Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1528

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
R06/176HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2007-04-27
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-04-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 304
RvdW 2007, 465
NJB 2007, 1072
JWB 2007/164

Conclusie

R06/176HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 16 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

In deze WSNP-zaak is toelating tot de schuldsaneringsregeling geweigerd. Het cassatiemiddel stelt de problematiek van de (gewezen) drugsverslaafde aan de orde.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: de schuldenaar) heeft de rechtbank te Breda verzocht ten aanzien van hem de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Bij vonnis van 19 juni 2006 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

1.2. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest (art. 288, lid 2 onder b, Fw). Het betreft met name de schulden bij drie telecombedrijven en de schade als gevolg van de aansprakelijkheid van de schuldenaar voor een door hem met een onverzekerd motorrijtuig veroorzaakt verkeersongeval. Daarnaast was de rechtbank niet ervan overtuigd dat de schuldenaar de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen (art. 288, lid 1 onder b, Fw). De rechtbank overwoog in dit verband dat de schuldenaar zijn drugsgebruik moet stoppen alvorens hij tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten. Volgens de rechtbank heeft de schuldenaar aangegeven dat hij rookt naar gelang hij geld heeft om wiet te kopen. Het geld dat de schuldenaar nu aan drugs besteedt dient volgens de rechtbank te worden aangewend om schulden af te lossen(1).

1.3. De schuldenaar heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 4 december 2006 heeft het hof het beroepen vonnis bekrachtigd.

1.4. Namens de schuldenaar is - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Blijkens rov. 4.3.1 is het hof (i) van oordeel dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest en (ii) niet ervan overtuigd dat de schuldenaar de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Het hof heeft in rov. 4.2.1 melding gemaakt van de stelling van de schuldenaar dat hij in het verleden verslaafd is geweest aan het gebruik van hard drugs en inmiddels al weer vier jaar clean is. Wel gebruikt hij nog soft drugs, maar hij is druk bezig om ook van deze verslaving af te komen.

2.2. Middel 1 is gericht tegen het oordeel dat schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof heeft hieromtrent overwogen:

"Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is het hof gebleken dat de schulden die [lees: de schuldenaar] heeft gemaakt niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het feit de schulden aan de netwerkaanbieders minstens vier jaar geleden zijn ontstaan, in de periode dat hij verslaafd was, doet aan het voorgaande niets af. Het hof tilt zwaar aan frauduleus handelen. Voorts overweegt het hof ten aanzien van het onverzekerd rijden en de hem opgelegde taakstraf terzake een geweldsdelict dat veroordeling wegens het plegen van strafbare feiten binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling onverenigbaar is met die regeling".

2.3. Het middel klaagt dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd: van algemene bekendheid is toch dat verslaafden aan hard drugs werkelijk alles doen om aan geld te komen. Daarbij is in de regel sprake van een situatie waarin de betrokkene door zijn verslaving patiënt is geworden en genezing alleen kan plaatsvinden met hulp van professionele hulpverleners en opname in klinieken. In die zin mag aan de schuldenaar niet zo'n hard verwijt worden gemaakt als het hof hier heeft gedaan. Ter toelichting vermeldt het middel dat de schuldenaar, om aan geld te komen, bij verscheidene telecombedrijven telefoonabonnementen heeft afgesloten, waarna hij een mobiele telefoon kreeg, die hij dan doorverkocht.

2.4. In de feitelijke instanties is niet aangevoerd dat het frauduleus handelen de schuldenaar niet zou kunnen worden toegerekend wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het hof heeft ervan mogen uitgaan dat betrokkene in staat was zijn wil te bepalen. De vraag is slechts, welke gevolgen het hof hieraan mocht verbinden.

2.5. Het gaat in art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw om een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze facultatieve afwijzingsgrond waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, gaat het blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet om de goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke(3).

2.6. Zelfs met deze indicaties blijft de maatstaf van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw nog steeds een open norm. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in een recent onderzoek bij zes rechtbanken is geconstateerd dat de percentages waarin personen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling per rechtbank uiteenlopen(4). Rechters belast met de behandeling van faillissements- en schuldsaneringszaken (ReCoFa) hebben Richtlijnen voor schuldsaneringen opgesteld, die per 1 oktober 2005 van kracht zijn geworden(5). Deze richtlijnen - waarvan in individuele gevallen steeds kan worden afgeweken: alle omstandigheden van het geval worden meegewogen - bevatten in punt 4 verscheidene aanbevelingen die ook voor deze zaak van belang zijn:

"a. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Van een dergelijke situatie kan onder meer sprake zijn indien:

- schulden zijn aangegaan terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker(s) redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;

- recent nieuwe schulden zijn aangegaan van substantiële aard;

- recente schulden voortvloeien uit een verslaving aan bijvoorbeeld gokken, alcohol en/of drugs;

(...)

c. Uitgangspunt bij de toelating van schuldenaren met verslavingsproblemen is dat de verslaving al enige tijd "onder controle" dient te zijn. Dat wil zeggen dat verzoeker al enige tijd geen drugs/alcohol meer gebruikt (...). Gedacht kan worden aan een periode van één jaar. De duur van deze periode is onder meer afhankelijk van de ernst en de duur van de verslaving. Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener/hulpverlenende instantie.

(...)".

2.7. De discussie over de vraag of (gewezen) verslaafden kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling heeft een impuls gekregen door het debat in de Tweede Kamer. Zoals bekend heeft de WSNP onbedoeld een verschuiving teweeg gebracht van de minnelijke schuldhulpverlening naar het wettelijke schuldsaneringstraject, hetgeen tot gevolg had dat de gerechten werden geconfronteerd met een zeer grote toestroom van schuldsaneringszaken en met (wat ik maar kort zal aanduiden als:) de maatschappelijke armoedeproblematiek. In wetsvoorstel 29 942 is getracht de eisen voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling aan te scherpen; daartoe zal ook art. 288 Fw worden gewijzigd. Bij de behandeling van dit voorstel van wet is, vanuit bezorgdheid dat als gevolg van het aanscherpen van de toelatingseisen groepen `buiten de boot' zullen vallen, een amendement voorgesteld. Dit amendent was gericht op gevallen waarin het ontstaan of onbetaald laten van schulden zijn oorzaak vindt in psychosociale of verslavingsproblematiek en de schuldenaar in verband daarmee gebruik maakt van relevante hulpverlening om de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling te waarborgen(6).

2.8. Naar aanleiding van het debat in de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie een brief aan de Kamer gezonden, waarin onder meer aandacht is besteed aan psychosociale en verslavingsproblemen bij de toelating tot en de voortzetting van schuldsaneringsregelingen. In verband hiermee is bij nota van wijziging een nieuw derde lid in art. 288 Fw voorgesteld, luidende:

"Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder b, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen."(7)

Het aldus gewijzigde wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen en inmiddels in behandeling bij de Eerste Kamer.

2.9. Het hof was, vanzelfsprekend, niet verplicht te anticiperen op een wetsvoorstel waarvan de parlementaire behandeling nog niet is voltooid. Evenmin is het hof gebonden aan de richtlijnen 2005 van de ReCoFa. Niettemin geven zowel dit Tweede Kamerdebat als deze richtlijnen sterke indicaties omtrent de huidige gangbare rechtsopvattingen over dit onderwerp. Tegen deze achtergrond kon het hof m.i. niet volstaan met de enkele overweging dat het hof `zwaar tilt' aan het frauduleus handelen van de schuldenaar ten opzichte van de telecombedrijven bij het afsluiten van de abonnementen. Nu deze grond de afwijzing m.i. niet kan dragen, dient te worden onderzocht of het arrest stand houdt op de overige daarin genoemde gronden.

2.10. Ten aanzien van het onverzekerd rijden en de opgelegde taakstraf ter zake van een geweldsdelict, heeft het hof overwogen dat een veroordeling wegens het plegen van strafbare feiten binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling onverenigbaar is met die regeling. De huidige wet zegt hierover niets. Met de term `onverenigbaar' doelt het hof wellicht op de `oude' ReCoFa-aanbevelingen(8), waarin - voor zover hier van belang - was opgenomen:

"4.2. Niet te goeder trouw ontstaan zijn in elk geval de schulden uit misdrijf, waaronder met name zijn te noemen de ontnemingsvorderingen, sociale zekerheids- en belastingfraudes alsmede boetes en schadevergoedingen in verband met misdrijven. Niettemin kan een schuldenaar met succes verzoeken om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, indien zekere tijd is verstreken na ontdekking van dit misdrijf. Uitgangspunt daarbij is een termijn van vijf jaar na ontdekking van het misdrijf. Dit sluit ook aan bij de wettelijke verjaringstermijnen van de artikelen 3:309 en 3:310 BW. In uitzonderlijke situaties zal de termijn (veel) korter of (veel) langer kunnen zijn."

De termijn van vijf jaar keert terug in de Richtlijnen voor schuldsaneringen 2005 en, in een andere vorm, in het wetsvoorstel 29 942.

2.11. In de bij het inleidend verzoekschrift gevoegde Verklaring Schuldsanering (blz. 12) is een schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer genoemd van € 2.615,02. Deze schuld zou zijn ontstaan door een ongeval waarbij de schuldenaar onverzekerd reed. Het gaat kennelijk om een schuld op grond van het verhaalsrecht van art. 27 WAM. Het onverzekerd rijden is geen misdrijf, maar een overtreding (zie art. 30 en 36 WAM). Wat nu precies het misdrijf is dat met toelating tot de schuldsaneringsregeling onverenigbaar is, blijkt uit de motivering van het arrest niet. De taakstraf kan hoogstens van belang zijn voor zover betrokkene gedurende het uitvoeren van die straf niet in staat is geweest inkomsten te verwerven waarmee de schulden (gedeeltelijk) kunnen worden afgelost(9). Met de goede trouw ten aanzien van het onstaan van schulden heeft de taakstraf niets van doen. Hieruit volgt dat de motiveringsklacht aan het slot van middel 1 eveneens slaagt.

2.12. Middel 2 is gericht tegen het oordeel dat gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Het hof heeft dit oordeel gebaseerd op de volgende omstandigheden: (a) de schuldenaar erkent dat nog steeds sprake is van het gebruik van soft drugs; (b) het hof beschikt niet over enige bescheiden van bijvoorbeeld Kentron(10), waaruit concreet blijkt dat betrokkene op de goede weg is in verband met zijn eerdere harddrugsverslaving en huidige softdrugverslaving; (c) hoewel het als positief wordt beschouwd dat de schuldenaar zicht heeft op een baan en voornemens is zijn huidige softdrugverslaving te overwinnen, acht het hof de situatie onvoldoende bestendig om de schuldenaar te kunnen laten deelnemen aan de schuldsaneringsregeling.

2.13. Het middel klaagt dat het hof wel de beschikking had over andere bescheiden (dan een verklaring van Kentron), waaruit volgens het middel `zonneklaar' blijkt dat de schuldenaar op een `geweldige' manier bezig is zijn leven weer op het goede spoor te krijgen en dat hij, afgekickt van zijn hard-drugsverslaving, bezig is met behulp van het Bureau Schuldhulpverlening van de gemeente en reïntegratiebureau Job Fellows(11) orde op zaken te stellen. Uit de in appel overgelegde brieven van de gemeente en Traverse(12) zou dit ook blijken. Tegen deze achtergrond noemt het middel onbegrijpelijk waarop het oordeel van het hof berust dat de situatie onvoldoende bestendig om de schuldenaar te kunnen toelaten tot de schuldsaneringsregeling.

2.14. Het hof heeft zijn oordeel op dit punt m.i. naar behoren met redenen omkleed. Over inconsistentie van de motivering wordt niet geklaagd. Toepassing van de schuldsaneringsregeling stelt betrekkelijk hoge eisen aan een schuldenaar ten aanzien van de praktische mogelijkheden en zijn bereidheid om gedurende het tijdvak van de schuldsaneringsregeling zijn uitgaven te beperken en te trachten zoveel mogelijk inkomsten uit arbeid te verwerven waarmee de schulden (gedeeltelijk) kunnen worden afgelost. Blijkens de motivering is het hof van oordeel dat de schuldenaar deze verplichtingen op dit moment nog niet aan kan. Het hof ziet op termijn blijkbaar wel mogelijkheden, omdat het hof in rov. 4.3.2 heeft toegevoegd dat het hof aanneemt dat de schuldenaar de intentie heeft de ontstane schulden en problemen op een goede manier op te lossen en zelfs uitdrukkelijk erop wijst dat de schuldenaar na verloop van tijd een hernieuwd verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal kunnen doen. Aangezien het door de schuldenaar gevolgde reïntegratietraject nog maar pril was(13), is de voorzichtige opstelling van het hof niet onbegrijpelijk. Om dezelfde reden is niet onbegrijpelijk dat het hof niet meer nadrukkelijk is ingegaan op de aan het slot van middel 2 genoemde jurisprudentie en annotatie(14).

2.15. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de weigering zelfstandig wordt gedragen door de tweede grond waarop het arrest berust. Een eventuele gegrondbevinding van middel 1 kan om deze reden niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Het hof (rov. 4.1.1) heeft hierin ook als het oordeel van de rechtbank gelezen, dat gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen.

2 Binnen acht dagen; zie art. 292 lid 4 Fw.

3 Vaste rechtspraak; zie onder meer: HR 24 december 2004, NJ 2005, 129, waaraan dit citaat is ontleend; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178; HR 27 oktober 2006, NJ 2006, 586.

4 M. von Bergh, W. Keukens, R. Vriesendorp en H. Moors, Monitor WSNP, tweede meting, 2006 (Bijlage bij brief van de minister van Justitie, Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 72), blz. 11 e.v. Zoals ook in dat rapport tot uitdrukking komt, kan het percentage toelatingen verschillen door de mate waarin de advocatuur of schuldbemiddelingsbureau's een voorselectie toepassen vóórdat een verzoek bij de rechtbank wordt ingediend.

5 Deze richtlijnen zijn te raadplegen via www.rechtspraak.nl onder Landelijke regelingen.

6 Kamerstukken II 2006/07, 29 942, nr. 13 (amendement Noorman-den Uyl en Huizinga-Heringa).

7 Kamerstukken II 2006/07, 29 942, nrs. 23 en 24.

8 T & C Faillissementswet, editie 2002, blz. 483 e.v.

9 In die zin is deze omstandigheid in eerste aanleg besproken; zie de beschikking in eerste aanleg, blz. 2.

10 Kentron is de hulpverleningsinstelling waartoe de schuldenaar zich had gewend, blijkens zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg.

11 In hoger beroep was een verklaring van een reïntegratiecoach van dit bureau overgelegd, omtrent een op 14 augustus 2006 door de schuldenaar gestart reïntegratietraject.

12 In hoger beroep was een verklaring van een medewerker van Traverse, Stichting Maatschappelijke opvang Midden-Brabant, overgelegd over het verblijf van de schuldenaar aldaar in de periode 6 mei 2004 tot 9 mei 2005.

13 Blijkens de verklaringen ter zitting en de brief van Job Fellows is de schuldenaar begonnen op 14 augustus 2006, dus ná de beschikking in eerste aanleg en enkele weken voor de mondelinge behandeling in hoger beroep.

14 De toelichting op de klacht verwijst naar: Hof Amsterdam 18 januari 2000, NJKort 2000, 23; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS en de conclusie van de A-G Verkade voor HR 13 februari 2004, LJN: AO1334 (art. 81 RO).