Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1765

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
03283/05 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1765
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen, bewuste en nauwe samenwerking. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of het ook verdachte was die gemeenschap met X heeft gehad. Het heeft evenwel geoordeeld dat ook voor verdachte “ in ieder geval duidelijk was dat het slachtoffer werd verkracht” hetgeen zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Nu ook overigens uit de bewijsmiddelen niet zonder meer een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 386
RvdW 2007, 601
NJB 2007, 1408
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03283/05 A

Mr Machielse

Zitting: 20 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft verdachte op 5 juli 2005 vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts voor 1. "medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" en 2. "medeplegen van verkrachting" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het arrest vermeld.

2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde medeplegen van verkrachting de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed omdat uit de bewijsmiddelen het medeplegen niet kan worden afgeleid.

3.2. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 22 juni 2004, op het Nederlands-Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en bedreiging met geweld iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], namelijk uit het

- met de penis binnendringen van de vagina van [slachtoffer] en

- brengen en houden van de penis in de vagina van [slachtoffer] en

- heen en weer bewegen van de penis in de vagina van [slachtoffer],

waarbij het geweld en de bedreiging met geweld hierin hebben bestaan dat hij, verdachte

en/of een of meer van de mededaders,

- [slachtoffer] heeft/hebben bedreigd met een vuurwapen en

- de handen van [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden met (zogenaamd) duct-tape."

3.3. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij betrokken was bij de verkrachting. Aan de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

"1. De verklaring van de verdachte, op 23 juni 2005 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik heb de tenlastegelegde beroving gepleegd. (...)

Toen we de woning binnen waren gegaan kwam de man uit de slaapkamer waarop [medeverdachte 1] de man direct vastpakte. De vrouw was toen nog in de slaapkamer. Toen we tape hadden gevonden hebben we de man vastgetaped. We zijn met zijn allen de slaapkamer in gegaan en toen hebben we ook de vrouw vastgetaped. De man van St. Lucia heeft daarna de vrouw naar een andere slaapkamer gebracht.

Ik heb de man vastgetaped en de man van St. Lucia heeft de vrouw vastgetaped.

Ik heb de auto meegenomen.

2. Een proces-verbaal van aangifte (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 22 juni 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, (PV nr. 244/JD, bijlage 5), voor zover inhoudende, als verklaring van het slachtoffer [betrokkene 1], -zakelijk weergegeven-:

Op 22 juni 2004, omstreeks 1.15 uur, werd ik wakker gemaakt door mijn echtgenote [slachtoffer]. Ik was op dat moment in bed in mijn slaapkamer. [Slachtoffer] zei dat ze geluid in het huis had gehoord en toen zij de deur had geopend, nam zij de schaduw waar van een persoon. Ik besloot op te staan. Ik liep naar de deur en opende deze. Ik keek in de hal en werd geconfronteerd met de loop van een pistool. Ik zag een gestalte. Ik kon zien dat zich achter hem nog andere bevonden. De man met het pistool duwde mij naar achteren. [slachtoffer] en ik werden op het bed gezet en van ons beiden werden onze handen achter de rug met duct-tape vastgebonden. Hierna werden onze monden door de inbrekers met tape dichtgeplakt. Zij bleven naar geld vragen. De laatste keer werd ik telkens geslagen toen ik naar de inbrekers keek. Wij bleven ongeveer dertig tot veertig minuten samen op het bed. [Slachtoffer] werd daarna door een van de inbrekers opgetild en buiten de slaapkamer gebracht. Ik heb drie inbrekers in de slaapkamer gezien.

3. Een proces-verbaal van aangifte (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 juni 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, (PV nr. 244/JD. bijiage 18), voor zover inhoudende, als verklaring van het slachtoffer [slachtoffer], -zakelijk weergegeven-:

Mijn echtgenoot stond op en maakte de deur open. Zodra hij dit deed werd de deur door een onbekende man opengesmeten en mijn echtgenoot werd door hem naar binnen op bed geduwd. Ik zag dat deze man een vuurwapen in zijn hand had. Ik probeerde de deur weer dicht te duwen maar een tweede man hield mij tegen en duwde mij ook op het bed. Daarna zag ik een derde man in de slaapkamer stappen.

Toen ik op het bed op mijn buik lag werden mijn handen door hem met plakband achter mijn rug vastgebonden. Daarna mijn voeten en ook mijn mond. De man hield het vuurwapen even in mijn gezicht gericht. Terwijl mijn man en ik op het bed lagen vroegen ze steeds om geld. Omdat ik trachtte het plakband van mijn mond te krijgen droeg de man met het ronde gezicht mij naar de woonkamer en Iegde mij op de grond. Toen brachten voornoemde man en de man met het Iichtblauwe shirt met witte strepen mij naar de slaapkamer van mijn dochter. Ze legden mij op mijn rug op het bed. Zij maakten mijn benen los en verkrachtten mij. Ik verzette mij hevig door mijn lichaam heen en weer te bewegen. Ik schopte ook met mijn benen. Ik raakte de man met het ronde gezicht en hij maakte een dreigende beweging met zijn vuist naar mij. Ik werd heel bang, want vorige maand toen ik beroofd werd, ben ik verschrikkelijk mishandeld. Dus ik hield mij maar koest en deed alsof ik niet wist wat er gaande was, terwijl ik door de mannen verkracht werd. De man met het lichtblauwe hemd met witte strepen ging als eerste. Daarna de man met het ronde gezicht.

4. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 juli 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent bij bet Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, (PV nr. 244/JD, bijiage 23), voor zover inhoudende, als verklaring van het slachtoffer [betrokkene 1], -zakelijk weergegeven-:

Ik wil het volgende aan mijn aangifte toevoegen. Tijdens de beroving werd een hoeveelheid geld gestolen. Volgens mij bestond het geld uit ongeveer 10 biljetten van $1, vijf van $5, ongeveer vier a vijf van $10, ongeveer zes a acht van $20 en twee a vier van $50. Tevens werden er twee fotocamera's gestolen, een DVD set en een cellulaire telefoon. Ik mis ook een herenjas.

5. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 16 augustus 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent bij bet Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, (PV nr. 244/JD, bijlage 28), voor zover inhoudende, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], -zakelijk weergegeven-:

Ik kreeg op een avond een telefoontje van [verdachte]. Hij vertelde mij dat hij die avond een rekening van $250 moest betalen en dat hij geen geld had. [Verdachte] zei tegen mij dat hij een 'move' had, waarbij we geld konden krijgen. Ik zei tegen hem dat ik ook geld nodig had. [Verdachte] zei tegen mij dat de personen die bestolen zouden worden eigenaar waren van een Rolex-zaak. [Verdachte] vertelde verder dat die mensen alleen woonden. [Verdachte] belde [medeverdachte 2] op omdat die een auto heeft.

Later op de avond kwam [medeverdachte 2] voor ons in zijn auto. [Medeverdachte 3], [verdachte] en ik stapten in en reden richting Pelican. [Verdachte] en [medeverdachte 3] stapten ergens in Pelican uit.

[Medeverdachte 2] en ik reden toen terug en parkeerden bij Burger King in Cole Bay. Wij bleven daar uitkijken naar politie en wachten af of [verdachte] en [medeverdachte 3] onze hulp nodig hadden. Wij bleven daar een tijdje zitten en [verdachte] belde verschillende keren. We hadden telefonisch contact met elkaar.

Op een gegeven moment werd ik door [verdachte] opgebeld. Hij zei tegen mij dat hij me nodig had. We reden toen terug naar Pelican. Aldaar aangekomen sprong ik over dezelfde muur waarover ik [verdachte] had zien springen en zocht naar [verdachte] en [medeverdachte 3] tussen de struikgewassen. [Verdachte] zei tegen mij dat ik hem moest helpen om het huis binnen te gaan. [Verdachte] zei tegen [medeverdachte 3] en mij dat wij in de tuin achter het huis zouden wachten totdat de mensen in het huis gingen slapen. Ik zag dat de lichten in het huis aan waren en ik zag mensen TV kijken. Later in de avonduren gingen de mensen slapen en de lichten waren uit. Een tijdje later zei [verdachte] tegen mij dat we naar binnen moesten. Ik heb samen met [verdachte] het traliewerk van het achterraam naast de achterdeur met een betonschaar doorgeknipt. Wij klommen allemaal naar binnen.

Op een gegeven moment hoorden we een slaapkamerdeur opengaan. [Verdachte] sprong op en richtte een vuurwapen op de man. (...)

[Medeverdachte 3] kwam bij mij en zei: "I want some pussy tonight." Minuten later zag ik [medeverdachte 3] voorbij lopen. [Medeverdachte 3] tilde de vrouw op en bracht haar naar de logeerkamer. Ik moest van [verdachte] het slot van de poort zoeken om deze te openen en om de Nativa Jeep buiten te zetten; hij had besloten dat wij met de Jeep zouden gaan.(...) Ik vroeg [medeverdachte 3] naar [verdachte] en hij antwoordde dat die misschien bezig was de vrouw te neuken. Ik liep de kamer binnen en zag de vrouw daar, haar japon half opgetrokken, haar handen nog gebonden achter haar rug. [Verdachte] was bezig de kamer te doorzoeken. Ik vroeg toen aan [verdachte] of hij de vrouw geneukt had en hij antwoordde van nee. Hij zei tegen me: "No, he did it." Hij bedoelde [medeverdachte 3]. Ik heb een DVD speler weggenomen. [Verdachte] had een jack uit de klerenkast weggenomen. Wij verlieten het huis en lieten het echtpaar gebonden achter. (...) In de auto van [medeverdachte 2] heeft [verdachte] het geld uitgedeeld.

6. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 22 augustus 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 2], hoofdagent bij het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, standplaats Sint Maarten, (PV nr. 244/JD, bijiage 35), voor zover inhoudende, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3], geboren te [geboorteplaats], -zakelijk weergegeven-:

Bij de woning werd het traliewerk doorgeknipt door [verdachte]. Hierna klommen wij door een raam de woning binnen. Eenmaal binnen begonnen we de woning te doorzoeken voor geld. [verdachte] had een vuurwapen. (...)

[Verdachte] had ons verteld dat er veel geld in de woning zou zijn. Hij en [medeverdachte 1] vonden een hoeveelheid geld. Later gaf [verdachte] met 200 dollar.

Ik besloot om de vrouw naar de andere kamer te nemen. Ik duwde haar op bed. Het gelukte me om haar benen open te krijgen en mijn penis in haar vagina te steken. Ik heb de vrouw verkracht. Kort hierna vertrokken we uit de woning. We vertrokken in een rode jeep die in de tuin stond. [Medeverdachte 1] had een DVD speler vanuit de woning weggenomen."

3.4. Het hof heeft in een nadere bewijsoverweging als volgt overwogen:

"Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2, het medeplegen van verkrachting, overweegt het Hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn twee mededaders het slachtoffer [slachtoffer] onder bedreiging met een pistool hebben vastgebonden, zodat zij zich niet kon verweren, en haar mond hebben dichtgeplakt. zodat zij geen geluid kon maken. Haar echtgenoot is op dezelfde wijze vastgebonden en ook zijn mond is dichtgeplakt. Vervolgens is [slachtoffer], zo volgt uit de bewijsmiddelen, door twee van de daders naar een andere slaapkamer gebracht, alwaar zij is verkracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat twee van de drie daders gemeenschap met [slachtoffer] hebben gehad, waaronder in ieder geval de mededader [medeverdachte 3]. Of de tweede persoon die gemeenschap met [slachtoffer] had, verdachte was of [medeverdachte 1], kan uit de bewijsmiddelen niet vast komen te staan. Wel volgt uit de bewijsmiddelen dat voor zowel verdachte als [medeverdachte 1] in ieder geval duidelijk was dat het slachtoffer werd verkracht. Het Hof is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene alle drie de daders als medeplegers van de verkrachting dienen te worden aangemerkt. Voor degene die niet daadwerkelijk gemeenschap met het slachtoffer had, geldt dat deze door in bewuste samenwerking met de anderen het slachtoffer en haar man weerloos te maken en zich vervolgens niet te distantiëren van de verkrachting, waarvan hij moest weten dat deze plaatsvond, niettemin als medepleger moet worden beschouwd."

3.5. Volgens de steller kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte moest weten dat de verkrachting plaatsvond. Hij stelt vervolgens dat in de rechtspraak over medeplegen het niet distantieren als bewijs van medeplegen wordt gebruikt in gevallen waarin vaststaat dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd op een moment dat het delict aanvangt of nog voortduurt. Dat de verdachte in deze zaak op een eerder moment dan na afloop wist van de verkrachting door medeverdachte [medeverdachte 3] zou echter niet zijn gebleken. Voor het bewijs is immers gebruik gemaakt van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] die de slaapkamer inliep waar het slachtoffer zich nog met half opgetrokken japon bevond en waar verdachte bezig was de kamer te doorzoeken. Op de vraag of hij de vrouw geneukt had antwoordde verdachte blijkens deze verklaring: "No, he did it." Volgens [medeverdachte 1] bedoelde hij daarmee [medeverdachte 3]. Het middel stelt de uitleg van het begrip medeplegen dus ter discussie. Eerst is echter van belang of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat twee van de drie verdachten het slachtoffer hebben verkracht en dat verdachte heeft geweten dat de verkrachting plaatsvond.

3.6. Dat het slachtoffer door twee mannen is verkracht is inderdaad af te leiden uit de verklaring van het slachtoffer. Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 1] en het slachtoffer, is het mijns inziens aannemelijker dat verdachte de tweede verkrachter was dan dat medeverdachte [medeverdachte 1] het was. De verklaring van het slachtoffer tegenover verbalisant afgelegd houdt immers in dat de overvaller met het vuurwapen haar echtgenoot naar binnen duwde. Deze overvaller droeg een lichtblauw hemd met witte strepen. Hij sprak perfect Frans, zij het met een Engels accent. Verdachte is volgens het proces-verbaal van aanhouding op het Franse deel van St. Maarten geboren en is ook bekend als [verdachte]. Het slachtoffer heeft verklaard door de man met het lichtblauwe hemd met witte strepen en door de man met het ronde gezicht, waarmee zonder twijfel gedoeld wordt op medeverdachte [medeverdachte 3], te zijn verkracht. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover verbalisant verklaard dat de enige die een vuurwapen had de verdachte was. Combineert men deze gegevens uit het opsporingsonderzoek dan kan het niet anders of verdachte was degene met het vuurwapen en het lichtblauwe hemd met witte strepen, en daarmee ook degene die samen met [medeverdachte 3] het slachtoffer heeft verkracht. Verdachte is blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] ook in huis gebleven nadat [medeverdachte 3] de vrouw had meegenomen en terwijl [medeverdachte 1] zich buiten het huis bevond om de poort open te maken en de auto klaar te zetten. Toen [medeverdachte 1] weer in het huis terugkeerde was de verkrachting al geschied.

Het hof evenwel heeft niet op basis van deze gegevens dezelfde redenering opgebouwd, maar juist overwogen dat uit de door het hof geselecteerde bewijsmiddelen, welke niet alle elementen bevatten die ik zojuist heb gebruikt, niet is af te leiden wie de tweede man is geweest. Het hof overweegt uitdrukkelijk dat uit de bewijsmiddelen echter volgt dat het voor zowel verdachte als [medeverdachte 1] 'in ieder geval duidelijk was dat het slachtoffer werd verkracht'. Het hof maakt de zaak er zo niet makkelijker op omdat bij onzekerheid over het daderschap van verdachte voor het oordeel over de bewijsvoering moet worden uitgegaan van de omstandigheid dat [medeverdachte 1] de tweede man was. En dat is helemaal niet uit de bewijsmiddelen af te leiden.

3.7. Voor het aannemen van medeplegen moet sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking. Met betrekking tot het medeplegen van de overval is er geen enkel probleem. Dat is anders voor de verkrachting. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 3] de vrouw naar een andere slaapkamer heeft gebracht nadat zij was vastgetaped. De verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] voorbij kwam lopen met het slachtoffer enkele minuten nadat [medeverdachte 3] hem had verteld dat hij vanavond 'some pussy' wilde duidt enkel op wetenschap bij [medeverdachte 1], want het staat niet vast dat hij dit direct heeft doorverteld aan verdachte. De omstandigheid dat verdachte kort na de verkrachting en nog tijdens de overval en de doorzoeking van de woning met het slachtoffer in de kamer verbleef waar zij was verkracht, terwijl zij op dat moment nog steeds was vastgebonden en haar rok half was opgetrokken én zijn opmerking tegen [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] haar net verkracht had, wijzen er slechts op dat hij wist dat zij net was verkracht. Ook gedragingen en uitlatingen na afloop van het strafbare feit kunnen weliswaar bijdragen aan het bewijs van de bewuste en nauwe samenwerking,(1) maar welke betrokkenheid van verdachte bestond bij de verkrachting is uit de uitlating van verdachte na het feit niet op te maken. Onduidelijk is op welk moment en hoe die wetenschap is ontstaan en de inhoud van verdachtes uitlating sluit niet uit dat hij eerst ná het feit daarvan op de hoogte is gekomen. Deze zaak is daarom mijns inziens moeilijk te vergelijken met zaken waarin de verdachte heel goed weet wat er gebeurt en zich op enigerlei wijze daarbij heeft laten betrekken maar zich niet distantieert.(2) De omstandigheden van het geval zijn voorts niet zodanig dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachte(n).(3)

3.8. Bij mijn weten hebben zich in de rechtspraak geen gevallen voorgedaan die goed met onderhavige zaak zijn te vergelijken.(4) Er zijn vele voorbeelden van zaken waarin de ander een stap verder gaat dan het gezamenlijke voornemen. Maar steeds is de wetenschap bij de medepleger dat het feit wordt gepleegd duidelijk uit de bewijsmiddelen af te leiden of is het risico dat het feit zal worden gepleegd evidenter (naast het beoogde slachtoffer wordt ook een ander gedood door een medeverdachte, bij de voorgenomen overval wordt door een medeverdachte overmatig geweld gebruikt) dan het plegen van een verkrachting ten tijde van een geplande overval.(5) Onderhavige zaak onderscheidt zich in die zin van deze andere gevallen dat (de betrokkenheid bij) de verkrachting verder verwijderd is van de betrokkenheid bij de nachtelijke overval dan het gebruikte geweld in de besproken gevallen verwijderd is van de gezamenlijk voorgenomen andere handelingen.

3.9. Het enkele feit dat de verdachte bewust en volledig heeft samengewerkt in de uitoefening van geweld en bedreiging met geweld met het oog op de beroving van de slachtoffers en dat een (of meer) andere verdachte(n) van de uitgeoefende dwang misbruik heeft gemaakt om ook een verkrachting te begaan maakt verdachte die wel aan de overval heeft deelgenomen nog niet tot medepleger van verkrachting als zijn opzet niet gericht is geweest op juist die finaliteit van het geweldgebruik of de dreiging met geweld waaraan hij wel heeft meegewerkt.

3.10. Uitgaande van de situatie dat de verdachte niet de tweede man was die het slachtoffer verkrachtte, en tot dat uitgangspunt dwingt het hof mij, staat niet onomstotelijk vast dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 3] de vrouw zou (gaan) verkrachten. De bewijsmiddelen bieden mijns inziens ook geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het gelet op de inrichting van de woning en het handelen ten tijde van de overval niet anders kan dan dat verdachte (als derde persoon) heeft gezien of gehoord dat het slachtoffer zou worden verkracht.(6) Waar bewijs voor de bewustheid ontbreekt, kan van een bewuste en nauwe samenwerking en dus van medeplegen niet worden gesproken. In aanmerking genomen dat het hof in het midden heeft gelaten of verdachte het slachtoffer zelf heeft verkracht, dat niet onmiskenbaar uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte wist dat de verkrachting plaatsvond en dat de bewijsmiddelen in verschillende onderdelen zelfs op het tegendeel duiden (zoals in de verklaring van [medeverdachte 3] en die van verdachte zelf), heeft het hof niet zonder nadere motivering uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte 3] (en [medeverdachte 1]) bij het verkrachten van het slachtoffer. Daarom is de bewezenverklaring voor zover het het medeplegen van verkrachting betreft ontoereikend gemotiveerd.

3.11. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. De gedetineerde verdachte heeft op 8 juli 2005 cassatie ingesteld. Dat betekent dat de termijn van zestien maanden is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering. Nu ik concludeer tot vernietiging van het arrest op andere gronden, zal het hof dat de zaak opnieuw dient te berechten met deze overschrijding van de redelijke termijn rekening dienen te houden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof teneinde in zoverre opnieuw op deze punten te beslissen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De Hullu 2006, p. 422, verwijzend naar HR 18 april 2000, NJ 2000, 414.

2 HR 11 januari 2000, NJ 2000, 228, HR 14 oktober 2003, NJ 2005, 183, HR 12 april 2005, NJ 2005, 577 m.nt. Mevis en HR 26 september 2006, LJN AX9405.

3 HR 12 april 2005, NJ 2005, 577, m.nt. Pme.

4 Ik merk op dat een sterk vergelijkbare casus zich voordeed in HR 21 november 2006, LJN AY7805. Het betrof een geval waarin een verkrachting door een medeverdachte tijdens een overval was gepleegd en werd meegenomen in de strafoplegging van verdachte, omdat de verdachte weliswaar niet verantwoordelijk was voor het feit maar wel had waargenomen dat het slachtoffer werd verkracht. De Hoge Raad oordeelde dat dat laatste niet uit de stukken viel af te leiden en dat de straf daarom niet toereikend was gemotiveerd. De betekenis van die uitkomst voor deze zaak moet mijns inziens worden gerelativeerd.

5 HR 2 september 1997, nr. 105.806; HR 8 mei 2001, NJ 2001, 480 (Bacchus); HR 17 september 2002, LJN AE6118; HR 14 oktober 2003, LJN AJ1396; In HR 26 oktober 2004, LJN AR2187 had de verdachte het initiatief genomen tot een ontmoeting met het slachtoffer met wie hij in onmin leefde. Hij wist dat de medeverdachte die meeging een pistool bij zich had en die ook weleens eerder had gebruikt. Toen verdachte aangekomen op de ontmoetingsplek op het slachtoffer afliep en het slachtoffer een vuurwapen ter hand nam is verdachte weggerend en heeft de medeverdachte het slachtoffer neergeschoten. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen het medeplegen niet kon worden afgeleid. Het betrof hier echter een situatie waarin kennelijk een ernstige dreiging uitging van het slachtoffer. De Hoge Raad betrok bij zijn oordeel bovendien de omstandigheid dat de verdachte geen uitvoeringshandeling had verricht en zich moeilijk had kunnen distantieren van het door de medeverdachte uitgeoefende geweld. Voorts had het hof in zijn overweging meegenomen dat verdachte een schoppende beweging had gemaakt naar of tegen het slachtoffer toen deze op de grond lag, terwijl de Hoge Raad overweegt dat uit de desbetreffende verklaring volgt dat die schop bedoeld was om het wapen uit de hand van het slachtoffer te schoppen. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad meent annotator Mevis dat wanneer het hof zijn oordeel anders had gemotiveerd het medeplegen door de Hoge Raad misschien in stand was gelaten.

6 Vgl. anders HR 12 april 2005, NJ 2005, 577.