Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA2012

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
C06/048HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Koop, non-conformiteit (art. 7:17 BW). Geschil over de vraag of voor professionele koper van apparatuur en installaties onderzoeksplicht is vervallen door mededeling van verkoper (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 355
RvdW 2007, 505
NJB 2007, 1251
JWB 2007/190
Verrijkte uitspraak

Conclusie

rolnummer: C06/048HR

Mr. J. Wuisman

rolzitting: 23 maart 2007

CONCLUSIE inzake:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

3. [Eiser 3],

4. [Eiser 4],

tezamen vormend de vennootschap onder firma [A],

eisers tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerder 2],

verweerders in cassatie,

hierna: [verweerder],

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

De kernvraag in de onderhavige zaak is of voor een professionele koper van apparatuur en installaties de 'plicht' om voorafgaande aan de koop de goederen te onderzoeken is komen te vervallen vanwege een mededeling van de verkoper bij een bezichtiging dat de apparatuur en installaties goed functioneren.

1. Feiten

1.1 De feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.10 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 1.1 t/m 1.7 van het vonnis van de rechtbank. Het navolgende overzicht van de feiten is daaraan ontleend.

a. Op 19 juni 1996 sluiten [eiser] (als koper) en [verweerder] (als verkoper) een koopovereenkomst met betrekking tot (a) een perceel waarop zich een woonhuis bevindt en ook bedrijfsruimten (warenhuis en kas) met daarin een verwarmings-, water-, regenleiding- en lichtinstallatie((1)) en (b) een perceel van 1.30 ha tuingrond.

b. In de van de koopovereenkomst opgemaakte akte komen, onder meer, de volgende bepalingen voor:

"FEITELIJKE LEVERING / STAAT VAN HET VERKOCHTE

De feitelijke levering en aanvaarding van het verkochte zullen plaatsvinden in de staat ten tijde van het sluiten van de koop, met dien verstande dat het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar geacht wordt geen wijziging te brengen in de staat van het verkochte.

Koper heeft het recht het verkochte vóór de ondertekening van de akte van levering in- en uitwendig te inspecteren.

EIGENSCHAPPEN VAN HET VERKOCHTE / VERONTREINIGING

Voor zover aan verkoper bekend:

- bezit het registergoed de feitelijke eigenschappen die voor een normaal gebruik daarvan als glastuinbouwbedrijf, resp. woning nodig zijn;

(...)

GARANTIES DOOR VERKOPER / ONDERZOEK KOPER

(...)

2. Verkoper heeft aan koper over het verkochte al die inlichtingen verschaft, die koper niet uit eigen hoofde of onderzoek bekend zijn of hadden behoren te zijn.

Koper heeft voor het sluiten van de koop onderzoek verricht naar de feitelijke eigenschappen van het registergoed. Dientengevolge zijn alle aan koper kenbare gebreken voor zijn rekening."

c. [Eiser] en [verweerder] waren buren. [Eiser] kwam af en toe op het bedrijf van [verweerder]. [Verweerder] heeft tot de verkoop zelf op het door hem verkochte perceel een glastuinbouwbedrijf uitgeoefend. [Eiser] wilde het onroerend goed ook als glastuinbouwbedrijf gaan gebruiken.

d. Voordat de koop werd gesloten, heeft [eiser], in het bijzijn van [verweerder], het bedrijfsgebouw bezichtigd. Hierbij is onder meer naar de verwarmingsketel gekeken en is ook de staat van het dak en van de installaties ter sprake gekomen. [Verweerder] heeft daarbij de mededeling gedaan dat de installaties goed functioneerden((2)).

e. De levering van het gekochte heeft op 15 juli 1996 plaatsgevonden.

f. Op verzoek van [eiser] heeft [betrokkene 1] in januari 1997 het gekochte bedrijf geïnspecteerd. In zijn rapport van 31 januari 1997 (productie 1 bij de conclusie van eis in eerste aanleg) vermeldt [betrokkene 1] onder meer((3)) dat wegens gebreken de rookgascondensator van de ketelinstallatie en het onderbeen van het verdeelstuk met de kasverwarmingsgroepen moeten worden vervangen. Hetzelfde geldt voor diverse leidingen, afsluiters en de zeef van de pompunit in de kas en de verdeelleidingen van het bovennet van de kasverwarming.

g. [Eiser] heeft naar aanleiding van het rapport van [betrokkene 1] herstelwerkzaamheden laten verrichten aan onder meer de ketelinstallatie, de pompunit en de in de kas aanwezige installaties.

2. Het geschil en het procesverloop

2.1 [Eiser] heeft [verweerder] voor de rechtbank te 's-Gravenhage gedagvaard((4)) en, na wijziging van eis, gevorderd, een veroordeling van laatstgenoemde tot betaling van een bedrag van f 57.970,31, bestaande uit een bedrag van f 53.828,31 aan kosten in verband met herstelwerkzaamheden, f 1.642 aan expertisekosten in verband met de door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden en f 2.500 aan buitengerechtelijke kosten. [Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag, kort samengevat, dat het geleverde niet de eigenschappen bezit die hij op grond van de overeenkomst en de mededelingen van [verweerder] tijdens de bezichtiging van de zaak mocht verwachten, dat hij, nu [verweerder] niet bereid was tot herstel van de ontdekte gebreken (ex art. 7:21 lid 1 sub b BW), genoodzaakt was op eigen kosten herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren, en dat deze kosten door [verweerder] moeten worden vergoed omdat hij (toerekenbaar) is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst((5)). Eveneens heeft [eiser] gesteld dat [verweerder] (destijds) van de door [eiser] (later) ontdekte gebreken op de hoogte was, althans diende te zijn ((6)).

2.2 [Verweerder] heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd bestreden en daartoe aangevoerd, onder meer, dat [eiser] geen argeloze koper maar een professionele kweker is die zijn bedrijf bovendien uitoefende naast het bedrijf van [verweerder] en uit dien hoofde precies wist wat hij kocht en kon verwachten; dat [verweerder] niet bekend was met de door [eiser] ontdekte gebreken; dat [eiser] geen nieuw bedrijfsgebouw heeft gekocht, hetgeen ook geldt met betrekking tot de ketelinstallatie, de pompunit en de verwarmingsinstallatie in de kas; dat [eiser] uit eigen beweging naar [verweerder] is gekomen met de vraag of hij de grond met opstallen kon kopen; en dat [eiser], voor zover hij niet op de hoogte was van de precieze bouwjaren van de installaties en apparatuur, hij daarnaar, gelet op zijn deskundigheid, had moeten informeren((7)). Volgens [verweerder] heeft [eiser] dus niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan((8)).

2.3 De rechtbank heeft de vordering van [eiser] bij vonnis van 27 oktober 1999 afgewezen. Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank het volgende vooropgesteld (r.o. 3.2):

"[A] stelt dat het geleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt. Hiervoor is doorslaggevend of het geleverde die eigenschappen bezit die [A] op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

Uitgangspunt hierbij zijn de bepalingen in de koopakte. Hierin is vastgelegd dat [A] het recht had het verkochte in- en uitwendig te inspecteren, hetgeen ook is gebeurd. Bovendien slaat de rechtbank acht op hetgeen tussen partijen uitdrukkelijk is overeengekomen omtrent de verhouding tussen de onderzoeksplicht van [A] en de mededelingsplicht die [verweerder] c.s. hadden, zoals hiervoor onder 1.2 sub "garanties door verkoper/onderzoek koper" weergegeven. (..)"

Met betrekking tot de gestelde gebreken aan de apparatuur en de installaties acht de rechtbank van belang dat [eiser] het perceel, dat hij wilde kopen, kende, alsmede dat hij de op het perceel staande bedrijfspanden meermalen heeft bezocht en hij bekend was met de leeftijd van de installaties en de staat van onderhoud waarin zij verkeerden. De rechtbank overweegt dat er, gelet op de ouderdom van de apparatuur, niet zonder meer van kon worden uitgegaan dat de apparatuur nog gedurende langere tijd goed zou functioneren en dat [eiser], zeker als professionele kweker, dit heeft moeten begrijpen. Aangezien [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan aan zijn stelplicht terzake de aanwezigheid van de gebreken aan de apparatuur ten tijde van de verkoop, heeft de rechtbank [eiser] op dit punt niet toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen (r.o. 3.3).

2.4 [Eiser] is van het vonnis van de rechtbank van 27 oktober 1999 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 11 november 2005 heeft het hof echter het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het hof stelt in r.o. 3 voorop dat het, bij gebreke van daartegen gerichte grieven, uitgaat van de juistheid van de hiervoor in 2.3 geciteerde overwegingen van de rechtbank in r.o. 3.2 van het vonnis. Dit betekent, aldus het hof, dat de bepalingen in de koopakte tot uitgangspunt dienen te worden genomen, dat in de koopakte is vastgelegd dat [eiser] het recht had het gekochte in- en uitwendig te inspecteren (hetgeen ook is gebeurd) en dat acht geslagen dient te worden op hetgeen tussen partijen uitdrukkelijk is overeengekomen omtrent de verhouding van de onderzoeksplicht van [eiser] en de mededelingsplicht van [verweerder]. Omtrent de vraag of het geleverde voor wat betreft de staat van de apparatuur en de installaties al dan niet aan de conformiteitseis van art. 7:17 BW voldoet, overweegt het hof:

"3.1(..) dat op hen (lees: [eiser], JW) als professionele kopers (van apparatuur en installaties die in de glastuinbouw gebruikt worden) een verzwaarde onderzoeksplicht rustte. Dit houdt naar het oordeel van het hof (onder meer) in dat het op de weg van [A] lag te informeren naar, respectievelijk onderzoek te verrichten met betrekking tot, de ouderdom van, en de aard en de frequentie van (in het verleden) verricht onderhoud aan, de betrokken apparatuur en installaties. Uit de eigen stellingname van [A] blijkt dat zulks niet is gebeurd, doch dat zij zich beperkt heeft tot het aan de buitenkant bezichtigen van de (opstallen en) installaties. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [A] dat de door [verweerder] aan [A] gedane mededeling, dat de installaties naar behoren functioneerden, onjuist zou zijn. Vast staat dat [verweerder] tot het moment van de verkoop op het perceel een glastuinbouwbedrijf exploiteerde. Indien de installaties op het, respectievelijk de, moment(en) van bezichtiging en verkoop niet in bedrijf waren, zou zulks voor [A] als professionele koper een extra aanleiding geweest moeten zijn zelf tot nader onderzoek over te gaan. Daarbij komt nog dat het gegeven dat de installaties enkele maanden na de verkoop niet naar behoren functioneerden, nog niet impliceert dat de installaties ook op het moment van de bezichtiging of verkoop niet naar behoren gefunctioneerd hebben. Het hof tekent hierbij voorts nog aan dat ook uit de rapportage van [betrokkene 1] niet blijkt, dat de installaties ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst gebreken vertoonde. Veeleer kan naar het oordeel van het hof uit die rapportage worden afgeleid dat de in die rapportage genoemde gebreken in verband staan met de ouderdom van de installaties, waarnaar, zoals hiervoor is overwogen, [A] niet geïnformeerd heeft."

"3.2 Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt het hof tot het oordeel dat [A] met betrekking tot de gestelde gebreken aan de apparatuur en installaties onvoldoende aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en onvoldoende concreet feiten heeft gesteld waaruit kan volgen dat de gestelde gebreken reeds ten tijde van de verkoop aanwezig waren. Bij deze stand van zaken is bewijslevering niet aan de orde, zodat het hof het, overigens slechts in algemene bewoordingen gestelde, bewijsaanbod van [A] passeert."

Het hof concludeert in r.o. 4 vervolgens dat [eiser] onvoldoende feitelijk onderbouwd heeft dat sprake is van non-conformiteit in de zin van art. 7:17 BW en dat voor het overige is komen vast te staan dat [eiser] niet, althans onvoldoende, aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Dit betekent, aldus het hof, dat de grieven [eiser] niet baten en dat de rechtbank de vordering van [eiser] terecht heeft afgewezen.

2.5 [Eiser] is van het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen onder aanvoering van drie cassatiemiddelen. [Verweerder] heeft voor antwoord tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Partijen hebben hun standpunt in cassatie nog doen toelichten. Van de zijde van [eiser] is ten slotte nog gedupliceerd.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 De cassatiemiddelen bestrijden de oordelen van het hof in de rov. 3.1 en 3.2 dat, kort gezegd, [eiser] ondanks de mededeling van [verweerder] over het goed functioneren van de installaties niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, dat [eiser] niet voldoende concreet feiten heeft gesteld waaruit kan volgen dat reeds bij het sluiten van de koopovereenkomst gebreken aanwezig waren en dat bij die stand van zaken bewijslevering niet aan de orde is.

Over de cassatiemiddelen valt in het algemeen op te merken dat, wanneer cassatiemiddel 1 geen doel treft, het belang bij de andere twee cassatiemiddelen ontbreekt. Immers, het oordeel dat [eiser] niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan kan reeds de beslissing dragen dat hij niet met succes een beroep op non-conformiteit kan doen. Blijft genoemd oordeel in stand dan is reeds daarmee gegeven dat de vordering van [eiser] tot toekenning van schadevergoeding niet toewijsbaar is.

cassatiemiddel 1

3.2 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. De onderdelen A, B, C en D hebben als gemeenschappelijke noemer dat zij inhouden dan wel tot uitgangspunt nemen (a) dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser], ondanks dat [verweerder] had meegedeeld dat de installaties goed functioneerden, gehouden was onderzoek te doen naar de ouderdom van en de aard en frequentie van in het verleden verricht onderhoud aan de betrokken apparatuur en installaties, althans (b) dat dat oordeel niet of niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

3.3 Bij de beoordeling van genoemde klachten moet in de eerste plaats het volgende in aanmerking worden genomen. In §3 van de conclusie van repliek in eerste aanleg stelt [eiser] zelf dat, voor zover hem bekend, het bedrijf van [verweerder] van 1980 dateert en dat laatstgenoemde ter plaatse al 8 jaar een tuinbouwbedrijf uitoefende. In § 4 van de conclusie van dupliek bestrijdt [verweerder] een en ander niet. Ook staat vast dat [eiser] in het verleden als buurman van [verweerder] het bedrijf van laatstgenoemde heeft bezocht en dat aan de koop een of meer bezichtigingen door [eiser] van de panden en de installaties daarin zijn voorafgegaan. Verder stelt het hof in rov. 3 vast dat te dezen de bepalingen van de koopakte tot uitgangspunt dienen te worden genomen. Daarmee doelt het hof op de in rov. 2.2 geciteerde bepalingen (weergegeven hiervoor onder 1.1 sub b). Op grond van die bepalingen gaat het hof in rov. 3.1 ervan uit dat op [eiser] bij de aankoop een onderzoeksplicht rustte. Omdat hij een professionele koper was van apparatuur en installaties die in de glastuinbouw worden gebruikt, gaat het volgens het hof om een verzwaarde onderzoeksplicht((9)). Die plicht bracht op zichzelf - dus los van de mededeling van [verweerder] - voor [eiser] mee, aldus het hof, dat geïnformeerd moet worden naar de ouderdom van en de aard en frequentie van in het verleden verricht onderhoud aan de betrokken apparatuur en installaties en te dien aanzien ook onderzoek moet worden verricht. Het een noch het ander is gebeurd. Deze oordelen van het hof worden op zichzelf in middel 1 niet bestreden.

3.4 Verder valt over de verhouding tussen de onderzoeksplicht van de koper en een mededeling van de verkoper ter zake van het verkochte meer in het algemeen het volgende op te merken. In HR 19 september 2003, NJ 2005, 234, m.nt. JH, overweegt de Hoge Raad in rov. 3.5.2 het volgende:

"(..) Degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan, is tegenover de wederpartij gehouden om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste voorstellingen zijn toestemming geeft, doch deze gehoudenheid gaat niet zover dat hij niet zou mogen afgaan op de juistheid van door deze wederpartij gedane mededelingen. De onjuistheid van dergelijke mededelingen rechtvaardigt in beginsel een beroep op dwaling, maar de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende behoort te blijven (art. 6:228 lid 2 BW)."

Deze in verband met een beroep op dwaling geformuleerde regel komt in aanmerking voor overeenkomstige toepassing bij een beroep van de koper op non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW((10)). Bij de vaststelling van wat de koper omtrent het gekochte heeft mogen verwachten, zal ook als uitgangspunt kunnen worden aangehouden dat de koper uitlatingen van de verkoper over het verkochte voor juist mag houden. Maar ook hier kunnen de omstandigheden van het geval tot de conclusie voeren dat de koper ondanks de mededeling van de verkoper toch nader onderzoek ter zake van de eigenschappen van het verkochte had moeten doen. Als te dezen relevante omstandigheden zijn te beschouwen onder meer de aard en inhoud van de mededeling (luidt deze algemeen en globaal of specifiek? heeft zij het karakter van een toezegging of garantie?), de hoedanigheid van de betrokken partijen (handelen zij beroeps/bedrijfsmatig en zijn zij ter zake kundig of zijn zij een consument zonder bijzondere kennis?), de aard van de zaak waarop de mededeling betrekking heeft (is deze nieuw of oud en reeds gebruikt? wat kan als regel van de levensduur ervan worden verwacht?)((11)).

De conclusie dat de koper ondanks een mededeling van de verkoper tot het doen van nader onderzoek gehouden is gebleven of niet, zal veelal de resultante zijn van een wegen en waarderen van de relevante omstandigheden van het betreffende geval in onderling verband. Dat zal het betreffende oordeel als regel een sterk feitelijk karakter geven, waardoor de toetsing in cassatie spoedig beperkt zal zijn tot een toetsing op deugdelijke motivering.

3.5 In onderdeel A wordt onder 10 in de slotzin gesteld: uitgangspunt is dat, wanneer de verkoper eenmaal desgevraagd mededelingen heeft gedaan over hetgeen gekocht wordt, er dan geen onderzoeksplicht meer voor de koper bestaat op het punt waarop de mededeling betrekking heeft. Hieraan wordt onder 11 in de eerste plaats de conclusie verbonden dat het hof derhalve onjuist oordeelt dat [eiser] niet had mogen afgaan op de juistheid van de mededelingen van [verweerder] dat de installaties naar behoren werkten maar dit zelfstandig had moeten onderzoeken.

Hoewel gesproken wordt van een 'uitgangspunt', komt deze rechtsklacht bij gebreke van verdere nuancering hierop neer dat het hof miskend heeft dat reeds het enkele feit dat een verkoper desgevraagd uitlatingen heeft gedaan, al zonder meer voor de koper de onderzoeksplicht doet vervallen. Een dergelijke algemene regel geldt echter niet. Zoals hierboven in 3.4 vermeld, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat de koper ondanks een mededeling van de verkoper gehouden blijft om onderzoek naar het gekochte te doen alvorens zich te verbinden.

3.6 In onderdeel A onder 11 wordt aan het onder 10 geformuleerde uitgangspunt in de tweede plaats de conclusie verbonden dat onbegrijpelijk is dat [eiser] niet had mogen afgaan op de juistheid van de mededeling van [verweerder] dat de installaties naar behoren werkten en hij dit zelfstandig had moeten onderzoeken.

Nu de omstandigheden van het geval aanleiding kunnen geven tot het maken van een uitzondering op het uitgangspunt (dat de koper in de regel mag afgaan op de juistheid van de uitlatingen van de verkoper) en het hof op die wijze tot zijn bestreden beslissing is gekomen (zie de hierboven in 3.3 kort samengevatte achtergrond), wordt met een beroep op alleen het uitgangspunt niet voldoende duidelijk gemaakt waarom 's hofs beslissing onbegrijpelijk is. De vereiste duidelijkheid wordt ook niet geboden met de verwijzing in onderdeel B, onder 13, naar "de vaststaande feiten en de essentiële stellingen van [A]" ([eiser]).

3.7 In de onderdelen B en C worden klachten geuit over miskenning door het hof van de inhoud van de in geschil zijnde mededeling van [verweerder] aan [eiser]. De aangevoerde rechts- en/of motiveringsklachten kunnen reeds niet slagen, omdat zij onvoldoende duidelijk aangeven waarom het hof het recht heeft geschonden dan wel tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht. Ook hier geldt dat een verwijzing naar "de vaststaande feiten en de essentiële stellingen van [A]" ([eiser]) niet kan gelden als een afdoende onderbouwing.

3.8 In onderdeel D wordt geklaagd over miskenning door het hof dat een mededeling van verkoper onjuist kan zijn, omdat deze onvolledig is doordat relevante informatie weggelaten is. Hier wordt een punt aangesneden dat in de vorige instanties niet aan de orde is gesteld en waarover het hof zich dan ook niet heeft uitgelaten. Als mede van feitelijke aard zijnde kan het punt niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.

cassatiemiddel 2

3.9 Onder verwijzing naar in de vorige instanties naar voren gebrachte stellingen wordt in cassatiemiddel 2 het oordeel van het hof in rov. 3.2 bestreden, dat [eiser] onvoldoende concreet feiten heeft gesteld waaruit kan volgen dat de gestelde gebreken reeds ten tijde van de verkoop aanwezig waren.

3.10 In het licht van de opgesomde stellingen kan men zich inderdaad de vraag stellen of genoemd oordeel van het hof wel voor alle later gebleken gebreken voldoende is gemotiveerd. Maar wat daarvan zij, de klacht kan [eiser] niet baten. Ook in geval van aanwezigheid ten tijde van de koop/verkoop van een of meer van de medio oktober/november 1996 aan het licht getreden gebreken, blijft gelden dat aan [eiser] het beroep op non-conformitiet niet toekomt omdat hij naar het oordeel van het hof niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Dat oordeel, dat om de hierboven uiteengezette redenen tevergeefs wordt bestreden, kan reeds de (bekrachtiging van de) afwijzing van de schadevordering dragen.

cassatiemiddel 3

3.11 Met cassatiemiddel wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof in rov. 3.2 om het bewijsaanbod van [eiser] te passeren. Bij dit cassatiemiddel heeft [eiser] geen belang zolang de andere twee cassatiemiddelen geen doel treffen. Dat doen zij om de hierboven vermelde redenen niet. Daarmee deelt cassatiemiddel 3 het lot van de andere twee cassatiemiddelen.

4. Conclusie

Omdat geen van de aangevoerde cassatiemiddelen doel treft, wordt tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Een nadere beschrijving van de bedrijfsruimten en de installaties is te vinden in productie 1 bij de conclusie van eis in eerste aanleg.

2. Het Hof gaat in rov. 3.1 ervan uit dat deze mededeling door [verweerder] is gedaan.

3. Ook wordt gemeld dat het dak van het warenhuis en de lichtinstallatie in de kas gerepareerd moeten worden. Deze punten spelen in cassatie geen rol meer en worden daarom hier verder buiten beschouwing gelaten. In cassatie gaat het alleen om de gebreken aan apparatuur en installaties.

4. Ieder van de verweerders in cassatie zijn apart gedagvaard. Beide zaken zijn vervolgens gevoegd.

5. Zie onder 2.2 van het vonnis van de rechtbank alsmede onder 4 en 5 van de inleidende dagvaardingen en onder 4 t/m 6, 16 en 17 van de conclusie van repliek tevens wijziging van eis.

6. Inleidende dagvaarding onder 4 en conclusie van repliek tevens wijziging van eis onder 12.

7. Zie conclusie van antwoord onder 4, 5 en 8, conclusie van dupliek onder 3, 4 en 6 alsmede de memorie van antwoord onder 7, 8, 10-12 en 26.

8. [Verweerder] heeft als verweer ook nog aangevoerd dat de gebreken niet tijdig zijn gemeld. Dat verweer is door de rechtbank verworpen. Het speelt in appel en cassatie geen rol meer.

9. Zie in verband hiermee Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 125 waar omtrent de onderzoeksplicht onder meer wordt opgemerkt: "Ook zal hiervoor de hoedanigheid van partijen van belang zijn; zo zal op een professionele koper een zwaardere onderzoeksplicht rusten dan op een particuliere koper, met name indien eerstbedoelde koper de zaak van een particuliere verkoper heeft gekocht."

10. In meerderheid beantwoorden de rechtsgeleerde auteurs de vraag of de regels inzake de mededelings- en onderzoeksplicht bij dwaling van overeenkomstige toepassing zijn bij de vraag van non-conformiteit van artikel 7:17 BW in bevestigende zin. Zie in dit verband de opsomming van auteurs in Bijzondere overeenkomsten I (Van Rossum), art. 17, aant. 11 en Asser-Hijma 5-I, 2001, nr. 340.

11. Zie in dit verband Asser-Hijma 5-I, 2001, nrs. 335 jo 337-340.