Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA1523

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
C06/074HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA1523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbitragerecht. Vernietiging van een arbitraal kortgedingvonnis op de voet van art. 1065 lid 1, onder a, Rv. wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1065
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 357
RvdW 2007, 507
NJB 2007, 1253
JWB 2007/186
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/074HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 23 maart 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland B.A.

In deze zaak strijden partijen over de vraag of een arbitraal kort gedingvonnis dient te worden vernietigd op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid 1 onder a Rv.).

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], is sinds 1964 lid van de coöperatie Bloemenveiling Naaldwijk, een van de rechtsvoorgangsters van verweerster in cassatie, FloraHolland.

In 1964 is bepaald dat alleen zij die voor eigen rekening en risico sierteeltgewassen telen, lid van Bloemenveiling Naaldwijk mogen zijn. [Eiser] behoort niet (meer) tot die groep, omdat hij, in ieder geval vanaf zeker moment, alleen (nog) handelt in dergelijke gewassen, maar hij bleef lid van Bloemenveiling Naaldwijk.

1.2 [Eiser] had daarnaast een zogenaamd contract 'zenderschap' met de coöperatie Bloemenveiling Bleiswijk gesloten, omdat hij niet lid van twee veilingen kon zijn. Op basis van dat contract kon hij tevens producten bij die veiling aanvoeren.

1.3 In 1992 zijn de Bloemenveiling Naaldwijk en de Bloemenveiling Bleiswijk gefuseerd tot de coöperatie Bloemenveiling Holland (BVH), de oorspronkelijke wederpartij van [eiser] in dit geding, die na een volgende fusie thans is genaamd FloraHolland.

1.4 De uit het lidmaatschap van BVH voortvloeiende rechten en plichten zijn onder meer beschreven in de statuten Coöperatieve Bloemenveiling Holland B.A. (hierna: de statuten) en in het veilingreglement.

De statuten bepalen, voorzover thans van belang, het volgende:

"Artikel 36

1. Geschillen tussen een lid en de coöperatie uit hoofde van het Veilingreglement of andere reglementen als bedoeld in het vorige artikel worden onderworpen aan organen die in die reglementen daarvoor worden aangewezen, die daarover in hoogste instantie beslissen (...).

2. Alle overige geschillen tussen een lid en de coöperatie en die waarvoor ten aanzien van de beslechting in de vorige zin genoemde reglementen niet wordt voorzien, zijn met uitsluiting van de burgerlijke rechter onderworpen aan arbitrage, spoedarbitrage of arbitrage in kort geding overeenkomstig het Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut. (...)"

1.5 Tussen [eiser] en BVH is een geschil gerezen over de vraag of [eiser] bij de veiling te Bleiswijk sierteeltgewassen mag aanvoeren onder zijn lidmaatschapsnummer (standpunt [eiser]) of alleen als contractzender (standpunt BVH). Het eerste is gunstiger voor [eiser]. Deze vraag is onderwerp van geschil geweest in een door [eiser] geëntameerde arbitrageprocedure, hierna: de arbitrale bodemprocedure. De arbiter heeft bij arbitraal vonnis van 29 december 1999(2) [eiser] in het gelijk gesteld en voor recht verklaard dat aan [eiser] alle rechten, verbonden aan het lidmaatschap van Bloemenveiling Holland toekomen, waaronder het recht om op beide veilpunten onder zijn lidmaatschapsnummer sierteeltproducten aan te voeren op de voor de leden geldende voorwaarden.

1.6 BVH heeft in de procedure met rolnummer HA ZA 00-966 voor de rechtbank Rotterdam vernietiging van dit arbitraal bodemvonnis(3) gevorderd wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage. Bij vonnis van 5 december 2002 heeft de rechtbank deze vordering afgewezen met als motivering dat het in de arbitrale bodemprocedure gerezen geschil een geschil betreft als bedoeld in art. 36 lid 2 van de statuten(4).

1.7 Na het arbitrale bodemvonnis van 29 december 1999 werden de producten die [eiser] op het veilpunt Bleiswijk aanvoert en die niet op de zogenaamde groene lijst staan, niet gelijktijdig geveild met de producten van de andere leden maar nadat de veiling van de producten van die leden is afgelopen.

[Eiser] heeft tegen deze gang van zaken bezwaar gemaakt en een arbitraal kort geding aanhangig gemaakt, waarin hij heeft gesteld dat BVH in strijd handelt met het arbitrale vonnis van 29 december 1999 en heeft gevorderd dat BVH wordt veroordeeld tot het laten meeloten van [eiser] op het veilcentrum Bleiswijk met de andere leden, op straffe van een dwangsom.

1.8 Bij brief van 20 maart 2000 heeft de raadsman van BVH aan [eiser] het volgende bericht(5):

"Namens de directie van de Bloemenveiling Holland wend ik mij tot u terzake van het navolgende.

Ingevolge artikel 6, 7 en 17 van het Veilingreglement stelt de Directie van de Bloemenveiling Holland vast, in welke volgorde de aangevoerde producten zullen worden geveild, terwijl de Directie voorts bevoegd is voorschriften uit te vaardigen inzake het aanbod van producten. Bij besluit van 31 januari 2000 heeft de Directie besloten dat ook voor het geval mocht blijken dat u lid bent voor het veilcentrum Bleiswijk de door u aangevoerde producten, die u niet zelf geteeld hebt, doch hebt aangekocht en die niet vermeld zijn op de voor de betreffende periode vastgestelde groene lijst, geveild worden direct nadat de producten van de producenten/leden en de producten van de groene lijst zijn geveild. Per productgroep wordt op deze wijze gehandeld. De Directie heeft aan haar besluit de navolgende overwegingen ten grondslag gelegd. Als aanvullend handelaar koopt u - voor zover bekend - enkel planten in op het veilcentrum Naaldwijk. Die planten brengt u later voor de klok in Bleiswijk. De kopers van de producten hebben het recht te weten dat het om overgeveilde producten gaat, dit in verband met de kwaliteit van de producten. Die kwaliteit kan beïnvloed worden door het tijdsverloop tussen aankoop en opnieuw aanbieden. Voorts is de Directie van oordeel dat ongewenste speculatie - ten nadele van producenten/leden - moet worden tegengegaan. De leden - kwekers die zelf een opkweekbedrijf hebben en dus zelf de planten produceren - dienen beschermd te worden tegen het veilen van producten die zij zelf eerder hebben aangeboden en die om speculatieve redenen worden aangeboden en hun producten beconcurreren. De Directie acht het laatste onwenselijk.

(...)

Tegen dit besluit kunt u - desgewenst - ingevolge artikel 93 bezwaren voorbrengen bij het Bestuur van de Bloemenveiling Holland.

(...)"

1.9 Het veilingreglement van BVH luidt, voorzover van belang, als volgt:

"Hoofdstuk 3BEPALINGEN BETREFFENDE AANVOER EN VERKOOP VIA DE VEILINGKLOK

Artikel 6 Aanvoer

1. Teneinde een evenwichtig aanbod van producten op de veilcentra van Bloemenveiling Holland te bewerkstelligen is de Directie van Bloemenveiling Holland bevoegd voorschriften inzake het aanbod van producten bestemd voor die centra uit te vaardigen, een en ander in het kader van aanbodsregulering.

2. Producten kunnen ter verkoop bij Bloemenveiling Holland worden aangevoerd door haar leden en - indien de Directie dit in een bijzonder geval toestaat - door telers van producten die geen lid van Bloemenveiling Holland zijn. De Directie kan ook aan handelaren in producten toestaan producten door Bloemenveiling Holland te doen veilen, met dien verstande dat bepaald kan worden dat de door handelaren aangevoerde producten zullen worden geveild na die, aangevoerd door aanvoerders als in de vorige zin bedoeld.

3. (...)

4. De aanvoerders zijn onderworpen aan alle hun door middel van circulaires, mededelingsborden in het veilingcomplex, het huisorgaan van Bloemenveiling Holland en/of mededelingen op dag- en/of weekstaten bekend gemaakte voorschriften de afzet der producten betreffende, waaronder zodanige welke voor Bloemenveiling Holland bindend zijn, daaronder mede begrepen regelingen, overeenkomsten, voorschriften en voorwaarden betreffende de aanvoer en aanvoertijden, kwaliteitseisen, sortering en verpakking, minimumprijzen, heffingen, emballage en ander verpakkingsmateriaal, de stapelwagens van Bloemenveiling Holland en overige rolcontainers.

Artikel 7

De aanvoerders zullen door de enkele inzending van producten worden geacht, aan Bloemenveiling Holland opdracht te hebben verleend, deze voor hen volgens de daardoor vastgestelde c.q. de aan de Directie het meest doelmatig voorkomende wijze te verkopen. (...)

Artikel 17

De Directie stelt vast, met inachtneming van het veilschema, in welke volgorde de aangevoerde producten zullen worden geveild.

Artikel 93

Indien en voor zover in een bepaald geval door de voorgaande artikelen van dit reglement niet wordt voorzien, of indien in een bijzonder geval een afwijkende bepaling noodzakelijk is, of in geval van geschil over de toepassing van één dezer bepalingen, beslist de Directie. Indien partijen, of één der partijen zich tengevolge van een door de Directie gegeven beslissing bezwaard gevoelen, kunnen zij hun bezwaren tegen deze beslissing voorbrengen bij het Bestuur van Bloemenveiling Holland, dat op deze bezwaren beslist."

1.10 Bij arbitraal kort gedingvonnis van 29 maart 2000 heeft de arbiter de vordering van [eiser] toegewezen.

1.11 BVH heeft daarop [eiser] bij inleidende dagvaarding van 27 april 2000 gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Rotterdam en daarbij gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het arbitrale kort gedingvonnis van 29 maart 2000 zal vernietigen.

BVH heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid 1 onder a Rv.), dat de arbiter zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1 onder c Rv.) en dat het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1 onder d Rv.).

1.12 [Eiser] heeft de vordering van BVH gemotiveerd bestreden.

1.13 Na verdere conclusiewisseling en pleidooi(6) heeft de rechtbank (eveneens) bij vonnis van 5 december 2002 de vordering van BVH tot vernietiging van het arbitrale kort gedingvonnis van 29 maart 2000 toegewezen.

De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de brief van 20 maart 2000 volgt dat de directie van BVH bij besluit van 31 januari 2000 een veilingvolgorde heeft vastgesteld teneinde het aanbod van overgeveilde producten te reguleren, welk besluit was gebaseerd op een haar in de artikelen 6, 7 en 17 van het veilingreglement gegeven bevoegdheid. Het tussen [eiser] en BVH gerezen geschil over dit besluit is derhalve een geschil uit hoofde van het veilingreglement dat ingevolge artikel 36, eerste lid, van de statuten en artikel 93 van het veilingreglement dient te worden voorgelegd aan het bestuur van BVH. Nu artikel 36 tweede lid van de statuten op dit geschil niet van toepassing is, was de arbiter naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening in arbitrage, nu een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbrak.

1.14 [Eiser] is, onder aanvoering van vijf grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Hij heeft daarbij gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, FloraHolland niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering alhans haar deze zal ontzeggen.

1.15 FloraHolland heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

1.16 Nadat partijen op 10 juni 2004 de zaak schriftelijk hebben bepleit, heeft het hof bij arrest van 24 november 2005 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

1.17 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld.

FloraHolland heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd en FloraHolland heeft gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen (klachten), die uiteenvallen in verscheidene subonderdelen.

2.2 Onderdeel 1 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"2.1 De grieven 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In deze grieven komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] een voorlopige voorziening in arbitrage heeft verzocht tegen het besluit van 31 januari 2000, zoals hem meegedeeld bij brief van 20 maart 2000, en dat FloraHolland bij dat, op het Veilingreglement gebaseerde besluit een veilingvolgorde heeft vastgesteld teneinde het aanbod van overgeveilde producten te reguleren. Volgens [eiser] heeft de rechtbank hiermee miskend dat hij geen voorlopige voorziening heeft verzocht tegen het besluit van 31 januari 2000 maar tegen de feitelijke gang van zaken waardoor hij zich als lid ten opzichte van de overige leden voelde achtergesteld. De arbitrageaanvraag in kort geding dateert van 9 maart 2000 terwijl het besluit van 31 januari 2000 hem eerst bij brief van 20 maart 2000 zou zijn meegedeeld. [Eiser] stelt dat hij in kort geding in wezen nakoming van het arbitrale vonnis van 29 december 1999 vorderde. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het geschil een vraag betreft als bedoeld in art. 36 lid 1 van de statuten van FloraHolland, aldus [eiser].

2.2 Voor de vraag of het geschil tussen partijen valt onder de geschillen tussen een lid en de coöperatie als bedoeld in art. 36 lid 1 van de statuten, dan wel onder de overige geschillen genoemd in art. 36 lid 2, is niet zonder meer beslissend de wijze waarop [eiser] het geschil in zijn verzoek aan arbiter heeft geformuleerd. Beslissend is veeleer of het geschil dat hij aan arbiter voorlegt in wezen een geschil is tussen een lid en de coöperatie (FloraHolland) dan wel een geschil als bedoeld in art. 93 van het veilingreglement. Het enkele feit dat, zoals [eiser] aanvoert, het arbitraal verzoek zich slechts richt tegen de feitelijke gang van zaken, sluit dan ook niet uit dat het geschil tussen partijen in wezen een geschil is over de toepassing van de artikelen van het veilingreglement. Evenmin is doorslaggevend dat het arbitrageverzoek is gedaan voordat [eiser], naar hij stelt, kennis droeg van het directiebesluit van 30 januari 2000, omdat art. 93 veilingreglement bepaalt dat "in geval van geschil over de toepassing van één dezer bepalingen" de directie daarover beslist, en de afwezigheid van of de onbekendheid met een bepaald directiebesluit niet uitsluit dat sprake kan zijn van een geschil als bedoeld in art. 93.

2.3 De grieven 1 en 2 falen."

2.3 Subonderdeel 2.1.1 klaagt dat de weergave van grief 2 in rechtsoverweging 2.1 onjuist, onbegrijpelijk, althans onvolledig is, nu daarin een essentieel gedeelte (onder 16 MvG) is weggelaten. Volgens het subonderdeel heeft het hof aldus hetzij een essentiële stelling onbesproken gelaten althans niet in zijn beoordeling betrokken, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, doch in elk geval een onbegrijpelijke althans onvolledige uitleg aan deze grief gegeven.

2.4 Grief 2 wordt in de memorie van grieven onder 15 en 16 nader toegelicht. Onder nr. 16 is het volgende opgenomen:

"Nu [eiser] niet ageerde tegen een besluit, maar tegen de feitelijke gang van zaken waarbij hij ondanks zijn lidmaatschap werd achtergesteld ten aanzien van de overige leden, was sprake van een geschil over het lidmaatschap, hetgeen een geschil is in de zin van artikel 36 lid 2 van de Statuten, ten aanzien waarvan de arbiter wel degelijk bevoegd is."

In rechtsoverweging 2.1 heeft het hof een - aan hem als feitenrechter voorbehouden - adequate samenvatting gegeven van de door [eiser] onder 15 en 16 van zijn memorie van grieven opgenomen toelichting op grief 2, waarbij het hof zelfs de door [eiser] onder 16 gebruikte bewoordingen van "feitelijke gang van zaken" waardoor hij zich als lid "ten opzichte van de overige leden voelde achtergesteld" heeft overgenomen.

De klacht(8) mist derhalve feitelijke grondslag.

2.5 Subonderdeel 2.1.2 betoogt dat de arbiter zijn bevoegdheid terecht heeft beoordeeld aan de hand van de wijze waarop [eiser] het geschil in zijn verzoek aan de arbiter heeft geformuleerd, nu dit de grondslag van zijn verzoek betreft. Daarbij heeft de arbiter de weg van art. 71 lid 3 Rv. gevolgd en bovendien de argumenten van BVH betrokken(9), hetgeen volgens het subonderdeel een volstrekt begrijpelijke beslissing is. Voorts wordt gewezen op (analogische toepassing van) art. 72 Rv. en op rechtspraak waaruit blijkt dat een procedure op de voet van art. 1065 lid 1 onder a Rv. niet mag fungeren als een verkapt hoger beroep en dat de burgerlijke rechter mitsdien uiterste terughoudendheid dient te betrachten bij de beoordeling van de vraag of de arbiter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen(10). Geklaagd wordt dat het hof hetzij een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling op de voet van art. 1065 lid 1 onder a Rv.(11) van een (op tegenspraak gewezen) arbitraal vonnis, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt.

2.6 Art. 1052 Rv. bepaalt in het eerste lid dat het scheidsgerecht gerechtigd is over zijn bevoegdheid te oordelen. Men duidt dit in het buitenland ook wel aan als 'compétence-compétence' of 'Kompetenz-Kompetenz'. Daarmee wordt voorkomen dat een verweerder in het arbitrale geding betwist dat het scheidsgerecht bevoegd is tot kennisneming van het geschil tussen partijen met het oogmerk om de vraag over de competentie van het scheidsgerecht aan de gewone rechter te kunnen voorleggen en aldus het arbitraal geding te kunnen vertragen(12). De beslissing van het scheidsgerecht dat het bevoegd is, is echter een 'voorlopig' oordeel. Uiteindelijk heeft de overheidsrechter ten aanzien van de 'competentie-competentie' het laatste woord. Het gaat dan om gevallen als de onderhavige waarin het scheidsgerecht zich bevoegd heeft geacht en één van partijen zich daarover vervolgens beklaagt bij de overheidsrechter, terwijl die partij niet het recht heeft verwerkt om terzake beklag te doen (art. 1065 lid 1 onder a en lid 2 Rv. in verbinding met art. 1052 lid 2 Rv.)(13).

2.7 Doorslaggevend voor de bevoegdheid van de overheidsrechter is dat het gaat om de vraag of de weg van arbitrage moet worden gevolgd. In zijn arrest van 9 januari 1981, NJ 1981, 203 oordeelde de Hoge Raad dat partijen de vraag of de door de wet geëiste grondslag voor uitschakeling van de rechter aanwezig is, niet aan het oordeel van de rechter kunnen onttrekken:

"Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat pp. aan het oordeel van de door de wet aangewezen rechter onttrekken de vraag of zij arbitrage door een scheidsman dan wel door drie scheidslieden overeengekomen zijn, indien eenmaal vaststaat dat pp. ook dit geschilpunt aan arbitrage hebben willen onderwerpen. Dan is immers gegeven dat de door de wet geëiste grondslag voor uitschakeling van de rechter aanwezig is; slechts beantwoording van de vraag of die grondslag bestaat kunnen pp. niet aan het oordeel van de rechter onttrekken."

2.8 In zijn conclusie vóór dit arrest (onder 5) heeft A-G Franx het volgende opgemerkt:

"(...) Het is de overheidsrechter die oordeelt over "de bevoegdheid" van arbiters. De ratio van deze regel is, dat een partij niet tegen zijn wil kan worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent (art. 170 lid 1 Gw 1972). Dit laatste doet zich voor in het geval dat betrokkene aan arbitrage zou zijn onderworpen zonder dat de voorwaarden van art. 620 Rv zijn vervuld, m.a.w. zonder dat hij het geschil aan de uitspraak van de scheidsmannen heeft onderworpen door middel van een daartoe strekkend contractueel beding. Hierin ligt tevens de begrenzing van de regel dat de gewone rechter altijd bevoegd is te oordelen over vragen die de bevoegdheid van arbiters betreffen. Die regel geldt slechts wanneer art. 170 Gw in het geding is, derhalve: wanneer in geschil is of de weg van arbitrage moet worden gevolgd. (...)"

2.9 Het hiervoor genoemde arrest brengt mee dat nu partijen niet zijn overeengekomen dat ingeval van een geschil over de vraag of art. 36 lid 1 of lid 2 van de statuten van toepassing moet worden geacht, bij uitsluiting de arbiter hierover zal beslissen, een geschil hieromtrent niet is onttrokken aan het oordeel van de burgerlijke rechter(14).

2.10 De vraag óf partijen ter beslechting van een bepaald geschil hebben gekozen voor arbitrage (en in het verlengde daarvan de vraag of de arbiter zich terecht bevoegd heeft verklaard), betreft een wezenlijke vóórvraag. Uit de aard van de beoordeling van een dergelijke vraag volgt dat, anders dan het onderdeel betoogt(15), de burgerlijke rechter hierbij niet marginaal toetst. Er is daarbij niet van een 'verkapt hoger beroep' sprake, maar van een 'definitief' oordeel ten opzichte van het 'voorlopig' oordeel van het scheidsgerecht. Een marginale toetsing door de burgerlijke rechter van de vraag of de arbiter zich terecht bevoegd heeft verklaard, lijkt mij strijdig met het bepaalde in art. 17 Gw en art. 6 EVRM. Pas indien is vastgesteld dat partijen met betrekking tot een bepaald geschil arbitrage zijn overeengekomen, dient de burgerlijke rechter bij de verdere beoordeling uiterste terughoudendheid te betrachten(16).

2.11 Voorts kan nog worden opgemerkt dat het hof wél belang heeft gehecht aan de wijze waarop [eiser] zijn verzoek aan de arbiter heeft geformuleerd, maar daaraan geen doorslaggevende betekenis heeft gehecht. Dit komt mij juist voor. Uitgangspunt is immers dat partijen arbitrage moeten zijn overeengekomen voor een bepaald geschil. Daarmee is niet in overeenstemming dat één partij door de wijze van formulering van het verzoek tot arbitrage zou kunnen bewerkstelligen dat de arbiter bevoegd is.

Onderdeel 1 faalt mitsdien.

2.12 Onderdeel 2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 4.2 en het dictum. Daarin heeft het hof - voorzover thans van belang - als volgt geoordeeld:

"3.1 Het hof zal de grieven 3 en 4 gezamenlijk behandelen. In grief 3 komt [eiser] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de arbiter onbevoegd was van de vordering van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen omdat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbrak. Dit oordeel zou in strijd zijn met het oordeel van de rechtbank in de zaak met rolnummer 00-966, waarin is vastgesteld dat de arbiter terecht heeft beslist dat geen onderscheid mocht worden gemaakt tussen leden, of zij nu alleen teler zijn, dan wel teler en handelaar, dan wel alleen handelaar. Het besluit van 31 januari 2000, op welk besluit het geschil volgens [eiser] geen betrekking heeft, richt zich uitsluitend tot [eiser], het thans nog enige lid (handelaar/niet-teler) van FloraHolland. In grief 4 bestrijdt [eiser] het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bij besluit van 31 januari 2000 vastgestelde veilvolgorde enkel voor hem gold en niet voor andere leden/aanvullend handelaren in een vergelijkbare situatie. Volgens [eiser] had het besluit van 31 januari 2000 als enig doel het maken van onderscheid tussen leden, hetgeen op grond van het arbitrale vonnis van 29 december 1999 niet zou zijn toegestaan.

3.2 Het geschil dat leidde tot het arbitrale vonnis van 29 december 1999 ging over de vraag of [eiser] op het veilpunt Bleiswijk producten mag aanvoeren onder zijn lidmaatschapsnummer of uitsluitend als handelaar (de financiële voorwaarden waaronder geveild wordt zijn voor een lid gunstiger dan voor een contractant). De arbiter heeft in eerstbedoelde zin beslist. Uit het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en de uitspraak van de arbiter in kort geding blijkt dat [eiser] er bezwaar tegen maakte dat hij op de veiling in Bleiswijk niet mocht meeloten met de leden maar zijn producten pas mocht veilen nadat de producten van de leden waren geveild en dat, indien hij op zijn aanvoerbrieven niet de voor handelaren bestemde rode sticker plakte, zijn aanvoer in het geheel niet werd geveild. Aangezien [eiser] niet stelt dat hem op de veiling Bleiswijk niet wordt toegestaan onder zijn lidmaatschapsnummer te veilen, maar slechts dat hij gedwongen wordt zijn producten te veilen nadat de aanvoer van de leden/producenten is geveild, betekent het feit dat de rechtbank de arbiter in de hoofdzaak bevoegd heeft geacht niet dat zij dat ook had moeten doen met de uitspraak van de arbiter in kort geding. Het betreft immers niet hetzelfde geschil. Ook de stelling van [eiser] dat het in kort geding slechts zou gaan om de nakoming van de veroordeling in de arbitrale bodemzaak moet om die reden worden verworpen.

3.3 Het hof is voorts van oordeel dat de rechtbank de arbiter in kort geding terecht onbevoegd heeft geacht. Het geschil in kort geding ging immers niet om de vraag of [eiser] in Bleiswijk onder zijn lidmaatschapsnummer mocht aanvoeren (dat mocht hij kennelijk wel), maar om de vraag of hij tegelijk met de leden/producenten mocht veilen of slechts nadien. Dat geschil heeft betrekking op de volgorde waarin de aangevoerde producten worden geveild. Gelet onder meer op de artt. 6 en 17 veilingreglement is dat een geschil over de toepassing van de bepalingen van het veilingreglement.

3.4 Grief 3 en 4 falen.

4.1 Aangezien grief 5 voortbouwt op de daaraan voorafgaande grieven moet deze hetzelfde lot delen.

(...)"

2.13 Het onderdeel klaagt in al zijn subonderdelen - zakelijk weergegeven - dat het hof een onjuiste en onbegrijpelijk uitleg heeft gegeven aan de gedingstukken behorende tot de arbitrale bodemprocedure(17) en de arbitrale kort gedingprocedure(18). Volgens het onderdeel was de inzet van de arbitrale bodemprocedure niet beperkt tot de vraag of [eiser] producten mag aanvoeren onder zijn lidmaatschapsnummer of (slechts) als handelaar, maar was de inzet juist uitdrukkelijk dat aan [eiser] alle rechten uit het lidmaatschap zouden toekomen. In het arbitrale kort geding heeft [eiser] nakoming gevorderd van het arbitrale bodemvonnis, zodat het oordeel van het hof dat er sprake is van een ander geschil, te weten een geschil dat betrekking heeft op de uitleg van het veilingreglement, onbegrijpelijk is, aldus het onderdeel.

2.14 Vooropgesteld zij dat de uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Dientengevolge kan het oordeel van het hof in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat het dictum van een vonnis, en m.i. ook een arbitraal vonnis, moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid(19).

2.15 In het arbitrale bodemvonnis van 29 december 1999 heeft de arbiter het geschil - voorzover thans van belang - als volgt omschreven (onder 4.1):

"A) [eiser] was voor de fusie per 1 januari 1992 lid van Naaldwijk en contractzender van Bleiswijk.

[Eiser] stelt dat er slechts sprake kan zijn van één soort lidmaatschap en dat hij als lid van BVH ook in Bleiswijk van dat lidmaatschap gebruik mag maken.

BVH stelt dat [eiser] uitsluitend lid is van Naaldwijk en niet van Bleiswijk en dat het haar op grond van artikel 2:59 BW vrijstaat om overeenkomsten met leden te sluiten. Daarnaast kunnen de leden ontheffing van het verbod om op beide veilingen aan te voeren vragen; hiervan hebben vele leden gebruik gemaakt.

B) Er zijn vele leden die onder het lidmaatschapsnummer planten aanvoeren bij beide veilingen.

Als dat zo is, kan [eiser] niet inzien waarom hij dat niet zou mogen.

Daarbij komt nog dat [eiser] als lid vanaf 1995 onder zijn lidnummer bloemen in Bleiswijk aanvoert."

Vervolgens heeft de arbiter de standpunten van partijen als volgt weergegeven (onder 5.1):

"BVH wenst uitsluitend leden die zelf telen, [eiser] wenst een volwaardig lidmaatschap met het recht op beide veilingen als lid te kunnen verkopen."

en geoordeeld (onder 5.4):

"dat [eiser] op grond van de statuten en/of redelijkheid en billijkheid als lid van BVH op beide veilpunten zal kunnen aanvoeren."

Daarop heeft de arbiter - overeenkomstig het verzoek van [eiser] - voor recht verklaard dat aan [eiser] alle rechten, verbonden aan het lidmaatschap van BVH, toekomen waaronder het recht om op beide veilpunten onder zijn lidmaatschapsnummer sierteeltproducten aan te voeren op de voor de leden geldende voorwaarden.

2.16 Het oordeel van het hof dat de arbitrage in de bodemprocedure 'slechts' betrekking had op de vraag of [eiser] op het veilpunt Bleiswijk producten mag aanvoeren onder zijn lidmaatschapsnummer of uitsluitend als handelaar, komt mij in het licht van bovenstaande overwegingen niet onbegrijpelijk voor(20). Van een ongeclausuleerde verklaring voor recht dat [eiser] uit hoofde van het lidmaatschap 'alle' rechten toekomen die andere leden toekomen, is geen sprake. Het dictum heeft dus niet die vérstrekkende reikwijdte die het onderdeel er aan toekent.

2.17 In het arbitrale kort geding heeft [eiser] gevorderd - zakelijk weergegeven - dat BVH op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld om (de aanvoer van) [eiser] op het veilcentrum Bleiswijk mee te laten loten met de andere leden van BVH, gedurende de tijd dat [eiser] lid is van BVH(21). Het door [eiser] aanhangig gemaakte arbitrale kort geding spitste zich dus - ook volgens [eiser](22) - in concreto toe op de veilvolgorde. Het gaat dus niet om een vordering tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit het arbitrale bodemvonnis.

2.18 Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het geschil in de arbitrale bodemprocedure een ander geschil betreft dan het geschil in de arbitrale kort gedingprocedure en dat de arbiter zich in de arbitrale kort gedingprocedure ten onrechte bevoegd heeft geacht nu het geschil in de arbitrale kort gedingprocedure betrekking had op de toepassing van bepalingen van het veilingreglement waarop artikel 93 van het veilingreglement en artikel 36 lid 1 van de statuten van toepassing zijn. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

Onderdeel 2 faalt mitsdien eveneens.

2.19 In onderdeel 3 - gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 4.3 en het dictum - wordt nogmaals(23) uiteengezet dat een procedure tot vernietiging van een arbitraal vonnis slechts mogelijk is op de in art. 1065 Rv. genoemde gronden en dat de burgerlijke rechter die gronden terughoudend moet toetsen. Betoogd wordt dat dit meebrengt dat, temeer daar het debat over de niet-ontvankelijkheid van de arbiter in het arbitrale kort geding reeds uitvoerig aan de orde is geweest, de burgerlijke rechter ook in een geding als het onderhavige met grote terughoudendheid de reeds uitgesproken ontvankelijkheid moet toetsen.

2.20 Voorzover hierin een afzonderlijke klacht dient te worden gelezen, faalt zij op grond van hetgeen ik bij onderdeel 1 heb opgemerkt.

2.21 Voorts wordt in het onderdeel betoogd dat indien een rechter toch toekomt aan de vraag in het kader van art. 1065 lid 1 onder a Rv. welke door de gedaagde partij gehanteerde met elkaar strijdende voorwaarden (statuten versus veilingreglement) van toepassing zijn, het hof de meest gunstige bepaling voor [eiser] als wederpartij/geadresseerde had moeten laten prevaleren. Volgens het onderdeel kan het niet zo zijn dat een partij die over zaken van rechten van het lidmaatschap arbitrage stipuleert, vervolgens over de uitvoering van die rechten een daarmee strijdige regel stipuleert en dan vervolgens mag kiezen welke regel die partij het beste uitkomt. Het hof heeft dit miskend althans geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, aldus het onderdeel.

2.22 Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de bepalingen in de statuten (art. 36 leden 1 en 2) met elkaar in strijd zijn, maar heeft beoordeeld onder welke bepaling het in het arbitrale kort geding aanhangig gemaakte geschil valt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het hof Den Haag van 24 november 2005 onder 1.1 t/m 1.5 in verbinding met het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2002 onder 2.1 t/m 2.7 en 2.9 t/m 2.10.

2 Overgelegd als productie 2 bij de cva.

3 Alsmede van het daaraan voorafgaande vonnis in het bevoegdheidsincident.

4 Dit vonnis is als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegd.

5 Zie het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2002, rov. 2.7 in verbinding met rov. 1.2; de desbetreffende brief heb ik niet aangetroffen in het procesdossier.

6 De pleidooien zijn op 5 april 2002 zowel in de thans in cassatie aanhangige procedure als in de hiervoor onder 1.6 vermelde procedure onder rolnummer HA ZA 00-966 gehouden.

7 De cassatiedagvaarding is op 21 februari 2006 uitgebracht.

8 De in de s.t. opgenomen nadere uitwerking laat ik als te laat aangevoerd onvermeld.

9 Rov. 5.1-5.3 van het arbitrale kort gedingvonnis.

10 In het subonderdeel wordt verwezen naar HR 30 december 1977, NJ 1978, 449; HR 17 januari 2003, NJ 2004, 384 m.nt. HJS en HR 9 januari 2004, NJ 2005, 190. Ik merk op dat deze uitspraken geen betrekking hebben op (het huidige) art. 1065 lid 1 onder a Rv.

11 Per abuis wordt geklaagd over onjuiste toepassing van art. 1056 sub a Rv.

12 Kamerstukken II, 1983-1984, 18 464, nr. 3, p. 22.

13 Zie Kamerstukken II, 1983-1984, 18 464, nr. 3, p. 21; Burgerlijke Rechtsvordering, Snijders, art. 1052, aant. 1 (met verdere verwijzingen); conclusie van A-G Asser vóór HR 27 maart 1992, NJ 1993, 97 m.nt. HJS (onder 2.7).

14 Vgl. HR 28 september 1990, NJ 1991, 230 m.nt. JMBV (m.n. rov. 3.6 en de noot onder 2).

15 Zie ook onderdeel 3. Daarin wordt nogmaals betoogd dat de burgerlijke rechter op grond van art. 1065 lid 1 onder a Rv. slechts met grote terughoudendheid de reeds in het arbitrale kort gedingvonnis uitgesproken ontvankelijkheid dient te toetsen.

16 Vaste rechtspraak. Zie o.m. HR 17 januari 2003, NJ 2004, 384 m.nt. HJS; HR 9 januari 2004, NJ 2005, 190 en HR 22 december 2006, RvdW 2007, 27.

17 Het betreft het inleidend verzoek tot arbitrage (prod. 2 bij conclusie van repliek) en het arbitrale bodemvonnis van 29 december 1999.

18 Het gaat om het verzoek tot arbitrage van 9 maart 2000 (prod. 1 bij conclusie van dupliek) en de uitleg hiervan in de conclusie van dupliek (p. 2 en 3, onder 2) alsmede om het arbitrale kort gedingvonnis van 29 maart 2000.

19 Vgl. o.m. HR 23 januari 1998, NJ 2000, 544 en HR 4 februari 2005, LJN AR6168.

20 Zie ook de feitenvaststelling in rov. 2.4 van het vonnis van de rechtbank van 5 december 2002, waartegen [eiser] geen grief heeft gericht.

21 Zie het verzoek tot arbitrage van 9 maart 2000, p. 3 en het arbitrale kort gedingvonnis onder 2.1.

22 Vgl. de cassatiedagvaarding, p. 14.

23 Zie subonderdeel 2.1.2.