verweerder 7] moesten, volgens het Hof, uit bedoelde brieven redelijkerwijs begrijpen dat [eiseres] ten aanzien van de door haar gestelde schade als gevolg van "het overige onzorgvuldig handelen" als bedoeld in rov. 2.2 tweede alinea van het bestreden vonnis(4) haar rechten voor wenste te behouden (rov. 5.7). Daarop wordt overwogen:

"5.8 Het voorgaande geldt evenwel niet voor zover [eiseres] haar vorderingen baseert op het ondeugdelijk rapporteren (...). Dit verwijt verschilt wat betreft de aard daarvan en de feitelijke grondslag zozeer van het hiervoor besproken verwijt, dat het kan worden gekwalificeerd als een andere, op zichzelf staande rechtsvordering (vgl. HR 8 oktober 2004, NJ 2004, 659). Die rechtsvordering, waarvan de verjaringstermijn eveneens een aanvang heeft genomen op 26 maart 1996 respectievelijk 14 juni 1996, is met de brieven van 17 april 1997 en 15 mei 1997 niet gestuit. In die brieven rept [eiseres] immers niet over het ondeugdelijk rapporteren van [verweerster 5], [verweerder 6] en [verweerder 7]. (...) Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op ondeugdelijk rapporteren, zijn deze verjaard (...).

2.5.3 Met betrekking tot de resterende vorderingen geeft het Hof aan dat en waarom het de toewijsbaarheid daarvan zal beoordelen (rov. 5.9). Nopens de kosten van de tuchtprocedures overweegt het Hof:

"5.10 Met haar vierde grief betoogt [eiseres] dat de kosten van tuchtrechtelijke procedures toewijsbaar zijn omdat sprake is van bijzondere omstandigheden daarin gelegen dat de tuchtrechter - anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2003, NJ 2003, 537 - bij de beoordeling van het handelen van [verweerder 7] c.s. een zelfde maatstaf heeft gehanteerd als de door de civiele rechter te hanteren maatstaf bij de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen van [verweerder 7] c.s. Om die reden kunnen, aldus [eiseres], de uitspraken van de tuchtrechters in dit geval worden aangemerkt als (deskundigen)oordelen waarmee de beroepsfouten van [verweerder 7] c.s. zijn komen vast te staan zodat de in het kader van de tuchtprocedures gemaakte kosten moeten worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 onder b BW).

5.11 Het hof deelt die opvatting niet. De aangevoerde omstandigheden laten onverlet dat, zoals de Hoge Raad in voornoemd arrest heeft overwogen, uitgangspunt is dat een tuchtprocedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, ook al kan het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van de beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is en kan deze omstandigheid een belanghebbende (mede) aanleiding geven om, zoals hier, een civiele procedure te beginnen. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheden oordeelt het hof niet als zodanig bijzonder of uitzonderlijk dat deze een uitzondering op voornoemd uitgangspunt rechtvaardigen.

2.5.4 Het Hof roept in herinnering dat de Rechtbank de kosten van de strafrechtelijke procedure wegens het ontbreken van causaal verband heeft afgewezen (rov. 5.13), waarna wordt overwogen:

"5.14 (..) Op zichzelf is niet ondenkbaar dat de aard en de ernst van de strafprocedure als gevolg van het vermeende onrechtmatig handelen is verzwaard, maar [eiseres] heeft nagelaten om de schade - bestaande uit meerwerk van haar raadsman - die zij dientengevolge heeft geleden deugdelijk uiteen te zetten en te onderbouwen met stukken. In het bijzonder gelet op de beslissing van de rechtbank op dat onderdeel, mocht van [eiseres] worden verwacht dat zij in ieder geval in appel haar vordering cijfermatig had onderbouwd en nader had gepreciseerd zodat beoordeeld kon worden in hoeverre zij door het onrechtmatig handelen nadeel had geleden. Niet alleen had zij het feitelijk verloop van de strafzaak daarvoor moeten uiteenzetten en de daarmee gemoeide kosten, ook had zij daarnaast het hypothetisch verloop - het onrechtmatig handelen weggedacht en aanegnomen dat de strafzaak voor de politierechter had gediend - moeten uitwerken. Nu zij dit heeft nagelaten is het Hof niet in staat de schade op dit onderdeel te begroten, zodat de vordering van [eiseres] op dit punt moet worden afgewezen."

2.5.5 Het Hof signaleert dat [eiseres] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel dat zij haar lichamelijk letsel onvoldoende heeft onderbouwd, dat geen sprake is geweest van aantasting van eer of goede naam, dan wel dat er geen causaal verband bestaat tussen die aantasting en het vermeende onrechtmatig handelen. Het Hof gaat er daarom vanuit dat [eiseres] haar vordering ter zake van immateriële schade niet (langer) baseert op "die voornoemde gronden" (rov. 5.15). Het Hof vervolgt zijn gedachtegang dan:

"5.16 Grief VI is, zo begrijpt het hof, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] geen concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit volgt dat zij als gevolg van het vermeende onrechtmatig handelen in haar persoon is aangetast. In de toelichting op die grief voert [eiseres] aan dat zij door het vermeende onrechtmatig handeleneen (gezonde) achterdocht heeft ontwikkeld ten aanzien van instanties, dat zij als gevolg van die achterdocht oververmoeid en overbelast is geraakt, zich mede ten gevolge daarvan onder behandeling heeft gesteld van de alternatieve geneeskunst en dat zij uiteindelijk haar baan is kwijtgeraakt en gedeeltelijk in de WAO is terechtgekomen.

Het hof stelt (..) voorop dat de partij die zich beroept op psychsiche beschadigingen van zodanige aard dat een aantasting van de persoon aanwezig geoordeeld kan worden, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen worden vastgesteld (vgl. HR 19 december 2003, rov. 5.2.3, NJ 2004, 348).

5.18 Uit de brief van de huisarts van [eiseres] van 21 januari 1997 (...) volgt onvoldoende dat sprake is van geestelijk letsel. Daarin valt slechts te lezen "de opnames in de psychiatrie hebben zeker forse psychische schade opgeleverd", zonder dat daarbij wordt opgemerkt waaruit dit volgt, waaruit het letsel bestaat en of een behandeling noodzakelijk is. Uit de verklaring van [betrokkene 4] (als natuurgeneeskdundige werkzaam bij het Second Opinion Wellness Center) van 16 januari 2003 volgt slechts dat [eiseres] vanaf 28 augustus 2002 bij [betrokkene 4] onder behandeling is wegens oververmoeidheid en slapeloosheid die in stand worden gehouden door haar werksituatie en het negatieve contact met justitie. Dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het (zes jaar eerdere) vermeende onrechtmatig handelen, kan uit die verklaring niet worden afgeleid. (...)."

2.6 [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Staat en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen Gelderse Roos, Gelderse Vallei, [verweerster 5], [verweerder 6] en [verweerder 7] is verstek verleend. Partijen, voor zover verschenen, hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

3. Inleiding

3.1 Rechtbank en Hof hebben deze zaak nogal formeel afgehandeld, zij het dan ook dat uit rov. 5.20 van 's Hofs arrest enige compassie spreekt.

3.2 De moeilijkheid waarvoor Rechtbank en Hof zich allicht geplaatst zagen, is dat niet goed uit de verf is gekomen wat er precies is gebeurd. Met name is niet goed duidelijk wat [eiseres] heeft bewogen om de strafbare feiten waarvan zij werd verdacht (en waarvoor zij ten dele ook is veroordeeld) te begaan. Geheel zonder belang is dat m.i. niet, zoals ook in de tuchtprocedures naar voren is gekomen.

3.3 Tussen de eerste en latere psychiatrische bevindingen zit een niet onbelangrijk verschil. Dat kán zijn veroorzaakt door verwijtbare onvolkomenheden van de onderzoekers. Het kan ook het gevolg zijn van de omstandigheid dat zij aanvankelijk globaal te werk moesten gaan en over weinig (harde) gegevens beschikten en trouwens ook moeilijk konden beschikken. Ten slotte is zeker niet ondenkbaar dat [eiseres] erg emotioneel heeft gereageerd op haar inverzekeringstelling en hetgeen daarop is gevolgd. Dat zou zeer wel een plausibele verklaring kunnen zijn voor bedoelde discrepantie.

3.4 Alleen in het eerste geval zou het verwijt dat [eiseres] [verweerder 7] c.s. maakt hout snijden. In het tweede en derde scenario is weliswaar sprake van een onfortuinlijke gang van zaken, maar dat valt de onderzoekers redelijkerwijs niet te verwijten.

3.5 [Eiseres] heeft haar vordering niet gegrond op andere feiten of omstandigheden, daargelaten of deze enige kans van slagen zouden hebben gehad.

3.6.1 Ik gaf al aan dat Rechtbank en Hof, ongetwijfeld in het licht van de zojuist geschetste onduidelijkheden over de feiten waarmee zij bij lezing van het dossier en de vordering werden geconfronteerd, voor een ietwat strakke benadering hebben gekozen. [Eiseres] heeft, naast een voorschot, een verklaring voor recht gevorderd. Volgens het Hof heeft de Rechtbank zich in staat geacht een oordeel te vellen "over alle voor [eiseres] uit de gestelde onrechtmatige gedragingen voortvloeiende schade". Het Hof signaleert - in cassatie terecht niet bestreden - dat hiervan in appèl geen punt is gemaakt.

3.6.2 's Hofs oordeel is in zoverre goed te begrijpen dat uit de brieven waarop [eiseres] zich in het kader van de verjaring beroept, valt af te leiden dat de hoogte van de schade in haar ogen al zou vaststaan, al werd deze ook toen in genen dele onderbouwd of gespecificeerd.

3.6.3 Uitgaande van 's Hofs benadering valt het doek over het grootste deel van de vordering. Immers is 's Hofs oordeel dat [eiseres] over haar schade nauwelijks iets, laat staan concreets, heeft gesteld volkomen begrijpelijk.

3.7 Zoals hierna zal blijken, is ook dit cassatieberoep geen succes beschoren. Dat betekent niet dat:

a. het resultaat waartoe de onderzoekers aanvankelijk zijn gekomen juist is;

b. de gevolgen van de hele gang van zaken voor [eiseres] niet ernstig en ingrijpend zijn geweest. Daaraan doet niet af dat deze gevolgen de justitiële reactie zijn op gedragingen waarvoor zij (ten dele) is veroordeeld. Immers zijn de gevolgen hoe dan ook bijzonder ingrijpend, zoals eveneens uit de strafmotivering in appèl blijkt.

3.8 De voorziening in cassatie is niet geëigend om feitelijke kwesties op te helderen, hetgeen trouwens om de hiervoor kort geschetste redenen in deze zaak een schier onmogelijke opgave zou zijn. Dat zeker begrip bestaat voor en compassie met de uitermate verdrietige situatie waarin [eiseres] terecht is gekomen, kan niet tot een voor haar gunstig resultaat leiden. Cassatie is geen wondermiddel. De Hoge Raad is aan klachten gebonden en deze klachten kunnen slechts een beperkt deel van het geschil aan zijn oordeel onderwerpen.

4. Bespreking van de middelen

4.1 Middel 1 keert zich tegen de de eerste volzin van rov. 5.3 waarin wordt overwogen dat [eiseres] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat het causaal verband tussen het vermeende onrechtmatig handelen van [verweerder 2] en de schade ontbreekt. Volgens het middel heeft het Hof de vijfde volzin van onderdeel 5.4 van haar vijfde grief over het hoofd gezien.

4.2.1 De vijfde grief van [eiseres] luidt:

"Ten onrechte overweegt de Rechtbank dat er geen verband is tussen het handelen van gedaagden en de kosten van de strafprocedure."

4.2.2 In de toelichting op deze grief stelt [eiseres] onder 5.4 vanaf de vijfde volzin:

"Indien deskundigen juist hadden geadviseerd, had de voorlopige hechtenis van appellante niet voortgeduurd, was het niet nodig geweest een meervoudige kamerprocedure te volgen en was niet de eis van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gekomen. Immers, bij een deugdelijk onderzoek en een deugdelijke rapportage was het motief van appellante niet onopgehelderd gebleven. Indien het motief was vastgesteld en indien beter naar (de omgeving van) appellante was geluisterd, was nooit de onjuiste conclusie van een psychiatrische stoornis getrokken. Daarom hebben de onjuiste rapportages de aard en de ernst van de strafzaak verzwaard en daarmee voor appellante extra kosten met zich mee gebracht. (...) De aard en de omvang van de strafzaak is niet bepaald door de feiten op zich maar door de conclusies van geïntimeerden. Daarom zijn de kosten die appellante heeft moeten maken voor de strafzaak ook (deels) aan geïntimeerden toe te rekenen. Daarbij dient acht geslagen te worden op het gegeven dat appellante haar raadsman al had ingeschakeld in de fase van voorlopige hechtenis en ook in verband met haar opname in de psychiatrische ziekenhuizen."

4.3 Vooropgesteld zij dat de uitleg van grieven is voorbehouden aan de feitenrechter. In cassatie kan slechts de begrijpelijkheid van deze uitleg worden getoetst. De maatstaf hierbij is dat aan de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk moet zijn (geweest) op welke gronden het vonnis van de eerste rechter is aangevallen.(5)

4.4.1 De Rechtbank heeft overwogen dat aanleiding bestaat de vorderingen tegen enerzijds [verweerder 2] en de Staat en anderzijds [verweerder 7], [verweerster 5], [verweerder 6], Gelderse Vallei en Gelderse Roos afzonderlijk te beoordelen (rov. 3). Vervolgens is eerst de vordering tegen [verweerder 2] en de Staat besproken. Deze vordering wordt door de Rechtbank in rov. 6 en 7 afgewezen omdat - samengevat - [eiseres] onvoldoende heeft gesteld omtrent inhoudelijk onzorgvuldig handelen van [verweerder 2] en (los daarvan) tussen het handelen van [verweerder 2] en de gevolgen waarop [eiseres] zich beroept het noodzakelijk causaal verband ontbreekt.

4.4.2 Vanaf rov. 8 staat de Rechtbank uitsluitend stil bij de vorderingen van [eiseres] tegen [verweerder 7] c.s.. De vorderingen tegen [verweerder 7], [verweerster 5] en [verweerder 6] worden onder het subkopje 'verjaring' afgewezen. Onder het hoofdje 'Aansprakelijkheid' overweegt de Rechtbank met betrekking tot Gelderse Vallei en Roos:

"15. Ten aanzien van de gevorderde kosten van de strafprocedure geldt ten principale dat die niet door enig handelen van [verweerder 7] c.s. zijn veroorzaakt. [eiseres] was nu eenmaal al verdachte in een strafzaak vóórdat [verweerder 7] c.s. op het toneel verschenen en de R-C had reeds besloten tot een multi-disciplinair pro justitia onderzoek. Daardoor zou [eiseres] hoe dan ook met deze component te maken hebben gekregen. De kosten van de (al dan niet langere duur van de) strafzaak houden daarmee dus geen verband en tot vergoeding daarvan zijn [verweerder 7] c.s. ook niet op andere gronden gehouden. (...)"

4.5 [Eiseres] heeft in appèl rov. 3 van het vonnis van de Rechtbank (er is aanleiding voor een tweedeling) noch ook de door de Rechtbank gemaakte indeling bestreden. Uit de (indeling van) de mvg volgt integendeel dat [eiseres] de door de Rechtbank gehanteerde indeling heeft overgenomen. Alleen grief I ziet op rov. 6 waarin de vordering op [verweerder 2] en de Staat wordt afgekaart; dat blijkt heel duidelijk uit de tekst. Uit de toelichting op deze of enige andere grief valt het tegendeel niet af te leiden.

4.6 Het Hof heeft de indeling van de Rechtbank in zijn arrest gevolgd.

4.7 In het licht van het voorafgaande ligt volstrekt voor de hand dat het Hof heeft aangenomen dat grief V geen betrekking had op het geschil tussen [eiseres] enerzijds en de Staat en [verweerder 2] anderzijds. De tekst van deze grief biedt ook alleszins steun voor 's Hofs uitleg. Daarin wordt immers gerept van de kosten van de strafprocedure, welk oordeel van de Rechtbank geen betrekking had op het geding tegen [verweerder 2] en de Staat.

4.8 Het Hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat de gehele toelichting - en dus ook het onder 4.2.2 geciteerde gedeelte - op deze grief voortbouwde. Dat oordeel is allerminst onbegrijpelijk. Een tegengesteld oordeel zou dat (vermoedelijk) wél zijn geweest.

4.9 Ten overvloede zij nog aangestipt dat, anders dan de geciteerde passage uit de mvg wil doen geloven, geen sprake was van een voortduren van voorlopige hechtenis. Deze was immers geschorst.

4.10 Het eerste middel loopt op dit een en ander stuk.

4.11 Middel 2 kant zich tegen rov. 5.8. Daarin zou het Hof zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de in art. 3:316 BW bedoelde stuiting. Het oordeel aangaande verjaring en stuiting wordt immers, volgens het middel, bepaald door de vraag of de door Hof genoemde wederpartijen ([verweerster 5], [verweerder 6], [verweerder 7] en hun werkgevers) "behoorden te weten dat zij nog steeds aansprakelijk gehouden" worden. Niet nodig is dat deze wederpartijen ook behoren te lezen waarom zij nog steeds aansprakelijk gehouden worden.

4.12 Het lijkt goed eerst de door het middel genoemde werkgevers te ecarteren. Immers heeft het Hof te hunnen aanzien geen verjaring aangenomen.

4.13 Het middel bestrijdt niet dat het in rov. 5.8 genoemde verwijt zozeer verschilt van het in de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen genoemde verwijten dat het kan worden gekwalificeerd als een andere, zelfstandige rechtsvordering (rov. 5.8 tweede volzin). Evenmin dat [eiseres] in de brieven van 17 april 1997 en 15 mei 1997 niet rept over het ondeugdelijk rapporteren van [verweerster 5], [verweerder 6] en [verweerder 7] (rov. 5.8 derde volzin).

4.14 Art. 3:316 BW, waarop het middel is gestoeld, ziet op stuiting van de verjaring door een daad van rechtsvervolging. De overwegingen van het Hof (5.4 tot en met 5.8) gaan uitsluitend in op de vraag of sprake is van succesvolle stuiting door diverse brieven (met verschillende inhoud en data).(6) Het middel ontbeert dus feitelijke grondslag.

4.15 Voor zover het middel al niet op deze klip strandt, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt niet aangegeven (dat en al helemaal niet) waarom 's Hofs oordeel in een situatie als onder 4.13 genoemd onjuist zou zijn.

4.16 Ook wanneer het middel - met maximale welwillendheid - zo zou worden gelezen dat sprake is van een typefout (die de steller ook bij het concipiëren van zijn s.t. moet zijn ontgaan) faalt het.

4.17 Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling: een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.(7)

4.18 Deze ratio brengt mee - hetgeen ook voor de hand ligt - dat de schuldenaar duidelijk moet zijn om welke vordering het gaat. Alleen als hij dat weet, kan hij immers bepalen welke stukken hij moet bewaren.

4.19 M.i. vergelijkbaar is de problematiek van eiswijziging bij stuiting op de voet van art. 3:316 BW. Uit de rechtspraak van Uw Raad vloeit voort dat van een nieuwe vordering - die een afzonderlijke stuiting vereist - geen sprake is wanneer de vermeerderde eis berust op dezelfde juridische en feitelijke grondslag als de vordering waarmee het geding was ingeleid.(8)

4.20 Uit het bovenstaande kan bezwaarlijk een andere conclusie worden getrokken dan dat voor een "andere, op zich zelf staande vordering" een daarop toegespitste stuitingshandeling is vereist. Immers gaat het in casu, naar het Hof in cassatie niet bestreden heeft geoordeeld, om een andere feitelijke grondslag. Ware dat al anders, dan behelst het middel op dat punt geen (laat staan begrijpelijke) klacht.

4.21 Ik heb mij nog afgevraagd welk belang [eiseres] bij dit middel heeft. Immers zijn naast [verweerder 7] c.s. ook Gelderse Roos en Vallei als werkgever aangesproken. Die vordering is niet verjaard.

4.22 Middel 3 klaagt er over dat het Hof in rov. 5.10 en 5.11 een wezenlijk deel van het verweer van [eiseres] niet heeft behandeld. Volgens het middel heeft het Hof geen rekening gehouden met het betoog van [eiseres] dat zij zich zonder de fouten van de rapporteurs niet tot de tuchtrechters zou hebben gewend. Tot de door die fouten veroorzaakte schade behoren daarom ook de kosten welke door [eiseres] gemaakt werden in het kader van de tuchtzaken.

4.23 In het Portielje-arrest(9) heeft Uw Raad als uitgangspunt gehanteerd dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder b BW. Daaraan doet niet af dat het oordeel van de tuchtrechter in de civiele procedure een rol kan spelen.(10)

4.24 Uw Raad heeft in genoemd arrest aangegeven dat bijzondere omstandigheden zouden kunnen nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op het uitgangspunt. Duidelijk is dat het daarbij om uitzonderingen in een concrete situatie moet gaan; generieke uitzonderingen wijst Uw Raad van de hand.(11)

4.25 In een vervolg-arrest heeft Uw Raad deze lijn doorgetrokken naar op art. 6:96 lid 2 onder a BW gebaseerde vorderingen.(12)

4.26 Als ik het goed zie dan meent [eiseres] dat als zodanige bijzondere omstandigheid kan gelden dat zij zich zonder de fouten van de rapporteurs niet tot de tuchtrechter zou hebben gewend.

4.27 De klacht mislukt reeds omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van fouten.

4.28 Zij faalt ook overigens. De enkele omstandigheid dat tussen een bepaalde uitgave (ik spreek met opzet niet van schade) en een veronderstellenderwijs aangenomen onrechtmatige daad een condicio sine qua non-verband bestaat, is onvoldoende om deze uitgave op een ander af te wentelen. Voor vergoeding moet een juridische basis zijn. Die basis bedoelt [eiseres], naar ik begrijp, uitdrukkelijk niet in art. 6:96 lid 2 BW te zoeken. Als fundament ziet zij kennelijk art. 6:162 BW.(13)

4.29 Een goede grond waarom het - los van de vaststelling van aansprakelijkheid - nuttig en nodig was om deze tuchtprocedures te entameren, heeft [eiseres] niet aangevoerd; in elk geval doet het middel er geen beroep op.(14) Daarom valt niet in te zien dat sprake is van rechtens relevante schade.

4.30 Het ligt bovendien buitengewoon weinig voor de hand dat vergoeding van deze kosten in beginsel onmogelijk is op de voet van art. 6:96 lid 2 BW en wél zonder enige onderbouwing op de voet van art. 6:162 BW.(15)

4.31 Voor zover de steller van het middel tot uitdrukking probeert te brengen dat het in casu gaat om kosten gemaakt ter verkrijging van genoegdoening(16) faalt de klacht op twee zelfstandige gronden:

a. een dergelijke stelling is in feitelijke aanleg niet betrokken; het middel noemt dan ook geen vindplaats in de stukken;

b. in het al vaker genoemde Portielje-arrest heeft Uw Raad beklemtoond dat het tuchtrecht (in die zaak van notarissen) in de eerste plaats in het algemeen belang in het leven is geroepen. Het dient er dus, nog steeds volgens dit arrest,

"niet in de eerste plaats (..)toe (..) de klager in geval van gegrondbevinding genoegdoening te verschaffen."(17)

4.32 De vraag of op grond van bijkomende omstandigheden van klemmende aard, buiten het raamwerk van art. 6:96 lid 2 BW, met succes aanspraak op vergoeding van kosten als de onderhavige zou kunnen worden gemaakt, laat ik thans rusten.

4.33 Middel 4a klaagt erover dat 's Hofs arrest niet deugdelijk is gemotiveerd. Het middel betoogt dat

"onbekend [is] waarom het Hof geen inzicht bood in haar(18) oordeel omtrent de door [eiseres] onmiskenbaar bedoelde omstandigheid dat het Openbaar Ministerie diens tenlastelegging en vordering alleen maar had kunnen baseren op de door [eiseres] onrechtmatig geachte rapportages van de psychologen en psychiaters."

4.34 Deze klacht is onbegrijpelijk. Zij voldoet evenmin aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat in het geheel niet wordt aangegeven op welke uiteenzettingen in feitelijke aanleg wordt teruggegrepen.

4.35 De steller miskent bovendien dat de vordering niet was gestoeld op handelen van het OM; de Staat is slechts aangesproken als werkgever van [verweerder 2]. Het Hof zou derhalve buiten de rechtsstrijd zijn getreden door daarop in te gaan.

4.36 De steller miskent ook dat [eiseres] niet is telastegelegd dat zij - kort gezegd - niet toerekeningsvatbaar was. Dat zou trouwens ook niet zinvol zijn geweest nu zulks geen strafbaar feit is.

4.37 Voor zover het middel - geheel buiten de rechtsstrijd - nog probeert aan te knopen bij de vordering van de OvJ(19) wordt miskend dat het juist de raadsman van [eiseres] was die in appèl zijn toevlucht heeft gezocht bij de rapportages die [eiseres] in deze procedure te vuur en te zwaar bestrijdt.

4.38.1 Middel 4b verwijt het Hof zeer hoge eisen te hebben gesteld aan de stelplicht van [eiseres] ten aanzien van "het door haar betaalde advocatenhonorarium [dat] veroorzaakt was door de gewraakte raportages". Uit de mvg zou blijken dat bijna 90% van de kosten daardoor is veroorzaakt.

4.38.2 Het middel mondt uit in een met "althans" ingeluide alinea die zich niet laat samenvatten omdat hetgeen daarin staat onbegrijpelijk is. De steller lijkt hier de advocatenkosten en vergoeding van het leed van [eiseres] op één hoop te vegen, zonder dat duidelijk wordt a) waarover wordt geklaagd, b) wat wordt toegevoegd aan de eerdere klacht en c) wat in dit verband de relevantie is van het leed.

4.39 De onder 4.38.1 weergegeven klacht verwijst naar de mvg onder 5.1 t/m 6.3. Hetgeen onder 6 staat, kan aanstonds worden geëcarteerd omdat dit de toelichting op grief VI is; deze ziet op een volstrekt andere kwestie.

4.40 De bewering dat in de mvg in de genoemde passages zou worden gesteld dat bijna 90%(20) van de kosten met de beweerdelijk ondeugelijke rapportages verband houdt, is uit de lucht gegrepen. Reeds daarop stuit het middel af.

4.41 Eerlijk gezegd, is mij ook niet goed duidelijk wat het bezwaar van [eiseres] op dit punt inhoudt. Het is haar goed recht om te menen dat de door haar gewraakte rapporten inhoudelijk onjuist zijn. Daarin kan ze gelijk hebben.(21) Feit blijft dat ze in de strafzaak in appèl zelf beroep op deze rapporten heeft gedaan. Bij die stand van zaken behoeft gedegen toelichting waarom sprake zou zijn van kosten die door deze rapporten zijn berokkend. Deze toelichting ontbreekt evenwel geheel.

4.42.1 Ten overvloede: het Hof heeft, in navolging van de Rechtbank, geoordeeld dat [eiseres] heeft nagelaten met stukken deugdelijk te onderbouwen dat de gewraakte diagnose van [verweerder 7] c.s. tot extra werk van haar advocaat heeft geleid (rov. 5.14 tweede volzin). Het Hof heeft daarbij overwogen dat "in het bijzonder gelet op de beslissing van de rechtbank op dat onderdeel", van [eiseres] mocht worden verwacht dat zij in ieder geval in appèl haar vordering cijfermatig had onderbouwd en nader had gepreciseerd zodat beoordeeld kon worden in hoeverre zij door het onrechtmatig handelen nadeel had geleden.

4.42.2 Het Hof grijpt hier terug op zijn onder 3.6 vermelde - in cassatie niet bestreden - oordeel dat, niettegenstaande de gevraagde verklaring voor recht, de schade in deze procedure kan worden vastgesteld.

4.43 Gegeven 's Hofs - als gezegd niet bestreden - uitgangspunt lag het inderdaad op de weg van [eiseres] haar schade op dit punt nader uit te werken. Haar stellingen muntten evenwel slechts uit door vaagheid en algemeenheden. Het is volstrekt begrijpelijk dat het Hof van oordeel was dat zij geen enkel aanknopingspunt boden voor een inhoudelijke beoordeling.

4.44 Middel 5 klaagt erover dat, bezien in het licht van hetgeen [eiseres] onder 6.1 tot en met 6.4 van haar mvg heeft gesteld en van hetgeen het Hof in de laatste volzin van rov. 5.16 heeft overwogen, zonder nadere toelichting niet begrepen kan worden waarom het Hof de in rov. 5.18 genoemde brieven van de huisarts en van [betrokkene 4] onvoldoende of irrelevant acht "tot de stelling dat haar geest gekrenkt was door hetgeen die rapporten teweeg brachten".

4.45 De s.t. van mr Carli beroept zich nog op andere vindplaatsen in de gedingstukken. Daarop ga ik niet in. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad moeten verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken in het cassatiemiddel worden opgenomen.(22)

4.46 Het begrip "aantasting in de persoon" als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW is weinig omlijnd. Terecht wijst Hartlief erop dat de rechter in het algemeen op dit punt niet erg scheutig is.(23) Sprake zal moeten zijn van een erkend psychiatrisch ziektebeeld.(24) Een gevoel van onbehagen, onvrede of ongenoegen is onvoldoende.(25) Geestelijk letsel valt eronder, mits het voldoende ernstig is.(26)

4.47 In rov. 5.19 heeft het Hof - kort gezegd - geoordeeld dat het in deze zaak alleen gaat om pretens psychisch letsel. Dat wordt in cassatie niet bestreden.

4.48 De partij die zich op aantasting in de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Een oordeel van de feitenrechter daaromtrent leent zich slechts in zeer beperkte mate voor toetsing in cassatie, verweven als het is met een waardering van feitelijke aard.(27)

4.49 De Rechtbank had in dit verband overwogen dat [eiseres] heeft aangevoerd:

"dat zij voor de rest van haar leven getraumatiseerd en gestigmatiseerd is, dat zij zich in haar menselijke waardigheid aangetast voelt, dat zij heeft gekampt met gevoelens van onmacht, dat het haar grote moeite kost de onjuiste conclusies van [verweerder 7] c.s. recht te zetten, dat zij zich gekrenkt en onnodig gegriefd voelt, dat zij levensvreugde heeft gederfd en dat zij achterdochtiger is geworden. Hierdoor heeft [eiseres] evenwel geen voldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat zij in haar persoon is aangetast. Daarvoor is in het algemeen nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel (...) kan worden vastgesteld, of dat op zijn minst deskundige (medische) hulp is gezocht. (...) Een dergelijke vaststelling is bij [eiseres] niet gedaan; evenmin heeft zij zich onder deskundige (medische) behandeling gesteld" (rov. 16).

4.50.1 Het door de Rechtbank geschetste juridisch kader is in appèl (terecht) niet bestreden. Ook het Hof is daarvan uitgegaan (rov. 5.17); dat wordt evenmin bestreden. Daarvan zal dan ook moeten worden uitgegaan.

4.50.2 En passant wordt in de mvg onder 6.4 opgemerkt dat [eiseres] deskundige hulp heeft moeten zoeken. Nadere informatie daarover geeft zij niet.

4.50.3 Zij bestrijdt in appèl niet dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven niet kan worden vastgesteld.

4.50.4 [Eiseres] volstaat er in hoger beroep mee te verwijzen naar een brief van de huisarts, waaruit slechts de door het Hof besproken passage wordt geciteerd, een brief van RIAGG, de uitspraak van het centraal tuchtcollege waaruit één zin wordt geciteerd ("Daaruit valt haar opstandigheid en achterdocht mogelijk te verklaren"). Verder maakt zij - zonder verdere toelichting - gewag van "gezonde achterdocht ten aanzien van deze [d.z. politie, justitie en psychiatrie] instanties en het gedeeltelijk in de wao zijn geraakt (niet wordt vermeld wanneer dat zou zijn gebeurd).

4.50.5 [Eiseres] rondt haar betoog in de mvg af met de stelling dat bij gebreke van andere deugdelijke oorzaken moet worden aangenomen dat "deze ontwikkelingen" op het conto van geïntimeerden moeten worden geschreven.

4.51 Het Hof is ingegaan op de stelling dat [eiseres] arbeidsongeschikt is geraakt. Tegen dat oordeel wordt geen (begrijpelijke) klacht gericht.

4.52 De onder 4.50.2 genoemde stelling biedt geen enkel aanknopingspunt. In het licht van het onder 4.49 en 4.50.1 genoemde juridische uitgangspunt kan zij [eiseres] hoe dan ook niet baten. Het Hof kan niet euvel worden geduid niet expliciet te hebben gerespondeerd op een evident ontoereikende stelling.

4.53 De resterende stellingen van [eiseres] missen belang in het licht van het onder 4.50.3 genoemde niet bestreden oordeel van de Rechtbank. Ook als 's Hofs oordeel tot vernietiging zou moeten leiden, kan na verwijzing geen andere uitkomst worden bereikt. Datzelfde geldt voor het citaat uit de uitspraak van het centraal tuchtcollege nu deze slechts van speculatieve aard is. Het is niet anders gesteld met de achterdocht etq; het gaat daarbij om niet onderbouwde stellingen. In het licht van het toepasselijke criterium, vermeld onder 4.49 en 4.50.1, zijn deze volstrekt ontoereikend.

4.54 Resteren de in het middel genoemde brief en de verklaring. Daarop is het Hof expliciet ingegaan. Voor zover het middel dat anders ziet,(28) mist het feitelijke grondslag. Voor zover het over 's Hofs daarover gevelde oordeel probeert te klagen, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt in het geheel niet aangegeven dat en waarom 's Hofs oordeel (in rov. 5.18) onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.

4.55.1 Met het Hof (rov. 5.20) wil ik zonder meer aannemen dat de litigieuze gebeurtenissen diep in het leven van [eiseres] hebben ingegrepen. Dat is betreurenswaardig, ongeacht de vraag of de medische oordelen al dan niet juist waren en wat de oorzaak van het handelen van [eiseres] was. Dat laat onverlet dat een vordering als de onderhavige nu eenmaal een gedegen onderbouwing vereist. De eisende partij kan, in het licht van de hiervoor genoemde rechtspraak, niet volstaan met het enkele poneren van vage en in niet (deugdelijk) onderbouwde stellingen.

4.55.2 Ik wil niet verhelen oog te hebben voor de schaduwzijden van deze benadering. Desondanks valt er ook veel voor te zeggen. Disputen over dit soort kwesties zijn uit de aard der zaak delicaat. Zij zijn voor de eisende partij onnodig belastend wanneer zij niet tot een positieve uitkomst leiden. Ook daarom is, al met al, vermoedelijk de minst slechte oplossing een zekere drempel in te bouwen vooraleer het komt tot een inhoudelijke beoordeling.

4.56 Gememoreerd zij nog dat [eiseres] slechts wegens vernieling meermalen gepleegd tot straf is verwezen. Daargelaten of het strafvorderlijk traject en hetgeen daarop is gevolgd proportioneel was,(29) is zeker niet onvoorstelbaar dat een dergelijke justitiële reactie:

a. tot een aanvankelijk heftige en emotionele reactie leidt. Daaruit zou door psychologen en psychiaters, naar mijn indruk, zeer wel een aanwijzing kunnen worden geput voor het soort vermoedens waarvan zij uitgingen. De deskundigen waren er niet van op de hoogte dat [eiseres] - zoals thans zal moeten worden aangenomen - niet meer of anders dan vernielingen op haar kerfstok had. Zij wist dat zelf wel, wat bedoelde reactie, naar ik aanneem, zou kunnen verklaren. In dit scenario - dat feitelijk niet vaststaat - is dus eveneens goed denkbaar dat de medische analyses (weliswaar verschoonbaar, maar nochtans) onjuist zijn;

b. tot een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder b BW kan leiden. Ik zou zeker niet willen uitsluiten dat op het stuk van stelplicht en bewijslast een zekere wisselwerking kan bestaan tussen de gestelde aantasting in de persoon en het feitencomplex waartoe dit wordt herleid.(30) Naarmate de aantasting plausibeler is, kan grond bestaan voor een feitelijk bewijsvermoeden. Nodig is dan wél dat de benadeelde daarop gemotiveerd beroep doet. In het middel is niets van die strekking terug te vinden.

4.57 Opmerking verdient ten slotte nog dat het onder 4.56 sub a geschetste scenario [eiseres] niet zou kunnen baten. Daarvan uitgaande dringt zich immers op dat geen fouten zijn gemaakt maar slechts op basis van de toen beschikbare gegevens verschoonbare vergissingen zijn begaan.

4.58 De enige hopelijk nuttige bijdrage die ik aan deze zaak kan leveren, is bij vervroeging concluderen. Wanneer Uw Raad, overeenkomstig deze conclusie, het beroep zou verwerpen, kan [eiseres] dit onfortuinlijke hoofdstuk van haar leven hopelijk afsluiten en zich richten op een betere toekomst.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Uit het door Gelderse Vallei c.s. bij cva overgelegde strafarrest blijkt dat de veroordeling betrekking heeft op enkele gevallen van opzettelijke vernieling en beschadiging.

2 Laatste prod. bij cva Gelderse Valei c.s.

3 Ik vestig er de nadruk op dat het hier gaat om een citaat.

4 Zie rov. 5.4 van 's Hofs arrest.

5 HR 5 december 2003, JBPr 2004, 18 M.A.J.G. Janssen (rov. 3.4.1) en HR 12 december 2003, NJ 2004, 341 (rov. 4.6.1).

6 Als bedoeld in art. 3:317 BW.

7 Onder meer HR 24 november 2006, NJ 2006, 642 (rov. 3.3); HR 4 juni 2004, NJ 2004, 603 rov. 3.4 en HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244.

8 HR 23 mei 1997, NJ 1997, 531 rov. 4.2 onder verwijzing naar eerdere rechtspraak en HR 19 februari 1999, NJ 2000, 328 rov. 3.5.

9 HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 WMK.

10 Rov. 3.3.

11 HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 JBMV rov. 3.8 in fine.

12 HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 JBMV. In zijn noot plaatst Vranken kritische kanttekeningen bij het arrest, uitmondend in drie intrigerende vragen. Voor zijn beschouwing is, als steeds, het nodige te zeggen. Maar dat geldt m.i. ook voor de benadering van Uw Raad. Daarbij weegt vermoedelijk zwaar dat bezien vanuit maatschappelijk oogpunt vraagtekens kunnen worden geplaatst bij rechtspraak die de facto een stimulans zou kunnen vormen om allerhande klachten in te dienen; zie ook mijn conclusie voor dit arrest onder 4.2.2.

13 De s.t. is ook op dit punt niet verhelderend.

14 Voor zover de steller van de s.t. zich al bewust is van de hiervoor genoemde rechtspraak (niets wijst daarop), strekt het betoog vermoedelijk tot heroverweging. Nu een eerdere poging daartoe schipbreuk leed, lijkt deze mij niet kansrijk.

15 Vgl. HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 JBMV rov. 3.9 en mijn aan dat arrest voorafgaande conclusie onder 4.47 e.v.

16 Dat zou dan moeten worden "ingelezen".

17 HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 WMK rov. 3.3.

18 De "verharing" heeft hard toegeslagen in de Nederlandse taal.

19 Vgl. s.t. mr Carli onder 10.

20 Zonder enige toelichting rept de s.t. van 99% (blz. 8).

21 Juistheid noch onjuistheid is in rechte komen vast te staan.

22 Zie onder heel veel meer HR 19 januari 2007, R05/104 HR, NJ 2007, 59.

23 Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (2006) blz. 275. Zie verder S.D. Lindenbergh, Smartengeld blz. 150 e.v. In zijn lezenswaardige dissertatie betoont ook Verheij zich een voorstander van zuinigheid op dit stuk; zie m.n. blz. 433 e.v. Zijn betoog overtuigt mij niet. Reeds niet omdat smartengeld wél mogelijk is voor allerhande relatief gesproken trivialiteiten zoals beperkte pijn, hoezeer ook juist dat niet iedere smart rechtens voor vergoeding in aanmerking komt; zie nader Schadevergoeding (Lindenbergh) art. 106 aant. 13 met verdere bronnen.

24 O.m. HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240 JMBV.

25 O.m. HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 CJHB en HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145 CJHB.

26 O.m. HR 1 november 1996, NJ 1997, 134; HR 23 januari 1998, NJ 1998, 366 en S.D. Lindenbergh, Smartengeld blz. 138 e.v.

27 HR 9 mei 2003, NJ 2005, 168 DA rov. 5.2.3 en HR 19 december 2003, NJ 2004, 348 rov. 5.2.3.

28 Dat lijkt het geval wat valt af te leiden uit "zonder nadere toelichting".

29 De vordering is daarop immers niet gestoeld.

30 Dat feitencomplex moet dan wél vaststaan of ten minste aannemelijk zijn.