Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA0875

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
03279/06 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan Moldavië. Verweer dat de opgeëiste persoon is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. HR: Anders dan wel wordt afgeleid uit HR 20 mei 2003, LJN AF3308, NJ 2004, 41 dient, indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, de verzochte uitlevering door de rechter zonder meer ontoelaatbaar te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03279/06 U

Mr. Bleichrodt

Zitting 13 maart 2007

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 september 2006 het verzoek van de Republiek Moldavië tot uitlevering van de betrokkene ter strafvervolging toelaatbaar verklaard ter zake van de in die uitspraak vermelde feiten.

2. Mr C. van Megen, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.A.C van Overmeire de Vilder, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank een verweer strekkende tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Dat verweer strekte ertoe, aldus het middel, dat is aangevoerd dat de opgeëiste persoon door functionarissen van de verzoekende staat ten aanzien van het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd is gefolterd, dat verder, kort gezegd, het gevaar dreigt van folteringen of van een behandeling in strijd met art. 3 EVRM, "zodat reeds op voorhand vaststaat dat, althans een verhoogd risico bestaat dat door de uitlevering op flagrante wijze inbreuk wordt gemaakt op aan de verzoeker ingevolge art. 6 EVRM toekomende rechten."

4.1 Ik merk op dat aldus mijns inziens onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds een vervolgingsuitlevering in een zaak waarin foltering al heeft plaatsgevonden of deze (dan wel een behandeling in strijd met art. 3 EVRM) na uitlevering dreigt, enerzijds en een uitlevering waardoor een inbreuk op de in art. 6 EVRM neergelegde rechten in de - in de verzoekende staat te voeren - strafprocedure te duchten is.

4.2.1 Voor wat betreft het bedoelde verweer heeft de raadsvrouwe zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank in aanvulling op haar pleitnota aangevoerd:

" De opgeéiste persoon heeft mij verteld over Moldavië. De verdediging doet een beroep op artikel 3 EVRM. De opgeëiste persoon heeft mij verteld reeds 2 jaar gevangen te hebben gezeten. Hij vreest een verschrikkelijke tijd."

4.2.2 Uit dat proces-verbaal blijkt verder dat de opgeëiste persoon zelf heeft verklaard onschuldig te zijn aan de feiten en in verband daarmee opmerkingen heeft gemaakt over het onderzoek van de politie en dat hij voorts heeft verklaard:

"Ik ben ik elkaar geslagen, steeds verplaatst zodat mijn familie me niet kon vinden. Ze wilden me laten bekennen, ik heb dat niet gedaan. De eerste twee weken na je aanhouding krijg je geen advocaat toegewezen, deze kwam mij bijstand verlenen na twee weken. Ik was toen bont en blauw. Mijn advocaat heeft niets gedaan.

Ik ben gemarteld; ik ben geslagen en tijdens verhoren moest ik lang in dezelfde houding blijven zitten of staan."

4.3 De rechtbank heeft dienaangaande overwogen:

"Bij de beoordeling van het verweer dient uitgangspunt te zijn dat blijkens het bepaalde in de artikelen 8 en 10 UW het systeem van de Uitleveringswet meebrengt dat omtrent de vraag, of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Justitie.

Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsontwerp dat tot de Uitleveringswet heeft geleid liggen hieraan de volgende gedachten ten grondslag:

'dat de regering de beschikking heeft over informaties omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen, die voor de rechter ontoegankelijk zijn. Indien de regering zou worden gebonden aan het oordeel van de rechter, zou zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de te nemen beslissing. Een eventuele interventie van de Nederlandse regering in geval tegen de verwachting in toch discriminatoire vervolging plaatsvindt, zou daardoor aan kracht inboeten'

(Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 5).

Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de uitleveringsrechter de mogelijkheid ontbeert om van de verzoekende staat waarborgen te bedingen opdat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet het slachtoffer zal worden van inbreuken op zijn fundamentele rechten. Een en ander laat onverlet dat de uitleveringsrechter de Minister van Justitie kan adviseren omtrent de vraag of de uitlevering ook daadwerkelijk zou moeten worden toegestaan.

Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 van het EVRM toekomend recht, dan wel hij in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat reeds is gefolterd en er sprake is van een "real risk" dat hij na uitlevering opnieuw aan een dergelijke behandeling zal worden blootgesteld, is de verzochte uitlevering niet voor inwilliging vatbaar en dient deze door de rechter ontoelaatbaar te worden verklaard.

In dat kader dient te worden beoordeeld of aannemelijk is geworden dat de opgeëiste persoon in verband met de aan hem verweten gedragingen een behandeling als in voorgaande zin heeft ondergaan. Weliswaar is door de raadsvrouw gesteld dat er sprake is geweest van een dergelijke behandeling maar op geen enkele wijze anders dan door die stelling en de in algemene zin door de opgeëiste persoon beschreven omstandigheden is zulks aannemelijk geworden. Uit de stukken blijkt niet van enige behandeling i[n] vorenbedoelde zin, noch is (bijvoorbeeld) door middel van informatie uit de kring van personen rond de opgeëiste persoon dan wel raadslieden die hem (kennelijk) hebben bijgestaan dan wel anderszins dergelijke informatie beschikbaar gekomen. Er zijn geen data, noch plaatsen noch personen of functionarissen genoemd die daarbij betrokken zouden zijn. De stelling van de raadsvrouw dat het buitengewoon moeizaam zo niet onmogelijk is dergelijke informatie te verkrijgen en de toenmalig raadsman niet kon worden bereikt maakt niet - los van de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat daadwerkelijk activiteiten zijn ondernomen om de informatie te vergaren - dat de enkele stelling voldoende is de uitlevering (reeds) daarom ontoelaatbaar te achten.

De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van de opgeëiste persoon ten deze onvoldoende zijn geconcretiseerd om te kunnen worden getoetst op haar aannemelijkheid, zodat zich niet de uitzondering voordoet op de regel dat een verweer als hier door of namens de opgeëiste persoon naar voren gebracht zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel dat het oordeel ten deze is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De rechtbank zal de Minister in haar advies wijzen op het door de opgeëiste persoon gevoerde verweer ten deze en hem vragen met de hem ter beschikking staande middelen te onderzoeken of hetgeen door de opgeëiste persoon naar voren is gebracht in de weg dient te staan aan een daadwerkelijke uitlevering."

5.1 Uit het voorgaande volgt dat de verdediging er een beroep op heeft gedaan dat de opgeëiste persoon in het kader van het onderzoek naar de desbetreffende feiten zou zijn gefolterd en in strijd met art. 3 EVRM is onderworpen aan een onmenselijke en vernederende behandeling en dat herhaling daarvan na uitlevering te duchten is. De Rechtbank heeft er klaarblijkelijk niet (mede) in gezien een daarvan losstaand verweer dat anderszins een flagrante inbreuk dreigt op een van de in art. 6 EVRM omschreven rechten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

5.2 Ondanks de kennelijke strekking van het verweer is het voor een goed begrip van de stand van de rechtspraak goed om de bespreking daarvan iets ruimer op te zetten.

5.3 Voor wat betreft het uitleveringsverkeer tussen bij het EVRM aangesloten staten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 11 maart 2003, NJ 2004, 42 overwogen:

"3.3. De rechtspraak van de Hoge Raad kan, voorzover hier van belang, als volgt worden samengevat. Indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, komt het in de gevallen - zoals hier - waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Wat betreft art. 6 EVRM kan dit beginsel evenwel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Zoals volgt uit onder meer HR 29 mei 1990, NJ 1991, 467 en HR 5 maart 1991, NJ 1991, 547 is niet uitgesloten dat tijdsverloop grond kan opleveren voor ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, namelijk indien het tijdsverloop van dien aard is dat er - alle omstandigheden in aanmerking genomen - geen sprake meer kan zijn van een berechting van de opgeëiste persoon binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.4. De Hoge Raad is van oordeel dat voormelde opvatting precisering behoeft. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen, mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk".

5.4 Bedoelde zaak was toegespitst op art. 6, eerste lid, EVRM en meer in het bijzonder het voorschrift betreffende de berechting binnen een redelijke termijn. Hetzelfde gold voor de in rov. 3.3 genoemde oudere uitspraken van de Hoge Raad.

Een eerder geaccepteerde uitzondering op het vertrouwensbeginsel werd aldus in NJ 2004, 42 nader omlijnd. Voor zover het gaat om staten die beide bij het EVRM zijn aangesloten gold voortaan, kort gezegd het volgende: niet alleen moet het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM bestaan, maar op grond van het onderbouwde verweer moet ook komen vast te staan dat aan de opgeëiste persoon in de verzoekende staat niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat.

5.5.1 In het ruim twee maanden later gewezen arrest HR 20 mei 2003, NJ 2004, 41 m.n. Y.B betreffende een Spaans uitleveringsverzoek baseerde de verdediging haar verweer zowel op een schending van art. 6 EVRM als op een dreigende toekomstige foltering etc. van de opgeëiste persoon. Voor wat betreft het eerste punt was aangevoerd dat bewijsmateriaal dat de opgeëiste persoon belastte, door marteling van getuigen was verkregen. Verder zou na uitlevering voor de opgeëiste persoon zelf een onmenselijke en/of vernederende behandeling dan wel foltering dreigen.

5.5.2 Ten aanzien van het eerste punt herhaalt de HR in dat arrest in rubriek 6.4.1 zijn hiervoor onder 5.3 sub 3.4 weergegeven opvatting.(1)

5.5.3 Ten aanzien van de dreigende foltering van de opgeëiste persoon zelf, wordt aansluiting gezocht bij HR NJ 1997, 533.(2) In dat arrest was vaste rechtspraak bevestigd dat uitgangspunt is dat de vraag of sprake is van een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon in de verzoekende staat zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, ter beoordeling staat van de Minister van Justitie bij zijn beslissing of de uitlevering kan worden toegestaan. Daaraan was echter toegevoegd dat indien in de uitleveringsprocedure komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat in verband met de zaak waarvoor uitlevering is verzocht, eerder al is gefolterd, de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar zal moeten verklaren. Maar alleen in dat geval komt de uitleveringsrechter er aan te pas. De HR doet daarbij rechtstreeks een beroep op art. 3, eerste lid, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, gesloten te New York, op 10 december 1984 (Trb. 1985, 69) (verder ook: VN-verdrag).(3)

HR NJ 2000, 540 zet die lijn, onder verwijzing naar NJ 1997, 533, voort.

5.5.4 In NJ 2004, 41 wordt ten aanzien van het aangevoerde tweede punt overwogen:

"6.5. Voorzover het middel de klacht bevat dat de opgeëiste persoon zelf na zijn uitlevering foltering heeft te vrezen, is het oordeel of de uitlevering op die grond moet worden geweigerd voorbehouden aan de Minister van Justitie (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533). Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat in verband met deze zaak is gefolterd, kan een inbreuk op het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet meer worden afgewend en komt het oordeel of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd toe aan de uitleveringsrechter, die daarbij het onder 6.4.1 overwogene in zijn oordeel zal hebben te betrekken. Dat de opgeëiste persoon in verband met deze zaak reeds is gefolterd is niet gesteld en ook niet komen vast te staan."

Als redengeving wordt dus opgegeven dat bij een al plaatsgehad hebbende foltering een inbreuk op het door art 6 EVRM gegarandeerd recht op een eerlijk proces niet meer kan worden afgewend. Noch in NJ 1997, 533 noch in NJ 2000, 540 wordt in dit verband art. 6 EVRM in het geding gebracht. In alle zaken was de verzoekende staat bij het EVRM aangesloten.

Ik merk verder op dat het tussenzinnetje: "die daarbij het onder 6.4.1 overwogene in zijn oordeel zal hebben te betrekken", vragen oproept.(4)

5.5.4 Ik kan die vragen en daaruit voortvloeiende twijfel niet beter onder woorden brengen dan mijn ambtgenoot mr Wortel heeft gedaan in de in noot 3 genoemde conclusie. Ik citeer:

"Deze toevoeging heeft mij verrast, en ik moet bekennen dat ik de implicaties daarvan nog niet overzie. Tot dusverre werd een schending van art. 3 EVRM (en art. 3 van het VN-Folteringsverdrag) beschouwd als een onherstelbare (en naar zijn aard flagrante) inbreuk op een absoluut recht. Nu wordt die rechtsinbreuk daarentegen getrokken binnen de voorwaarden voor een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. In dit verband is mij niet duidelijk wat precies wordt bedoeld met de aan de uitleveringsrechter gegeven instructie 'het onder 6.4.1. overwogene in zijn oordeel te betrekken'. Dat 'onder 6.4.1. overwogene' betreft het risico van een flagrante rechtsinbreuk. De uitleveringsrechter zal zich afvragen hoe hij het beslissingsmodel voor een dreigende schending moet toepassen op een gebleken en onherstelbare schending. Zou de bedoeling wellicht zijn dat reeds ondergane marteling (of daarmee gelijk te stellen mensonwaardige bejegening) een niet meer af te wenden, maar nog wel te compenseren inbreuk op het recht op een eerlijk proces vormt? Oftewel: zouden de in HR NJ 2004, 41, rov. 6.5 gekozen bewoordingen zó verstaan moeten worden dat reeds ondergane marteling of vernedering pas een voor de toelaatbaarheid van de uitlevering relevante rechtsinbreuk vormt indien vaststaat dat er in de verzoekende staat geen rechter zal zijn die de klacht over marteling kan onderzoeken en daar gevolgen aan verbinden?

Dat zou een benadering zijn waar ik wel wat aarzelingen bij heb. In de eerste plaats omdat in deze benadering terstond de vraag opdoemt of de uitleveringsrechter, onderzoekend of de reeds ondergane foltering het risico van een flagrante schending van art. 6 EVRM oplevert, ook zou moeten beoordelen of de rechter in de verzoekende staat een (afdwingbare) uitspraak zou kunnen doen die - naar wiens maatstaven dan ook - voldoende tegenwicht of compensatie biedt voor een zó zwaarwegend verwijt als schending van art. 3 EVRM. Dat is een afweging die ik als rechter niet graag zou maken (...)."

5.5.5. Wellicht dat met de verwijzing naar "het onder 6.4.1 overwogene" slechts is bedoeld het vereiste dat het verweer moet worden behoorlijk moet zijn gefundeerd, al is dat slechts een klein onderdeel van de desbetreffende overwegingen over een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM .

Hoe dat ook zij, nu in het arrest ook wordt verwezen naar NJ 1997, 533,(5) ga ik ervan uit dat de lijn van dat arrest ook thans moet worden gevolgd in die zin dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het verweer dat de betrokkene in de desbetreffende zaak is gefolterd en de - ter beoordeling van de Minister staande - stelling dat foltering na uitlevering dreigt. Is in het eerste geval het verweer gegrond, dat wil zeggen is het daaraan ten grondslag gelegde aannemelijk en levert dat foltering op, dan is de uitleveringsrechter gehouden, gelet op art. 3 van het VN-verdrag, de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

5.6 Voorzover het middel stelt dat de uitleveringsrechter ook dient te beoordeling of na uitlevering het risico van foltering of een onmenselijke behandeling bestaat, waaromtrent de raadsvrouw overigens niet meer heeft aangevoerd dan dat de opgeëiste persoon een verschrikkelijke tijd vreest, kan het middel dus niet tot cassatie leiden. In HR 25 mei 2004, NJ 2005, 543 - ook een zaak die betrekking had op een uitleveringsverzoek van Moldavië - is bevestigd dat de beantwoording van de vraag of er een reëel risico bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM of art. 3 VN-verdrag aan de Minister toekomt (met de mogelijkheid van beroep op de civiele rechter).

5.7 Het oordeel van de Rechtbank dat niet aannemelijk is geworden wat de opgeëiste persoon heeft gesteld over de folteringen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak, is niet onbegrijpelijk en draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. Het behoefde in het licht van het gevoerde verweer, geen nadere motivering. Ook al realiseer ik mij dat het niet eenvoudig is een dergelijk verweer in een uitleveringsprocedure handen en voeten te geven, hier ontbrak in wat was aangevoerd zelfs ieder aanknopingspunt voor een onderzoek of beoordeling daarvan, zoals de Rechtbank ook heeft overwogen.(6) Met betrekking tot de thans aan de cassatieschriftuur gehechte stukken ("Country reports" over onder meer de detentieomstandigheden in Moldavië) geldt het volgende. Nog afgezien daarvan dat deze (uiteraard) niet specifiek betrekking hebben op de behandeling die de opgeëiste persoon heeft ondergaan, kan in ieder geval niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet zijn vastgesteld en waarvan niet blijkt dat deze in feitelijke aanleg zijn aangevoerd. Deze "aanvullingen" op het verweer zijn dus tardief.

5.8 Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan op zichzelf met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

6. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur- Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Naar het oordeel van de annotator wordt hier ten onrechte de beweerde foltering van een getuige op dezelfde voet behandeld als een schending van de redelijke termijn.

2 Het betrof toen een uitleveringsverzoek van Turkije. Zie verder nog HR 21 maart 2000, NJ 2000, 540, waarin het, net als in deze zaak, ging om een uitleveringsverzoek van Spanje.

3 Die bepaling luidt: " No party shall (...) extradite a person to another State where there are substantial grounds for believing that he would be in danger of being subjected tot torture."

4 Zie ook de Conclusie van de A-G Wortel onder 4.6 bij de (civiele zaak) HR 15 september 2006, nr C05/ 120 HR.

5 Hetgeen ook weer geschiedde in HR 25 mei 2004, NJ 2005, 243, waarin de kwestie van een al plaatsgevonden hebbende foltering echter niet aan de orde was.

6 In NJ 1997, 533 was veel meer gesteld en onder meer een beroep gedaan op een medische verklaring.