Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1639

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
01128/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1639
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Geldigheid betekening appeldagvaarding. 2. Dagvaardingstermijn ex art. 413.1 Sv. Ad 1. Gelet op het, aan de appeldagvaarding voor de ttz van 14-10-05 gehechte, GBA-overzicht van 10-10-05 inhoudende dat verdachte sedert 23-6-97 zonder vaste woon- of verblijfplaats is en in aanmerking genomen dat in de appelakte van 17-1-05 als adres van verdachte is vermeld: “z.v.w.o.v.h.t.l.”, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat het door verdachte bij de betekening van het pr-vonnis op 5-1-05 opgegeven adres A had te gelden als haar feitelijke woon- of verblijfplaats i.d.z.v. art. 588.1.b.2° Sv (HR NJ 2002, 317). ’s Hofs oordeel de appeldagvaarding geldig is betekend, is juist. Ad 2. Daar volgens de akte van uitreiking de dagvaarding van verdachte voor de ttz van het hof op 14-10-05, op 10-10-05 is uitgereikt aan de (wnd.) griffier van de Rb ’s-Gravenhage, is de in art. 413.1 Sv voorgeschreven termijn van 10 dgn niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte en verdachte niet is verschenen ter ttz in appel, had het hof het onderzoek ter ttz o.g.v. art. 413.1 Sv i.v.m. art. 265.3 Sv dienen te schorsen. Het hof heeft het onderzoek ter ttz echter voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert (HR NJ 2002, 286).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 343
NJ 2007, 299
RvdW 2007, 514
NJB 2007, 1260
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01128/06

Mr Machielse

Zitting 20 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 28 oktober 2005 voor 1. "Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 2. "Opzettelijk een betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg valselijk opmaken, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven.

2. Mr. G. E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam, heeft tijdig cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt erover dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Dientengevolge heeft het hof de appèldagvaarding ten onrechte geldig verklaard, althans ten onrechte de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden, althans ontoereikend gemotiveerd waarom nietigverklaring danwel aanhouding achterwege kon blijven.

In de toelichting op het middel wordt, met verwijzing naar HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch. betoogd dat het adres [a-straat 1] te [woonplaats] moet worden gezien als feitelijk adres van de verdachte, maar dat niet vast staat of en zo ja wanneer, een afschrift van de dagvaarding naar dit adres is verzonden.

3.2. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) blijkens haar GBA-gegevens is de verdachte sinds 23 juni 1997 zonder vaste woon- of verblijfplaats;

(ii) op 5 januari 2005 heeft de verdachte het verstekvonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 25 april 2002 op Schiphol in persoon betekend gekregen. Daarbij heeft zij kennelijk als haar adres opgegeven: [a-straat 1] te [woonplaats];

(iii) op 17 januari 2005 heeft de verdachte zelf hoger beroep ingesteld tegen voornoemd verstekvonnis;

(iv) in de akte rechtsmiddel is als adres van verdachte opgenomen: z.v.w.o.v.h.t.l.;

(v) de appèldagvaarding is, nadat deze op 27 september 2005 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], op 10 oktober 2005 ex art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv aan de griffier van de rechtbank uitgereikt;

(vi) op een afschrift van deze dagvaarding, gedateerd 11 oktober 2005, is in handschrift aangetekend "per gewone post";

(vii) daarnaast is een appèldagvaarding aangeboden op het adres [b-straat 1] in [plaats]. Volgens mededeling van degene die op dat adres werd aangetroffen, verbleef de verdachte daar niet. Die dagvaarding is vervolgens ook aan de griffier van de rechtbank uitgereikt; tevens is - kennelijk - een afschrift van de dagvaarding per gewone post aan dit adres verzonden. Het dossier bevat in ieder geval een kopie van de appeldagvaarding, met daarop als aantekening gesteld "6/9 per gewone post"; (viii) tenslotte is de dagvaarding nogmaals aan de griffier uitgereikt, maar nu omdat van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was.

(ix) op 14 oktober 2005 heeft het hof de zaak bij verstek behandeld. Ter zitting was niemand aanwezig.

3.3. In HR NJ 2002, 317 heeft de Hoge Raad het volgende bepaald:

"b. De verdachte heeft een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland

3.17. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte en - omdat hij aldaar niet werd aangetroffen - is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen (art. 588 lid 3 sub a).

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft, is het hierna onder 3.24 en 3.25 gestelde van toepassing.

(...)

3.24. Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen:

(...)

b. indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Of van dat laatste sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Daarom zal de Hoge Raad volstaan met het noemen van enige voorbeelden.

(...)

Wat betreft de appèldagvaarding kunnen worden genoemd het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen en - indien daarin geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de (laatste) terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.(1)

(...)

II. De rechtsgevolgen van niet-naleving van de betekeningsvoorschriften

3.26. Niet-naleving van de betekeningsvoorschriften kan alleen dan tot nietigverklaring van de dagvaarding leiden indien de verdachte niet is verschenen ter terechtzitting. Op grond van art. 278, eerste lid, Sv dient de rechter immers slechts in dat geval de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding te onderzoeken en de nietigheid van de dagvaarding uit te spreken indien zij niet op geldige wijze is uitgereikt. Nietigverklaring blijft dus achterwege indien de verdachte is verschenen ter terechtzitting. Dit geldt eveneens indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over een betekeningsverzuim. Uit het achterwege blijven van zo een klacht moet worden afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht."

3.4. Uit het hiervoor gegeven overzicht van de stukken van het geding blijkt dat de appèldagvaarding, nadat deze tevergeefs is aangeboden op de adres [a-straat 1] te [woonplaats], is uitgereikt aan de griffier en opgelegd. Daarnaast is tevens een kopie van de dagvaarding verzonden naar dit adres. Daarnaast is gepoogd om de verdachte ook op een ander adres te bereiken.(1) Daarmee heeft het ressortsparket al het nodige gedaan om de verdachte te bereiken, zelfs naar mijn idee méér dan op grond van de toen geldende jurisprudentie en later in de wet vastgelegde - en op die jurisprudentie gestoelde - regels verplicht was.

3.5. De steller van het middel is van oordeel dat op de akte van uitreiking moet worden aangetekend dat er een kopie van de dagvaarding naar het adres is toegezonden, maar daarvoor was op de oude akte van uitreiking nog geen plaats. Op de akte van uitreiking die in gebruik is genomen na de wetswijziging van 1 november 2005 (Stb. 2005, 293) kan dit wel worden aangetekend. Het afschrift van de dagvaarding is in het onderhavige geval geniet aan de akte van uitreiking, met daarbij een uitdraai van het GBA-overzicht, d.d. 10 oktober 2005. Er moet ervan worden uitgegaan, behoudens contra-indicaties, dat deze brief per gewone post op 11 oktober 2005 is verzonden.

3.6. Tevens is de steller van het middel van oordeel dat, mocht worden aangenomen dat op 7 oktober 2005 het schrijven op het ressortsparket werd ontvangen, verzending van een kopie op 11 oktober 2005 niet "onverwijld" is geschied. De stempelafdruk op de voorzijde van de appeldagvaarding houdt in dat het stuk is binnengekomen op 7 oktober 2005 bij de unit strafzaken van het Gerechtshof/Ressortsparket te 's-Gravenhage. De steller van het middel leidt daaruit af dat ook de griffier op 7 oktober kon beschikken over het stuk en dat kon verzenden naar het van verdachte bekende adres.

Mijns inziens geeft de steller van het middel blijk van miskenning van de regeling in art. 588 lid 3 onder c Sv. Als geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden volgens art. 588 lid 1 onder b sub 2 jo. 588 lid 3 Sv schrijft art. 588 lid 3 onder c Sv voor dat het stuk wordt teruggezonden aan de afzender, in dit geval het ressortsparket, dat vervolgens het stuk uitreikt aan de griffier van de rechtbank en daarna een afschrift van die mededeling aan het adres van betrokken toezendt.

Ik zou menen dat verzending van een afschrift van een schrijven, binnengekomen op 7 oktober 2005, een vrijdag, op dinsdag 11 oktober 2005, gezien de verschillende instanties die betrokken zijn bij de uitreiking (ruim) binnen het begrip "onverwijld" valt. Het hof heeft uit de mededeling, gesteld op het afschrift van de appeldagvaarding, kunnen opmaken dat het stuk op 11 oktober 2005 per post is verstuurd naar het op het stuk vermelde adres, ook al is die mededeling niet reglementair op de achterzijde van de akte van uitreiking ingevuld.

Deze uitleg is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden en komt mij niet onbegrijpelijk voor.

3.7. Tenslotte oppert de steller van het middel nog dat moet worden uitgegaan van het op 1 november 2005 in werking getreden art. 588a Sv voor wat betreft de termijn van het verzenden van een afschrft van de dagvaarding. Het vierde lid bepaalt dat de toezending van het afschrift de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht moet worden genomen. Nog daargelaten dat de verdachte, gelet op het overgangsrecht(2), inderdaad geen beroep kan doen op het destijds nog niet in werking getreden art. 588a Sv, geeft art. 588a Sv regels voor het toezenden naar een ander adres dat door verdachte op drie expliciet aangewezen momenten kan zijn opgegeven: het eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak, bij het begin van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, of bij het instellen van het rechtsmiddel. Van geen van deze gelegenheden heeft de verdachte gebruik gemaakt opgave te doen van een adres.

De appeldagvaarding is rechtsgeldig op 6 september 2005 aan de griffier van de rechtbank uitgereikt omdat blijkens het op 6 september 2005 opgemaakte GBA-overzicht van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was

4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging behoren te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Blijkens een aantekening een door de advocaat-generaal bij het gerechtshof aangedragen adres. Een blik achter de papieren muur leert dat dit hoogstwaarschijnlijk het adres van haar moeder was/is.

2 Artikel V van de Wet van 23 maart 2005 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken (Stb. 2005, 175) bepaalt dat art. 588a Sv niet van toepassing is op een adresopgave, gedaan vóór de inwerkingtreding van deze bepaling (op 1 november 2005).