Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2160

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
01322/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2160
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv en het op de Nederlandse Antillen en Aruba geldende recht; concordantiebeginsel. Het middel berust o.m. op de opvatting dat het betoog van de raadsman moet worden beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv. Die bepaling is 1-1-05 in werking getreden en heeft een ruimere reikwijdte dan de tot dan toe in de jurisprudentie ontwikkelde motiveringsvoorschriften (HR LJN AU9130). Een dergelijke bepaling ontbreekt evenwel in de Wetboeken van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba, terwijl de totstandkoming in NL van een naar de inhoud nieuwe wettelijke regel niet reeds uit kracht van het in art. 39.1 van het statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel tot gevolg heeft dat de inhoud van die regel van rechtswege deel gaat uitmaken van het op de Nederlandse Antillen en Aruba geldende recht (HR LJN AA1488). Het betoog in het middel dat “het streven naar rechtseenheid tusssen enerzijds de Nederlandse Antillen en Aruba en anderzijds NL” meebrengt dat art. 359.2 Sv “jurisprudentieel” dient te worden ingevoerd in het Antilliaanse procesrecht faalt, omdat voor die stelling in genoemd statuut geen grondslag kan worden gevonden en geen andere rechtsregel noopt tot een zodanige uitleg. Ook overigens bestaat daarvoor geen grond. Als zodanig kan niet gelden de enkel in het middel benadrukte omstandigheid dat de rijkswetgever wat betreft de cassatieprocedure ten aanzien van uitleveringszaken in het Koninkrijk rechtseenheid heeft nagestreefd en bewerkstelligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 390
NJ 2007, 400 met annotatie van J.M Reijntjes
RvdW 2007, 587
NJB 2007, 1407
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01322/06 A

Mr. Wortel

Zitting:27 maart 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een strafvonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba waarbij verzoeker wegens "medeplegen van diefstal, voorafgaande en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" is veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het enige middel bevat de klacht dat ten onrechte geen afzonderlijk gemotiveerde beslissing is gegeven op een bewijsverweer.

4. Naar mijn inzicht kan aanstonds worden vastgesteld dat het middel doel mist, aangezien het verweer in kwestie ook naar Nederlandse maatstaven, met name neergelegd in het huidige tweede lid van art. 359 Sv, geen verweer is dat tot een afzonderlijke, nader gemotiveerde beslissing noopt.

In de toelichting op het middel wordt evenwel een aardige rechtsvraag opgeworpen.

5. Dat is de vraag of een wenselijke mate van rechtseenheid in de Nederlandse, Nederlands Antilliaanse en Arubaanse rechtspleging meebrengt dat het in art. 359, tweede lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering neergelegde motiveringsvoorschrift ook toepasselijk moet worden geacht voor de strafvonnissen die in de andere delen van het Koninkrijk worden gewezen, ofschoon de Wetboeken van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba deze bijzondere motiveringseis niet stellen.

6. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat het tweede lid van art. 359 Sv, zoals de bepaling sinds 1 januari 2005 luidt, ten dele is te beschouwen als een codificatie van motiveringseisen die in de rechtspraak reeds voor enkele bijzondere situaties waren ontwikkeld. Dat is juist. De Hoge Raad heeft evenwel uit de bewoordingen en parlementaire behandeling van deze wettelijke bepaling afgeleid dat zij een bredere strekking heeft dan (naast verbetering van de positie van het Openbaar Ministerie) codificatie van in de rechtspraak reeds omschreven bijzondere motiveringsverplichtingen. De Hoge Raad legt het huidige tweede lid van art. 359 Sv aldus uit dat verweren ten aanzien van de bewijsbeslissing of de bepaling van straf of maatregel tot een nader gemotiveerde beslissing nopen, ook in gevallen waarin die voorheen niet werd verlangd, mits zo een verweer is aan te merken als een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt", vgl. HR NJ 2006, 393, rr.oo. 3.5 en 3.6.

7. Een motiveringsverplichting van deze brede strekking kennen de Wetboeken van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba niet. Art. 402 van die Wetboeken komt overeen met het Nederlandse art. 359 Sv, en het tweede lid van art. 402 SvNA komt woordelijk (afgezien van de artikelnummers waarnaar verwezen wordt) overeen met art. 359, tweede lid (OUD) Sv.

8. Voor die gevallen waarin de noodzaak wordt gevoeld de eenheid in de rechtsontwikkeling binnen het Koninkrijk te bewaken door aan te nemen dat een wettelijke regeling die in één van de delen van het Koninkrijk in werking is getreden ook toepasselijk is in de andere jurisdicties, verschaft art. 39, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut) daarvoor een rechtsgrond. Men spreekt in dit verband wel van het concordantiebeginsel. De Hoge Raad heeft het concordantiebeginsel ook wel eens op rechtspraak betrokken, in een zaak waarin de vraag werd opgeworpen of anticiperende interpretatie geboden is in verband met een wetgevingsproces dat in een ander deel van het Koninkrijk gaande is. Voor die specifieke vorm van concordantie vond de Hoge Raad een basis in art. 23 Statuut in samenhang met art. 1 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba, vgl. HR NJ 1999, 409. Men zou art. 39 Statuut dus kunnen omschrijven als een bepaling van wetgevingsconcordantie.

9. Het toepassingsgebied van dit concordantiebeginsel is niet groot. Er moet voor worden gewaakt dat typisch Nederlandse opvattingen en verlangens niet aan de Nederlandse Antillen of aan Aruba worden opgedrongen. De enkele omstandigheid dat Nederland zijn wetgeving van iets nieuws voorziet, of een bepaalde regeling drastisch wijzigt, rechtvaardigt niet dat die nieuwe regeling zonder meer gaat gelden voor gedingen die door de Nederlands Antilliaanse of Arubaanse rechter moeten worden beslist, vgl. HR NJ 2000, 51. A fortiori kan van concordantie geen sprake zijn indien het ervoor gehouden moet worden dat de wetgever in het andere deel van het Koninkrijk er bewust voor gekozen heeft de elders ingevoerde regel niet over te nemen, vgl. HR NJ 2001, 526. Dit geldt voor de concordantie waarop art. 39, eerste lid Statuut doelt, maar naar mijn inzicht evenzeer voor de 'rechtspraakconcordantie' die in HR NJ 1999, 409 als mogelijkheid is onderkend. Mij komt het overigens voor dat die laatste vorm van concordantie nooit méér kan zijn dan een bijzondere vorm van anticiperende rechtspraak.

10. In algemene zin zou ik menen dat het concordantiebeginsel slechts een rol kan gaan spelen indien er geen twijfel over bestaat dat de wetgever in het betreffende deel van het Koninkrijk geen bezwaar zal of kan maken tegen overneming van de elders in gang gezette of doorgevoerde rechtsontwikkeling (wetswijziging of jurisprudentie). Dit laat zich praktisch gesproken in twee situaties denken. Ten eerste: die wetgever heeft voldoende signalen afgegeven dat hij de elders (hetzij door wetgeving, hetzij door rechtspraak) ontwikkelde norm voor de eigen rechtsorde, met haar specifieke maatschappelijke oriëntatiepunten, eveneens bruikbaar acht. Ten tweede: de elders gecodificeerde of in rechtspraak geformuleerde rechtsnorm vormt de onontkoombare toepassing van een verdragsbepaling die voor het hele Koninkrijk verbindend is en van zodanige aard dat een justitiabele daar rechtstreeks een beroep op kan doen. In dat laatste geval immers, zullen de wetgevers in de diverse delen van het Koninkrijk geen andere keus hebben dan de betreffende rechtsregel als noodzakelijk erkennen.

11. Behoudens de naleving van zo een voor het Koninkrijk bindende en voor rechtstreekse toepassing vatbare verdragsbepaling kan van concordantie (door anticiperende rechtspraak of in de zin van art. 39, eerste lid Statuut) in mijn visie slechts sprake zijn voor zover dat verenigbaar is met tekst en strekking van de wettelijke bepalingen die in het betreffende deel van het Koninkrijk gelden, dan wel, in geval twijfel rijst over de vraag of die bepalingen naar eigentijdse inzichten nog wel geëigend zijn om de door de desbetreffende wetgever beoogde rechtsbescherming te bieden, voor zover aansluiting gevonden kan worden bij gebleken opvattingen van die wetgever omtrent een wenselijke ontwikkeling van de eigen rechtsorde.

12. Hieruit volgt dat ik er zeer aan hecht de in de toelichting op het middel opgeworpen kwestie te bezien in de sleutel van de in het Statuut bedoelde concordantie. Dit lijkt me essentieel voor een juiste rechtsontwikkeling binnen het Koninkrijk. Het is een uitermate hollands trekje om hier onder grijze luchten van alles te regelen in de oprechte overtuiging dat de hele mensheid het hollandse gedachtengoed in bewondering zou moeten omarmen. Dit Koninkrijk erkent evenwel dat de rijksdelen overzee eigen wetgevers hebben. Welnu, dan dient er ook zeer zorgvuldig op te worden toegezien dat die wetgevers hun eigen inzichten gestalte kunnen geven, en dat zij hun rechtsorde kunnen toesnijden op de specifieke maatschappelijke behoeften waaraan zij structuur moeten geven.

13. Men kan, dunkt mij, niet in ernst volhouden dat de tekst van ons huidige art. 359, tweede lid Sv de onontbeerlijke uitwerking of nakoming is van art. 6 EVRM of welke andere, voor rechtstreekse toepassing vatbare, verdragsbepaling dan ook.

Voorts moet worden bedacht dat de Wetboeken van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba nog lang niet de levensduur hebben waarbij de vraag kan rijzen of zij wellicht (op onderdelen) zijn verouderd. Zij zijn ingevoerd in 1997. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de wetgever er naar heeft gestreefd het strafgeding grondig te herzien, ook met het oog op eigentijdse inzichten aangaande verdedigingsrechten en de eisen die voortvloeien uit verdragen die fundamentele persoonlijke rechten beschermen, vgl. T.M. Schalken en S.W. Mul, Het nieuwe Wetboek van strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba (1997); bronnenpublicatie (2 delen). Reeds daarom dient te worden aangenomen dat de Nederlands Antilliaanse en Arubaanse wetgevers van oordeel zijn dat in deze Wetboeken een goede en toereikende regeling is getroffen ten aanzien van de inrichting van een strafvonnis en de daarmee verband houdende motiveringsvoorschriften. Ik zie geen enkele aanwijzing dat deze wetgevers daar inmiddels anders over zijn gaan denken.

14. In de toelichting op het middel wordt nog betoogd dat uit parlementaire stukken blijkt dat de rijkswetgever er belang aan hecht dat de Hoge Raad zijn jurisprudentie omtrent vormverzuimen zal toepassen op de Arubaanse en Antilliaanse cassatieprocedure in uitleveringszaken, en dat dit dan ook moet gelden voor "commune strafzaken". Het laatste is onjuist. De wetgever heeft uiteengezet dat de bijzondere aard van de uitlevering en de volkenrechtelijke achtergrond daarvan wenselijk maken dat bij de cassatieprocedure in Nederlands Antilliaanse en Arubaanse uitleveringszaken dezelfde regels zullen gelden als voor Nederlandse uitleveringszaken (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 797 (R 1686) nr 3 p. 6 en nr 5 p. 4). Deze afweging gaat niet op voor een zó met nationale omstandigheden vervlochten onderwerp als de inrichting van een strafvonnis.

15. Het voorgaande samenvattend zie ik binnen de zeer enge grenzen waarbinnen de Hoge Raad een door de Nederlandse wetgever ingevoerd voorschrift zou kunnen toepassen in een strafzaak die overigens door Nederlands Antilliaans of Arubaanse recht wordt beheerst, noch de mogelijkheid noch de noodzaak dit met art. 359, tweede lid Sv te doen voor zover deze bepaling op straffe van nietigheid in acht genomen zou moeten worden. Art. 402 SvNA staat dat niet toe.

Een boeiende kwestie is het niettemin, althans naar mijn smaak. Het is echter maar de vraag of de Hoge Raad zich geïnspireerd zal voelen tot beschouwingen op dit punt. De zaak gaat namelijk als een nachtkaars uit.

16. De in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen houden in dat de verdenking tegen verzoeker is gebaseerd op de verklaringen van drie getuigen die reeds voor hun aandeel in de overval zijn veroordeeld. Dienaangaande stelde de raadsman:

"Het is heel goed mogelijk dat deze heren een leugenachtige verklaring afleggen over [verzoeker] en zijn rol in het geheel. De kans is niet uit te sluiten dat zij niet durven te vertellen wie in werkelijkheid de vierde man was. De verklaringen worden misschien wel ingegeven uit angst voor maatregelen door die onbekende vierde man in het algemeen of erger nog: misschien worden zij daadwerkelijk bedreigd door die onbekende vierde man."

Vervolgens is in deze pleitaantekeningen een opsomming gegeven van punten waarop de verklaringen van de getuigen niet logisch lijken te zijn, of niet overeenstemmen met hetgeen de betreffende of andere getuigen eerder hadden verklaard.

17. Aldus heeft de raadsman niet méér aangevoerd dan een reeks van vooronderstellingen en bedenkingen betreffende de geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen. Zo een verweer is niet aan te merken als een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" in de zin van art. 359, tweede lid, Sv - zoals de bepaling sinds 1 januari 2005 is gaan luiden - zodat dit betoog ook naar Nederlandse maatstaven een toereikende (voldoende gemotiveerde) weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130.

18. De Hoge Raad zou er dus voor kunnen kiezen dit beroep kort af te doen.

Overigens werd ik er op gewezen dat één van mijn ambtgenoten heden concludeert in een Nederlands Antilliaanse zaak waarin eveneens wordt geklaagd over het niet-naleven van art. 359, tweede lid, Sv. Die conclusie strekt ertoe dat een klacht over veronachtzaming van een voorschrift dat op het betreffende geding in het geheel niet toepasselijk is geen middel in de zin van de wet oplevert. Allicht zal die conclusie samenhangen met de (gebrekkige) wijze waarop in die zaak het middel is geformuleerd. Niettemin concludeer ik in deze zaak bij vervroeging, opdat de zaken in hun samenhang kunnen worden bezien.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,