Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2282

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
03382/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Maatstaf beoordeling verzoek horen getuigen (a) en deskundigen (b). De raadsvrouwe van verdachte heeft per fax verzocht om 3 getuigen en een deskundige op te roepen. Gelet op de wetgeschiedenis t.a.v. art. 263 Sv kan de fax worden beschouwd als een opgave a.b.i. art. 263.3 Sv, die ex art. 414.2 (oud) Sv ook in appel van toepassing is. a) Het bij fax gedane en ter ttz in appel gehandhaafde verzoek om alsnog de getuigen op te roepen is een verzoek a.b.i. art. 287.3.a (oud) Sv i.v.m. art. 415 (oud) Sv. Maatstaf voor de beoordeling daarvan is ingevolge art. 288.1.c Sv i.v.m. art. 415 (oud) Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad. Door te overwegen dat het verzoek wordt afgewezen, nu het hof geen noodzaak t.z.v. bedoelde getuigenverhoren aanwezig acht, heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd. b) Het ter ttz in appel gedane verzoek alsnog voornoemde deskundige op te roepen is een verzoek a.b.i. art. 287.3.a (oud) Sv i.v.m. art. 299.1 Sv en art. 415 (oud) Sv. Maatstaf voor de beoordeling daarvan is ingevolge art. 288.1.c Sv i.v.m. art. 299.1 Sv en art. 415 (oud) Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat verdachte door het afzien van de oproeping van de deskundige niet in zijn verdediging wordt geschaad. Door te overwegen dat het verzoek wordt afgewezen, nu de noodzaak tot voorlichting van het hof door een ter zake deskundige m.b.t. de bewijswaarde en/of bruikbaarheid als bewijsmiddel van bedoelde fotoconfrontaties niet is gebleken, heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 396
RvdW 2007, 602
NJB 2007, 1410
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03382/05

Mr. Knigge

Zitting: 27 maart 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Leeuwarden, wegens "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot tachtig dagen gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft mr. G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Verdachte is op 3 oktober 2001 samen met een groot aantal andere Bulgaarse mannen aangehouden op verdenking van oplichting. De groep Bulgaren zou zich in wisselende samenstelling in de maanden augustus en september 2001 in Amsterdam hebben beziggehouden met het oplichten van mensen die geld wilden wisselen bij geldwisselkantoren, maar die door de Bulgaren werden verleid met een gunstiger koers. De politie toonde de aangevers de foto's van alle Bulgaarse verdachten (opsporingsconfrontatie). Twee aangevers ([aangever 1] en [aangever 2]), die op resp. 26 en 18 september 2001 slachtoffer waren geworden van de wisseltruc, wezen de verdachte zonder aarzeling aan als de man die hen had opgelicht. Een derde aangever ([getuige 1]), die op 30 augustus 2001 werd opgelicht, zwakte zijn herkenning bij de R.C volgens de verdediging af.(1) Hij verklaarde tegenover de politie te hebben gezegd dat hij de verdachte maar voor 30% had herkend. Aan de verdachte werd alleen de oplichting van [aangever 1] en [aangever 2] tenlastegelegd. De verdediging richtte haar pijlen op de betrouwbaarheid van de fotoherkenningen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 18 september 2001 tot en met 26 september 2001, te Amsterdam meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen telkens hieronder te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededaders(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk een zogenaamde wisseltruc toegepast, welke truc telkens inhield, dat hij, verdachte en/of zijn mededaders(s) aan die hieronder te noemen personen die geld wilden wisselen bij een wisselkantoor heeft/hebben gevraagd of zij hun geld bij hem, verdachte en/of zijn mededader(s) wilde wisselen en vervolgens nadat een prijs en/geldbedrag overeen was gekomen tussen hem, verdachte en/of zijn mededaders(s) en die personen het betreffende geldbedrag aan die personen heeft getoond en/of laten tellen om te kijken of het klopte waarna hij, verdachte en/of zijn mededaders(s) voornoemd geldbedrag even terugnamen waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) op een moment dat die personen daarop niet bedacht waren voornoemd geldbedrag snel en/of zonder dat die personen dat zagen omruilde(n) voor lagere valuta dan was afgesproken en vervolgens overhandigde(n) aan die perso[n]en als zijnde het overeengekomen geldbedrag, waardoor die personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

het betreft de personen;

- [aangever 1], gepleegd op 26 september 2001 te Amsterdam, betreft geldbedrag van F 11000,- en

- [aangever 2], gepleegd op 18 september 2001 te Amsterdam, betreft geldbedrag van F 2475,-"

5. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek een drietal getuigen en een deskundige te horen ten onrechte heeft afgewezen, omdat het dit verzoek aan de verkeerde maatstaf heeft getoetst.

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2005 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De raadsvrouwe van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - :

Ik heb de ontbrekende stukken van de getuigenverhoren d.d. 22 november 2001 bij de rechter-commissaris ontvangen. Overigens heb ik van de advocaat-generaal gehoord dat het vandaag om een regiezitting gaat in verband met het verzoek getuigen te horen dat per fax gedaan is d.d. 14 januari 2005.

De voorzitter stelt vast dat uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 november 2004 volgt dat een faxverzoek geen verzoek ex artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering is.

De raadsvrouwe van de verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Dan beroep ik mij op het noodzaakcriterium. Het horen van de eerste vier in de fax genoemde getuigen, de aangevers,(2) is naar mijn mening niet meer noodzakelijk, aangezien ik nu de stukken van de verhoren van deze getuigen bij de rechter-commissaris heb ontvangen. De drie daarna genoemde getuigen, [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], kunnen een alibi verschaffen voor het feit van 30 augustus 2001. Ondanks het feit dat dit niet ten laste is gelegd en de aangever zijn verklaring bij de rechter-commissaris heeft afgezwakt, doet de verklaring van de getuigen wel degelijk ter zake. De fotoherkenning heeft niet op de juiste wijze plaatsgevonden. Mijns inziens is er sprake van een persoonsverwisseling. Ten tijde van het feit had verdachte een lichte snor, op de foto had hij deze niet. Dan is fotoherkenning eigenlijk niet goed mogelijk. Het gaat erom dat er primair een foute fotoherkenning is geweest. Mijn visie is sterker als op papier staat dat verdachte een alibi heeft voor een datum waarop hij in Nederland gezien zou zijn. Indien u het verzoek om deze getuigen te horen, afwijst, wil ik u vragen in ieder geval de deskundige te horen.(3) De veroordeling is slechts gebaseerd op de herkenning en de bewijswaarde daarvan kan door de deskundige worden beoordeeld.

(...)

De advocaat-generaal verklaart - zakelijk weergegeven -:

(...)

Inhoudelijk wil ik het volgende verklaren. De drie Bulgaarse getuigen voegen niets toe aan de bewijsmiddelen voor de ten laste gelegde periode van 18 september 2001 tot en met 26 september 2001. Voor wat betreft de deskundige: met de huidige confrontaties kunnen we prima uit de voeten. Het gaat niet om een foute fotoconfrontatie.

(...)

De raadsvrouwe van verdachte verklaart hierop - zakelijk weergegeven -:

Dat er twee herkenningen zijn wil niet automatisch zeggen dat er een goede herkenning is. Het kunnen beide foute confrontaties zijn. In eerste aanleg is slechts het feit ten aanzien van [aangever 2] bewezen verklaard. De politierechter is klaarblijkelijk van oordeel geweest dat de andere confrontaties niet goed waren. Dit acht ik voldoende om de deskundige te horen.

Na een korte onderbreking voor beraad, deelt de voorzitter mee:

De noodzaak om de drie Bulgaarse getuigen te horen is in het kader van de tenlastelegging onvoldoende duidelijk geworden. Het verzoek om deze getuigen te horen wijst het hof dan ook af. Daarnaast kent het hof de criteria voor de fotoconfrontatie, zodat er geen noodzaak is om de deskundige te horen."

Voorts houdt de aan het proces-verbaal van de tweede terechtzitting in hoger beroep, van 29 maart 2005, gehechte pleitnota voor zover hier van belang het volgende in:

"Ter aangehouden terechtzitting voor uw Hof is de "herkenning" van [getuige 1] reeds uitgebreid aan de orde gekomen. De verdediging heeft immers verzocht enkele familieleden van cliënt als getuige op te roepen ten einde cliënt een alibi te kunnen verschaffen voor 30 augustus 2001. Het Hof heeft toen uitdrukkelijk te kennen gegeven het standpunt van de verdediging als waar aan te nemen en het als aannemelijk aan te merken dat cliënt op 30 augustus 2001 nog in Bulgarije verbleef. Nu het hof de stelling van cliënt dat hij op 30 augustus 2001 in Bulgarije was niet in twijfel trok, heeft zij het horen van de getuigen in kwestie afgewezen wegens het ontbreken van belang aan de kant van de verdediging. Niet mag echter uit het oog verloren worden dat getuige [getuige 1] heeft aangegeven dat de foto van cliënt op de oplichter lijkt. Hieruit kan derhalve slechts een conclusie worden getrokken, namelijk dat een van de oplichters op cliënt lijkt en dat er mogelijkerwijs een zogenaamde dubbelganger in het spel is.

(...)

Mocht u Edelgrootachtbaar college bovengenoemde punten niet voldoende vinden om de betrouwbaarheid en de bewijswaarde van de confrontatie in dit stadium van het proces in twijfel te trekken en als bewijs uit te sluiten dan handhaaft de verdediging haar eerdere verzoek tot het benoemen van een deskundige om over de wijze van confronteren en de bewijswaarde en betrouwbaarheid daarvan te rapporteren. De verdediging denkt daarbij aan prof. dr. W.A. Wagenaar, prof. dr. Van Koppen dan wel de heer A. van Amelsfoort."

Het proces-verbaal van genoemde appèlzitting houdt voorts in dat de raadsvrouw van verdachte, nadat zij het woord had gevoerd aan de hand van haar pleitnota, nog het volgende heeft toegevoegd:

"Het hof heeft ter terechtzitting van 25 januari 2005 het verkeerde criterium gehanteerd met betrekking tot mijn verzoek tot het horen van getuigen. Ik verwijs naar de wetswijziging ter zake van het horen van getuigen. Ik handhaaf dan ook mijn verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]."

7. Het besteden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De raadvrouw heeft aangevoerd dat het hof ter terechtzitting van 25 januari 2005 het verzoek van de verdediging om enkele familieleden van de verdachte ([betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) als getuige op te roepen op onjuiste gronden heeft verworpen door dit te toetsen aan het criterium van het verdedigingsbelang, in plaats van te toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium. De raadsvrouw heeft daartoe gewezen op de wijziging van het Wetboek van Strafvordering per 1 januari 2005 en heeft ter terechtzitting van 29 maart 2005 het verzoek om bedoelde getuigen te horen gehandhaafd.

In de eerste plaats overweegt het hof dat de raadsvrouw er ten onrechte van uitgaat dat het hof bovengenoemd verzoek ter terechtzitting van 25 januari 2005 heeft getoetst aan het criterium van het verdedigingsbelang, nu uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat bovengenoemd verzoek is afgewezen omdat de noodzaak tot het horen van eerdergenoemde personen als getuige onvoldoende duidelijk is geworden in het kader van de tenlastelegging.

In de tweede plaats overweegt het hof dat de door de raadsvrouw bedoelde wetswijziging, opgenomen in Staatsblad 2004, 579, ingevolge het daarbij bepaalde overgangsrecht niet van toepassing is in deze zaak, nu de dagvaarding ter zake van de behandeling van het hoger beroep op 10 december 2004 is betekend.

Ook overigens acht het hof geen noodzaak ter zake van bedoelde getuigenverhoren aanwezig.

Immers, ook indien bedoelde getuigen verklaren dat de verdachte op 30 augustus 2001 in Bulgarije verbleef, zoals door de verdediging is aangevoerd, sluit dat niet uit dat de verdachte positief is herkend door diverse anderen, onder wie ook de verbalisanten die observaties hebben verricht, in relatie tot het onder 1 ten laste gelegde.

Op grond van het bovenstaande acht het hof geen termen aanwezig om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.

(...)

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof heeft voor het bewijs met name gelet op de volgende bewijsmiddelen.

In het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1] van 3 december 2001 is omschreven wat de modus operandi is van de Bulgaarse geldwisselaars, waartoe de verdachte behoort. Dat de verdachte tot die Bulgaarse geldwisselaars behoort, heeft het hof afgeleid uit de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] van 5 oktober 2001 en van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 4 oktober 2001.

Daarbij past ook het bij de verdachte aantreffen van een grote som geld, een rekenmachine en een mobiele telefoon.

In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2] is tevens aangegeven dat de verdachte al ongeveer vier weken in Amsterdam verblijft.

Het hof heeft voorts gelet op de beide aangiftes van [aangever 2] en [aangever 1] en de fotoherkenning door [aangever 2] en door [aangever 1] en op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 5] van 4 oktober 2001.

Op grond van deze bewijsmiddelen komt het hof tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de fotoherkenningen niet deugdelijk zijn uitgevoerd door de politie en dat deze daardoor niet als bewijs mogen worden gebruikt en dat het hof in geval van verwerping van dit verweer een ter zake deskundige dient te doen rapporteren aan het hof over de wijze van confronteren en de bewijswaarde en de betrouwbaarheid daarvan.

Hierover overweegt het hof dat de richtlijnen die golden voor fotoconfrontaties, zoals die in deze zaak zijn uitgevoerd, er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg staan bedoelde fotoconfrontaties hier als bewijsmiddel te gebruiken. Het hof komt tot dit oordeel gelet op de verklaringen van beide aangevers bij de rechter-commissaris, waaruit blijkt dat de fotoconfrontaties naar de stand van 2001 zorgvuldig zijn uitgevoerd.

De noodzaak tot voorlichting van het hof door een ter zake deskundige met betrekking tot de bewijswaarde en/of bruikbaarheid als bewijsmiddel van bedoelde fotoconfrontaties is niet gebleken :

het hof selecteert en waardeert immers zelf het bewijs en het is bij uitstek de eigen verantwoordelijkheid van de rechter om de betrouwbaarheid en de bewijswaarde daarvan zelfstandig te toetsen in het licht van alle beschikbare gegevens zoals die uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof de door de raadsvrouw aangevoerde bewijsverweren."

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat als gevolg van een vergissing in de aan het Hof overgelegde pleitnota staat vermeld dat het Hof het verzoek tot het horen van de getuigen in kwestie heeft afgewezen wegens het ontbreken van belang aan de kant van de verdediging en dat deze vergissing heeft doorgewerkt in het besteden arrest.(4) Hoe dit ook zij, de vraag in cassatie is of het Hof de in hoger beroep gedane verzoeken aan het juiste criterium heeft getoetst.

9. Het verzoek is klaarblijkelijk per fax gedaan en kennelijk ook op het parket bij het Hof ontvangen op 14 januari 2005. Op dat moment was de Wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 2004, 579) in de onderhavige zaak nog niet van toepassing, omdat de dagvaarding in hoger beroep vóór 1 januari 2005 is uitgebracht.(5) In de onderhavige zaak was op het in het middel bedoelde getuigen- annex deskundigeverzoek derhalve nog van toepassing de tekst van art. 263 lid 3 Sv zoals die luidde na inwerkingtreding op 1 juli 2003 (zie Stb. 2003, 260) van de Wet van 3 april 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van de raadsheer-commissaris en enige andere onderwerpen (raadsheer-commissaris; zie Stb. 2003, 143).(6) Die tekst luidde als volgt:

"Opgave geschiedt in persoon ten parkette van de officier van justitie of schriftelijk. Schriftelijke opgave is gericht aan de officier van justitie. Bij schriftelijke opgave anders dan bij aangetekende brief verzekert de verdachte zich ervan dat deze de opgave tijdig heeft ontvangen. Hij vermeldt de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, duidt hij hen zo nauwkeurig mogelijk aan. Bij schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief, welke onverwijld daarop wordt aangetekend, als dag van opgave."

De wet liet derhalve al sinds 1 juli 2003 toe dat een getuigen- c.q. deskundigeverzoek per fax werd ingediend.(7)

10. Op grond van het voorgaande moet geconstateerd worden dat het Hof het in het middel bedoelde verzoek ten onrechte heeft getoetst aan het noodzaakcriterium. Het had dit verzoek, nu het tijdig was gedaan, aan het zogenaamde verdedigingscriterium moeten toetsen. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

11. Het ten onrechte toepassen van het noodzakelijkheidscriterium leidt in de regel zonder meer tot cassatie.(8) Reden om daarvan in het onderhavige geval af te wijken, zie ik niet. Het gaat in casu niet om een - door welwillende lezing te repareren - ongelukkige woordkeus(9), maar om een standpunt waaraan het Hof uitdrukkelijk wenste vast te houden. Dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing was, vormde dus voor het Hof zelf een groot - mogelijk doorslaggevend - punt.

12. Min of meer ten overvloede merk ik nog het volgende op. Mijns inziens kan niet gezegd worden dat in de motivering van het Hof besloten ligt dat de verdachte geen belang heeft bij het horen van de gewenste getuigen, omdat hetgeen zij zouden kunnen verklaren redelijkerwijs niet van belang is voor enige door het Hof in de onderhavige zaak te nemen beslissing. Het Hof heeft in het bestreden arrest weliswaar overwogen dat ook indien bedoelde getuigen verklaren overeenkomstig hetgeen zij volgens de toelichting van de verdediging op het verzoek zouden kunnen verklaren - namelijk dat de verdachte op 30 augustus 2001 in Bulgarije verbleef - dit niet uitsluit dat de verdachte positief is herkend door diverse anderen. Dat kan betekenen dat het Hof bereid is geweest uit te gaan van de juistheid van het alibi dat de verdachte zich voor 30 augustus 2001 zocht te verschaffen, maar het kan ook betekenen dat het Hof op voorhand twijfelde aan het waarheidsgehalte van de af te leggen verklaringen. De vraag of in het feit dat het Hof de criteria voor de fotoconfrontatie kent en in staat is om zelf de bewijswaarde van de herkenningen te beoordelen, besloten ligt dat de verdediging bij het horen van een deskundige geen redelijk belang heeft, kan gelet op het voorgaande blijven rusten.

13. Het middel slaagt.

14. Het tweede middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat verdachtes betrokkenheid bij de bewezenverklaarde oplichting enkel volgt uit (foto)herkenningen door de aangevers. Deze fotoherkenningen zouden evenwel onbetrouwbaar zijn.

15. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs en het te dien aanzien gevoerde verweer overwogen hetgeen hiervoor, onder punt 7 reeds is weergegeven.

16. Voorop gesteld moet worden dat de Hoge Raad niet onderzoekt of de feitenrechter terecht tot een bewezenverklaring is gekomen en ook niet of hijzelf het feit bewezen zou hebben geacht op basis van het in de bestreden uitspraak gepresenteerde bewijsmateriaal. De Hoge Raad toetst slechts marginaal; de enige vraag die hij stelt is of de bewezenverklaring kàn volgen uit de bewijsmiddelen.(10) Dat is in casu het geval. Het Hof heeft, in weerwil van hetgeen de verdediging op dit punt had aangevoerd, het resultaat van de desbetreffende fotoconfrontaties betrouwbaar geacht. Die afweging is aan het Hof voorbehouden.(11) Dat wordt niet anders wanneer het bewijs, zoals in de onderhavige zaak, is verkregen via door sommige wetenschappers ter discussie gestelde onderzoeksmethodes.(12) Dat het Hof heeft geoordeeld dat het onderzoek, kennelijk wat de herkenningen van de aangevers betreft, "naar de stand van 2001 zorgvuldig is uitgevoerd", acht ik in het licht van hetgeen de aangevers daarover tegenover de R-C verklaarden, niet onbegrijpelijk.(13) Dat (al dan niet op grond van voortschrijdend inzicht) kritiek mogelijk is op het onderzoek maakt daarbij nog niet dat de herkenningen onbetrouwbaar zijn.(14) Gelet op de stelligheid waarmee de aangevers onafhankelijk van elkaar de verdachte herkenden, en het steunbewijs waarop het Hof zijn oordeel mede baseerde, kan mijns inziens niet gezegd worden dat het oordeel van het Hof op dit punt onbegrijpelijk is.

17. Het middel faalt en zou kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Tussen de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van 22 november 2001, inhoudende het verslag van een verhoor door de R-C van deze [getuige 1]. Het proces-verbaal van politie waarop de verdediging kennelijk doelt met hetgeen zijn ter terechtzitting van het Hof van 25 januari 2005 heeft opgemerkt over het 'afzwakken' van zijn verklaring door [getuige 1], bevindt zich niet tussen die stukken.

2 De bedoelde fax bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. De vier aangevers waarop de raadsvrouwe doelde zijn [getuige 1], [aangever 1] en [aangever 2].

3 Blijkens de fax is verzocht om de heer Van Amelsvoort te horen, die onder meer werkzaam was geweest als hoofd van de vakgroep algemene recherche aan het Instituut Criminaliteitsbeheersing en Recherchekunde te Zutphen.

4 Tussen de aan de Hoger Raad gezonden stukken bevindt zich het in het middel bedoelde faxbericht van 9 juni 2005, waarin de raadsvrouw de griffier bij het Hof op deze vergissing en de kennelijke gevolgen daarvan wijst.

5 Zie art. V van deze wet. Zie voor het inwerkingtredingsbesluit betreffende deze wet Stb. 2004, 640.

6 Art. II van de wet bevat alleen voor de verlengde oproepingstermijn van getuigen - deze dient vanaf het moment van inwerkingtreding slechts te worden toegepast in zaken waarin nadien wordt gedagvaard - een overgangsbepaling. De MvT, kamerstukken 28 477, nr. 3, vermeldt op p. 26 ten aanzien van deze overgangsbepaling dat "[s]pecifiek overgangsrecht (...) voor de onderhavige wetswijziging op de meeste onderdelen niet noodzakelijk voor[komt]." Het bepaalde in art. II vormde de uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking. Vgl. over de inwerkingtreding van strafvorderlijke wijzigingen waarvoor geen specifiek overgangsrecht geldt Cleiren in Melai, aant. 22 bij art. 1 Sv. Overigens spreekt genoemd art. II niet van inleidende dagvaarding, maar van dagvaarding. Ik leid daaruit af dat, aangezien de appèldagvaarding in deze zaak na de datum van inwerkingtreding is betekend, dat de wet in haar geheel - dus ook wat de oproepingstermijn betreft - van toepassing was.

7 Vgl. genoemde MvT, p. 18 en 19.

8 Zie o.m. HR 24 oktober 2000, NJ 2001, 13 en HR 14 januari 2003, NJ 2003, 403 m.nt YB.

9 Vgl. HR 12 oktober 1993, NJ 1994, 129 en HR 27 februari 2007, 01190/06 (niet gepubliceerd).

10 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 197.

11 Vgl. HR 4 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt. YB, ro. 3.8.1., HR 21 september 1999, NJ 2000, 380, HR 6 juli 1999, NJ 2000, 379.

12 Vgl. HR 17 november 1992, NJ 1993, 408 (over een enkelvoudige spiegelconfrontatie), HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580 (over een enkelvoudige confrontatie met kleding).

13 De aangevers [aangever 2] en [aangever 1] zijn op 22 november 2001 door de R-C gehoord. De processen-verbaal van deze verhoren bevinden zich tussen de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Het p-v van het verhoor van [aangever 2] houdt onder meer in: "Ik heb 2 keer een serie foto's gezien. De eerste keer was het toen ik ook de video heb bekeken. Dat was volgens mij een serie van 5 of 6 foto's. Ik heb toen niemand herkend. Later is de politie nog een keer langs geweest en toen heb ik meer foto's gezien. Dat waren 11 a 15 foto's. Ik herkende de man op foto 4 toen onmiddellijk als de mand die geld gewisseld had (...). Als mij nu de fotoserie op pag. 48 tot en met 51 van het dossier wordt vertoond dan herken ik de man op foto 4 op pag. 48 als de verdachte. Nadat ik de man herkende zei de politie dat zij deze man gearresteerd hadden. De politie heeft mij niet gezegd dat de mannen op de foto's allemaal verdachten waren die zich schuldig maakten aan strafbare feiten vergelijkbaar aan het strafbare feit waarvan ik slachtoffer was." Het p-v van het verhoor van [aangever 1] houdt onder meer in: Vervolgens heb ik aangifte gedaan. Ik ben daarna door de politie gebeld. Zij zeiden dat zij een aantal verdachten hadden aangehouden en zij vroegen mij of ik foto's van die verdachten wilde bekijken. Ze zijn bij mij langsgeweest. Ik herkende de man van foto 4 onmiddellijk als de man die mij had aangesproken en het geld had gewisseld. Zijn vriend heb ik niet herkend. Later heb ik nog meer foto's gezien maar daar heb ik niemand herkend. De politie heeft voordat zij de foto's aan mij lieten zien gezegd dat de verdachte er misschien niet bij zou zitten. Zij hebben mij vier bladen met foto's laten zien. Ik herkende de man van foto 4 onmiddellijk. Ik zal hem ook nooit vergeten." De confrontatie van [getuige 1] (zie voetnoot 5) ging er overigens kennelijk anders aan toe: "De eerste keer dat ik op het politiebureau was heb ik een aantal mannen gezien. Daar waren de verdachten niet bij. Later kreeg ik een telefoontje van de politie en ben nogmaals op een politiebureau geweest. Daar heb ik ongeveer 20 foto's gezien. Bij 2 foto's twijfelde ik sterk en heb gezegd dat ik ze graag in het echt wilde zien. Voordat ik de foto's gezien had, heeft de politie tegen mij gezegd dat ze foto's van een aantal verdachten hadden die dezelfde misdrijven pleegden en dat ik naar die foto's moest kijken. Ze hebben niet gezegd dat de verdachten er mogelijk niet bij zouden zijn. (...) Bij de confrontatie heb ik tegen de politie gezegd dat ik de verdachte voor 30% herkende. Ik heb gezegd dat het niet eens 50% was."

14 Vgl. HR 9 september 1999, NJ 1998, 89 (waarin het Hof overigens onder meer belang had gehecht aan de omstandigheid dat er meerdere herkenningen waren).