Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1759

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
02816/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meervoudige fotoconfrontatie. Verdachte stond afgebeeld met zijn mond halfopen, waardoor zijn gouden tanden zichtbaar waren. De overige personen op de foto’s hadden de mond dicht, of hadden geen gouden tanden. Het Hof heeft het verweer dat de getuigen niet een voldoende objectieve keuzemogelijkheid is geboden, niet weerlegd. Vzv. het Hof daarop heeft geantwoord dat foto’s met dergelijke vergelijkbare uiterlijke kenmerken niet of nauwelijks beschikbaar zijn, heeft het Hof geen antwoord gegeven op de in het verweer aan de orde gestelde vraag of bij het ontbreken van een voldoende objectieve keuzemogelijkheid de resultaten van deze fotoconfrontaties voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 179 met annotatie van Y. Buruma
RvdW 2007, 653
JOL 2007, 457
NJB 2007, 1551
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02816/06 A

Mr Machielse

Zitting: 20 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft verdachte op 27 juli 2006 voor 1. "afpersing" en 2. "poging tot doodslag" veroordeeld tot elf jaren en elf maanden gevangenisstraf.

2.1. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij, op 27 december 2004 op het eiland Curaçao, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, de man [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een gouden halsketting en gouden armband en een gouden ring en een polshorloge van het merk Guess, toebehorende aan [slachtoffer], bestaande die bedreiging met geweld uit het richten van een pistool op [slachtoffer], onderwijl hem opdragende om het raam van de auto, waarin hij, [slachtoffer], zat, open te maken en vervolgens sieraden aan hem, verdachte, af te geven, waarbij tijdens het begaan van het hierboven weergegeven misdrijf nog geen twee jaar zijn verlopen sedert de verdachte een tegen hem op grond van artikel 325 van het Wetboek van Strafrecht en 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan of het recht tot uitvoening van die gevangenisstrafnog niet is verjaard."

2.3. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij, op 27 december 2004 op het eiland Curacao, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk de man [slachtoffer] van het leven te beroven opzettelijk meermalen met een pistool op [slachtoffer] heeft gescboten, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat [slachtoffer] niet is geraakt door de door verdachte met voormeld vuurwapen afgevuurde kogels, waarbij tijdens het begaan van het hierboven weergegeven misdrijf nog geen twee jaar zijn verlopen sedert de verdachte een tegen hem op grond van artikel 325 van het Wetboek van Strafrecht en 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan of het recht tot uitvoering van die gevangenisstraf nog niet is verjaard."

2.4. De bewezenverklaring is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een ambtsedig proces-verbaal (180/05) opgemaakt door brigadier [verbalisant 1] van het Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), eiland Curaçao, voor zover inhoudende als op 28 december 2004 aan die verbalisant afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Op 27 december 2004 bevond ik mij ter hoogte van Miro's Video te Suffisant op Curacao. Ik hoorde dat iemand op de linkerruit van mijn auto klopte. Op dat moment zag ik een voor mij onbekende man staan en zag ik dat hij met een zilverkleurig pistool bewapend was. Hij hield mij onder schot en rnaande mij met dreigende stem om het raam te openen. Ik deed wat hij zei. Hierna maande hij mij om mijn sieraden aan hem af te geven. Als ik dat niet zou doen zou hij me dood schieten. Ik gaf hem toen een gouden halsketting, een gouden armband, een gouden herenring en een blauw polshorloge van het merk Guess. Vervolgens stapte de man in mijn auto. Ik schreeuwde op dat moment "Judami. atrako, atrako". Toen stapte de man uit mijn auto en begon te rennen in zuidelijke richting. Vervolgens richtte hij zijn pistool op mij en vuurde twee schoten af.

2. Een ambtsedig proces-verbaal (182/05) opgemaakt door brigadier [verbalisant 3] van het Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), eiland Curaçao, voor zover inhoudende als op 28 december 2004 aan die verbalisant afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Gisteren tijdens het voorval zat de verdachte in mijn auto. Toen ik begon te schreeuwen, stapte hij uit, laadde het vuurwapen en rende weg. Op zijn vlucht vuurde hij schoten op mij af.

3. Een ambtsedig roces-verbaal (181/05) opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadiers bij het Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), eiland Curaçao, voor zover inhoudende als

a. op 28 december 2004 aan die verbalisanten afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

Jullie hebben mij zojuist een fotokaart getoond. De man op de foto genummerd met het cijfer twee (2) is degene die mij gisteren heeft beroofd. Ik ben er zeker van dat hij het was. Ik herken hem aan zijn gezicht en ogen.

b. relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 28 december 2004 toonden wij, verbalisanten, aan het Bureau recherche aan de aangever [slachtoffer], een fotokaart waarop een tiental foto's van verdachten vanuit de carthoteek van het Bureau Technische Opsporings- en Herkennings Dienst. De foto's zijn genummerd van een (1) tot en met tien (10). Foto nummer twee (2) is die van de verdachte [verdachte].

4. Een ambtsedig proces-.verbaal (183/05) opgemaakt door brigadier [verbalisant 3] van het Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), eiland Curaçao, voor zover inhoudende als op 27 december 2004 aan die verbalisant afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Hedenavond bevond ik mij in de woonwijk Suffisant. Ik zag een auto voorbij rijden. Op een gegeven moment stopte de auto in het begin van de Lekstraat, ten zuiden van "Miro's Video". Uit de auto stapte een man van ongeveer 1,90 meter lang. Hij had een bruine huidskleur, fors postuur, dreadlocks verborgen in een zwarte sok en gouden tanden. Deze man liep langs mij de Lekstraat in. Op een gegeven moment hoorde ik iemand schreeuwen "Atrako, atrako". Ik draaide me om en zag dat de man die net langs was gelopen een kennis van mij aan het beroven was. Kort daarna hoorde ik enkele schoten afgaan. Ik zag de man toen wegrennen terwijl hij nog aan het schieten was.

5. Een ambtsedig proces-verbaal (184/05) opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 1], brigadiers bij het Korps Politie Nederlandse Antillen (KPNA), eiland Curaçao, voor zover inhoudende als

a. op 28 december 2004 aan die verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

De man die ik jullie op foto 7 aanwees is de man die ik in mijn eerdere verklaring bedoelde. Hij liep met zijn mond iets open op dezelfde manier als te zien is op de foto. Daardoor kon ik zijn gouden tanden zien.

b. relaas van verbalisanten:

Op 28 december 2004 toonden wij, verbalisanten, aan de getuige [getuige 1] een tiental foto's van verdachten vanuit de carthoteek van het Bureau Technische Opsporings- en Herkennings Dienst. De foto's zijn genummerd van een (1) tot en met tien (10). Foto nummer zeven (7) is die van de verdachte [verdachte].

6. Een geschrift, te weten een zogenaamd extract vonnis ten name van verdachte (in mapje de persoon van verdachte) voor zover daarin is vermeld, zakelijk weergegeven:

Op 6 oktober 2000 is verdachte wegens diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen (zaak met parketnummer 900.954/00) alsmede diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen en handelen in strijd met de Vuurwapenverordening (zaak met parketnummer 900.821/00) veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die door veroordeelde sedert 20 juni 2000 in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Op 21 oktober 2000 is dit vonnis onherroepelijk geworden.

7. Een geschrift te weten een Ministeriële beschikking van 10 juni 2003 met betrekking tot verdachte (in mapje de persoon van verdachte) voor zover daarin is vermeld, zakelijk weergegeven:

Besloten is verdachte, die bij vonnis van 6 oktober 2000 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, ingaande 29 maart 2004 voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

8. Een geschrift, te weten een brief d.d. 4juli 2006 van de waamemend directeur van de strafgevangenis op Curacao (aangehecht aan de pleitnota van de raadsvrouw), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[Verdachte] was van 20 juni 2000 tot 4 september 2003 ingesloten in de strafgevangenis en Huis van Bewaring "Bon Futuro" alhier."

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer dat de herkenning van verdachte door middel van fotoconfrontaties onvoldoende betrouwbaar is, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

3.2. De veroordeling van verdachte is in overwegende mate gebaseerd op de herkenning van verdachte door aangever en een getuige bij een meervoudige foto-confrontatie. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte blijkens de overgelegde pleitnota - voor zover hier relevant - het volgende aangevoerd:

"Op dinsdag 28 februari 2004 werd aan de aangever [slachtoffer] een fotokaart aangetoond met daarop de foto van [verdachte]. [Verdachte] was op foto no. 2 en werd zonder aarzelen door de aangever aangewezen als de dader. Hij had hem herkend aan zijn gezicht en aan zijn ogen.

Vermeldenswaardig hierbij is de omstandigheid dat op de desbetreffende kaart alleen de gouden tanden van [verdachte] te zien waren terwijl de tanden van persoon op foto no. 1 ook te zien waren. Van al de andere personen op de foto waren de tanden niet te zien terwijl dit toch van belang was. Immers heeft [slachtoffer] reeds verklaard dat de dader gouden tanden had.

(..)

Op 28 december werd aan getuige [getuige 1] een tiental foto's getoond. De getuige [getuige 1] wees [verdachte] als de dader aan. Getuige [getuige 1] verklaarde voorts dat hij [verdachte] had herkend nu hij met zijn mond iets open liep het zelfde als hij op de foto uit ziet. Daardoor kon hij zijn gouden tanden zien.

Dit in tegenstelling tot zijn eerder afgelegde verklaring waar hij verklaard had niet zeker te weten of de man gouden tanden had.

Zonder meer moet rekening worden gehouden met het feit dat de aangever en de getuigen kennissen zijn. Dit brengt automatisch met zich mee dat al dan niet bewust na het vertellen aan elkaar van hun waarnemingen zij zeker tot een overeenstemming zijn gekomen omtrent de uiterlijke eigenschappen van de persoon van de dader.

Van belang is voorts de omstandigheid dat ook bij de foto's ( overigens precies dezelfde foto's die aan de aangever waren getoond ) [verdachte] de enige was met zichtbare gouden tanden. Immers waren de monden van de andere personen op de foto's gesloten.

Vervolgens heeft een anonieme persoon op 19 januari 2005 gebeld en doorgegeven waar [verdachte] verbleef.

Op woensdag 3 februari 2005 omstreeks 9.40 uur is [verdachte] aangehouden. Van uitermate belang is de omstandigheid dat [verdachte] ten tijde van zijn aanhouding geen rasta haardracht had.

(..)

Mensen zijn bijzonder goed in het herkennen van gezichten van anderen tenminste als het gaat om bekenden die zij onder goede omstandigheden waamemen. Doch het herkennen van mensen die slechts een enkel keer worden gezien is veel moeilijker zeker in situaties waarbij bepaalde gebeurtenissen in een mum van tijd plaatsvinden.

Wat hier thans afspeelt is een veel voorkomende situatie waar een of meerdere getuigen een dader van een misdrijf menen te herkennen wanneer zij door de politie worden gevraagd naar foto's te kijken teneinde deze te herkennen.

Onderzoek heeft uitgewezen dat het herkennen van een verdachte als de dader door getuigen zelfs dermate gevoelig is voor fouten dat bewezen is dat rechterlijke dwaling voornamelijk te wijten is aan foute herkenningen.

Er is een voorbeeld uit de literatuur ( Het recht van binnen, Psychologie van het recht, P.J. van Koppen, D.J. Hensing, H.L.G.J. Merkelbach, H.F.M. Crombag), waarin een verdachte ten onrechte is veroordeeld op basis van herkenning door maar liefst 17 verschillende getuigen.

Volgens getuige [getuige 1] heeft hij verdachte aan zijn mond herkend. Hij geeft evenwel aan dat de manier waarop zijn mond open blijft opvallend is. De herinneringen van het gezicht bevat welliswaar informatie over de onderdelen zoals onder meer de mond maar toch blijft de globale indruk het meest belangrijkst.

Bij het herkennen door getuigen is het goed mogelijk dat er sprake is van een valspositieve herkenning.

Een dader kan worden aangewezen terwijl dit absoluut niet het geval is. Belangrijke vraag die dan ook aan de orde moet komen is of in casu de getuige de dader goed genoeg heeft gezien.

Hierbij speelt de afstand gecombineerd met de lichtfactor een cruciale rol. In casu is de overval gepleegd in de avonduren hetgeen niet bijdraagt tot het goed kunnen zien. Ook moet de getuige de dader lang genoeg hebben gezien.

Kunnen wij dit in deze zaak onomstotelijk stellen?

Wat ook nog in aanmerking moet worden genomen is het feit dat bij fotoconfrontatie het gebruikelijk is dat aan de getuigen twee rijen personen worden getoond en de verdachte moet dan in de tweede rij staan. Niet in de eerste. Bij het wijzen van het slachtoffer naar de foto's stond verdachte in de eerste rij. Dit is belangrijk nu onderzoek heeft uitgewezen dat de kans groot is, vaak te groot, dat iemand geneigd is om personen die in de eerste rij staan aan te wijzen.

In dit geval is er een fotoconfrontatie gedaan met foto' s die de politie bezit uit hun herkenningssysteem. Deze procedure kent zijn problemen nu de aangetoonden allen" criminelen" uit het bestand zijn hetgeen zeker plausibele verdachten zullen opleveren.

Het bewijs dat verdachte de tenlastegelegde feiten zou hebben gepleegd, quod non, is door het Gerecht in Eerste Aanleg gebaseerd op de getuigenverklaring van [getuige 1] en de aangever alsmede hun herkenning bij de fotoconfrontatie en een herkenning van de aangever bij een spiegelconfrontatie. Voor wat betreft het bewijsmiddel bestaande uit de fotoconfrontatie verwijs ik U naar hetgeen ik hierover onder punt fotoconfrontatie heb gesteld.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard."

3.3. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Door de raadsvrouw is, kort samengevat, het verweer gevoerd dat de herkenning van verdachte middels fotoconfrontaties onvoldoende betrouwbaar is.

De aan de aangever en de getuige [getuige 1] getoonde fotokaarten bevatten een foto van verdachte waarop deze is te zien met lang haar in de vorm van zogenaamde "dreadlocks", ook wel aangeduid als rastakapsel. De aangever en de getuige [getuige 1] hebben in hun respectievelijke verklaringen gesproken over de dader van de overval als een man met een rastakapsel. Volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep had hij echter op de dag van de overval (27 december 2004) geen rastakapsel, maar slechts een staart en overigens een geheel kaal hoofd. Ter onderbouwing van die stelling heeft de raadsvrouw zich beroepen op de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2] alsmede een ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde (en aan de pleitnota van de raadsvrouw gehechte) verklaring van de moeder van verdachte, gedateerd 4 december 2004.

De stelling van verdachte is echter niet aannemelijk geworden. Voorop staat dat verdachte deze stelling niet eerder dan ter gelegenheid van de terechtzitting in eerste aanleg heeft geponeerd. Voor eerdere vermelding bestond echter wel alle aanleiding. Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris op 9 februari 2005 blijkt immers dat toen aan verdachte is voorgehouden het resultant van de fotoconfrontaties en hem in verband daarmee de vraag is gesteld waarom hij (inmiddels) zijn dreadlocks had afgeknipt. Verdachte heeft toen niet vermeld dat hij die reeds vóór de overval van 27 december 2004 had afgeknipt. Deze gang van zaken roept twijfels op over de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte omtrent het moment van afknippen van zijn haar. Voorts geldt dat de verklaring van de getuige [getuige 2], wat daarvan verder zij, niet gesteund wordt door ander bewijsmateriaal. Aan de door de raadsvrouw overgelegde verklaring van de moeder van verdachte hecht het Hof geen geloof omdat hoogst onwaarschijnlijk is dat zij reeds op 4 december 2004 een verklaring heeft opgesteld over het afknippen van zijn dreadlocks door verdachte.

Het bewijs steunt in overwegende mate op de herkenning van verdachte middels fotoconfrontatie door de aangever en de getuige [getuige 1]. Het Hof oordeelt die herkenningen betrouwbaar. In het bijzonder geldt dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard verdachte te herkennen aan de wijze waarop deze zijn mond open had, namelijk zoals zichtbaar op de getoonde foto, en het feit dat daardoor zijn gouden tanden zichtbaar waren. Dat is een, naar ook het hof heeft kunnen waarnemen, zo specifieke herkenning dat deze daardoor voldoende betrouwbaar wordt geoordeeld.

De raadsvrouw heeft nog opgemerkt dat op de aan de getuige getoonde fotokaart slechts een persoon voorkomt met gouden voortanden en, zo begrijpt het Hof, geconcludeerd dat de getuige om die reden niet een voldoende objectieve keuzemogelijkheid is geboden waardoor de gebruikte confrontatiemethode onvoldoende betrouwbaar is. Dat verweer wordt verworpen. De bij verdachte aanwezige combinatie van licht geopende mond en daardoor zichtbare gouden voortanden is een zo specifieke combinatie van uiterlijke kenmerken dat, naar algemene ervaringsregels leren, foto's van personen met, op die punten, vergelijkbare uiterlijke kenmerken niet of nauwelijks beschikbaar zijn. De eis niettemin dergelijke foto's aan het confrontatiemateriaal toe te voegen kan daarom in redelijkheid niet gesteld worden."

3.4. Het middel richt zich in het bijzonder tegen het oordeel dat het onaannemelijk is dat verdachte reeds ten tijde van het bewezenverklaarde zijn dreadlocks had laten verwijderen, hetgeen niet alleen strijdig zou zijn met het opgegeven signalement van de dader maar ook relevant is omdat bij de meerkeuze fotoconfrontatie een foto van hem is gebruikt met dreadlocks. Het is voorbehouden aan de rechter om te beoordelen aan welke verklaringen hij wel geloof hecht en aan welke niet. Het oordeel van het hof dat de verklaringen over het eerder afknippen van de dreadlocks ongeloofwaardig zijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Mijns inziens is het oordeel van het hof op dit punt mede gelet op zijn motivering ervan niet onbegrijpelijk. Het beginsel "in dubio pro reo" wordt geen geweld aangedaan als de rechter er niet aan twijfelt dat de door verdachte geschetste gang van zaken onaannemelijk is.

3.5. Voorts richt het middel zich tegen het ontbreken van een uitdrukkelijk gemotiveerde verwerping van het verweer dat de fotoconfrontatie geen betrouwbare resultaten oplevert vanwege de omstandigheid dat de foto van verdachte in de eerste van twee rijen stond, terwijl gebruikelijk is dat de verdachte in de tweede rij wordt getoond. De raadsvrouw heeft waarschijnlijk op de zogenaamde blank lineup control procedure gedoeld, die geen vereiste is voor de betrouwbaarheid, maar die betrouwbaarheid wel kan vergroten. Er wordt dan eerst een rij figuranten getoond waar de verdachte niet bij zit. Als de getuige daar iemand uit aanwijst is het zaak de confrontatie te beëindigen, omdat de getuige dan onvoldoende betrouwbaar is. Kiest hij niemand uit, dan kan een tweede rij worden getoond waarbij zich wel de verdachte bevindt.(1) Dit verweer is niet nader onderbouwd en heeft bovendien betrekking op een niet dwingende norm bij het uitvoeren van een getuigenconfrontatie. Het hof had mijns inziens geen verplichting op dit onderdeel van het verweer een uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing te nemen.

3.6. Verder richt het middel zich in het bijzonder tegen de overweging dat in onderhavig geval in redelijkheid niet de eis kan worden gesteld bij de fotoconfrontatie figuranten te gebruiken met vergelijkbare uiterlijke kenmerken. Op het eiland Curaçao zouden volgens de steller van het middel wel degelijk personen kunnen worden gevonden die ook een gouden tand hebben. Zo niet, dan had men bij de fotoconfrontatie een foto van verdachte moeten gebruiken waarop hij zijn mond niet open heeft. Op dit onderdeel van het middel zal ik mij in het navolgende concentreren en ik zal dat, gelet op het belang van de getuigenconfrontatie in deze zaak en meer in het algemeen in strafzaken, uitvoerig doen.

3.7. Onderhavige zaak maakt deel uit van een groter onderzoek naar eerdere overvallen waarin jegens verdachte reeds een redelijk vermoeden van schuld bestond. Bij een van die overvallen op 29 november 2004 waren de verdachten gevlucht met een goudkleurige Toyota Yaris. In onderhavige zaak had de politie de melding doorgekregen dat de dader er met een witgelakte Toyota Yaris vandoor was gegaan. Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie overigens over een witgelakte Toyota model Echo. Later op de avond werd een man met het opgegeven signalement waargenomen terwijl die met een ander wegliep van een witgelakte Toyota model Yaris. Voorts was verdachte in het meer omvattende onderzoek reeds twee weken eerder bij een meerkeuze fotoconfrontatie door een getuige aangewezen als de dader van een overval op de McDonalds op 12 december 2004, waarbij gebruik zou zijn gemaakt van een Toyota Yaris of een Toyota Echo. Bovendien was informatie verkregen dat de groep overvallers waar verdachte deel van uit zou maken bij een en dezelfde verhuurder verschillende auto's huurde.

3.8. De politie had verdachte dus al op het oog en zij beschikte al over een foto van hem. Wanneer die foto is genomen, staat niet vast. Wel heeft de verdachte op die foto een rastakapsel. In onderhavige zaak is de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde overval op 27 december 2004 als zodanig uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] in samenhang met met elkaar overeenstemmende resultaten van een met hen uitgevoerde meerkeuze fotoconfrontatie met de verdachte op de dag na het bewezenverklaarde.(2) Op dat moment was de dader dus nog spoorloos. Uit de stukken blijkt dat zowel aangever als [getuige 1] de dader voorafgaande aan de fotoconfrontatie omschrijven als iemand met een rastakapsel en gouden tanden. Aangever heeft het over "twee gouden tanden aan zijn bovenkaak" en [getuige 1] verklaart: "Volgens mij had deze man gouden tanden." Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat aangever een kennis is van [getuige 1]. Het hof heeft niet vastgesteld dat de aangever of [getuige 1] de verdachte kenden voorafgaande aan het bewezenverklaarde.

3.9. Ten tijde van de getuigenconfrontaties bestond er, althans in de ogen van de politie, dus al een redelijk vermoeden van schuld tegen hem, kennelijk mede op basis van de concrete signalementen zoals door aangever en [getuige 1] opgegeven. Hoewel de confrontaties klaarblijkelijk beide de dag na de overval hebben plaatsgevonden, is niet duidelijk of ze ook gelijktijdig hebben plaatsgevonden.

Bij beide meerkeuze fotoconfrontaties zijn negen andere foto's gebruikt van verdachten met een donkere huidskleur en een rastakapsel en in de leeftijdscategorie van verdachte, zoals die in een cartotheek van de politie beschikbaar waren.(3)

In de twee processen-verbaal betreffende de fotoconfrontatie beschrijven de verbalisanten dat zij de foto's, "waaronder die van verdachte", aan de aangever/getuige toonden. Daaruit kan men afleiden dat de twee verbalisanten die de fotoconfrontatie uitvoerden minstens wisten dat de foto van de verdachte zich bevond op de fotokaart. Behalve verdachte en één figurant hebben alle mannen hun mond dicht. Aangever verklaart er zeker van te zijn dat nummer 2 (verdachte) de dader is. Hij verklaart hem aan zijn gezicht en ogen te herkennen. De getuige verklaart: "De man die ik jullie, op de foto nummer 7 (verdachte), aanwees, is de ene man die ik in mijn eerder afgelegde verklaring mee bedoeld. Hij liep met zijn mond iets open het zelfde als hij op de foto uit ziet. Daardoor kon had ik zijn gouden tanden kunnen zien."

3.10. Tot zover de gang van zaken rondom de twee meerkeuze fotoconfrontaties. Het hof neemt in overweging dat [getuige 1] verdachte zo specifiek herkent aan de manier waarop hij zijn mond heeft geopend, waardoor ook zijn gouden tanden zichtbaar worden. Kennelijk doelt het hof hier op de beschrijving van de overvaller en op de beschrijving door getuige van wat hem bij de overvaller is opgevallen.

Zo een specifieke herkenning is voor het hof voldoende betrouwbaar. Voor zover is aangevoerd dat door de zichtbaarheid van de gouden voortanden de herkenning onbetrouwbaar is geworden, overweegt het hof voorts - kortgezegd - dat de geopende mond met de gouden voortanden zo specifiek is dat in redelijkheid niet de eis kan worden gesteld foto's te gebruiken van mannen met op die punten vergelijkbare uiterlijke kenmerken. Ik maak uit deze overwegingen op dat het hof ervan is uitgegaan dat aan aangever en getuige een fotokaart is getoond waarop een kleurenfoto van verdachte voorkomt. Op de zwartwit fotokaarten die onderdeel uitmaken van het dossier is niet te zien dat verdachte gouden voortanden heeft. In mijn hieronder volgende bespreking van het middel zal ik vooralsnog ervan uitgaan dat een kleurenfotokaart is getoond. Als een zwartwit fotokaart zou zijn getoond is het verschil tussen de foto van verdachte en de foto's van de anderen mijns inziens te gering om daaraan de consequentie te verbinden dat de foto van verdachte zo opvallend meer overeenkomsten vertoont met het signalement dat aangever en getuige hebben opgegeven dan de foto's van de anderen, dat de fotoconfrontaties niet meer bruikbaar zijn voor het bewijs.

3.11. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad is over het gebruik voor het bewijs van getuigenconfrontaties het volgende af te leiden.(4) In het algemeen verdienen meerkeuze confrontaties de voorkeur boven enkelvoudige confrontaties.(5) Daarbij stuit het niet op principiele bezwaren indien gebruik gemaakt wordt van meerkeuze fotoconfrontaties in plaats van Oslo-confrontaties.(6) Vooropgesteld moet worden dat als de gang van zaken bij een confrontatie onverenigbaar is met een eerlijke procesvoering, de bewijsvergaring onrechtmatig is. Hiervan kan sprake zijn als de bij de confrontatie gevolgde werkwijze strekt tot beïnvloeding van de getuigen met het oog op de door hen af te leggen verklaring. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien bij een meervoudige confrontatie de verdachte de enige is die ook maar enigszins voldoet aan de tevoren door de omtrent diens herkenning ondervraagde persoon gegeven beschrijving van de dader. De enkele omstandigheid dat slechts een foto, nl. van verdachte aan de getuige is vertoond, is daarvoor niet voldoende en evenmin de enkele omstandigheid dat voorafgaand aan de confrontatie met verdachte ter terechtzitting, reeds een foto- en spiegelconfrontatie hadden plaatsgevonden.(7)

In HR 30 oktober 2001, LJN AB3244 leert de Hoge Raad dat de resultaten van rechtmatige enkelvoudige confrontaties onbeperkt voor het bewijs kunnen worden gebruikt, ongeacht de voorkeur voor meervoudige confrontaties en ongeacht het belang van de confrontatie in het geheel van de bewijsvoering:

"3.3. In een der onderdelen, waarin het middel uiteenvalt, wordt de stelling ingenomen dat - zo begrijpt de Hoge Raad - het resultaat van de enkelvoudige spiegelconfrontaties niet voor het bewijs bruikbaar is, aangezien dat bewijs niet slechts ter aanvulling diende van het overige bewijsmateriaal maar van doorslaggevende aard was om tot een bewezenverklaring te komen. Aan die stelling ligt de gedachte ten grondslag dat dergelijke confrontaties minder betrouwbaar zijn dan zogenoemde meervoudige keuzeconfrontaties - de confrontatie van een getuige met meerdere personen onder wie de verdachte -, zodat de bewezenverklaring niet in overwegende mate van het resultaat van dat, enkelvoudig verkregen, bewijs mag afhangen.

3.4. In het oordeel van het Hof ligt besloten, dat het bewijs, verkregen door de enkelvoudige confrontaties, rechtmatig is. Rechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan bijdragen tot het bewijs van het tenlastegelegde feit. Daartoe maakt het, behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen, geen verschil of dat bewijs doorslaggevend is voor de bewezenverklaring of slechts dient ter aanvulling van het overige bewijsmateriaal. Aan het in het middel aangebrachte onderscheid tussen bewijs dat van doorslaggevende betekenis is en bewijs dat slechts van aanvullende aard is, komt dan ook in deze zaak geen betekenis toe, zodat dit middelonderdeel faalt."

Op het verweer dat de resultaten van een confrontatie onbetrouwbaar zijn behoeft de rechter niet uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen. Immers het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt, welke beslissing in de regel geen motivering behoeft en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.(8) De beantwoording van de vraag of een verweer met betrekking tot confrontaties moet worden beschouwd als een beroep op onrechtmatigheid daarvan of als een betwisting van de betrouwbaarheid is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.(9)

3.12. In HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584 werd geklaagd over een onzorgvuldig uitgevoerde keuzeconfrontatie mede gelet op de omstandigheid dat enkelen van de figuranten sterk afweken van het ervoor opgegeven signalement. Aangevoerd was dat het uit de herkenningsconfrontaties voortvloeiende bewijsmateriaal onrechtmatig was verkregen.

Het hof motiveerde dat het desondanks met behoedzaamheid van de resultaten gebruik kon maken, mede in samenhang met herkenningen door andere getuigen. De Hoge Raad overwoog: "Ook van het aan de omstandigheid, dat de confrontaties niet aan alle daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid voldeden, toe te kennen gewicht, in verband met de beoordeling van het daaruit voortgevloeide bewijsmateriaal op zijn betrouwbaarheid, heeft het Hof trouwens uitdrukkelijk en niet onbegrijpelijk rekenschap gegeven. Voorzover het middel het vorenoverwogene miskent faalt het."

3.13. In HR 16 mei 2000, NJ 2000, 510(10) werd geklaagd over het ongemotiveerd verwerpen van een verweer omtrent de betrouwbaarheid van een meerkeuze fotoconfrontatie waarbij slechts vier van de twaalf foto's voldeden aan het opgegeven signalement (Chinees uiterlijk en halflang haar). Volgens de Hoge Raad behoefde het hof op een dergelijk verweer niet eens te responderen vanwege kortgezegd het vrije bewijsoordeel van de rechter: "Er zijn weliswaar bijzondere gevallen waarin het vorenstaande uitzondering lijdt, maar de enkele aangevoerde omstandigheid dat voor het bewijs gebezigde verklaringen, inhoudende de herkenning van een persoon, zijn verkregen door middel van een fotoconfrontatie waarbij vier van de twaalf aan de getuigen getoonde personen aan het signalement van de dader zouden voldoen, brengt niet mee dat sprake is van zo'n bijzonder geval." Deze overweging heeft slechts betrekking op de responsieplicht. Overigens had de verdachte in deze zaak erkend dat hij op de plaats delict aanwezig was geweest. Bovendien kan hier hebben meegespeeld dat nog steeds een keuze tussen vier op elkaar gelijkende personen noodzakelijk was waardoor een evidente vooringenomenheid werd voorkomen.(11)

3.14. In HR 23 mei 1995, nr. 99.912 (ongepubliceerd) was een fotoconfrontatie gehouden die volgens de verdediging niet voldeed aan het gestelde in het rapport van de recherche-adviescommissie. Aan de getuige zouden meerdere foto's zijn getoond maar deze zouden niet vergelijkbaar zijn geweest. Het resultaat van de confrontatie zou onbetrouwbaar zijn. De Hoge Raad stelde voorop dat het hof omtrent dat verweer, dat uitsluitend betrekking had op de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal, niet een gemotiveerde beslissing hoefde te geven. De waardering en selectie van het bewijsmateriaal is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Er zijn weliswaar bijzondere gevallen waarin het vorenstaande uitzondering lijdt, maar hetgeen ter terechtzitting van het hof is aangevoerd levert niet een zodanige uitzondering op. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de selectie van de foto's -welke zich bij de stukken bevonden zodat het hof zich daarover een oordeel heeft kunnen vormen- zodanig was dat er geen reden bestaat de resultaten van de fotoconfrontatie als onvoldoende betrouwbaar niet tot het bewijs te bezigen.

3.15. Inmiddels is het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek van kracht (Stb. 2002, 46). Het Besluit is niet van toepassing op de Nederlandse Antillen en Aruba, maar kan als referentiekader dienen bij de beoordeling van klachten over de betrouwbaarheid van getuigenconfrontaties. Het Besluit bevat onder meer voorschriften omtrent de wijze waarop getuigenconfrontaties worden uitgevoerd. De confrontatie moet bijvoorbeeld worden uitgevoerd door een deskundige politieambtenaar die niet weet wie de verdachte is. Dwingende voorschriften over hoe de opstelling van een getuigenconfrontatie eruit moet zien (meervoudig/enkelvoudig, foto/Oslo, precieze aantallen figuranten, mate van gelijkenis etc.) staan er echter niet in. Wel wordt in de nota van toelichting uitdrukkelijk verwezen naar verschillende publicaties over een zorgvuldige uitvoering van getuigenconfrontaties zoals het boekje Handleiding confrontatie van A. van Amelsvoort dat in de vijfde druk in 2005 is verschenen. Voor zover bij toepasselijkheid van het Besluit niet wordt voldaan aan de daarin gestelde eisen behoeft dat gelet op art. 359a Sv echter niet te leiden tot uitsluiting van het bewijs.(12) Indien bovendien niet wordt aangevoerd dat en waarom een getuigenconfrontatie onbetrouwbaar is, is er in beginsel geen bezwaar die voor het bewijs te gebruiken.(13)

3.16. In feitelijke aanleg is niet aangevoerd dat de fotoconfrontaties op onrechtmatige wijze zijn uitgevoerd. Het hof heeft dan ook in de kritiek op de wijze van uitvoering van beide fotoconfrontaties slechts een betrouwbaarheidsverweer hoeven te onderscheiden. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad dienaangaande had het hof op dit verweer niet eens hoeven in te gaan als er geen sprake was van een bijzonder geval. De steller van het middel voert ook niet aan dat in feitelijke aanleg een ander verweer dan een betrouwbaarheidsverweer is gevoerd. Dat het hof in het verweer slechts een betwisting van de betrouwbaarheid van de fotoconfrontaties heeft gezien acht ik, gelet op de inhoud van de pleitnota in hoger beroep, ook niet onbegrijpelijk.

Maar het hof heeft wel uitdrukkelijk gemotiveerd het verweer verworpen. Kennelijk heeft het hof hier aangenomen dat er toch sprake is van een bijzonder geval dat tot motivering noopt. Dat standpunt lijkt mij zeer verdedigbaar, indien ervan wordt uitgegaan dat aan de aangever en getuige een kleurenfotokaart is getoond. In dat geval zal verdachte overduidelijk de enige zijn geweest die aan het signalement beantwoordt. Mijns inziens kan dan nog niet gezegd worden dat de gevolgde werkwijze strekt tot beïnvloeding van de getuigen met het oog op de door hen af te leggen verklaring, omdat in die omschrijving naar mijn mening besloten ligt dat de fotoconfrontatie op deze wijze is ingericht juist om verdachte aan te doen wijzen, maar wel kan ernstige twijfel bestaan over de (meer)waarde van een aldus ingerichte meervoudige fotoconfrontatie. Doorgaans wordt aan een meervoudige confrontatie een hogere betrouwbaarheid toegedicht dan aan een enkelvoudige confrontatie.(14) Wanneer door de wijze van uitvoering van een meervoudige fotoconfrontatie die meerwaarde niet tot haar recht is kunnen komen ligt het mijns inziens voor de hand als de rechter er blijk van geeft dat hij zich van deze waardevermindering bewust is en dat hij aangeeft waarom hij van oordeel is dat deze devaluatie er niet aan de weg staat het resultaat van de confrontaties voor het bewijs te gebruiken.

De in het strafvonnis opgenomen motivering kan dus op haar begrijpelijkheid worden beoordeeld.

3.17. De bewijswaarde van de meerkeuzeconfrontatie zoals deze in het onderhavige geval is ingericht is mijns inziens terecht ter discussie gesteld.(15) Daar staat tegenover dat het bewijs is gebaseerd op twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde getuigenconfrontaties die relatief kort na de overval hebben plaatsgevonden, dat in ieder geval de aangever de dader waarschijnlijk goed heeft kunnen waarnemen, dat de verklaring over de gouden tanden als zodanig ook bewijskracht heeft en dat in het verband met het meer omvattende onderzoek het kennelijke gebruik door de dader van een Toyota op betrokkenheid van verdachte wijst. Daarbij merk ik wel weer op dat van dat meer omvattende onderzoek in het strafvonnis van het hof niets is terug te zien.

3.18. Het verweer dat de fotoconfrontaties onbetrouwbaar zijn omdat de foto van verdachte op de fotokaart zo opvallend is, gelet op de zichtbaarheid van de gouden voortanden, kan mijns inziens niet worden gepareerd door de overweging dat foto's van personen met vergelijkbare uiterlijke kenmerken niet of nauwelijks beschikbaar zijn. Als zulke foto's niet beschikbaar zijn ligt het voor de hand een confrontatie te organiseren waaraan zulke bezwaren niet kleven, zoals een Osloconfrontatie waarbij aan de deelnemers nadere instructies kunnen worden gegeven.

Daarom acht ik de verwerping van het verweer onbegrijpelijk.

3.19. Overigens wijs ik in dit verband wel op het volgende. Ik heb reeds eerder opgemerkt dat het hof er kennelijk van is uitgegaan dat aan aangever en getuige fotokaarten zijn getoond met daarop een kleurenfoto van verdachte, omdat op zwartwitfoto's niet te zien is dat de verdachte gouden boventanden heeft. Indien men evenwel kennis neemt van de processen-verbaal die in het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt valt het op dat het proces-verbaal van confrontatie met aangever, waarbij aangever de foto van verdachte aanwijst, vermeldt dat de bovenvermelde fotokaart als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd. Achter dit proces-verbaal bevindt zich een fotokaart met louter zwartwitfoto's. Ervan uitgaande dat dit inderdaad de fotokaart is die aan aangever is getoond, en ik heb geen enkele reden daaraan te twijfelen, zou het hof er ten onrechte van zijn uitgegaan dat een kleurenfoto van verdachte beschikbaar was. Het proces-verbaal van confrontatie met de getuige vermeldt dat een afschrift van een tiental foto's van verdachten bij het proces-verbaal is gevoegd. De bijlage bij dit procesverbaal bevat weer enkel zwartwitfoto's. Als het hof feitelijk had vastgesteld dat aan aangever en getuige enkel zwartwitfoto's zijn getoond zou het verweer dat aan aangever en getuige een fotokaart is getoond waarop slechts één persoon voorkomt met gouden voortanden feitelijke grondslag missen. In dat geval zou de foto van verdachte op de fotokaart er niet uitspringen, hetgeen de waarde van de fotoconfrontatie's aanzienlijk zou verhogen.

Nu het hof er evenwel kennelijk van is uitgegaan dat aan aangever en getuige kleurenfoto's zijn getoond doet het zojuist opgemerkte niet af aan de onbegrijpelijkheid van de motivering.

3.20. Het middel is terecht voorgesteld.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit geen sprake is geweest van opzet heeft verworpen op gronden die die verwerping niet kunnen dragen.

4.2. Blijkens de overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep - voor zover hier relevant - het volgende aangevoerd:

"Mocht Uw Hof er toch vanuit gaan dat verdachte betrokken was bij de afpersing dan noch staat het niet vast dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om de aangever [slachtoffer] te doden. Derhalve heeft het Gerecht in Eerste Aanleg ten onrechte overwogen dat voorwaardelijk opzet kan uit omstandigheden waaronder het gedrag plaats heeft worden afgeleid.

Om voorwaardelijk opzet te kunnen construeren zijn drie elementen van belang: het bewustzijn van de dader, de aanmerkelijke kans en de wilsrichting.

Bewustzijn in deze is bewustzijn van de risico's van de handeling van verdachte;

Van de aanmerkelijke kans is sprake als ernstig rekening moet worden gehouden dat door de verweten gedraging het gevolg (de dood de aangever), waartegen de strafbepaling bescherming wil bieden, zal optreden en die kans tot anders handelen aanleiding had kunnen en moeten geven.

Een derde element, de wilsrichting, betreft het mogelijke gevolg op de koop toenemen in plaats van af te zien van de handeling. Niet is komen vast te staan dat indien verdachte uberhaupt aanwezig was - quod non - dat verdachte de bedoeling gehad om de dood van de aangever te veroorzaken en heeft de kans op de mogelijke dood van hem ook niet op de koop toe genomen, zijn opzet was niet op het gevolg gericht. Immers indien verdachte daadwerkelijk had geschoten dan staat het niet vast dat hij op de aangever gericht had. De aangever stond nog bij de kofferbak, de dader is op een gegeven moment weggerend en de dag daarna heeft de aangever een kogel in zijn schoen gevonden. Hoe is dat mogelijk? Waar precies bevond zich de schoen. Als we aannemen dat de schoen in de auto was dan brengt dat met zich mee dat de dader richting de schoen had geschoten en niet richting de aangever [slachtoffer]. Er is dan een uitdrukkelijke onderscheiding van enerzijds de gedraging en anderzijds de wil.

Gezien de afwezigheid van het bewustzijn, de aanmerkelijke kans en de wil bij de dader ( niet verdachte ) kan in casu niet gesproken worden van voorwaardelijk opzet.

Derhalve moet worden geconcludeerd dat noch uit de bewijsmiddelen noch uit hetgeen ter terechtzitting vast is komen te staan blijkt dat verdachte opzet had op het schieten op [slachtoffer]."

4.3. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw heeft betoogd dat opzet niet bewijsbaar is, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Dat verweer slaagt niet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit de auto van verdachte stapte, zijn pistool laadde en vrijwel onmiddellijk daarna op verdachte (AM, lees: aangever) schoot. Algemene ervaringsregels leren dat het schieten op een persoon vanaf relatief korte afstand de aanmerkelijke kans meebrengt dat die persoon getroffen wordt door een afgevuurde kogel en dat zulks op een zodanige plaats in het lichaam geschiedt dat als gevolg daarvan de dood kan intreden. De beschreven gedragingen van verdachte gevoegd bij de genoemde ervaringsregel maken dat de conclusie gerechtvaardigd is dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangever zou overlijden als gevolg van de door verdachte afgevuurde schoten en derhalve opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehandeld."

4.4. Het middel stelt dat in hoger beroep is aangevoerd dat de dader in de richting van de schoen van aangever heeft geschoten en niet in de richting van vitale lichaamsdelen. Dat verweer is gebaseerd op het aantreffen van een kogel in de schoen van aangever. De omstandigheid dat de dader in de richting van de schoenen geschoten zou hebben, een omstandigheid die erop duidt dat hij geen voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad, laat het hof volgens het middel ten onrechte in het midden, zodat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd.

4.5. Blijkens een proces-verbaal van nader verhoor van [slachtoffer] d.d. 28 december 2004 heeft aangever verklaard dat hij de dag na de overval en nadat hij aangifte had gedaan weer in zijn auto is gaan zitten: "(..) Ik ging mijn schoenen aantrekken. Toen viel een kogel van mijn schoen op de grond. Gisteren, tijdens het voorval, zat de verdachte in de auto. Hij wilde deze wegnemen. Toen ik begon te schreeuwen, stapte hij uit, laadde het vuurwapen en rende weg (..)". Gelet op deze, niet door de verdediging betwiste, verklaring, is de betreffende kogel kennelijk niet door de dader afgevuurd.

4.6. Uit de verklaringen van aangever valt op te maken dat de overvaller op hem heeft geschoten.

Zelfs al is de kogel wel - na te zijn afgevuurd - in de schoen van aangever terecht gekomen en zelfs op zo'n manier dat het niet anders kan dan dat de dader in een andere richting dan op vitale lichaamsdelen heeft geschoten, laat dat onverlet dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er door de dader meer dan één schot op aangever is afgevuurd. Het middel bestrijdt dat niet en stelt evenmin dat ook de andere schoten, of het er nu twee, drie of nog meer waren, in een 'ongevaarlijke' richting werden afgevuurd. Op basis van het voorgaande heeft het hof het verweer toereikend gemotiveerd verworpen.

4.7. Het middel faalt.

5. Het eerste middel lijkt mij terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Het Recht van Binnen (red. P.J. van Koppen, D.J. Hessing, H.L.G.J. Merkelbach en H.F.M. Crombag), Deventer: Kluwer 2002, p. 551.

2 Op 1 februari 2006 heeft nog een spiegelconfrontatie plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de verdachte waarbij het slachtoffer verklaarde de verdachte zonder twijfel te herkennen als degene die hem op 27 december 2005 (bedoeld zal zijn 2004, AM) te Suffisant heeft overvallen.

3 Van een opsporingsconfrontatie in de strikte zin van het woord is mijns inziens geen sprake geweest. Het betrof hier mijns inziens een zogenaamde Oslo-meerkeuze fotoconfrontatie.

4 Zie hierover bijzonder kritisch: P.J. van Koppen en E.M. van der Horst, 'De simpele logica van getuigenconfrontaties', NJB 2006, p. 788-795.

5 HR 4 juni 1996, NJ 1996, 633. In deze zaak kon worden volstaan met enkelvoudige confrontaties, die blijkens het oordeel van het hof een "aanvullend karakter" hadden.

6 HR 24 september 1996, NJ 1997, 71.

7 HR 8 juli 1992, NJ 1993, 407.

8 HR 17 november 1992, NJ 1993, 408.

9 HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 100; HR 2 november 1993, DD 94.117; HR 28 februari 2006, LJN AU9426.

10 Zie ook de ongepubliceerde arresten HR 9 november 2004, 01446/03 en HR 30 november 2004, 01512/03.

11 Hoewel voor een betrouwbare meerkeuze fotoconfrontatie als uitgangspunt minimaal zes foto's nodig zijn (A. van Amelsvoort, Handleiding confrontatie, Den Haag: Elsevier Overheid 2005, p. 37 en Van Koppen en Wagenaar 2002, p. 560).

12 HR 8 november 2005, NJ 2006, 537.

13 HR 8 juli 2003, LJN AF9541 en in het bijzonder de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel in samenhang met de toepassing van art. 81 RO door de Hoge Raad.

14 Prof. dr. P.J. van Koppen en mr. E.M. van der Horst, De simpele logica van getuigenconfrontaties, in NJB 2006, p. 788/789.

15 Zie Van Amelsvoort 2005, p. 138, punt 9 en Van Koppen en Wagenaar, 2002, p. 559 en 563.