Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2162

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
01354/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. In de overwegingen van de Rb ligt als haar oordeel besloten dat het door klaagster aangevoerde niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat zij niet rechtsgeldig afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen honden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk, ook niet indien in aanmerking wordt genomen – zoals eerst in de toelichting op het middel naar voren is gebracht – dat te dezen op de voet van art. 118 Sv een bewaarder over de honden had kunnen worden aangesteld ingeval klaagster de afstandsverklaring niet zou hebben willen ondertekenen. Voor verdere toetsing in cassatie leent het oordeel van de Rb zich niet, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 474
JOL 2007, 546
RvdW 2007, 753
NJB 2007, 1856

Conclusie

Nr. 01354/06 B

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2007

Conclusie inzake:

[klaagster]

1. De Rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 1 september 2005 het beklag tegen (voortduren van) de inbeslagneming niet ontvankelijk verklaard.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 01353/06 B en 01354/06 B. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. De onderhavige zaak heeft betrekking op de inbeslagneming van twee honden. Deze werden inbeslaggenomen toen zij schapen hadden verwond.

4. Namens klaagster heeft mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te 's Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.

5. Doelmatigheidshalve bespreek ik eerst het tweede middel.

6. Het tweede middel klaagt dat de motivering van de niet ontvankelijkverklaring onbegrijpelijk is.

7. De Rechtbank heeft overwogen:

"Om een inhoudelijke beslissing op een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering te kunnen nemen moet sprake zijn van inbeslagneming in de zin van deze wet.

Of dit laatste het geval is dient te worden beoordeeld aan de hand van (de systematiek van) deze wet, in het bijzonder het bepaalde in artikel 134, lid 2 Wetboek van Strafvordering, blijkens welke bepaling een beslag wordt beëindigd in de situatie als bedoeld in artikel 116, tweede lid, aanhef en onder c.

In de onderhavige situatie heeft de officier van justitie kennelijk beoogd toepassing te geven aan laatstvermelde bepaling. Voorts hebben zowel klaagster als [betrokkene 1] voor afstand van de honden getekend. De vraag of bij het schriftelijk verklaren afstand te doen ongeoorloofde druk is toegepast wordt vervolgens door de rechtbank ontkennend beantwoord. De rechtbank realiseert zich dat klaagster en beslagene voor een hele moeilijke keuze hebben gestaan en dat op zeer indringende wijze met hen is gesproken, waarbij de te nemen beslissing emotioneel was. Echter, niet is vastgesteld dat sprake was van een dusdanig ongeoorloofde druk dat aan de ondertekening voor zover het de toepassing van artikel 116, tweede lid, aanhef en onder c, Wetboek van Strafvordering voorbij moet worden gegaan.

Dat betekent dat er geen sprake meer is van beslag en hier derhalve geen inhoudelijke beslissing meer over kan worden genomen.

De rechtbank wijst in aansluiting hierop nog op het bepaalde in artikel 116, lid 6, Wetboek van Strafvordering."

8. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt - voor zover hier van belang - in:

"Klaagster verklaart - desgevraagd -:

Het klaagschrift is ingediend uit naam van mij en mijn vriend [betrokkene 1].

Wij betwisten het incident niet.

Het is niet bewezen dat de Husky's bloed hebben geproefd. Er is wel schapenhaar in het braaksel van de honden gevonden.

Beslagene voert het woord aan de hand van bijgevoegde pleitnota en verklaart voorts:

(...)

De handtekening onder de afstandsverklaring (bijlage 1) met daarbij de toevoeging "onder dwang" is van mijn vriendin. De honden zijn van haar. De honden zijn onder mij in beslag genomen.

Ik heb onder dwang mede ondertekend. Ik heb alleen getekend omdat de Husky's anders afgemaakt zouden worden. Ik heb getekend voor afstand, maar pas nadat ik eerst had geweigerd. Volgens de wet moet ik een strafbaar feit gepleegd hebben wil er een strafzaak volgen. Siberische Husky's staan niet aangemerkt als gevaarlijke dieren.

Het verscheurt ons hart dat de twee Siberische Husky's ons zijn afgenomen."

9. De aan genoemd proces-verbaal gehechte pleitnota luidt - voor zover hier van belang -:

"Er vanuit gaande dat wij hier zijn voor het toetsen van de rechtmatigheid van de inbeslagname van onze honden willen wij u graag het volgende voorhouden:

(...)

Bovendien willen wij graag nog vermelden dat op het moment dat onze honden bij ons thuis in beslag werden genomen wij voor de onredelijke keus werden gesteld onze honden mee te laten nemen of ze direct in te laten slapen. Uiteraard kiezen wij dan voor het in leven laten van onze honden, welke ons zeer dierbaar zijn. Achteraf hebben wij vernomen dat zonder een rechterlijk of ander justitieel bevel wij nooit verplicht hadden kunnen worden onze honden af te staan. Wij voelen ons dan ook zeer belazerd door de gang van zaken en het getoonde machtsmisbruik."

10. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt - voor zover hier van belang - voorts in:

"De officier van justitie geeft aan:

De honden zijn in beslag genomen, omdat zij twee schapen hadden aangevallen en zwaar verwond, zozeer dat één schaap moest worden afgemaakt. Het is voorts aannemelijk dat de honden een dag eerder ook al achter de schapen hadden aangezeten. Er was sprake van overtreding van de APV.

Normaliter worden honden die "bloed hebben geproefd" afgespoten, omdat honden na een dergelijk voorval niet meer zijn te vertrouwen. Ik heb mij door een deskundige laten vertellen dat het niet verantwoord was om de twee Siberische Husky's terug te geven. Dat zou niet veilig meer zijn. In het onderhavige geval is daarvan afgeweken en zijn de twee Siberische Husky's in leven gelaten en in een speciale Husky-kennel geplaatst. Plaatsing in een speciale Husky-kennel was een goed alternatief. De twee Siberische Husky's zitten er nog steeds. Het gaat heel goed met hen. Een en ander is gebeurd na overleg met de officier van justitie. Omdat klaagster en beslagene ten overstaan van opsporingsambtenaar, te weten [verbalisant 1], schriftelijk afstand van de twee honden hebben gedaan is deze handelwijze te beschouwen als waren de twee Siberische Husky's onttrokken aan het verkeer ex artikel 116, tweede lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. Er rust geen beslag meer op de honden. In geval de rechter van oordeel is dat er toch nog beslag rust op de twee honden, dan zal ik een vordering onttrekking aan het verkeer doen. Daartoe biedt artikel 36b Wetboek van Strafrecht mij de mogelijkheid.

Het ligt gevoelig als twee honden worden afgenomen. Er is weliswaar onder protest afstand gedaan en het was voor klaagster en haar vriend geen gemakkelijke keus, maar het was afspuiten - en daarvoor was een goede grond - of naar de speciale Husky-kennel zodat de honden in leven konden blijven. Zij hadden liever niet willen ondertekenen, maar zij hebben wel ondertekend. Ik betwist dat zij onder dwang voor afstand hebben getekend.

Er is geen strafvorderlijk belang. Er volgt geen strafzaak, omdat het afnemen van de honden al zo'n verlies betekent voor klaagster en haar vriend. De honden zijn onttrokken aan het verkeer."

11. Volgens de toelichting op het middel is de overweging van de Rechtbank dat de afstandsverklaring niet onder ongeoorloofde druk tot stand is gekomen, onbegrijpelijk. Daartoe wordt er op gewezen dat een afstandsverklaring niet nodig was om de Husky's in leven te laten, nu immers de honden ingevolge art. 116 jo. 118 Sv in handen van een bewaarder hadden kunnen worden gesteld.

12. In de overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat klaagster bij het tekenen van de afstandsverklaring is gesteld voor de keus afstand te doen van de inbeslaggenomen honden waardoor deze in leven konden blijven of geen afstand te doen hetgeen zou betekenen dat de honden zouden worden gedood. De keuze waarvoor klaagster dus werd gesteld was het prijs geven van de honden zodat deze konden blijven leven of vasthouden aan de mogelijkheid van enig rechtsmiddel tegen de inbeslagneming ten koste van het leven van de honden.

13. Uit de motivering van de Rechtbank komt niet naar voren waarom de honden in afwachting van een beslissing over het beslag niet in handen van een bewaarder konden worden gesteld terwijl de honden, naar de Rechtbank kennelijk op grond van de mededeling van de Officier van Justitie eveneens als juist heeft aangenomen, zijn ondergebracht in een speciale Husky-kennel en inbeslagneming dus niet noodzakelijkerwijs meebracht dat de honden moesten worden gedood omdat deze - oneerbiedig, doch in de termen van art. 117 lid 2 onder a Sv gezegd - niet geschikt waren "voor opslag". Reeds daarom is onbegrijpelijk het oordeel van de Rechtbank dat klaagster door de keuze waarvoor zij is gesteld niet onder ongeoorloofde druk is gezet toen haar de afstandsverklaring ter tekening werd voorgelegd. De wet biedt immers geen enkele steun de beslagene te stellen voor de keuze afstand te doen van enig rechtsmiddel tegen het beslag opdat het inbeslaggenomene niet wordt vernietigd dan wel vasthouden aan een door de wet tegen de inbeslagneming voorzien rechtsmiddel tegen de prijs van vernietiging van het beslagene. Zou iemand voor een dergelijke keuze gesteld mogen worden, dan zou dat betekenen, dat een klaagschrift tegen inbeslagneming, ook in de gevallen waarin de Officier van Justitie geen machtiging op de voet van art. 117 lid 2 Sv heeft verstrekt, nimmer tot teruggave van het beslagene zou kunnen leiden. Dat is onverenigbaar met de door de wet voorziene mogelijkheid van teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp naar aanleiding van een tegen het beslag gerichte klacht (art. 552a Sv). De politie is in het onderhavige geval kennelijk, doch ten onrechte vooruit gelopen op een in de ogen van de politie te verwachten rechterlijke beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de honden.

14. Is een afstandsverklaring gebrekkig dan kan niet worden gesproken van afstand in de zin van de wet en kan op grond van die afstandsverklaring niet worden aangenomen dat zich, zoals de Rechtbank heeft gedaan, het geval voordoet van art. 116 lid 2, aanhef en onder c Sv. De onbegrijpelijkheid van het oordeel over de afstandsverklaring brengt dus mee dat ook het oordeel dat klaagster niet in haar beklag kan worden ontvangen omdat zich, gelet op de gedane afstand, het geval van art. 116 lid 2, aanhef en onder c Sv voordoet en het beslag dus ingevolge art. 134 lid 2, aanhef en onder b Sv is geëindigd, onbegrijpelijk is.

15. Het middel slaagt.

16. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de honden onrechtmatig in beslag zijn genomen, en wel omdat ten tijde van de inbeslagneming van heterdaad geen sprake meer was.

17. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt - voor zover hier van belang - in:

"Beslagene voert het woord aan de hand van bijgevoegde pleitnota en verklaart voorts:

Het is de vraag of de beslaglegging door daartoe bevoegde personen heeft plaatsgevonden. Indien dat niet zo is, is de inbeslagneming van de twee Siberische husky's onrechtmatig en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Indien die personen wel bevoegd waren dan hebben zij ons valse informatie verstrekt op grond waarvan wij toestemming hebben gegeven."

18. De aan genoemd proces-verbaal gehechte pleitnota luidt - voor zover hier van belang -:

"Er vanuit gaande dat wij hier zijn voor het toetsen van de rechtmatigheid van de inbeslagname van onze honden willen wij u graag het volgende voorhouden:

Wij vragen ons af of de inbeslagname van onze honden wel heeft plaatsgevonden door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar of (hulp)officier van Justitie, zoals staat vermeld in artikel 94 lid 3 Wetboek van Strafvordering. Ons is dit uit het proces-verbaal niet gebleken.

Ook heeft de verbalisant niet aangegeven dat de inbeslagname van onze honden door een daartoe bevoegde persoon heeft plaatsgevonden. Mocht dit inderdaad het geval zijn dan is de inbeslagname als zodanig onrechtmatig en zou meneer/mevrouw de officier ons inziens niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

Daarnaast is de opsporingsambtenaar of (hulp)officier van Justitie, al dan niet bevoegd, voorzien van valse informatie (waar wij u op uw verzoek eventueel meer over kunnen vertellen) op grond waarvan deze toestemming heeft gegeven voor de inbeslagname van onze honden. Wellicht zou bij een juiste voorstelling van zaken de inbeslagname helemaal niet hebben plaatsgevonden."

19. De door de Rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid bracht mee dat de Rechtbank niet kon toekomen aan de toetsing van de rechtmatigheid van de inbeslagneming. Los daarvan meen ik dat de Rechtbank in het aangevoerde niet een uitdrukkelijk beroep op onrechtmatigheid van de inbeslagneming wegens het ontbreken van heterdaad had behoeven te zien. Op het ontbreken van heterdaad wordt immers niet gewezen. Overigens meen ik dat in het onderhavige geval nog wel van heterdaad sprake was. Volgens de stukken zag een getuige omstreeks 19.30 uur de Husky's achter schapen aan rennen, gingen verbalisanten om 20.00 uur naar aanleiding van een melding dat schapen zouden zijn verwond door honden, ter plaatse, zagen zij daar een dierenarts bij twee gewonde schapen, is de getuige omstreeks 20.30 uur gehoord, zijn de verbalisanten nadat de schapen waren behandeld naar de woning van de verdachte gegaan en werden daar omstreeks 22.15 uur de twee honden inbeslaggenomen. Zie bijvoorbeeld HR 17 februari 1987, NJ 1987, 963, waar de verdachte om 10.15 uur werd betrapt op het openbreken van een trottoir en hij om 12.50 uur werd aangehouden. Het oordeel van het Hof, dat deze aanhouding plaatsvond op heterdaad, achtte de Hoge Raad aanvaardbaar.

20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd. Ter zijde merk ik nog op dat de verwijzing van de Rechtbank naar het bepaalde in art. 116 lid 6 Sv onbegrijpelijk is. In een geval als het onderhavige is het beslag volgens de Rechtbank geëindigd en handelt de Officier van Justitie met het inbeslaggenome als ware het verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer (art. 116 lid 2, aanhef en onder c Sv). Dat betekent dat het inbeslaggenomene is vervallen aan de staat (art. 35 lid 2 Sr) en de afstandsverklaring de rechten van klaagster op het beslagene juist niet onverlet heeft gelaten.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de Rechtbank dan wel verwijzing naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG