Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1620

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
00121/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Fotoconfrontatie op de Antillen. De beweerdelijk suggestieve gang van zaken bij de fotoconfrontaties is door de verdediging niet alleen gegrond op de – door het Hof verworpen – stelling dat bij de tweede fotoconfrontatie de foto’s van anderen dan verdachte gelijk waren aan die van de eerste fotoset. Daarnaast is aangevoerd dat de politie na de eerste fotoconfrontatie de getuige heeft benaderd met de mededeling dat hij niet de juiste persoon had aangewezen, waarna bij de tweede fotoconfrontatie de nummering van de foto van verdachte dezelfde was als van de foto die de getuige bij de eerste confrontatie had aangewezen. Daarop is het Hof niet ingegaan. In dit opzicht lijdt de bestreden uitspraak dus aan een motiveringsgebrek. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 356
NJ 2007, 471
JOL 2007, 535
RvdW 2007, 750
NJB 2007, 1860

Conclusie

Nr. 00121/06 A

Mr. Machielse

Zitting: 20 maart 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 13 juni 2006 onder aanvulling van gronden bevestigd een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, waarbij de verdachte wegens moord veroordeeld is tot zestien jaren gevangenisstraf en waarbij de onttrekking aan het verkeer is gelast van een pistool.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens verdachte hebben mr. J.J.A.P. van Breukelen en mr. A.M. Seebregts, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel klaagt dat het strafvonnis niet is ondertekend door (twee van) de rechters die over de zaak hebben geoordeeld.

4. Het bestreden vonnis is gewezen mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2006 en 1 juni 2006 waarover de processen-verbaal vermelden dat mr. G.C.C. Lewin (als voorzitter), mr. L.C. Hoefdraad en mr. J.P. de Haan de rechters waren.

De uitspraak houdt onder meer in:

"Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, L.C. Hoefdraad en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 13 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier."

en een stempel dat met de hand voorzien is van de namen van de rechters en van een handtekening of paraaf die kennelijk door de Substituut-Griffier is geplaatst:

"w.g. S. Rasmijn w.g. W.P.M. ter Berg

Voor Afschrift G.E.M. Polkamp

De Substituut-Griffier van voormeld Hof, J.P. de Haan"

Naar luid van het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juni 2006 is het vonnis door de voorzitter mr. W.P.M. ter Berg uitgesproken in tegenwoordigheid van de andere rechters mr. G.E.M. Polkamp en mr. J.P. de Haan en van de griffier mr. S.J. Rasmijn.

5. Indien de rechters die het strafvonnis hebben gewezen niet naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting hebben beraadslaagd en beslist, is gehandeld in strijd met de op straffe van nietigheid gegeven voorschriften van de artikelen 392, 393, 394 en 401 SvNA, van overeenkomstige toepassing ingevolge art. 302 SvNA.(1)

6. Het middel treft geen doel. In het vonnis staat vermeld dat het is gewezen door de rechters die aan het onderzoek hebben deelgenomen; de steller van het middel voert slechts aan dat het door andere rechters is ondertekend en daarom aan nietigheid lijdt. Het niet naleven van het voorschrift van art. 410 lid 2 SvNA dat het vonnis wordt ondertekend door rechters die over de zaak hebben geoordeeld, is niet met wettelijke nietigheid bedreigd.

Het aangevoerde mist bovendien feitelijke grondslag. Het strafvonnis vermeldt, gelijk art. 400 lid 1 SvNA op straffe van nietigheid voorschrijft, de namen van de rechters die aan het onderzoek op de terechtzitting hebben deelgenomen. Waar op het afschrift van het vonnis pleegt te worden aangegeven dat het origineel is ondertekend - vgl. de aanduiding: "w.g." - door rechters die over de zaak hebben geoordeeld, zijn bij kennelijke vergissing de namen van twee rechters vermeld die het vonnis alleen hebben uitgesproken.(2) De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak met inachtneming van de kennelijke misslag verbeterd lezen.

7. Het tweede middel klaagt dat het Hof geen beslissing heeft genomen over een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs hoewel er concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd.

8. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op 14 september 2002 op het eiland Curaçao opzettelijk en met voorgedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte toen en aldaar opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meerdere malen met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden."

9. Hier is van belang dat de verdachte blijkens de nader te bespreken gedingstukken, waaronder een als bewijsmiddel 4. opgenomen proces-verbaal, door een getuige [getuige 1] van een foto voor 100% als "de schutter" is herkend toen de getuige voor de derde keer aan een fotoconfrontatie meedeed. Achtereenvolgens kreeg de getuige als "informant" op 18 september 2002 bij de politie een fotoset te zien en als anonieme getuige weer op 19 september 2002 en tenslotte op 18 oktober 2002 bij de Rechter-Commissaris. Op 10 mei 2005 bevestigt de getuige bij de Rechter-Commissaris dat hij op 18 oktober 2002 de foto nummer 5 heeft aangewezen en die bevestiging is voor het bewijs gebruikt. Ik wijs op:

(i) de stukken van het geding:

- een door [verbalisant 1], hoofdinspekteur van politie, standplaats Curacao, chef bij de Criminele inlichtingendienst opgemaakt proces-verbaal van 19 september 2002, inhoudende dat een "informant" op 17 september 2002 onder meer heeft verklaard:

"Zowel de schutter als de man die op de achterbank zat ken ik. Hun namen weet ik niet. De chaufffeur ken ik niet. Als ik een foto van deze mannen te zien krijg herken ik ze met alle zekerheid."

en als het relaas van de verbalisant onder meer:

"Voorts uit geruchten die de ronde doen bleek dat ene [betrokkene 1] mogelijk betrokken was bij deze moord hebben wij een politie foto ter onze beschikking gesteld en vervolgens een keuze foto confrontatie gehouden op woensdag, 18 september 2002 in de avonduren met de informant waarin foto 5 de foto van [betrokkene 1] is. (...) Uit de foto confrontatie keuze waarin [betrokkene 1] voorkomt herkende de bron niemand. (...)

Later op woensdag, 18 september 2002 in de avonduren belde de bron bij de runners telefonisch in en gaf de navolgende verklaring door. Foto nummer 5, (hiermede wordt bedoeld de foto van [betrokkene 1], opmerking verbalisant.) gelijkt veel op de schutter die in de groengelakte Toyota Echo zat. Ik denk dat deze foto een oude foto van de schutter is."

- een proces-verbaal van een verhoor van een anonieme getuige door [verbalisant 2], Rechter-Commissaris bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 19 september 2002 onder meer inhoudende:

"De schutter heb ik een of tweemaal eerder gezien. Als ik met hem geconfronteerd zou worden, zou ik hem zeker herkennen. U toont mij een fotoset. Ik denk dat het foto nummer vijf is maar daar ben ik niet honderd procent zeker van. Toen de foto's mij de eerste keer zijn getoond heb ik hem niet meteen herkend. Ik heb toen later met de politie gebeld om te zeggen dat het volgens mij foto nummer vijf is. De foto is echter al acht jaar oud. Als ik het moet schatten zou ik zeggen dat ik zestig proces zeker ben."

- een proces-verbaal van een verhoor van een anonieme getuige door [verbalisant 2], Rechter-Commissaris bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 18 oktober 2002 onder meer inhoudende:

"In mijn vorige verklaring heb ik gezegd dat ik de schutter voor 60% zeker van een foto die u mij heeft getoond heb herkend. Het was een oude foto en ik was niet helemaal zeker.

U toont mij nu een andere fotoset. Ik herken de schutter voor 100% zeker van foto nummer 5. Ik weet niet hoe de man op foto nummer 5 heet. Ik heb hem verder ook nooit gezien."

(ii) en de bewijsmiddelen:

"4. Een proces-verbaal van verhoor, door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 10 mei 2005, van de getuige [getuige 1] voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Ik heb eerder, in september en oktober 2002, anonieme verklaringen afgelegd en zal nu op eigen naam verklaren. Ik ben getuige geweest van de moord op [het slachtoffer] op de Rooseveltweg ter hoogte van de Alves Supermarket. Ik liep op die bewuste dag richting mijn zaak vanaf een restaurant aan de Rooseveltweg nabij de Alves Supermarket. Ik merkte dat een witte pick-up op de Rooseveltweg reed richting Hato. Ik wachtte tot de pick-up en de auto's die daarachter reden voorbij waren zodat ik kon oversteken. Ik hoorde schoten en merkte dat een groene Toyota Echo de pick-up voorbij was gereden en dat de persoon die naast de bestuurder zat schoten op de bestuurder van de pick-up aan het lossen was. Ik stond op een afstand van één lantaarnpaal van de pick-up. De auto's bleven naar mij toekomen. Ik heb gemerkt dat er drie personen in de groene Toyota Echo zaten. Ik kon de inzittende die naast de bestuurder zat zien, hij was de schutter. Ik weet zij naam niet, maar ik heb hem in het verleden in Saliña gezien. De Echo reed achter de pick-up. Terwijl de Echo de pick-up voorbij reed was de mede-inzittende van de Echo aan het schieten. Ik denk dat ik ongeveer zes à zeven schoten heb gehoord. Beide auto's waren in beweging. Ik liep toen voor de pick-up op straat en de pick-up kwam op een meter van mij tot stilstand. De Echo reed langzaam langs de pick-up en de personen in de Ehco bleven naar de pick-up kijken om zich van één en ander te vergewissen. Ik stond toen voor de pick-up. Ik liep naar de pick-up en zag dat het de man was die ik kende als [het slachtoffer] was. Hij schreeuwde "Yuda mi, yudami" (help mij, help mij).

Bij mijn verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris op 18 oktober 2002 heb ik de schutter voor 100% herkend op foto nummer 5.

5. Een proces-verbaal van politie nr. 1364 d.d. 20 december 2004, voor zover inhoudende als de op 14 september 2002 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2] - zakelijk weergegeven:

Het was ongeveer 04u00. [Betrokkene 2] zei tegen [betrokkene 3] dat [het slachtoffer] ook vuur op hem had geopend. Op dat moment werd [verdachte] zeer kwaad. Ik hoorde dat hij de volgende woorden uitte: "Mi ta mate awe".

6. Een proces-verbaal van politie nr. 1365 d.d. 20 december 2004, voor zover inhoudende als de op 24 september 2002 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2] - zakelijk weergegeven:

De man die ik op foto nummer 5 heb aangewezen is [verdachte];

en als de opmerking van de verbalisant:

De door de getuige [getuige 2] aangewezen foto bleek van de man genaamd [verdachte], geboren [te geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

7. Eigen waarneming gerecht:

De in de bewijsmiddelen [AM: 4.(3)] en 6. genoemde foto's genummerd 5 zijn identiek."

10. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 1 juni 2006 gehechte pleitnota heeft de verdediging aangevoerd:

"FOTOCONFRONTATIE

(...)

Uit de bij de rechter-commissaris op 19 september 2002 afgelegde verklaring blijkt dat aan de getuige [getuige 1] een fotoset werd getoond. [Verdachte] was in het geheel niet in die fotoset opgenomen.

De getuige dacht dat het om foto nummer 5 ging, maar hij was het er niet 100% zeker want hij geeft verder aan dat toen foto's hem de eerste keer zijn getoond, hij de persoon op foto 5 niet meteen heeft herkend. Hij had toen later met de politie gebeld om te zeggen dat het volgens hem foto nummer 5 is. De getuige had geschat dat hij het 60 % zeker was. In zijn anonieme verklaring van 18 oktober 2002 heeft de getuige wel [verdachte] als de beweerdelijke schutter herkend.

Maar volgens de verdediging is het meer dan duidelijk dat die confrontatie moet worden geacht weinig bewijskracht te hebben. Twee keer eerder, bij de politie en bij de rechtercommissaris, is de getuige geconfronteerd met een set foto's waarop de vermoedelijke dader op nummer 5 stond aangegeven. De ene keer was de fot[o] van [verdachte] er niet bij. De andere keer wel.

Ter zitting bij het Hof heeft de getuige [getuige 1] verklaard op pag. 2, 5de zin; De politie zei mij enige tijd later dat ik niet de juiste persoon had aangewezen en dat ze een nieuwe fotoconfrontatie zouden organiseren.

Hier dient men even bij stil te staan, want de taak van de Politie in deze situatie is om aan de getuige een fotoset te tonen opdat de getuige uit vrije wil, en naar geweten de persoon kan aanwijzen die de vermoedelijke dader zou zijn.

Indien de getuige in de aan hem getoonde fotoset iemand aanwijst die niet de vermoedelijke dader is welke de Politie in gedachten had, dan dient alles daarbij op te houden met betrekking tot herkenning door die bepaalde getuige.

Hij heeft een persoon herkend uit de fotoset.

Het kan nooit zo zijn dat de Politie achteraf deze getuige benaderd en hem mededeelt dat hij niet de juiste persoon heeft aangewezen, en daarna een nieuwe fotoconfrontatie organiseert, waarbij de persoon die de getuige eerst had aangewezen wordt verwisseld door een andere persoon terwijl de fotonummer ongewijzigd blijft. Bovendien blijven de andere foto['s] in de fotoset hetzelfde.

Deze handelingen zijn als te suggestief aan te merken, aangezien de getuige in zekere zin wordt gedirigeerd om die bepaalde foto welke de Politie wenst, aan te wijzen.

In ieder geval wanneer een getuige twee verschillende personen aanwijst dan blijft er altijd een redelijke twijfel bestaan, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of men de juiste persoon heeft.

Bijkomende feiten en omstandigheden zou dan steunend enige opheldering teweeg kunnen brengen.

De getuige heeft voorts terzitting verklaard dat toen hij [verdachte] in Bon Futuro voor het eerst heeft gezien, hij er niet zeker ervan was dat [verdachte] de dader betrof.

Nu verklaarde de getuige dat de voorhoofd van [verdachte] niet op de dader leek aangezien het haardos van [verdachte] verder van zijn voorhoofd naar zijn achterhoofd ter hoogte van zijn middenhoofd begon dan die van de dader. De dader had meer haren aan de voorhoofd. Dit is een onmiskenbare teken dat het een ander persoon betreft die het onderhavig strafbaar feit heeft begaan.

Bovendien heeft de getuige [getuige 1] op de vraag van de verdediging waarbij zijn verklaring bij de Politie aan hem werd voorgehouden bij de passage waar hij verklaarde dat de schutter een wat lichte huidskleur had, of de huidskleur waar hij naar refereerde klopte met de huidskleur van [verdachte], geantwoord dat [verdachte]'s huidskleur donkerder is.

In ieder geval met betrekking tot de signalementen kan worden vastgesteld dat [verdachte] niet de dader was, althans dat er voldoende redelijke twijfel bestaan dat [verdachte] de dader kon zijn geweest."

11. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Aanvullende bewijsoverweging

Door de verdediging is gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] onvoldoende bewijskracht hebben, onder meer omdat deze aanvankelijk heeft verklaard dat de schutter een man van lichte huidskleur was, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat de zich in de zaal bevindende verdachte naar zijn mening niet van lichte huidskleur was. Het Hof overweegt dienaangaande het volgende. De getuige heeft ter zitting verklaard zich niet meer te kunnen herinneren dat hij aanvankelijk verklaard heeft dat de schutter van lichte huidskleur zou zijn. In de eerste verklaring die de getuige anoniem bij de politie heeft afgelegd op 19 september 2004 valt inderdaad te lezen dat de schutter een lichte huidskleur had. De getuige heeft echter tijdens dit verhoor bij een fotoconfrontatie een man van donkere huidskleur (te weten de broer van verdachte) aangewezen als iemand die veel lijkt op de schutter. Ook bij een tweede fotoconfrontatie waarbij de fotoset, anders dan de raadsman heeft gesteld, bestond uit andere foto's dan de fotoset die bij de eerdere fotoconfrontatie werd gebruikt, heeft de getuige een man van donkere huidskleur aangewezen, te weten verdachte. Het Hof acht de verklaring van de getuige [getuige 1] daarom wel geloofwaardig.

Aanvullende overweging naar aanleiding van het verweer betreffende het proces-verbaal

De raadsman heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2006 in een aantal opzichten niet volledig is. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt, na overleg met de griffier van die zitting en raadpleging van diens aantekeningen.

Over de huidskleur van de verdachte heeft de getuige [getuige 1] verklaard, zoals in het proces-verbaal vermeld, dat hij de verdachte niet licht van kleur vindt. De gestelde verklaring dat de huidskleur van de verdachte donkerder was dan die van de dader, komt niet in de griffiersaantekeningen voor en het Hof en de griffier herinneren zich die niet, zodat het Hof ervan uitgaat dat de getuige dat niet heeft verklaard.

De raadsman wijst er terecht op dat de getuige heeft verklaard, dat hij toen hij de verdachte in de gevangenis zag en hij merkte dat hij niet zeker was dat die de dader was, contact heeft opgenomen met de officier van justitie om daarover een verklaring af te leggen, maar dat de officier van justitie heeft gezegd dat dit niet nodig was.

Het Hof volgt de raadsman ook in zijn opmerking dat de getuige tijdens de terechtzitting van 14 februari 2006 in plaats van over de haarlengte van de verdachte over diens haargrens sprak.

De opmerkingen van de raadsman over het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 februari 2006 brengen het Hof echter niet tot een andere waardering van het bewijs."

12. De steller van het middel wil betogen dat hetgeen de verdediging over de fotoconfrontaties heeft aangevoerd, zou moeten worden opgevat als een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs maar dat het Hof kennelijk naar aanleiding van het verweer slechts is ingegaan op de geloofwaardigheid van de getuige [getuige 1].

13. Art. 413 SvNA houdt in dat ook normschendingen tijdens het voorbereidend onderzoek die niet meer hersteld kunnen worden, zonder gevolgen blijven tenzij toepassing wordt gegeven aan:

5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:

(...)

b. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;

(...).

waaromtrent het artikel verder inhoudt:

7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van de verwijtbaarheid van degene die de norm schond.

14. De steller van het middel gaat er kennelijk van uit dat een op die bepaling gegrond en voldoende gemotiveerd verweer is gevoerd. Die opvatting mist feitelijke grondslag omdat in hetgeen is aangevoerd zoals hiervoor onder nummer 10. weergegeven, niet duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren vermeld in meergenoemde bepaling (lid 7) is aangegeven tot welk rechtsgevolg (vgl. lid 5 onder b) het vermeende verzuim zou dienen te leiden.(4)

De uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter en kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(5) De verdediging heeft aangevoerd dat de onderhavige confrontatie weinig bewijskracht heeft, dat de getuige door een te suggestieve gang van zaken bij de fotoconfrontaties min of meer "gedirigeerd" is en dat in ieder geval, wanneer een getuige twee verschillende personen aanwijst, er altijd een redelijke twijfel blijft bestaan waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of men de juiste persoon heeft. De uitleg van het Hof dat hiermee de geloofwaardigheid van de getuige [getuige 1] ter discussie wordt gesteld is niet onbegrijpelijk.(6)

Ten overvloede merk ik op dat in de overwegingen van het Hof de motivering van de verwerping van een beroep op de onrechtmatigheid van de bewijsvergaring door middel van de fotoconfrontaties besloten ligt. Het verweer stelde immers dat de getuige gedirigeerd zou zijn doordat hem, na de eerste fotoconfrontatie waarbij de getuige de verkeerde foto zou hebben aangewezen, een tweede set foto's zou zijn getoond die, behoudens dat daarin de foto van verdachte deel van uitmaakte, identiek zou zijn aan de set foto's die eerder was getoond. Het Hof heeft evenwel vastgesteld dat bij de tweede fotoconfrontatie aan de getuige andere foto's zijn getoond dan bij de eerste.

Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt dat de in het tweede middel bedoelde bewijsoverwegingen niet begrijpelijk zijn.

16. Onder nummer 11. zijn de bewijsoverwegingen weergegeven waarin het Hof een verweer heeft verworpen dat de getuige [getuige 1], die de schutter van een foto van de verdachte heeft herkend, niet geloofwaardig is.

17. De steller van het middel doet een beroep op overwegingen waarbij het Hof met de raadsman wil aannemen dat de Officier van Justitie het niet nodig vond om de getuige, die bij het zien van de verdachte in de gevangenis kennelijk begon te twijfelen, opnieuw te horen en dat de getuige op de terechtzitting ook iets over de haargrens van de verdachte heeft opgemerkt.

Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering.(7)

Zo'n bijzonder geval doet zich hier niet voor. Door te overwegen dat het Hof niet tot een andere waardering van het bewijs komt, heeft het kennelijk slechts uit een oogpunt van volledigheid tot uitdrukking gebracht dat het Hof ook deze omstandigheden bij zijn oordeel heeft betrokken en terzijde gesteld. Dat de omstandigheden worden genoemd is derhalve, anders dan het middel wil, op zichzelf niet onbegrijpelijk. Bovendien heeft het Hof ter terechtzitting van 14 februari 2006 zelf de gelegenheid gehad zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1]. [Getuige 1] heeft toen verklaard dat als hij op 18 oktober 2002 tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de schutter voor 100 % zeker van foto 5 herkent, dat inderdaad waar was.

18. Het middel refereert verder aan "stukken van het geding" en "hetgeen door het hof is vastgesteld" waaruit "een rechtstreeks en ernstig vermoeden" rijst "dat de getuige [getuige 1] er niet zeker van is de juiste persoon te hebben aangewezen", welk vermoeden door de bewijsoverwegingen niet wordt weggenomen.

Ik wijs erop dat het verweer onderbouwd is met feitelijke stellingen inhoudende dat de tweede fotoset nog uit dezelfde foto's bestond - een foto van de verdachte had op nummer 5 de plaats ingenomen van een foto van diens broer - en dat de getuige op de zitting over de huidskleur van de verdachte heeft verklaard dat die donkerder is dan die van de schutter. Het Hof heeft vastgesteld dat de tweede fotoset geheel uit andere foto's bestond en de getuige op de terechtzitting niet heeft verklaard dat de verdachte donkerder van huidskleur was en hij bovendien op die foto's een man van donkere huidskleur heeft aangewezen. Daarmee is kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden en dat het hof, anders dan het middel wil zonder tot nadere redengeving verplicht te zijn, het verweer heeft verworpen op een grond die de verwerping kan dragen.(8) Dat oordeel kan in cassatie niet verder op zijn juistheid worden onderzocht. Tenslotte heeft de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij bij de rechter-commissaris de schutter van foto 5 heeft herkend.

19. De middelen falen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 HR 9 november 1971, NJ 1972, 42; HR 24 juni 1975, NJ 1976, 38 en HR 12 april 1983, NJ 1983, 602.

2 Mr. De Haan behoorde tevens tot het rechterlijk college dat het vonnis heeft gewezen.

3 De verwijzing naar bewijsmiddel 5. - waarin geen foto nummer 5. wordt genoemd - is een kennelijke verschrijving.

4 HR 5 april 2005, LJN AS8856 en HR 23 maart 2004, NJ 2004, 476 (m.nt. YB) rov. 3.7 voor wat betreft art. 359a Sv, de Nederlandse pendant van art. 413 SvNA.

5 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer, vijfde druk, 2004, p. 174.

6 Zie bijv. HR 28 februari 2006, LJN AU9426.

7 Zie bijv. HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 m.nt. 'tH rov. 4.4 en HR 10 september 2002, NJ 2002, 474 rov. 3.4.1.

8 Zie bijv. HR 23 november 1971, NJ 1972, 236; HR 28 februari 1984, NJ 1985, 449 m.nt. ThWvV rov. 6.5; HR 3 juli 2001, LJN ZD1856