Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2501

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
C06/079HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2501
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen bank en (de erven van) voormalig directeur/groot-aandeelhouder over de betaling van het nog uitstaande saldo van een voor faillissement van de vennootschap door bank opgezegd rekening-courant krediet; vervolg op HR 21 november 2003, nr. C01/328, NJ 2004, 130 (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 371
RvdW 2007, 532
NJB 2007, 1312
JWB 2007/199
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C06/079HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 30 maart 2007

Conclusie inzake

[Eiseres 1],

[Eiseres 2],

[Eiseres 3]

en

[Eiseres 4]

(gezamenlijke erfgenamen van wijlen [betrokkene 1]),

eiseressen tot cassatie

tegen

Fortis Bank Nederland N.V.,

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) Er is in de voorafgaande instanties een veelheid aan stellingen aan de rechter voorgelegd. Lang niet alles wat daar is aangevoerd, speelt in cassatie nog een rol. Ik geef daarom een enigszins bekorte samenvatting van de feitelijke voorgeschiedenis.

- Het gaat in deze zaak om een door de verweerster in cassatie, Fortis, tegen de erflater van de eiseressen tot cassatie (die ik gemakshalve gezamenlijk als [betrokkene] zal aanduiden, terwijl in voorkomend geval ook de erflater zo zal worden aangeduid) geldend gemaakte vordering uit hoofde van de financiering van een onderneming waarbij (erflater) [betrokkene] betrokken was.

- De bedoelde onderneming dreef handel in lederwaren. Aanvankelijk gebeurde dat in de vorm van een in september 1988 opgerichte vennootschap "ILFB"(2). [Betrokkene] en [betrokkene 1] waren de vennoten. Aan deze vennootschap heeft Fortis sedert oktober 1988 krediet in rekening courant verstrekt, in het kader van een aantal overeenkomsten (die hetzij als voortzettingen hetzij als nieuwe, elkaar opvolgende overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd - een punt dat in cassatie niet aan de orde is) (3).

- In april 1990 hebben gesprekken tussen Fortis en [betrokkene] plaatsgevonden over het feit dat de toen geldende kredietlimiet aanzienlijk was overschreden.

- Op 3 augustus 1990 heeft Fortis met ILFB en met "Collection Cuir Mondial B.V." (hierna: CCM - van deze B.V. was [betrokkene] directeur en (groot-)aandeelhouder) een kredietovereenkomst gesloten, waarbij de eerder voor ILFB geldende kredietfaciliteit werd uitgebreid tot Hfl. 850.000,- (op dat moment bestond een kredietsaldo van ca. Hfl. 760.000,-). [Betrokkene] heeft deze overeenkomst (namens de partij(en) die zich tegenover Fortis verplichtte(n)) ondertekend.

- In januari 1992 heeft Fortis het krediet opgezegd. CCM is toen op eigen aangifte failliet verklaard. [Betrokkene] is failliet verklaard op verzoek van Fortis. Beide faillissementen zijn inmiddels opgeheven wegens gebrek aan baten.

2) In de onderhavige procedure vorderde Fortis in conventie van [betrokkene] betaling van het uitstaande saldo van het rekening-courant krediet (met nevenvorderingen als gebruikelijk). [Betrokkene] stelde een vordering in reconventie in, die bij het tweede in voetnoot 1 hiervóór vermelde arrest definitief is afgedaan (en die dus in de onderhavige cassatieprocedure geen rol speelt)(4).

3) Tegen Fortis' vordering voerde [betrokkene] een aanzienlijk aantal verweren aan. Ik vat die kort samen (mij realiserend dat zo'n samenvatting aan het aangevoerde onvolledig recht doet wedervaren. Ik hoop dat bij de bespreking van de middelen die hierna volgt, "goed te maken"):

- De kredietovereenkomst van 3 augustus 1990 zou ertoe strekken, slechts CCM te binden, en niet ILFB dan wel [betrokkene];

- De kredietovereenkomst mist in zoverre werking, dat [betrokkene] niet bevoegd was die alleen namens ILFB aan te gaan (wat bij Fortis bekend was of bekend behoorde te zijn);

- Aan de kant van [betrokkene]/ILFB was sprake van dwaling t.a.v. de strekking van de kredietovereenkomst, die een aanspraak op vernietiging rechtvaardigt;

- Fortis valt misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de kredietovereenkomst te verwijten (wat eveneens nietigheid dan wel vernietigbaarheid met zich meebrengt);

- De kredietovereenkomst, althans de transactie waarvan die deel uitmaakte, strekte ertoe dat CCM door schuldoverneming of contractsoverneming, dan wel langs de weg van bekrachtiging van een daartoe strekkende rechtshandeling, in de plaats van ILFB als wederpartij van Fortis zou treden.

4) Zowel in de eerste aanleg als in het - van de kant van [betrokkene] ingestelde - appel werden de kort aangeduide verweren verworpen(5), en werd de vordering van Fortis als toewijsbaar beoordeeld.

Namens [betrokkene](6) is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(7). Fortis heeft tot verwerping laten concluderen. De standpunten van weerszijden zijn schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Het middel sluit aan bij de hoofdpunten van het debat in de appelinstantie: op (haast) ieder van de in dat debat behandelde, en vervolgens door het hof beoordeelde punten wordt een klacht gericht.

6) De klachten van onderdeel 1 zien op het oordeel in rov. 4.6.3 van het tussenarrest, dat inhoudt dat Fortis op voorhand voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene] de laatste kredietovereenkomst mede namens IFLB aanging (met dien verstande dat [betrokkene] tot het bewijs van het tegendeel wordt toegelaten).

7) Met de stellers van de schriftelijke toelichting namens Fortis (o.a. in alinea 3.2 van dat stuk) meen ik dat het uitgangspunt waarop de klachten van onderdeel 1 ten dele berusten - te weten: het uitgangspunt dat hier sprake zou zijn van toepassing van de wetsbepaling betreffende de bewijskracht van akten (art. 157 lid 2 Rv.) - niet juist is, en dat de klachten in zoverre feitelijke grondslag missen. In de hier bedoelde overweging geeft het hof geen toepassing aan deze wetsbepaling, maar geeft het een oordeel van overwegend feitelijke aard, dat er op neerkomt dat Fortis de strekking van de ter discussie staande overeenkomst voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zo formuleert het hof zijn oordeel in de eerste volzin van deze overweging, en zo blijkt het in het vervolg van die overweging ook te zijn bedoeld. De niet geheel zuivere formulering van het aan [betrokkene] gelaten (tegen)bewijs aan het slot van deze rechtsoverweging, waarover nader in alinea 13 hierna, lijkt mij onvoldoende om een andere strekking van deze overweging(en) van het hof aannemelijk te doen zijn.

8) Oordelen van deze strekking mag de rechter die een feitelijke vraag te beslissen krijgt (allicht) geven(8). Het gaat dan om de beoordeling van de overtuigende kracht van tot staving van (feitelijke) stellingen aangedragen gegevens en argumenten. Zulke oordelen hebben vooral het karakter van bewijswaardering. Of feiten al-dan-niet als bewezen moeten worden aangemerkt, dient zich aan als feitelijk oordeel "par excellence": feitelijker, is men geneigd te denken, kan het niet. Over zulke oordelen kan in cassatie dan ook niet inhoudelijk worden geklaagd (en daartoe strekken de klachten van het middel ook niet). De motivering van "bewijsoordelen" kan in cassatie wel worden onderzocht(9); maar het middel strekt er niet toe, deze motivering aan te vechten (begrijpelijkerwijs, nu het middel berust op een wezenlijk andere lezing van de onderhavige rechtsoverweging - zie overigens alinea's 10 en 14 hierna).

9) Ten aanzien van de subonderdelen van onderdeel 1 voeg ik nog dit toe:

Onderdeel 1.1 bevat geen klacht. Onderdelen 1.2 en 1.3 nemen beide de hiervoor als onjuist bestempelde lezing van rov. 4.6.3 van het tussenarrest tot uitgangspunt. In het verlengde daarvan verwijten zij het hof, dat dat zou hebben miskend dat er uitleg van de in geding zijnde rechtshandelingen (en met name van de laatste kredietovereenkomst) nodig was om het geschil (op dit punt) zinvol te kunnen beslissen. Dat heeft het hof echter volgens mij niet miskend: het heeft, in deze rechtsoverweging, onderzocht welke strekking in redelijkheid aan de gesties van partijen rond de laatste kredietovereenkomst moest worden verbonden. Daarmee heeft het hof datgene gedaan, wat voor uitleg van de desbetreffende rechtshandeling(en) aan de hand van de zogenaamde "Haviltex-maatstaf"(10) moet worden gedaan.

10) Ik teken daarbij aan dat, ofschoon ik de steller van het middel gelijk geef als hij aanvoert dat een aanduiding van betrokkenen met de koppeling "en/of" niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat beiden dan "volwaardig" als partij worden bedoeld, omgekeerd toch wel mag worden vooropgesteld dat de vermelding van bij een overeenkomst betrokkenen als "kredietnemer", in een kredietovereenkomst, ter plaatse waar tot tweemaal toe handtekeningen namens de daar vermelde betrokkenen worden geplaatst, in sterke mate geëigend is om de indruk op te roepen, dat het hier (in de redelijkerwijs aan de handelende personen toe te rekenen perceptie) gaat om partijen bij de kredietovereenkomst. Dat het hof daaraan (doorslaggevende) betekenis heeft toegekend kan ik dan ook niet als onbegrijpelijk waarderen - juist het tegendeel, lijkt mij. De klacht van onderdeel 1.4 dat hier nadere motivering geëist mocht worden, lijkt mij (al) daarom niet terecht.

11) Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de klacht van onderdeel 1.6, die inhoudt dat onvoldoende zou zijn gerespondeerd op namens [betrokkene] aangevoerde argumenten voor de van die kant verdedigde uitleg van de rechtshandeling. Wanneer over een bepaald feitelijk vraagpunt van weerszijden (vele) argumenten worden aangevoerd, kán de motivering van het oordeel over dat vraagpunt gewoonlijk volstaan met het aanwijzen van die gegevens die de rechter als doorslaggevend voor de door hem gemaakte keuze heeft aangemerkt. Er hoeft dan niet nader te worden aangegeven welke gegevens de rechter minder zwaarwegend heeft gevonden, laat staan waaróm ieder van die gegevens is beoordeeld als van onvoldoende gewicht om de doorslag te geven (en waarom dat ook voor de combinatie van die gegevens geldt)(11).

Het eerste ligt al besloten in de keuze voor andere gegevens als doorslaggevend; en het tweede - stuk voor stuk aangeven waarom voor de andere uitkomst pleitende gegevens, afzonderlijk en gezamenlijk, als minder zwaarwegend zijn aangemerkt - zou een last op de rechter leggen waaraan redelijkerwijs niet valt te voldoen - dit temeer omdat de keuze die wij hier op het oog hebben deels kan worden bepaald door niet voor rationele formulering vatbare indrukken (omtrent de betrouwbaarheid van de herinneringen van deelnemers aan het gebeurde, bijvoorbeeld), door (levens)ervaring, en door intuïtie.

12) Onderdeel 1.5 klaagt over de formulering van de feitenvaststelling in rov. 4.2 van het tussenarrest; het gaat er van uit dat daar al wordt vooruitgelopen op het later in het arrest gegeven oordeel over de strekking van de kredietovereenkomst. Ook deze veronderstelling lijkt mij niet juist: het lijkt mij duidelijk dat het hof in rov. 4.2. slechts globaal heeft aangeduid waar het op het hier omstreden punt om ging, en dat de inhoudelijke beoordeling uitsluitend moet worden gezocht in de rov. 4.6.1 - 4.6.3 van het tussenarrest (en in daarop voortbouwende overwegingen van het eindarrest).

13) Onderdeel 1.7 oppert een alternatieve uitleg van rov. 4.6.3, in dier voege dat verondersteld wordt dat het hof [betrokkene] niet slechts tot tegenbewijs, maar tot bewijs van het tegendeel ("tegendeelbewijs"(12)) heeft toegelaten.

Ik erken dat de woordkeus van het hof aan het slot van rov. 4.6.3 van het tussenarrest de hier geopperde lezing enigszins suggereert; maar ik ga er - met de steller van het middel - van uit dat het hier een "slip of the pen" betreft, en dat het hof, in de lijn van de overigens in deze rechtsoverweging ontwikkelde gedachtegang, "gewoon" tegenbewijs heeft bedoeld(13).

14) Onderdeel 2 van het middel houdt (motiverings)klachten in, gericht op de beoordeling, door het hof (in de rov. 7.3.1 - 7.3.4 van het eindarrest), van het van de kant van [betrokkene] geleverde (tegen)bewijs. Zoals al even werd opgemerkt (zie voetnoot 9 hiervóór), kan op dit thema inderdaad in cassatie worden geklaagd.

Ik beoordeel de klacht(en) van het onderdeel echter als ondoeltreffend. Zij komen er, kort gezegd, op neer dat de in onderdeel 2.3 genoemde (of aangewezen) omstandigheden niet kenbaar in de motivering zijn betrokken; en dat in het licht hiervan moet worden aangenomen dat ten onrechte niet aan de hand van alle omstandigheden (maar slechts aan de hand van een beperkt deel daarvan) is geoordeeld.

15) Ik denk dat het in alinea 11hiervóór opgemerkte hier mutatis mutandis van toepassing is: (ook) bij de motivering van een bewijsoordeel is het gewoonlijk voldoende, dat de rechter aangeeft wat hem als doorslaggevend is voorgekomen. Er hoeft niet tevens te worden vermeld welke omstandigheden, ofschoon niet als doorslaggevend beoordeeld, in de weging zijn "meegenomen"; en (dus) ook niet, waaróm aan die omstandigheden minder gewicht is toegekend dan aan die, die als doorslaggevend zijn beoordeeld.

Ik herinner aan de in alinea 10 hiervóór genoemde omstandigheid: als iemand tweemaal een handtekening zet onder een kredietovereenkomst waarin twee partijen (voor wie de betrokkene bevoegdelijk kan optreden) beide ("en/of", en onmiddellijk boven de geplaatste handtekeningen) als kredietnemer zijn vermeld, ligt het in hoge mate voor de hand dat alle betrokkenen redelijkerwijs hebben mogen aannemen dat de bedoeling voorzat, de beide genoemden als partijen bij de overeenkomst te betrekken. Dan is niet verbazend dat de rechter zijn onderzoek vooral toespitst op aanwijzingen, dat van de kant van degeen die de handtekening plaatste "signalen" zijn gegeven die een andere bedoeling tot uitdrukking (kunnen) brengen. Dat niet tevens expliciet wordt aangegeven dat de verdere "begeleidende omstandigheden" onvoldoende zijn om tot een andere uitkomst te leiden, geeft dan niet méér aan, dan dat aan die omstandigheden - in de hier beschreven context: begrijpelijkerwijs - naar verhouding weinig gewicht is toegekend. Het betekent niet dat die omstandigheden zijn veronachtzaamd; en om de al aangestipte redenen is er ook geen sprake van een motiveringsgebrek.

16) Daarbij komt dat de overwegingen van het hof over het (niet) geleverde tegenbewijs er blijk van geven dat een wezenlijk deel van de in onderdeel 2.3 vermelde gegevens wel degelijk (expliciet) in de beoordeling is betrokken: blijkens rov. 7.3.4 is in overweging genomen dat Fortis ervan op de hoogte was dat CCM, eventueel: "met terugwerkende kracht", het bedrijf van ILFB zou voortzetten. In die context ligt erg voor de hand dat het hof ook de (veronder)stellingen dat ILFB zelf niet langer actief was en dat de activa en passiva (schulden) van ILFB door CCM waren overgenomen (of zouden worden overgenomen), niet over het hoofd heeft gezien: laatstgenoemde gegevens zijn immers in het licht van het eerstgenoemde gegeven bij uitstek te verwachten; én die gegevens leggen dan, naast het eerstgenoemde gegeven, geen wezenlijk extra gewicht meer in de schaal.

17) Bovendien zullen in 's hofs beoordeling, ook van het tegenbewijs, hebben meegewogen de factoren die al in het tussenarrest zijn vermeld (tot het meewegen van die omstandigheden was, vermeld ik ten overvloede, het hof natuurlijk ook gehouden). Daartoe behoorden de omstandigheid dat [betrokkene] (via ILFB) op het moment van aangaan van de nadere kredietovereenkomst al voor een bedrag van ca. Hfl. 760.000,- jegens Fortis aansprakelijk was, dat [betrokkene] voor de voortzetting van de bedrijfsmatige activiteiten (via CCM) dringend behoefte had aan aanvullend krediet én dat bij de nadere kredietovereenkomst slechts een relatief bescheiden aanvulling van het krediet werd overeengekomen (die omstandigheden worden in de rov. 4.7.2 en 4.8.4 van het tussenarrest aangehaald).

Als men die omstandigheden mede in aanmerking neemt, vind ik eens temeer begrijpelijk dat men de in middelonderdeel 2.3 benadrukte gegevens niet als doorslaggevend waardeert én dat het niet nodig geacht wordt, die gegevens expliciet in de motivering te betrekken.

18) De in onderdeel 2.3 vermelde omstandigheden dat [betrokkene] geen concept van de akte (betreffende het nadere krediet) heeft ontvangen en dat hij geen gelegenheid tot (rustig) beraad heeft gehad, heeft het hof blijkens rov. 7.3.2 van het eindarrest in zijn beoordeling betrokken en (mede) om de daar vermelde redenen niet als doorslaggevend beoordeeld. De klacht dat 's hofs beslissing op deze punten niet draagkrachtig is gemotiveerd, lijkt mij daarom ongegrond. Daaraan doet niet af dat het hof de hier bedoelde gegevens noemt in het kader van een ander geschilpunt dan de bewijswaardering: dat doet er niet aan af dat het arrest er blijk van geeft dat het hof die gegevens heeft opgemerkt en gewogen. Dat ze dan bij de bewijswaardering zouden zijn veronachtzaamd, lijkt mij erg onaannemelijk.

19) Onderdeel 3 betreft de beoordeling, door het hof (in rov. 4.8.4 van het tussenarrest en rov. 7.6 van het eindarrest), van het namens [betrokkene] gedane beroep op dwaling.

Subonderdeel 3.1 klaagt over het voorbijgaan, door het hof, aan een daar vermelde subsidiaire grondslag die [betrokkene] ten verwere zou hebben aangevoerd. Ik beoordeel deze klacht om twee zelfstandige redenen als ongegrond:

20) Ten eerste is het zo dat het hier bedoelde argument - Fortis zou [betrokkene] er op hebben moeten attenderen dat (zij verlangde dat) de nadere kredietovereenkomst mede namens ILFB werd aangegaan - in de Memorie van Grieven (onder nr. 96) slechts summier en zonder inhoudelijke onderbouwing te berde is gebracht, terwijl de herhaling bij pleidooi in appel (pleitnota van de kant van [betrokkene], nrs. 9.4, 9.7 en 9.8) eveneens slechts de "kale" bewering inhoudt dat mededeling van de kant van Fortis verwacht had mogen worden, zonder dat verder wordt aangegeven bij welke feitelijke- en rechtsgronden deze bewering steun zoekt. Op een zo summier en inhoudelijk "mager" onderbouwd, en grotendeels ook zeer laattijdig aangevoerd argument hoeft de rechter niet in te gaan (er mag namelijk, als "onvoldoende gesteld" aan voorbij worden gegaan). Het dient natuurlijk de duidelijkheid wanneer de rechter aangeeft dát hij dat doet (en wel om deze reden) - maar een uitspraak waarbij een dergelijk argument in het geheel niet wordt genoemd, kan niet gelden als onvoldoende gemotiveerd(14).

21) En ten tweede ligt al in de verdere overwegingen van het hof besloten, waarom het hier bedoelde argument niet kon worden aanvaard. Het hof is er immers van uitgegaan dat in de gegeven context moest blijken dat van de kant van [betrokkene] aan Fortis duidelijk was gemaakt dat hij, [betrokkene], beoogde niet namens ILFB te contracteren, wilde naar de maatstaf van het Haviltex-arrest niet moeten worden aangenomen dat de overeenkomst de andere strekking had.

Dit oordeel van het hof berust klaarblijkelijk op de eerder (in alinea 10 hiervóór) al genoemde grondslag: in de gegeven context ligt het in uitgesproken mate voor de hand dat de zakenman die zijn handtekening tweemaal plaatst onder de vermelding van een bepaalde partij als "kredietnemer", daarmee tot uitdrukking brengt dat beoogd wordt, die partij te binden; en ook de verdere achtergrondgegevens - waarbij ik denk aan de in alinea 17 hiervóór aangewezen omstandigheden - zijn veeleer met deze bedoeling verenigbaar dan met de namens [betrokkene] verdedigde strekking.

22) Als men daar van uit gaat, is inderdaad aannemelijk dat de persoon die zijn handtekening plaatst duidelijk zal moeten maken dat daarmee iets anders wordt bedoeld dan in de gegeven situatie klaarblijkelijk lijkt te worden bedoeld; en dan spreekt het voor zich dat de wederpartij van de betrokkene niet verplicht is om er nog eens op te wijzen dat de rechtshandeling ook werkelijk de strekking heeft, die in zo uitgesproken mate voor de hand ligt. Van de wederpartij die er, in deze context, van uit mag gaan dat bedoeld wordt wat er klaarblijkelijk bedoeld lijkt te worden, kan niet worden verlangd dat die er tóch rekening mee houdt dat er iets anders bedoeld wordt, en dat die daaraan de consequentie verbindt dat zij de handelende partij nog eens op de gevolgen van diens handelen wijst.

Het middel gewaagt met recht van een zorgplicht die in het algemeen bij banken ten opzichte van hun cliënten bestaat - maar die zorgplicht gaat niet zo ver dat men (altijd) moet anticiperen op de mogelijkheid dat wat de cliënt in uitgesproken mate uitdraagt te bedoelen, wel eens anders bedoeld kan zijn. Een dergelijke mate van vérziendheid, om niet te zeggen: helderziendheid, kan niet - laat staan: als regel - van de bankier in het gewone verkeer met diens cliënt worden gevergd.

23) Subonderdeel 3.2 verwijst naar de klacht van de voorafgaande onderdelen, maar klaagt daarnaast dat ten onrechte in rov. 7.6 van het eindarrest zou zijn aangenomen dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 2] (een toenmaals bij de zaken van [betrokkene] betrokken medewerker van Fortis) [betrokkene] een bepaalde mededeling omtrent computertechnische redenen voor de vermelding van ILFB in de kredietovereenkomst heeft gedaan.

Ook deze klacht lijkt mij niet aannemelijk. Dat de bedoelde mededeling wél zou zijn gedaan vormde een voornaam onderdeel van de verweren van de kant van [betrokkene] in verband met de strekking van de kredietovereenkomst. Het lag dan ook in de rede dat dit gegeven bij de aan [betrokkene] opgedragen bewijslevering aan de orde zou komen; en dat is ook gebeurd. Daarom faalt de klacht voorzover die aanvoert dat [betrokkene] op dit punt niet tot bewijslevering zou zijn toegelaten.Voor het overige valt niet in te zien waarom het hof het feit dat [betrokkene]' stellingen op dit punt niet waren komen vast te staan, niet in aanmerking zou hebben mogen nemen. In het kader van het in het middel herhaaldelijk benadrukte uitgangspunt dat alle gebleken omstandigheden in de beoordeling (niet mochten, maar) moesten worden betrokken, valt voor dit gegeven zeker geen uitzondering te maken(15).

24) Subonderdeel 3.3 bepleit nogmaals - zoals in het kader van middelonderdelen 1 en 2 immers ook is gebeurd - dat de beslissingen van het hof er blijk van geven dat niet alle omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken (en verwijst opnieuw naar stellingen van de kant van [betrokkene] waar voor het merendeel ook al eerder naar werd verwezen). Hier gaat ook dezelfde tegenwerping op: het hof heeft, met name in rov. 4.8.4 van het tussenarrest, duidelijk aangegeven aan de hand van welke als doorslaggevend aangemerkte omstandigheden het [betrokkene]' beroep op dwaling heeft beoordeeld (en verworpen). Daarbij was het hof niet gehouden om (nader) aan te geven waarom de van [betrokkene]' kant aangevoerde argumenten niet als zwaarder zijn gewogen, dan het hof dat heeft gedaan: het hof heeft zijn oordeel voldoende verduidelijkt door uiteen te zetten welke gegevens het wél als doorslaggevend heeft beoordeeld.

25) Onderdeel 4 klaagt over de verwerping van het van de kant van [betrokkene] gedane beroep op misbruik van omstandigheden. Ik meen dat de eerder door mij ingebrachte tegenwerpingen hier grotendeels van overeenkomstige toepassing zijn, en veroorloof mij dus een enigszins beknopte verwijzing daarnaar:

- Ook het beroep op misbruik van omstandigheden was betrekkelijk summier onderbouwd, terwijl de dragende argumenten voor een deel pas bij pleidooi in appel zijn aangestipt (en ook toen niet omstandig toegelicht);

- Onder de argumenten die in dit verband werden aangevoerd speelde een belangrijke rol dat Fortis zou hebben geweten (of behoren te weten) dat [betrokkene] ILFB niet wilde binden (en dat er door de mededeling van [betrokkene 2] omtrent computerproblemen misverstand hierover heeft kunnen ontstaan)(16). Het hof heeft echter, kennelijk en begrijpelijk (zie o. a. alinea's 10, 13, 21 en 22 hiervóór), aangenomen dat Fortis géén rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat [betrokkene] iets anders wenste dan hij tot uitdrukking bracht; en tevens dat de stellingen met betrekking tot de aan [betrokkene 2] toegeschreven mededeling, niet zijn komen vast te staan. Daarmee ontvalt in een zodanige mate aan het beroep op misbruik van omstandigheden de grond, dat het hof daar zonder nadere motivering aan voorbij kon gaan.

- Het argument dat Fortis een "overvaltechniek" zou mogen worden verweten heeft het hof in rov. 7.3.2 van het eindarrest onder ogen gezien: klaarblijkelijk ziet het daar overwogene over de redenen waarom de conceptovereenkomst niet van tevoren aan [betrokkene] is toegestuurd, (mede) op dit argument. Wat daar is overwogen vormt een voldoende, en begrijpelijke weerlegging van dit argument.

- Waar ook hier wordt geklaagd over beoordeling zonder inachtneming van alle omstandigheden (althans: zonder dat alle omstandigheden in de motivering zijn betrokken), geldt opnieuw, wat ik daarover inmiddels al een aantal keren schreef.

26) Voor onderdeel 5, waarin wordt geklaagd over verwerping van [betrokkene]' beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, geldt - ik weet dat mijn verhaal eentonig wordt - wederom een belangrijk deel van de eerder gemaakte tegenwerpingen:

- Aan het beroep op redelijkheid en billijkheid - nog méér terloops, en ook nog méér alleen in het laatste pleidooi-stadium aangevoerd - werden mede ten grondslag gelegd, dat Fortis zou hebben geweten/behoren te weten dat [betrokkene] ILFB niet wilde binden, en dat Fortis zou hebben geweten/behoren te weten dat [betrokkene] de bevoegdheid miste om dat alleen te doen. Beide stellingen zijn inhoudelijk onderzocht, en niet aannemelijk bevonden. Daarmee ontviel aan het beroep op redelijkheid en billijkheid een zodanig wezenlijk deel van de grondslag, dat dat zonder nadere motivering kon worden verworpen.

- Voorzover wordt geklaagd dat niet is ingegaan op alle gestelde omstandigheden geldt nogmaals, wat ik daarover ook in het verband van de eerdere klachten heb gezegd.

27) Onderdeel 6 betreft een namens [betrokkene] gedaan beroep op bekrachtiging in de zin van art. 2:203 BW c.q. art. 6:69 BW(17).

Ik meen dat de klachten van dit onderdeel reeds hierop afstuiten, dat het hof het desbetreffende argument met een tweeledige motivering heeft verworpen. De tweede "poot" daarvan, neergelegd in de slotalinea van rov. 7.7 van het eindarrest, komt hierop neer dat het hof de te beoordelen rechtshandeling(en) zo heeft uitgelegd, dat die er niet toe strekte(n) dat de overneming van de schulden van ILFB door CCM ook ontslag van aansprakelijkheid voor [betrokkene] zou meebrengen(18). Het lijkt mij geoorloofd om aan te nemen dat het hof als daarin besloten liggend heeft aangemerkt, dat ook de door [betrokkene] als "bekrachtiging" gekwalificeerde handelingen (voorzover daar al sprake van was), er, op dezelfde voet, niet toe strekten, de aansprakelijkheid van [betrokkene] ongedaan te maken.

28) Volgens mij kan deze vaststelling het oordeel dat de bekrachtiging door CCM niet aan [betrokkene]' aansprakelijkheid afdoet, zelfstandig dragen. Of CCM de gedane transactie nu heeft "bekrachtigd" of niet - in beide gevallen bleef gelden dat [betrokkene] voor de schulden in kwestie (mede) aansprakelijk was.

Ik liet al eerder blijken dat ik de uitleg die het hof aan de in geding zijnde rechtshandeling(en) heeft gegeven, als de meer voor de hand liggende aanmerk: de van de kant van [betrokkene] voorgestelde uitleg, hoewel ongetwijfeld verdedigbaar, lijkt op de voorhand toch beduidend minder plausibel. Bij die stand van zaken kan (ook) de hier door het hof gevonden uitleg niet als onbegrijpelijk worden gekwalificeerd.

29) Zowel de aan art. 2:203 BW als de aan art. 3:69 BW ontleende verweren berustten op het uitgangspunt dat [betrokkene] de onderhavige rechtshandelingen uitsluitend als vertegenwoordiger van de daarbij betrokkenen zou hebben verricht, in dier voege dat hij, [betrokkene], na bekrachtiging van de transactie door CCM daarbij niet meer, als partij of anderszins, betrokken zou zijn.

Het hof heeft echter aan de transactie een wezenlijk andere - en, zoals gezegd, alleszins begrijpelijke - uitleg gegeven, die vooral hierin van de namens [betrokkene] verdedigde verschilt, dat [betrokkene] daarbij (via zijn betrokkenheid bij ILFB), en ongeacht de opstelling van CCM, wél aansprakelijk bleef(19). Ik kan slechts herhalen dat bij die uitleg, de verdere opstelling van CCM niet (althans niet via de in de art. 2:203 BW of 3:69 BW tot uitdrukking komende regels) kon leiden tot ontslag van [betrokkene] uit de aangegane aansprakelijkheid.

30) Ik ga daarom betrekkelijk kort voorbij aan de verdere argumenten van het middelonderdeel. De mogelijkheid dat ook een andere vennootschap dan de vennootschap i.o. waarop art. 2:203 BW ziet, gebonden kan zijn aan een namens zo'n vennootschap aangegane transactie (waarop wederom in een zeer laat stadium van de procedure een beroep was gedaan, met verwijzing naar een rechtsgeleerd advies van prof. Snijders) merk ik aan als niet meer dan dat: een mogelijkheid, waarop het hof bij gebreke van concreet onderbouwde aanwijzingen dat deze nogal uitzonderlijke mogelijkheid zich hier ook voordeed, niet hoefde in te gaan(20). Hetzelfde geldt voor het in aansluiting hierop gedane beroep op art. 3:69 BW: in bepaalde omstandigheden zou toepassing van deze bepaling wellicht denkbaar zijn, maar er hadden bepaald méér en concretere argumenten moeten worden aangevoerd, had het hof de plicht gehad daarop ook gemotiveerd te responderen.

Ik merk overigens, voor alle duidelijkheid, op dat beide argumenten niet aan bod komen wanneer men de transactie zo uitlegt als - volgens mij - het hof dat heeft gedaan: dan geldt dat bekrachtiging door CCM hoe dan ook geen betrekking zou hebben op de aansprakelijkheid van [betrokkene].

31) Toe te voegen valt nog dat het hier bedoelde argument namens [betrokkene] in de Memorie van Grieven slechts uiterst summier is aangestipt, en dat ook dit pas in het laatste stadium van de procedure, bij pleidooi in appel, iets verder is onderbouwd - iets, maar nog altijd niet veel(21).

De motiveringsplicht van de rechter houdt, zoals bekend, verband met de strekking en de grondigheid van het partijdebat. De argumenten waar het hier om gaat waren dusdanig terloops, en grotendeels ook nog eens zo laat aangevoerd, dat al daarom daaraan met een summiere motivering voorbij kon worden gegaan.

32) Onderdeel 7 keert zich tegen de overweging van het hof waar ik in alinea 27 hiervóór naar verwees. Het voert aan dat schuldoverneming er nu juist toe strekt de aanvankelijke debiteur(en) van aansprakelijkheid te bevrijden, en verwijt het hof daaraan, bij zijn beoordeling van het beroep op schuldoverneming, voorbij te hebben gezien.

Het onderdeel stuit af op het feit dat het hof nu eenmaal aan de in geding zijnde transactie(s) een andere (en door mij eerder als bepaald aannemelijk bestempelde) uitleg heeft gegeven, dan de uitleg die aan de klacht ten grondslag ligt.

33) Het lijkt mij goed om nog op het volgende te wijzen: wanneer twee partijen overeenkomen dat de ene partij de schulden van de andere - bijvoorbeeld in verband met de overname van een bedrijf - zal "overnemen", dan leidt dat niet steeds of noodzakelijkerwijs tot ontslag van de oorspronkelijke debiteur uit aansprakelijkheid jegens de crediteur(en). Art. 6:155 BW gaat ervan uit dat debiteur en "schuldovernemer" overeenkomen dat de laatstgenoemde de aansprakelijkheid van de eerste zal overnemen; dat dat vervolgens aan de crediteur wordt gemeld; en dat de rechtshandeling pas werking tegen de crediteur verkrijgt, als die instemt.

Er wordt dus rekening gehouden met de mogelijkheid - die zich, voorzover mij bekend, in de praktijk ook zeer regelmatig verwezenlijkt - dat een afspraak tot "schuldoverneming" beperkt blijft tot de rechtshandeling die alleen werking heeft tussen de oorspronkelijke debiteur en de "overnemer" (doordat de handeling niet gemeld wordt, of doordat de crediteur niet instemt).

Dat is ook wat er, volgens de vaststelling van het hof, in het onderhavige geval is gebeurd.

34) Dit onderdeel van het middel redeneert, meen ik, vanuit de veronderstelling dat (volgens het hof) Fortis wél ingestemd zou hebben met ontslag van ILFB uit aansprakelijkheid, en vervolgt dan met argumenten die ertoe strekken dat het onjuist of onlogisch is om te veronderstellen dat [betrokkene] dan wél aansprakelijk zou blijven. Ik denk dat deze "line of argument" eraan voorbijziet dat het hof niet heeft aangenomen dat Fortis heeft ingestemd met ontslag van ILFB uit aansprakelijkheid (maar, integendeel, heeft aangenomen dat Fortis heeft gestaan op mede-aansprakelijkheid van ILFB én CCM voor de (nadere) krediet-verplichtingen (waaraan niet hoeft af te doen de bedoeling van de betrokkenen, dat CCM voor de schulden van ILFB zou "opkomen")).

Als men dat inziet, doen de ongerijmdheden waar het middelonderdeel op wijst, zich niet voor.

35) In de Memorie van Grieven is namens [betrokkene] uitvoerig betoogd dat Fortis wél zou hebben ingestemd met de gestelde schuldoverneming (zie - vooral - alinea's 73 - 84 van dat stuk). Als ik de desbetreffende stellingen doorneem, tref ik daarin echter niets aan wat werkelijk oplevert of onderbouwt, dat Fortis met schuldovername, inclusief ontslag uit aansprakelijkheid van de oorspronkelijke debiteuren, zou hebben ingestemd. Men vindt daar, veelvuldig herhaald, stellingen die ertoe strekken dat Fortis geen bezwaar heeft gemaakt tegen, en zelfs medewerking heeft verleend aan de overname van de bedrijfsactiviteiten van ILFB door CCM (waarbij ook aansprakelijkheid van CCM voor de schulden ten opzichte van Fortis is bedongen)(22). Dat impliceert echter niet, dat ook met ontslag uit aansprakelijkheid van de oorspronkelijke debiteuren wordt ingestemd - het vormt zelfs geen duidelijke aanwijzing dat dat voor de geest zou hebben gestaan. In de hier bedoelde gedeelten van de Memorie van Grieven wordt wel veelvuldig betoogd dat zulke aanwijzingen hier wel aanwezig zouden zijn - maar dat is dus niet zo.

36) Wat voor de beoordeling in cassatie belangrijker is: het hof kon geredelijk het hier aangevoerde zo uitleggen, dat daarin geen concrete stellingen zijn te vinden die de instemming van Fortis met de beoogde schuldoverneming (kunnen) onderbouwen. Zo heeft het hof, blijkens rov. 7.7 (slot) van het eindarrest, dit betoog ook gelezen. Daarmee is dit betoog op begrijpelijke gronden verworpen(23). De verschillende argumenten uit middelonderdeel 7 doen daar niet wezenlijk aan af.

37) In subonderdelen 7.2 en 7.3 (subonderdeel 7.1 houdt geen klacht in), begeeft het middel zich in veronderstellingen omtrent de weg waarlangs de aansprakelijkheid van [betrokkene] die in het kader van de "schuldoverneming" (dus) bleef bestaan, door het hof zou zijn geconstrueerd. In de door het hof gevolgde gedachtegang behoefde men hier echter niet bij stil te staan. Namens [betrokkene] was niet weersproken(24) dat hij aansprakelijk was voor de schulden van ILFB. Eenmaal aangenomen dat niets is gesteld wat ertoe kan leiden dat Fortis ILFB/[betrokkene] van deze aansprakelijkheid had ontslagen - en dat heeft het hof aan het slot van rov. 7.7 beslist -, behoeft verder niet te worden onderzocht, waar de - overigens niet betwiste - aansprakelijkheid van [betrokkene] precies op berustte(25).

38) Subonderdeel 7.4 berust eveneens op een gegeven dat het hof in dit verband buiten beschouwing heeft gelaten, en ook buiten beschouwing kon laten. Als men aanneemt dat er geen deugdelijke onderbouwing was aangevoerd voor de stelling dat Fortis met de schuldoverneming door CCM heeft ingestemd, kan voorbij worden gegaan aan (overige) argumenten die Fortis ten betoge van het tegendeel had ingebracht. Het bewijsaanbod dat in dit subonderdeel wordt genoemd, hoefde om dezelfde reden niet te worden beoordeeld: het betrof stellingen die irrelevant waren, of die als onvoldoende gesubstantieerd terzijde konden - wat mij betreft overigens: behoorden - te worden gelaten(26).

39) Onderdeel 8 voert min of meer dezelfde argumenten als onderdeel 7 aan, met betrekking tot het argument (van de kant van [betrokkene]) dat er (niet schuldovername maar) contractsoverneming zou hebben plaatsgehad. Voor deze argumenten geldt het hiervóór gezegde dienovereenkomstig: zij stuiten af op 's hofs vaststelling, aan het slot van rov. 7.7 van het eindarrest, dat onvoldoende is gesteld om te kunnen dienen als basis voor de (rechts)grond dat Fortis met ontslag van [betrokkene] uit diens (hoofdelijke) aansprakelijkheid zou hebben ingestemd. Of het nu schuldovername of contractsovername betreft, voor beide geldt gelijkelijk dat zij alleen na instemming van Fortis tegen Fortis kunnen worden ingeroepen; en omtrent die instemming waren, zoals al eerder ter sprake gebracht, volgens het hof geen terzake dienende stellingen aangevoerd.

40) (Ook) het onderwerp "contractsovername" is van de kant van [betrokkene] maar vrij terloops en zonder nadere (specifiek dáárop gerichte) feitelijke onderbouwing ter sprake gebracht, in een betoog dat overigens steeds naar schuldovername verwees. Ook dat bracht mee dat het hof met een sobere motivering kon volstaan, gelijke tred houdend met de sobere wijze waarop dat aspect aan het hof was voorgelegd.

41) Voor het overige worden geen argumenten tegen de in cassatie bestreden arresten ingebracht. Nu de argumenten die daartegen wel worden ingebracht mij niet doeltreffend toeschijnen, ligt voor de hand dat ik zal concluderen, zoals hierna inderdaad wordt geconcludeerd.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Een uitgebreide samenvatting van de feiten is te vinden in rov. 4.2 onder a t/m o van het mede in cassatie bestreden tussenarrest van 17 juni 2003; zie ook rov. 2.1 onder a t/m m van een in de eerste aanleg gewezen vonnis van 23 maart 2001.

Goeddeels dezelfde feiten zijn aan de orde geweest in twee eerdere cassatieprocedures tussen personen die bij de ook in deze zaak spelende transactie(s) betrokken waren, zie HR 29 oktober 2004, rechtspraak.nl LJN AQ0547 en HR 21 november 2003, NJ 2004, 130.

2 De met deze afkorting weergegeven naam luidde: "International Leather Fashion Boxmeer, in oprichting". De oprichting van de rechtspersoon die blijkens deze naam beoogd werd, heeft nooit plaatsgehad.

3 Bij de financiering zijn ook hypotheken, verstrekt door de ouders van [betrokkene], betrokken geweest. Hierover ging het in de zaak die in het eerste in voetnoot 1 genoemde cassatiegeding beoordeeld werd. In de onderhavige zaak speelt (ook) dit aspect geen rol.

4 In verband met het faillissement van [betrokkene] is het onderhavige geding enige tijd voortgezet door de curator. Dat heeft ook geleid tot de "opsplitsing" van de zaken in conventie en in reconventie. Voor de thans in cassatie spelende vragen is noch het een, noch het ander van belang.

5 In de eerste aanleg waren niet alle verweren in dezelfde omvang aan de orde; maar voor de beoordeling in cassatie maakt (ook) dat geen verschil.

6 Inmiddels was [betrokkene] overleden, en werd het geding door zijn erfgenamen voortgezet.

7 Het hof wees een tussenarrest op 17 juni 2003 en eindarrest op 1 november 2005. De cassatiedagvaarding, waarbij tegen beide arresten wordt opgekomen, is uitgebracht op 31 januari 2006.

8 Zie daarover HR 19 januari 2007, RvdW 2007, 108, rechtspraak.nl LJN AZ3178, rov. 3.5.3; Asser, noot bij NJ 2004, 305, alinea's 9 - 14 en "Bewijslastverdeling", 2004, nr. 44; Pitlo c.s., Het Nederlands Burgerlijk Recht deel 7, Bewijs, 2004, nr. 24; alinea 5 van de conclusie van A - G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468.

9 O.a. HR 31 januari 2003, JOR 2003, 73 m.nt. Verdaas, rov. 3.4.2.

10 Deze benaming is, zoals bekend, ontleend aan de maatstaf voor uitleg van schriftelijke contracten zoals die voor het eerst is geformuleerd in HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, rov. 2.

11 Zie ook Civiele Conclusies 2002, nr. 27 (p. 105 e.v.).

12 Zie voor deze formulering bijvoorbeeld alinea's 3.1 - 3.9 van de conclusie van A - G Verkade voor HR 12 september 2003, NJ 2005, 268 m.nt. DA onder nr. 270 en alinea 5 van de conclusie van A - G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468. Inhoudelijk werd het onderscheid tussen tegenbewijs en "tegendeelbewijs" geanalyseerd in HR 16 maart 2007, rechtspraak.nl LJN AZ0613, rov. 3.4 en 3.5.

13 Dat wordt ondersteund door de manier waarop de bewijsopdracht in het dictum van het tussenarrest is geformuleerd - zie ook HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468, rov. 4.5.1.

Overigens (en volledigheidshalve): wanneer de andere lezing van het tussenarrest de juiste zou zijn zou daar volgens mij (in onderdeel 1.7) met recht over worden geklaagd.

14 Asser Procesrecht / Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 122, met vermelding van rechtspraak in noten 1 en 5 op blz. 273. Zie ook HR 10 maart 2006, NJ 2006, 191, rov. 4.5. Ik teken aan dat de stellingen waarop dit middelonderdeel een beroep doet, merendeels in het allerlaatste stadium van de procedure - het pleidooi in appel - zijn aangevoerd.

15 Dit middelonderdeel voert ook aan dat het hof op dit punt al een eindbeslissing zou hebben gegeven - ik neem aan dat bedoeld is: in het tussenarrest - en dat [betrokkene] niet in de gelegenheid zou zijn gesteld tot het leveren van (tegen)bewijs. Dit lijkt mij in beide opzichten niet juist. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de beslissingen in rov. 4.8.4 van het tussenarrest een voorlopig karakter hadden - zoals ook, gezien de bij het tussenarrest verstrekte bewijsopdracht, bepaald in de rede lag; en het hof heeft daarom aanleiding gezien de kwestie in het eindarrest opnieuw te bezien. En zoals ik al opmerkte, heeft [betrokkene] de gelegenheid gekregen en ook benut om bewijs te leveren ten aanzien van, onder meer, het hier aangehaalde gegeven.

16 Memorie van Grieven, alinea's 107 en 108.

17 Hier is kennelijk art. 3:69 BW bedoeld.

18 Deze vaststelling wordt overigens in onderdeel 7 van het middel bestreden; maar zoals hierna ter sprake zal komen meen ik, dat dat tevergeefs gebeurt.

19 Daarbij is nog in aanmerking te nemen dat [betrokkene] expliciet heeft aangegeven dat niet werd weersproken, dat hij ([betrokkene]) in persoon aansprakelijk was voor de schulden van ILFB. In alinea 63 van de Memorie van Grieven wordt dat met zoveel woorden gezegd. In de vraag, in welke hoedanigheid [betrokkene] precies aansprakelijk zou zijn (waar in het middel her en der op wordt gezinspeeld), hoefde het hof zich daarom niet te verdiepen.

20 Op te merken valt nog dat het arrest waarop in dit verband de nadruk wordt gelegd, HR 11 april 1997, NJ 1997, 583 m.nt. Ma., betrekking had op een probleem van andere aard: namelijk op de vraag of een reeds bestaande vennootschap die bij de uitvoering van een namens een vennootschap i.o. verrichte overeenkomst werd betrokken, onder omstandigheden kan gelden als de vennootschap die in de betreffende overeenkomst als partij werd beoogd - en uit dien hoofde aan de overeenkomsten gebonden is. Dat kan in de zojuist kort geschetste omstandigheden inderdaad het geval zijn. Of degenen die in naam van de vennootschap i.o. handelden dan van aansprakelijkheid zijn ontslagen lijkt mij een andere vraag, die met het antwoord op de hier voorliggende vraag nog niet beantwoord is (de mogelijkheid van (mede-)gebondenheid van de oorspronkelijk handelende persoon wordt in rov. 3.4, slot, van dit arrest expliciet open gelaten).

21 Subonderdelen 6.3 en 6.4 verwijzen naar vindplaatsen, met name uit de pleitnota in appel; maar als men deze vindplaatsen - waarin overigens uitvoerige beschouwingen worden gegeven - doorneemt, vindt men daarin geen noemenswaardige concrete onderbouwing van de stellingen waar onderdeel 6 op gericht is (bekrachtiging via (analogische) toepassing van art. 2:203 BW dan wel art. 3:69 BW, (mede) gericht op ontslag van ILFB/[betrokkene] uit de bestaande aansprakelijkheid). Er wordt wel gesteld dát daarvan sprake zou zijn, maar uitingen of gedragingen waarop die gevolgtrekking zou moeten berusten (met name als het gaat om Fortis) worden niet - laat staan: duidelijk - aangegeven.

22 Er wordt ook, met name in de alinea's 80.1 onder 1 t/m 8, veel geciteerd uit de processtukken die tussen partijen zijn gewisseld. Ofschoon ik besef dat uitlatingen in processtukken licht kunnen werpen op hoe een bepaalde partij over een bepaald standpunt denkt, kunnen die gewoonlijk niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat die partij datzelfde standpunt ook (veel) eerder, in uitingen die voor de rechtsverhouding ten opzichte van de wederpartij van betekenis kunnen zijn, al heeft geuit. Dat kan in elk geval niet, als concrete stellingen omtrent wat dan zoal in het eerdere stadium al zou zijn geuit, geheel ontbreken. Die - merkwaardige - situatie doet zich in deze zaak voor.

Overigens kunnen ook de uitlatingen uit processtukken waarop hier een beroep werd gedaan, zeer wel worden begrepen als alleen betrekking hebbend op bereidheid, bij Fortis, om aan de overgang van het bedrijf van ILFB naar CCM mee te werken, en niet als instemming met ontslag uit aansprakelijkheid van de oorspronkelijke debiteuren. Zo heeft het hof deze uitlatingen klaarblijkelijk ook begrepen (en daarin mede daarom geen relevante stellingen over instemming met dat ontslag opgemerkt).

23 Uitleg van in een procedure ingenomen standpunten is voorbehouden aan de "feitelijke" rechter: HR 24 november 2006, RvdW 2006, 1106, rov. 3.9; HR 23 december 2005, NJ 2006, 289 m.nt. MRM, rov. 4.2, 5.2, 6.1.3, 6.4.3; HR 11 februari 2005, NJ 2006, 44, rov. 4.2.3; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.

24 Zie opnieuw alinea van de 63 van de Memorie van Grieven en voetnoot 19 hiervóór.

25 Er waren voor die aansprakelijkheid verschillende, elkaar overigens gedeeltelijk overlappende gronden aangevoerd. Nu de aansprakelijkheid niet betwist werd, konden die gronden buiten beschouwing blijven.

26 Ervan uitgaand dat dit subonderdeel doelt op het bewijsaanbod in alinea 90 van de Memorie van Grieven (het subonderdeel preciseert niet waar het bedoelde bewijsaanbod zou zijn te vinden), geldt ten overvloede, dat dit bewijsaanbod niet voldeed aan de mate van precisering die van een in appel gedaan bewijsaanbod mag worden verlangd; zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270 m.nt. DA, rov. 3.6.