Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA0872

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
22-05-2007
Zaaknummer
01106/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0872
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schadefonds Geweldsmisdrijven. De CAG wijst ambtshalve op de toewijzing van het hof van de vordering b.p., in het bijzonder de last om het toegewezen bedrag aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven te betalen. I.c. heeft de b.p. EUR 2290,25 schadevergoeding gevorderd en inmiddels EUR 4000,- ontvangen van het Schadefonds. Volgens de CAG heeft, als een uitkering wordt toegekend, dat consequenties voor de positie van het slachtoffer als b.p. in de strafprocedure of als eisende partij in een civiele procedure tegen de dader. Gevorderde schade die al door het Schadefonds is vergoed kan niet worden toegewezen. De commissie tot beheer van het fonds kan echter ook, vooruitlopend op haar beslissing, een voorlopige uitkering doen (art. 13.1 Wet schadefonds geweldsmisdrijven). Van subrogatie is dan geen sprake. Of van zodanig voorschot of van een definitieve beslissing tot toekenning van de uitkering i.c. sprake was, is niet duidelijk. Dit in aanmerking genomen en gelet op de omstandigheid dat op dit punt geen verweer is gevoerd, leidt het niet tot ambtshalve vernietiging. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 359
RvdW 2007, 540
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01106/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 13 maart 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 november 2005 de verdachte ter zake van zaak A "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft" en zaak B "diefstal, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Mr M.M.J. Nuijten, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.A.F. van Drimmelen heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van het feit tenlastegelegd in zaak A.

4.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte, voor zover van belang bewezen verklaard dat:

(A) hij op 7 juni 2004 te Amsterdam met een ander op de openbare weg, Hercules Seghersstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [het slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen slaan en schoppen en uit het trappen tegen het hoofd en tegen het lichaam, waarbij hij, verdachte, tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en meermalen tegen het hoofd heeft geschopt, en welk gepleegd geweld lichamelijk letsel, namelijk oogletsel en gebroken tanden, voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

4.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen.

"1. Een proces-verbaal met nummer 2004141853-1 van 11 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde dossierpagina's 6 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 juni 2004 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [het slachtoffer]:

"Op 7 juni 2004 omstreeks drie uur 's nachts liep ik door de Hercules Seghersstraat te Amsterdam. Ik zag dat twee jongens in mijn richting liepen. Ze liepen me achterna. Ik begon te rennen en de jongens kwamen mij achterna rennen. De langste van de twee (verdachte, naar het hof begrijpt) haalde mij in en gaf me een slag tegen het lichaam. Van de kleinste jongen kreeg ik ook een klap of een trap. Ik kwam op de grond terecht. Ik voelde dat ik meermalen door die jongens werd geschopt en geslagen. Ik voelde pijn in mijn armen, mijn hoofd en mijn ribbenkast. In het ziekenhuis is geconstateerd dat ik drie ribben had gebroken, oogletsel had opgelopen en dat drie van mijn tanden stuk waren. De jongens stonden elk aan een kant van mij. Ik werd van twee kanten geschopt en geslagen."

Noot verbalisant: ik zag dat de aangever een "blauw oog" had, dat bloeddoorlopen was en dat drie van zijn tanden waren gebroken.

2. Een proces-verbaal met nummer 2004141853-4 van 17 september 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde dossierpagina's 10 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 september 2004 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [het slachtoffer]:

"Op 13 september 2004 liep ik op de Govert Flinckstraat in Amsterdam en zag ik een man staan. Ik liep langs deze man en herkende hem. Hij heeft mij een tijd geleden mishandeld. Ik ben doorgelopen en heb mij omgedraaid om weer naar hem te kijken. Even later liep ik terug en ik zag hem daar nog steeds staan. Ik wilde zeker weten of hij het was. Ik herkende hem weer. Ik heb de politie gebeld. Samen met politie-agenten, die gearriveerd waren, ben ik lopend de Govert Flinckstraat te Amsterdam ingegaan. Ik zag de man weer staan tussen twee andere mannen. Ik zag dat een politie-agent de man aansprak. Ik herkende de man wegens zijn opvallende lengte en slungelige postuur."

3. Een proces-verbaal met nummer 2004141853-1 van 17 september 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde dossierpagina's 17 en 18).

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 13 september 2004 kregen wij, verbalisant [verbalisant 2] en [verbalisant 3], de opdracht te gaan naar de Govert Flinckstraat te Amsterdam alwaar een slachtoffer van een mishandeling zou staan, dat de man die het slachtoffer mishandeld had, op straat had herkend. Wij werden op straat aangesproken door en man, zich noemende [het slachtoffer], die zei dat hij het slachtoffer was. Wij zagen een man, welke door [het slachtoffer] als dader van mishandeling van hem werd aangewezen.

De man gaf op te zijn genaamd:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 in Nederland.

4. Een proces-verbaal met nummer 2004141853-3 van 21 augustus 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde dossierpagina's 38 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 augustus 2004 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

"Op maandag 7 juni 2004 rond drie uur 's nachts fietste ik onder een poortje vlak bij de Hercules Seghersstraat te Amsterdam. Ik zag dat daar een blanke man liep en dat er twee jongens (: verdachte en zijn mededader, naar het hof begrijpt) achter hem liepen. Ik zag dat jongen 1 zich aan de rugzijde van de man bevond en met kracht tegen de rug van de kale man schopte. Ik zag dat jongen 2 (:verdachte, naar het hof begrijpt) met volle kracht tegen het hoofd van de kale man schopte. Ik zag dat jongen 2 één van zijn benen omhoog bracht en minimaal drie maal het been met kracht recht naar beneden bracht, waarbij diens been op het gezicht van de kale man terechtkwam."

5.Een proces-verbaal met nummer 2004141853-12 van 30 september 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (doorgenummerde dossierpagina 46)

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 september 2004 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

"U heeft met mij de spiegelconfrontatie gedaan. Ik herken de persoon als de verdachte van de mishandeling, de grootste van de twee."

Ik, verbalisant, verklaar dat de persoonsgegevens van de verdachte met wie de getuige [getuige 1] geconfronteerd werd, luiden:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats].

6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 22 november 2005, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:

"Mijn lengte is 2.05 meter. Mijn kameraden zijn korter van stuk dan ik."

5. Het middel betoogt dat de bewijsmiddelen voor een belangrijk deel betrekking hebben op het signalement en de herkenning van de verdachte. Op grond van bewijsmiddel 6 heeft het Hof vastgesteld dat verdachte 2,05 m lang is. Nu deze opvallende lengte niet genoemd is bij de gegeven signalementen, vindt, aldus het middel, de bewezenverklaring geen steun in de gebruikte bewijsmiddelen, in aanmerking genomen dat het Hof geen nadere bewijsoverweging in zijn arrest heeft opgenomen.

6. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene ten behoeve van een bewezenverklaring tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Die beslissing betreffende selectie en waardering van het bewijsmateriaal, die als regel geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(1) De feitenrechter mag ongeloofwaardig of onbruikbaar materiaal (of onderdelen daarvan) zonder nadere motivering buiten gebruik laten.

7. Dat de aangever tegenover de politie en de getuige [getuige 1] tegenover de Rechter-Commissaris een signalement hebben gegeven dat voor wat betreft de schatting van de lengte van de grootste dader lager uitkomt dan 2.05 m., zoals het middel aanvoert, heeft het Hof niet tot het bewijs gebezigd. Naar uit het voorgaande voortvloeit, kon het Hof die onderdelen van de bedoelde verklaring ook als onbruikbaar terzijde stellen, zonder dat het die beslissing nader behoefde te motiveren.

Overigens merk ik op dat het slachtoffer in een latere verklaring tegenover de politie heeft verklaard dat hij de dader herkende wegens onder meer zijn opvallende lengte

(bewijsmiddel 2). Daarmee heeft hij tot uitdrukking gebracht dat in zijn herinnering een van de daders opvallend lang was. Dat direct na het feit bij de beschrijving van het signalement zijn schatting 15 cm lager uitviel, doet, naar het Hof zal hebben geoordeeld, op zichzelf niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring.

8. Het bewezenverklaarde kan naar mijn mening uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Voor een verdergaande toetsing is in cassatie geen plaats.

9. Het middel faalt en kan naar het mij voorkomt met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

10.1 Ambtshalve vraag ik nog de aandacht voor het volgende.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.290, 25 en voor hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het heeft echter tevens gelast dat de benadeelde partij gehouden is dat bedrag aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven te betalen die in deze vordering is gesubrogeerd. Dat roept de vraag op of de uitspraak voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in stand kan blijven.

10.2 Het Hof heeft klaarblijkelijk gelet op de verklaring van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:

" Ik blijf bij de vordering van € 2290,25 zoals door mij in eerste aanleg is ingediend. Ik heb inmiddels een vergoeding ontvangen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven van € 4000,-

De tandarts is tot op vandaag bezig mijn gebit te herstellen".

10.3 [Het slachtoffer] heeft zich in het geding in hoger beroep gevoegd met een vordering van € 2290,25. Van dat ook in eerste aanleg gevorderde bedrag had de Rechtbank € 1790,25 toegewezen.

Het "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" bevat twee posten: naast een post tandartskosten een bedrag van € 1000,- aan smartengeld. Uit bijgevoegde correspondentie volgt dat de betrokkene de post smartengeld tot dat bedrag heeft beperkt omdat deze naar het oordeel van zijn adviseur in ieder geval in zoverre van eenvoudige aard was en in de strafprocedure kon worden behandeld. De mogelijkheid om een restant vordering in een civiele procedure aanhangig te maken werd opengehouden.

Gevorderd is dus letselschade, zowel materiële als immateriële schade.

Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg, was klaarblijkelijk nog geen uitkering door het Schadefonds geweldsmisdrijven gedaan. De benadeelde partij is toen ook ter terechtzitting aanwezig geweest en is gehoord.

10.4 Een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ook betrekking op letselschade. Die kan, kort gezegd, op aanvraag worden toegekend aan een slachtoffer van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel ten gevolge heeft gehad.(2)

10.5 Art. 6 Wet schadefonds geweldsmisdrijven houdt sinds de inwerkingtreding van die wet in:

"1. Geen uitkering wordt toegekend ter zake van:

1°. schade die langs burgerrechtelijke weg is of kan worden verhaald;

2°. schade in welker vergoeding op andere wijze is of kan worden voorzien.

2. In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden.

3. Het fonds treedt voor het aan de benadeelde uitgekeerde bedrag in de rechten die deze ter zake van de door hem geleden schade tegenover derden heeft. Het oefent deze rechten niet uit dan met toestemming van Onze Minister."

10.6 De wetsgeschiedenis houdt met betrekking tot de in lid 3 bedoelde eis van toestemming van de Minister in dat daarvoor twee redenen zijn. In de eerste plaats het oer-Hollandse argument dat met een civiele procedure hoge kosten gemoeid kunnen zijn, die, indien geen resultaat wordt bereikt, uiteindelijk ten laste van het departement van justitie zullen komen. Daarnaast kan volgens de regering van het instellen van een vordering door het Schadefonds ook een negatief effect uitgaan op de resocialisatie van de delinquent.

Verder wordt opgemerkt dat als de dader wel verhaal biedt, maar ook de benadeelde partij voor zijn restant vordering tegen de dader optreedt, diens vordering concurreert met de regresvordering van het Schadefonds. Dat kan ook een reden zijn voor het Schadefonds om terug te treden of zijn vordering te beperken tot een lager bedrag dan de uitkering.(3)

10.7 Het is aan de commissie tot beheer van het fonds of in beroep aan het Hof te 's-Gravenhage om te beoordelen of zich de situatie voordoet als bedoeld in art. 6, eerste of tweede lid WSG.

Volstrekte zekerheid over de (on)mogelijkheid van verhaal zal lijkt mij niet kunnen worden geëist. De regeling is er ten behoeve van het slachtoffer en onder omstandigheden kan niet van hem worden gevergd dat eerst een langdurig onderzoek of een lange procedure plaatsvindt (zie ook lid 2). (4)

Maar als een uitkering wordt toegekend, heeft dat mijns inziens consequenties voor de positie van het slachtoffer als benadeelde partij in de strafprocedure of als eisende partij in een civiele procedure tegen de dader. Gevorderde schade die al door het Schadefonds is vergoed kan niet worden toegewezen.

10.8 Genoemde commissie kan echter ook, vooruitlopend op haar beslissing, een voorlopige uitkering doen (art. 13, lid 1 WSG). Dan is van subrogatie geen sprake.(5) Of hier van een zodanig voorschot of van een definitieve beslissing tot toekenning van een uitkering sprake is geweest, is niet duidelijk, ook niet uit de verklaring van de benadeelde partij die het in het algemeen heeft over een "vergoeding" van het Schadefonds. Uit het enkele feit dat het Hof spreekt van subrogatie, kan mijns inziens ook niet worden afgeleid dat er, naar zijn vaststelling sprake is van een definitieve beslissing. Daartegen pleit ook het feit dat de benadeelde partij nog steeds onder behandeling van de tandarts was; de omvang van de letselschade kon dus nog niet definitief worden vastgesteld.

Het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op de omstandigheid dat de verdediging geen verweer op dit punt heeft gevoerd - de vordering is uitsluitend betwist op de grond dat de verdachte het feit niet heeft begaan - leiden deze omzwervingen dus tot niets en in ieder geval niet tot het oordeel dat de bestreden uitspraak op het punt van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven.(6)

11. Ik heb ook verder geen gronden aangetroffen die tot een ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

12 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma

Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat onder omstandigheden wel tot een nadere motivering noopt, blijkt hier niet. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt niet meer in dan dat de verdachte en de raadsman het woord tot verdediging hebben gevoerd.

2 Zie ook F.F.Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, 2004, blz. 149- 152.

3 Kamerstukken II, 1973-1974, 12 131, nr. 8 (Memorie van Antwoord) blz. 20.

4 Anders dan Langemeijer, a.w. blz. 152, meen ik dat niet gezegd kan worden dat naar de letter van de wet de (enkele) mogelijkheid dat schadevergoeding wordt verkregen door oplegging van een schadevergoedingsmaatregel of toewijzing van een vordering als benadeelde partij in de weg staat aan een uitkering van het fonds. Zoals volgt uit de wetsgeschiedenis is dat niet het uitgangspunt geweest. Bovendien is de toewijzing van de vordering niet beslissend, maar de vraag of dat uiteindelijk leidt tot vergoeding van de schade door de veroordeelde.

5 In dat geval zal de praktische oplossing van de commissie, genoemd op blz. 152 van het boek van Langemeijer naar ik aanneem worden toegepast: betaalbaarstelling onder de voorwaarde dat de betrokkene aan het fonds terugbetaalt wat hij van de dader aan schadevergoeding zal ontvangen.

6 Hoewel de opgenomen "last" ten aanzien van de benadeelde partij, naar ik meen, niet op zijn plaats is. Het gaat hier m.i. om een kwestie tussen het Schadefonds en de benadeelde partij. Maar kwaad kan het verder ook niet, zeker niet voor de verdachte.