Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2545

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
R06/140HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder a, F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2007-04-27
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-04-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 302
RvdW 2007, 463
NJB 2007, 1070
JWB 2007/160

Conclusie

Reknr. R06/140HR

mr. J. Spier

Parket 9 maart 2007

Conclusie inzake

[Verzoeker 1] en

[Verzoekster 2],

Verzoekers

(hierna: [verzoekers] of partijen)

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in rov. 2.2 in het arrest van 6 oktober 2006 door het Hof Amsterdam genoemde vaststaande feiten. Uit rov. 2.1 en 2.3 van 's Hofs arrest en uit de dingtalen blijkt hetgeen hierna wordt vermeld met betrekking tot het procesverloop.

1.2 [Verzoeker 1] (de man, ten tijde van 's Hofs arrest 44 jaar oud) en [verzoekster 2] (de vrouw, toen 37 jaar oud) zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Zij hebben drie kinderen in de leeftijd van respectievelijk 6, 10 en 11 jaar.

1.3 Ten aanzien van [verzoekers] is in de periode van 2 oktober 2001 tot en met 25 maart 2003 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing geweest. Deze schuldsaneringsregelingen zijn geëindigd met het verlenen van een schone lei.

1.4 Op 26 april 2006 hebben [verzoekers] bij de Rechtbank te Haarlem (opnieuw) een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.5.1 De totale (nieuwe) schuldenlast van [verzoekers] bedroeg blijkens de verklaring ex art. 285 lid 1 onder e Fw € 53.699,52.

1.5.2 Volgens de eigen opgave van partijen was de draagkracht van [verzoeker 1] € 964,45 en van zijn vrouw nihil.(1)

1.6 De Rechtbank heeft het onder 1.4 genoemde verzoek bij vonnis van 20 juni 2006 afgewezen. Daartoe werd onder meer overwogen:

"Zij [verzoekers, A-G] hebben verklaard dat hun schulden zijn ontstaan doordat zij creditcards hebben gebruikt voor de aankoop van vloerbedekking, een bankstel en een koelkast, en om het opknappen van hun tuin en huis mee te betalen. (...)

De rechtbank stelt vast dat het grootste deel van de schuldenlast bestaat uit schulden waarvan niet aannemelijk is dat het aangaan strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekers op het moment van het aangaan wisten of redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat zij niet in staat zouden zijn om deze te financieren. Verzoekers ontvingen ten tijde van het ontstaan van de schulden immers beiden een laag inkomen (..). Waar de schulden zijn ontstaan binnen de in de jurisprudentie gehanteerde termijn van vijf jaar is aannemelijk dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan van die schulden niet te goeder trouw zijn geweest (..)"

1.7 [Verzoekers] hebben van het vonnis van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Zij hebben hierbij twee grieven aangevoerd. De eerste grief betreft de toepasselijke criteria op de schuld aan VROM welke reeds bestond voorafgaand aan de eerste schuldsanering. De tweede grief verwijt de Rechtbank te hebben geoordeeld dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan omdat geen rekening is gehouden met persoonlijke omstandigheden die hernieuwde toelating tot de schuldsanering rechtvaardigen.

1.8 Het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"mr. De Visser:

Uit het verhoor bij de rechter-commissaris komt naar voren dat de schulden zijn ontstaan door aankopen voor het huis en de tuin van appellanten. Een groot deel van de schulden is echter ontstaan doordat appellanten in Marokko hoge kosten hebben moeten maken als gevolg van ziekte van de moeder van [verzoekster 2]. De familie in Marokko heeft geen ziektekostenverzekering, waardoor op appellanten de morele verplichting rustte de kosten van de medische behandeling te voldoen. (...) Tevens is sprake van psychische problematiek. Gelet op deze omstandigheden verzoek ik u appellanten alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten."

[Verzoeker 1]:

"Onze auto is niet verkocht. Wij hebben de auto nodig (...) om boodschappen op te halen. (..) Een van de kinderen ligt in het ziekenhuis. (...)."

1.9 Het Hof heeft bij arrest van 6 oktober 2006 de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe wordt, voor zover hier van belang, overwogen:

"2.3 Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt het Hof tot het volgende oordeel.

Artikel 228 lid 2 sub a Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. Appellanten zijn op 2 oktober 2001 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, welke op 25 maart 2003 is beëindigd met het verlenen van een schone lei.

Desondanks hebben appellanten thans opnieuw een aanzienlijke schuldenlast laten ontstaan. Gelet op de aard en de omvang van het grootste deel van deze schulden acht het Hof het niet aannemelijk dat het aangaan daarvan voor appellanten strikt noodzakelijk was. Bovendien ontvingen appellanten ten tijde van het ontstaan van deze schulden een dermate laag inkomen uit een WAO-uitkering, dat zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat zij deze schulden niet zouden kunnen voldoen.

Nu voorts is komen vast te staan dat de schulden zijn ontstaan binnen een periode van vijf jaar nadat de eerdere schuldsaneringsregeling is geëindigd, is het Hof van oordeel dat appellanten ten aanzien van het ontstaan dan wel onbetaald laten van deze schulden niet geacht kunnen worden te goeder trouw te zijn geweest, temeer nu in het licht van de eerdere toepassing van de schuldsaneringsregeling van appellanten verwacht mocht worden dat zij extra oplettend zouden zijn ten aanzien van hun financiële situatie.

Nu ook overigens niet gebleken is van het bestaan van appellanten persoonlijk betreffende omstandigheden, die desondanks toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen, dient de uitspraak waarvan beroep te worden bekrachtigd."

1.10 [Verzoekers] hebben tijdig beroep in cassatie doen bezorgen.(2)

2. Ontvankelijkheid

2.1 Het trok mijn aandacht dat de handtekening op het cassatieschriftuur sterk afwijkt van de handtekening in de begeleidende brief. De handtekening in de brief staat boven de naam van mr Oomen; in het rekest staat deze boven "advocaat". Alzo wordt ten minste de indruk gewekt dat het in beide gevallen zou gaan om de handtekening van mr Oomen.

2.2 Telefonische navraag bij mr Oomen leert het volgende. De handtekening onder het rekest is afkomstig van mr Oomen. Die op de brief zou afkomstig zijn van zijn secretaresse. HEd. heeft evenwel niet aangegeven dat zij de brief p/o of i/o tekende.

2.3 Nu het rekest tijdig is ingediend en is ondertekend door een advocaat bij Uw Raad zijn partijen ontvankelijk.

3. Bespreking van de middelen

3.1 [verzoekers] bestrijden het oordeel van het Hof met twee middelen.

3.2.1 Het eerste middel klaagt erover dat het Hof [verzoekers] niet te goeder trouw heeft geacht ten aanzien van het ontstaan van de schulden omdat niet aannemelijk is geworden dat het aangaan van de schulden strikt noodzakelijk was. Ook niet strikt noodzakelijke schulden kunnen - aldus het middel - te goeder trouw zijn aangegaan, bijvoorbeeld omdat zij op grond van een morele verplichting zijn aangegaan. De in het kader van de morele verplichting om de moeder van [verzoekster 2] financieel bij te staan aangegane verplichtingen kunnen niet zonder nadere motivering geacht worden niet te goeder trouw te zijn.

3.2.2 Het middel wijst er voorts op dat een aanzienlijk deel van de schuldenlast is veroorzaakt door het gebruik van creditcards waarvan het gebruik werd gestimuleerd door de betreffende creditcardmaatschappijen ondanks het geringe inkomen van partijen en de omstandigheid dat ze bij het BKR zijn geregistreerd. Daarom is naar hun oordeel "niet voldoende aannemelijk (..) gemaakt dat zij niet te goeder trouwe zouden zijn geweest".

3.3 Op grond van het bepaalde in art. 288 lid 2 sub a Fw. kan de rechter het verzoek tot toepassing van de schuldsanering afwijzen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, de schuldenaar ingevolge een bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak in staat van faillissement heeft verkeerd of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.

3.4 De wetgever heeft een aaneenschakeling van faillissementen en schuldsaneringen niet wenselijk geacht. De hier aan de orde zijnde afwijzingsgrond biedt in verband daarmee de mogelijkheid het verzoek van de schuldenaar af te wijzen.(3)

3.5 Uit de wetsgeschiedenis van art. 288 lid 2 Fw blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden.(4) Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van de schulden, het tijdstip waarop deze zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en de inspanningen die de schuldenaar zich heeft getroost om de schulden te voldoen.(5)

3.6 De in het tweede lid van artikel 288 Fw. opgenomen weigeringsgronden moeten niet geïsoleerd van elkaar worden gezien. Het feit dat ten aanzien van de schuldenaar eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, kan mede bepalend zijn voor de beoordeling of de schuldenaar al dan niet te goeder trouw is geweest voor wat betreft het ontstaan of onbetaald laten van schulden die hem opnieuw in de financiële problemen hebben gebracht.(6)

3.7 Blijkens de MvT sluit de vrijheid die de rechter wegens het facultatieve karakter van deze weigeringsgrond heeft,

"niet uit dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling binnen betrekkelijk korte termijn na een voorafgaand faillissement of schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken."(7)

Maar duidelijk is dat de Minister hier het oog heeft op heel bijzondere omstandigheden. Dat blijkt met name hieruit dat aan de zojuist geciteerde passage wordt toegevoegd dat een dwingende weigeringsgrond "dan ook te ver [zou] gaan".

3.8 Uit de hiervoor onder 3.7 geciteerde passage en de gekozen formulering ("niet uitsluit") volgt dat de omstandigheid dat betrekkelijk korte tijd vóór de nieuwe aanvraag een schuldsaneringsregeling is uitgesproken, zwaar weegt. Evenwel niet zó zwaar dat op die enkele grond het verzoek zou moeten worden afgewezen.(8)

3.9 De onder 3.2.1 weergegeven klacht mislukt al aanstonds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht doet voorkomen, oordeelt het Hof niet dat de goede trouw (slechts) afhangt van het aangaan van al dan niet strikt noodzakelijke schulden. Het niet noodzakelijk zijn van de nieuwe schulden vormt in het oordeel van het Hof één van de omstandigheden die tezamen leiden tot het eindoordeel dat de schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan.

3.10.1 Ten overvloede en mede ter voorkoming van het nodeloos indienen van vervolgverzoeken: de omstandigheid dat partijen, ondanks een eerdere met een schone lei geëindigde schuldsanering talloze onnodige schulden maken, rechtvaardigt, mede gelet op hun lage inkomen, alleszins 's Hofs oordeel dat zij niet te goeder trouw zijn in de zin van art. 288 lid 2 onder b Fw. Een tegengesteld oordeel van het Hof zou juist noch begrijpelijk zijn geweest.

3.10.2 Dat partijen, in de gegeven omstandigheden, ook nog menen een auto te moeten (aan)houden, versterkt dit alleen nog maar; zie onder 1.8.

3.11 Hier komt, ook voor de toekomst, nog bij dat 's Hofs oordeel geheel aansluit bij de thans levende gedachten dat de teugels bij het honoreren van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling moeten worden aangetrokken. In dit kader ligt een wetsvoorstel tot wijziging van de Fw. in verband met de herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen inmiddels bij de Eerste Kamer. Daarin wordt schuldenaren op wie in de tien jaar voorafgaand aan het verzoekschrift de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest de toegang tot de schuldsaneringsregeling in beginsel ontzegd.(9)

3.12 Het beroep op de financiële bijstand aan de moeder van [verzoekster 2] leidt niet tot een andere uitkomst omdat:

a. het niet ter zake doet. Het moge uit moreel oogpunt te prijzen zijn dat partijen zich het lot van een zieke moeder aantrekken, het vormt geen rechtvaardiging om andere schulden aan te gaan waarvan genoegzaam duidelijk is (of behoort te zijn) dat deze niet kunnen worden afgelost. Laat staan dat de schuldsaneringsregeling ervoor dient om (telkens opnieuw) van dergelijke schulden te worden bevrijd;

b. het relaas ongeloofwaardig is. Immers is er bij de Rechtbank met geen woord over gerept. Wél is toen gesproken over allerhande andere schulden die zijn aangegaan;

c. de uiteenzettingen in geen enkel opzicht zijn onderbouwd.

3.13.1 De onder 3.2.2 weergegeven stelling doet evenmin ter zake. Wat er zij van de vraag of banken er verstandig aan doen om te handelen zoals in het middel verwoord,(10) het is geen enkele rechtvaardiging om schulden aan te gaan waarvan boven redelijke twijfel verheven is dat deze niet kunnen worden terugbetaald.

3.13.2 Zelfs wanneer partijen dat door geestelijke tekortkomingen of anderszins niet konden begrijpen - waarop niets wijst - gaat de stelling, naar ik vermoed, niet op. Ik baseer dat op een recent arrest waarin het ging om de vraag of een persoon op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing was - naar hij aanvoerde, als gevolg van een psychische aandoening - in de nakoming van zijn informatieplicht toerekenbaar gekort was geschoten in de zin van art. 354 lid 1 Fw. 's Hofs oordeel - in de weergave van Uw Raad - dat de aandoening er niet aan in de weg stond dat redelijkerwijs van betrokkene kon worden gevergd dat hij hetzij zelf dan wel met hulp van derden de bewindvoerder tijdig inlichtte, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting.(11) Ook personen die zijn behept met een beperkte intellectuele gezichtseinder zullen uit zich zelf veelal niet (adequaat) kunnen voldoen aan de in art. 354 lid 1 Fw. genoemde verplichtingen. Het zal hen in het algemeen niet kunnen baten omdat ze dan maar om hulp moeten vragen, zo parafraseer ik.(12) Hiervan uitgaande, mist het goede zin om dergelijke personen toe te laten tot de schuldsanering. Het wekt ireële verwachtingen, onderwerpt betrokkenen aan een stringent regime en belast het schuldsaneringsapparaat onnodig. Het ligt daarom, naar ik meen, voor de hand dat de bijkans onvermijdelijke consequentie van het zojuist genoemde arrest is dat het niet louter aankomt op subjectieve goede trouw.

3.14 Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van het bestaan van persoonlijke omstandigheden die toelating tot de schuldsanering rechtvaardigen. [Verzoekers] stellen daartoe dat er, gezien hun gezinssituatie waarin zij leven met drie minderjarige schoolgaande kinderen en geringe inkomens en waarbij tevens sprake is van medische problemen, het wel degelijk gaat om bijzondere omstandigheden die toelating tot de schuldsanering rechtvaardigen.

3.15.1 Deze klacht faalt reeds omdat sprake is van nova die een beoordeling van feitelijke aard zouden vergen. Daarvoor is in cassatie evenwel geen plaats.

3.15.2 Het appèlschriftuur maakt slechts in algemene zin gewag van "bijzondere omstandigheden" zonder in enig opzicht aan te geven waarop wordt gedoeld. Bij de mondelinge behandeling rept mr Visser slechts - zonder enige uitwerking - van "psychische problematiek". Wat daarmee ook gezegd wil zijn, de door het middel genoemde kwestie houdt er geen verband mee.

3.15.2 Dat [verzoeker 1] blijkens het p.v. heeft opgemerkt (naast een auto ook) "een ouder kind uit mijn eerste huwelijk" te hebben, maakt dit niet anders. Bovendien is dit kind niet opgevoerd als bijzondere omstandigheid.

3.16 Als sprake mocht zijn van een ontoereikend inkomen om alle noodzakelijke gezinsuitgaven te bekosten, zullen partijen daarvoor op andere wijze een oplossing moeten (proberen) te vinden. Het ligt niet op mijn weg om daarop nader in te gaan.

3.17 Deze zaak is volstrekt kansloos. Afdoening op de voet van art. 81 RO is bij uitstek geëigend.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Bijlage bij het verzoekschrift in prima.

2 De klachten zijn klaarblijkelijk vervaardigd door de advocaat die partijen in appèl heeft bijgestaan.

3 MvT (22 969) bij art. 288 Fw in: S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, Serie Onderneming en Recht deel 2-III, blz. 722.

4 Idem.

5 HR 27 oktober 2006, NJ 2006, 586 (rov. 3.3.2); HR 24 december 2004, NJ 2005, 129 en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178 (rov. 3.2).

6 S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber, a.w. blz. 723.

7 Idem blz. 722.

8 Zie ook HR 18 november 2005, R05/022, LJN: AU4487 rov. 3.4 en mijn aan het arrest voorafgaande conclusie onder 3.13. Zie verder ook hetgeen daarin onder 3.14 e.v. wordt betoogd.

9 EK, zitting 2006-2007, 29942, nrs A en B ad art. 288 lid 2 onder d.

10 De vraag of zij dat daadwerkelijk doen/in casu hebben gedaan, laat ik rusten. Het doet in casu immers niet ter zake.

11 HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572.

12 Dat ze dat nu juist als gevolg van hun afwijking moeilijk kunnen, moet klaarblijkelijk op de koop toe worden genomen.