Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA0904

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
R07/001HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. bij onduidelijkheid omtrent het al dan niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden; wettelijke afwijzingsgronden.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 236
NJ 2007, 206
RvdW 2007, 378
NJB 2007, 901
JWB 2007/117
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R07/001HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 15 februari 2007

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

1. Inleiding

1.1. De centrale vraag in deze zaak is of het hof de afwijzing van een verzoek om schuldsanering mocht baseren op de omstandigheid dat de [verzoeker] onvoldoende informatie heeft verschaft om te kunnen beoordelen of hij al of niet te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 lid 2 onder b Fw.

1.2. Deze conclusie wordt tegelijk genomen met die in de zaak met nr. R06/139. Deel 3 ('Wettelijk kader') is in de beide conclusies gelijk.

2. Feiten en procesverloop

2.1. Aan de rov. 2-3 van het thans bestreden arrest kunnen de volgende - in cassatie onbestreden - feiten worden ontleend.

2.2. [Verzoeker] verzoekt sanering van een totale schuldenlast van €2 12.323,03. In deze schuldenlast zijn onder meer begrepen schulden aan de Belastingdienst (€ 50.000), Kreko (€ 25.000), Winterswijk (€ 33.578), Calis (€ 23.957), P-Flex (€ 20.000) en de Postbank (€ 12.000).

2.3. Een deel van de schulden vloeit voort uit de eigen onderneming die [verzoeker] vanaf 18 november 2004 heeft gevoerd. Aan rov. 4 van het thans bestreden arrest kan nog worden ontleend dat het om een restaurant en een eetcafé aan de Scheveningse jachthaven gaat.

2.4. [Verzoeker] heeft geen jaarstukken overgelegd.

2.5. Bij verzoekschrift van 15 september 2006 heeft [verzoeker] de rechtbank Rotterdam verzocht om de schuldsaneringsregeling (eventueel voorlopig) op hem van toepassing te verklaren.

2.6. Bij vonnis van 25 september 2006 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende inzicht had gegeven in de aard en het ontstaan van de schuldenlast, zodat zij niet in staat was te beoordelen of [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. De rechtbank wees in dat verband op het ontbreken van jaarstukken van de onderneming.

2.7. [Verzoeker] is bij verzoekschrift, op 2 oktober binnengekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Hij voerde onder meer aan dat het niet aan hem kan worden toegerekend dat hij de door de rechtbank verlangde stukken niet kon overleggen. Bij het desnoods voorlopig uitspreken van de schuldsanering, zou hij in staat zijn de benodigde gegevens op te eisen bij zijn boekhouder, die deze nu wegens achterstallige betalingen weigert af te geven.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep vond plaats op 19 december 2006.

2.8. In zijn arrest van 22 december 2006 stelde het hof voorop dat bij de goede trouw in de zin van art. 288 lid 2 onder b een gedragsmaatstaf is waaraan de schuldenaar dient te voldoen, bij de beoordeling waarvan de rechter rekening kan houden met alle omstandigheden van het geval (rov. 5). Het hof vervolgde in rov. 6:

'Met inachtneming van evenvermeld criterium is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken en de door [verzoeker] geproduceerde overzichten niet kan worden beoordeeld of hij al dan niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Het crediteurenoverzicht samengesteld door [verzoeker] strookt niet met het overzicht van schulden zoals vermeld in de schuldsaneringsverklaring. Verder heeft het hof de indruk dat [verzoeker] onverantwoord heeft gehandeld door zonder gedegen kennis van zaken en ervaring, een horeca-onderneming te starten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. In de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding te komen tot een ander oordeel.'

2.9. Bij verzoekschrift van 2 januari 2007, diezelfde dag binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft [verzoeker] (tijdig)(1) beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest.

3. Wettelijk kader

3.1. Art. 288 lid 2 Fw geeft de rechter de bevoegdheid om de schuldsaneringsregeling buiten toepassing te laten wanneer de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald blijven van de schulden niet te goeder trouw is (geweest). Met 'goede trouw' wordt gedoeld op een gedragsmaatstaf (zoals in art. 54 Fw), niet op goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid bedoeld in art. 6:2 en 6:248 BW. Bij de toepassing van art. 288 lid 2 Fw kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval.(2) Ook gedragingen van de schuldenaar in de niet (direct) financiële sfeer kunnen relevant zijn.(3) Uit de parlementaire geschiedenis van art. 288 Fw blijkt dat verder onder meer van belang kunnen zijn 'de aard en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.'(4)

3.2. Uit de arresten van 12 mei 2000 (NJ 2000, 567 m.nt. PvS) en 26 januari 2001 (NJ 2001, 178) volgt dat wanneer het ontstaan van de schulden verwijtbaar is, en er in zoverre geen sprake van goede trouw is, een schuldenaar toch tot de schuldsanering kan worden toegelaten. Art. 288 lid 2 Fw bevat immers een facultatieve weigeringsgrond. Wanneer de (aspirant)saniet inmiddels de ontstane schulden zoveel mogelijk probeert af te lossen, kan er reden zijn om ondanks het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden toch de wettelijke schuldsanering toe te passen.(5) De rechter kan bij de toepassing van art. 288 lid 2 onder b Fw rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Met mijn ambtgenoten Strikwerda en Huydecoper meen ik dat hij daar ook rekening mee moet houden.(6) Dat betekent ook weer niet dat de rechter op alle afzonderlijke feiten en stellingen in moet gaan. A-G Huydecoper geeft aan dat er in wezen niet meer geldt dan wat voor rechterlijke beslissingen in het algemeen geldt. Relevante en zeker essentiële stellingen verdienen een gemotiveerde beoordeling, maar als er weinig tot niets is aangevoerd kan de motivering beperkt blijven.(7)

3.3. Het bestaan van de hierboven bedoelde mogelijkheid hangt samen met de ratio van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 Fw. Deze is niet bedoeld als 'straf' voor onverantwoordelijk (financieel) gedrag. Met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen, in die zin dat een debiteur tot de regeling wordt toegelaten bij wie er, gelet op zijn gedragingen in het verleden, ernstig aan getwijfeld kan worden dat hij zich aan zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling zal kunnen houden.(8) Het gaat om een op een prognose gerichte moraliteitstest, niet om een sanctie op een gebrek aan moraliteit.(9)

Bij de toepassing van art. 288 lid 2 Fw is dus ook van belang of de schuldenaar na het ontstaan van de schulden iets heeft ondernomen waaruit blijkt dat hij of zij zoveel mogelijk aan de belangen van de schuldeisers tegemoet wil komen.

3.4. In de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240 (onder 4.8-4.12) is al ingegaan op de plannen om de wettelijke regeling van de schuldsanering aan te passen, waaronder de voorstellen voor art. 288 Fw. Een wetsvoorstel dat met de reeds besproken voornemens correspondeert, is na aanvaarding (met amendementen) op 31 oktober 2006 door de Tweede Kamer, inmiddels in de Eerste Kamer aanhangig.(10)

De facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw wordt volgens dit wetsvoorstel omgezet in een imperatieve weigeringsgrond, in die zin dat een schuldenaar pas tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten indien aannemelijk is dat hij gedurende vijf jaar ten aanzien van het ontstaan van de schulden en van het onbetaald blijven ervan te goeder trouw is geweest. Is er sprake van een schuld die voortspruit uit een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf, dan kan de schuldsanering niet worden uitgesproken. Het bij Tweede nota van wijziging d.d. 20 oktober 2006 ingevoegde nieuwe lid 3 behelst evenwel weer verzachtingen.(11)

3.5. Het huidige art. 288 Fw bevat geen facultatieve of imperatieve weigeringsgrond voor het geval de schuldenaar onvoldoende informatie verschaft. In een arrest van 17 december 2004(12) heeft de Hoge Raad zelfs overwogen dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt om het ontbreken van duidelijkheid (of voldoende gegevens) over de goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de schulden voor rekening van de schuldenaar te laten komen, in die zin dat hij dan op grond van art. 288 lid 2 onder b niet voor schuldsanering in aanmerking komt. De Hoge Raad overwoog:

'3.3. Onderdeel 1 komt op tegen rov. 4.2-4.4 van het hof. Het onderdeel betoogt dat het hof het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen op een grond die de wet niet kent, althans die niet kan worden begrepen onder de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw. Het onderdeel is terecht voorgesteld.

Art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw bepaalt dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft derhalve, door te overwegen dat niet kan worden beoordeeld of B. ten aanzien van het ontstaan van zijn in 4.2 en 4.3 genoemde schulden te goeder trouw is geweest en dat deze onduidelijkheid voor risico van B. behoort te komen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. [...]'

3.6. Lankhorst leidt hieruit af dat de afwijzing van een verzoek om schuldsanering moet zijn gebaseerd op een van de (uitputtend) in art. 288 Fw vermelde gronden. Het geven van onvoldoende informatie valt daar niet onder.(13) Ik aarzel of uit het arrest noodzakelijk volgt dat schuldsanering écht alleen kan worden geweigerd op een der in art. 288 Fw vermelde gronden, en in voorkomend geval niet tevens op een aan het commune (proces-)recht te ontlenen grond. Het oordeel in NJ 2005, 240 kan immers ook inhouden dat de weigeringsgrond van art 288 lid 2 onder b Fw verkeerd is toegepast, in die zin dat weigering op dié grond slechts aan de orde is wanneer aannemelijk is dat de schuldenaar niet te goeder trouw is en niet wanneer onduidelijk is of deze al of niet te goeder trouw is. De eerste (Lankhorsts) interpretatie van het arrest - de wet somt de weigeringsgronden limitatief op - sluit echter het beste aan op het (huidige) stelsel van de wettelijke schuldsanering.(14) Ter toelichting diene het volgende.

3.7. Artikel 287 Fw bevat een expliciete regeling voor het geval de schuldenaar niet de volgens art. 285 Fw vereiste gegevens heeft verschaft aan de rechter. In dat geval kan de rechtbank de schuldsaneringsregeling slechts voorlopig van toepassing verklaren, in welk geval de schuldenaar een termijn van maximaal 21 dagen wordt geboden om die informatie alsnog te verschaffen (art. 287 lid 2 Fw). In art. 287 lid 5 is bepaald dat de definitieve toepassing van de schuldsanering niet wordt uitgesproken als de schuldenaar de informatie niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn verstrekt. Uit art. 350 lid 3 onder c Fw volgt ten slotte dat de (voorlopige) toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden beëindigd, indien de schuldenaar in gebreke blijft met het verschaffen van informatie en aldus zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naleeft. Uit deze bepalingen blijkt dus dat toelating tot de schuldsanering niet 'ab initio' afgewezen dient te worden als de schuldenaar onvoldoende informatie heeft verstrekt.

3.8. Volgens de voorstellen voor de nieuwe schuldsaneringsregeling die nu als gezegd bij de Eerste Kamer voorliggen zal de figuur van de voorlopige toelating tot de schuldsaneringsregeling worden geschrapt. Indien de belangen van de schuldenaar dit noodzakelijk maken (bijvoorbeeld acuut dreigende executiemaatregelen), kan de rechter in plaats daarvan om een voorlopige voorziening worden verzocht. In samenhang hiermee is ook een aanpassing van art. 287 Fw voorzien. Volgens het voorgestelde nieuwe art. 287 lid 2 Fw zal de schuldenaar ten hoogste een maand de tijd krijgen om de voor beoordeling van het verzoek noodzakelijke gegevens alsnog te verschaffen, indien de rechter constateert dat het verzoekschrift niet de volgens art. 285 lid 1 Fw vereiste informatie bevat. Volgens art. 287, lid 2, laatste volzin, zal de schuldenaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien hij ook na dat uitstel de benodigde informatie nog niet heeft verschaft. Volgens de MvT kan na completering van de gegevens een nieuw poging worden gedaan.(15)

3.9. M.i. kan er in het huidige systeem van de wet bezwaarlijk (met anticipatie op w.v. 29942) van uitgegaan worden dat een 'afwijzing' wegens het niet nakomen van een 'initiële' informatieverplichting, uitgelegd zou moeten worden als een niet-ontvankelijkverklaring met een herkansingsmogelijkheid als in het stelsel van w.v. 29942 bedoeld. Daarbij moet bedacht worden dat het nieuwe stelsel de voorlopige toelating niet meer kent, maar het huidige wettelijk stelsel wel. De vrees dat een (aspirant-)saniet daarvan misbruik, althans een te gemakkelijk gebruik zou kunnen maken, laat zich in het huidige stelsel (wellicht nog beter dan in het stelsel als voorzien in w.v. 29942) 'counteren' doordat een voorlopige schuldsanering kan worden beëindigd indien de schuldenaar zich niet aan zijn verplichtingen houdt (art. 350 lid 3 onder c Fw).(16)

3.10. Voorts moet nog bedacht worden dat in het nieuwe systeem, veel meer dan in het huidige, de gedachte is dat de schuldenaar moet aantonen dat hij aan de voorwaarden voor schuldsanering voldoet, in plaats van dat schuldsanering een recht is dat alleen in bijzondere gevallen aan een schuldenaar mag worden onthouden.(17)

3.11. Dit alles leidt tot de slotsom dat het verschaffen van onvoldoende informatie niet als grond kan worden gehanteerd om een schuldenaar de toegang tot de schuldsaneringsregeling te ontzeggen, nu de huidige wet een dergelijke weigeringsgrond niet kent(18).

4. Beoordeling van de klachten

4.1. Het middel bestaat uit twee onderdelen. In onderdeel 1 wordt opgekomen tegen de afwijzing van de schuldsanering op de grond dat onvoldoende informatie is verschaft om de goede trouw te kunnen beoordelen. Onderdeel 2 acht onbegrijpelijk dat een gebrek aan kennis en ervaring in de horecabranche tot de conclusie moet leiden dat het onverantwoord is geweest om een horeca-onderneming te starten, en daaruit afwezigheid van goede trouw af te leiden.

4.2. Het zal na het voorgaande duidelijk zijn dat onderdeel 1 terecht is voorgesteld: [verzoeker] is toegang tot de schuldsanering ontzegd (minst genomen mede) op een weigeringsgrond die de wet niet kent.

4.3. Wat onderdeel 2 betreft (de klacht tegen 's hofs overweging over kennis van zaken en ervaring), lijkt het er, gelet op de formulering 'verder heeft het hof de indruk', sterk op dat het hof die overweging ten overvloede heeft gegeven, en dat die overweging niet als dragend voor de afwijzing kan worden beschouwd. Aldus gelezen heeft [verzoeker], gelet op de gegrondbevinding van onderdeel 1, geen belang bij beoordeling ervan.

Hoe dat ook zij, de afwijzing van de toelating tot de schuldsanering kan hoe dan ook geen stand houden nu deze gebaseerd dient te zijn op een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval, en die afweging heel wel anders kan uitvallen nu het ontbreken van informatie niet als weigeringsgrond kan dienen.

Verder verdient nog opmerking dat de constatering dat een schuld niet te goeder trouw is ontstaan niet dwingt tot de conclusie dat de schuldenaar geen toegang mag krijgen tot de schuldsaneringsregeling. Art. 288 lid 2 sub b verleent de rechter 'slechts' de bevoegdheid om toepassing van de schuldsanering te weigeren(19) en verlangt een belangenafweging als hierboven onder 3.2 en 3.3 aangegeven. Indien het 'ontbreken van gedegen kennis en ervaring' al het oordeel dat aannemelijk is dat de schuld niet te goeder trouw ontstaan is zou kunnen dragen - wat het hof overigens, als gezegd, vermoedelijk niet bedoeld heeft - brengt dat nog niet mee dat reeds daarom de toelating tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden geweigerd.

4.5. Een andere kwestie is of het hof zijn oordeel, of beter gezegd de 'indruk' dat [verzoeker] over onvoldoende kennis beschikte, afdoende heeft onderbouwd. Mij is in ieder geval niet helder geworden waarop het hof dit heeft gebaseerd. Kennisneming van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep leert weliswaar dat [verzoeker] heeft toegegeven geen horeca-ervaring te hebben, maar daar valt verder niets te lezen over gebrek aan kennis over de horeca of over bedrijfsvoering (terwijl [verzoeker] blijkens het p-v voorts gewezen heeft op ervaring op het gebied van marketing). Voor zover het onderdeel daarover bedoelt te klagen, slaagt het.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Gelet op de beroepstermijn van 8 dagen, zie art. 292 lid 4 Fw. De termijn van 8 dagen eindigde in het weekend van 30/31 december 2006, en maandag 1 januari was een feestdag, zodat de termijn tot 2 januari 2007 werd verlengd.

2 Zie over art. 288 Fw nader bijv. de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.

3 HR 12 januari 2003 (nr. R02/042HR), NJ 2003, 195.

4 Zie de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.4.

5 Zie rov. 3.2.2 van HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 en rov. 3.4.1-3.4.2 van HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178. Er is bij inmiddels getoonde verantwoordelijkheid, in de woorden van A-G Wuisman, 'ruimte voor vergeving'; zie zijn conclusie voor HR 1 december 2006, nr. R06/50HR, LJNAZ0139, onder 2.3.

6 Zie hun conclusies voor HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 10 en HR 8 september 2006, RvdW 2006, 797 onder 6 en 7. 7 In vergelijkbare zin concludeert A-G Wuisman in zijn conclusie voor HR 1 december 2006, R06/050HR (LJN: AZ0139), onder 2.5.

8 Vgl. de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 7.

9 Vgl. de noot van Van Schilfgaarde onder HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 4 en de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.4.

10 Vgl. Kamerstukken I 2006/07, 29942 nr. A en vgl. G.H. Lankhorst, Wetsvoorstel herziening schuldsaneringsregeling aanvaard door Tweede Kamer, Bb 2007, 5 (p. 15-18). Het voorlopig verslag van de Eerste Kamer-commissie werd vastgesteld op 12 december 2006 (Kamerstukken I 2006/07, 29942 nr. B).

11 De leden 1 en 2 van art. 288 Fw komen volgens het wetsvoorstel als volgt te luiden (cursiveringen toegevoegd):

'1. Het verzoek, bedoeld in artikel 284, eerste lid, wordt slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is:

a. dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

b. dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest; en

c. dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

2. Het verzoek wordt evenwel afgewezen:

a. indien de schuldsaneringsregeling reeds op de schuldenaar van toepassing is;

b. indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet;

c. indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen; of

d. indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder a of b of op grond van artikel 350, derde lid, onder d, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.'

Verder zal een nieuw derde lid worden toegevoegd, luidende:

3. Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

12 Nr. R04/023HR, NJ 2005, 240, rov. 3.3.

13 G.H. Lankhorst, De bewijslast van goede trouw in de schuldsaneringsregeling, Bb 2005, 37 (p. 142).

14 Vgl. ook HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS, rov. 3.2.1.

15 Kamerstukken II 2004/05, 29942, nr. 3, p. 15: 'Overigens behoeft deze niet-ontvankelijkheid niet in de weg te staan aan een nieuwe poging met een nieuwe aanvraag voor toelating tot de schuldsanering, zodra de stukken wel compleet zijn.' Vgl. in dezelfde zin Kamerstukken II 2005/06, 29942, nr. 9 (Nota n.a.v. het verslag), ad punt 145, p. 74.

16 Voor zover die vrees werd neergelegd in de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 5.4-5.6, werd deze door de Hoge Raad (dan ook) niet van doorslaggevend belang geacht. Terzijde, ter voorkoming van mogelijk misverstand, voeg ik hieraan aanstonds toe dat ik in de nu te beoordelen zaak (R07/001/HR) géén aanwijzing voor een zodanige vrees heb aangetroffen.

17 MvT, Kamerstukken II 2004/05, 29942, nr. 3, p. 19.

18 Althans niet onder art. 288 lid 2 onder b Fw mag worden begrepen. Vgl. de opmerking over mogelijke commuunrechtelijke weigeringsgronden in nr. 3.6. De aanwezigheid daarvan zou dan in elk geval een daarop toegespitste genoegzame rechterlijke motivering vereisen.

19 Zie HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS en 26 januari 2001, NJ 2001, 178.