Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA0731

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
C05/186HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Langlopend geschil tussen erven over afwikkeling van een nalatenschap. Procesrecht; schorsing van de tenuitvoerlegging van een toewijzend vonnis, gevoegde behandeling door de appelrechter van het schorsingsincident in de bodemprocedure en van het hoger beroep in het executiegeschil; niet-ontvankelijk cassatieberoep tegen (tussen)arrest in schorsingsincident ondanks ontvankelijk cassatieberoep tegen (eind)arrest in kort geding; géén doorbreking van rechtsmiddelenverbod.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 189
NJ 2007, 163
RvdW 2007, 309
NJB 2007, 707
JWB 2007/96
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C05/186HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 17 november 2006

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerder 3]

Het gaat in deze zaak om een langlopend geschil over de afwikkeling van een nalatenschap. Met een incidentele vordering in hoger beroep in de bodemprocedure en daarnaast met een vordering in kort geding hebben de neven van de erflater getracht de tenuitvoerlegging van een toewijzend vonnis in de bodemprocedure te doen schorsen. Zijn deze vorderingen naar de juiste maatstaf beoordeeld?

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de door het hof vastgestelde feiten(1). In het kort gaat het om het volgende.

1.2. Verweerders in cassatie, tevens eisers in het incidenteel cassatieberoep (hierna: de kinderen), zijn kinderen van de op 28 oktober 1991 te Antwerpen overleden [erflater] (hierna: de erflater). Eisers tot cassatie (hierna: de neven) zijn neven van de erflater. In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap zijn geschillen gerezen.

De bodemprocedure

1.3. Op 25 maart 1992 en 17 juni 1992 hebben de kinderen conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de ABN Amro-bank te Amsterdam, zulks ten laste van de neven. Bij inleidende dagvaarding d.d. 2 april 1992 hebben zij de neven gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. De kinderen hebben samengevat(2) gevorderd dat de neven zullen worden veroordeeld om:

I. alle op hun naam gestelde goederen en gelden bij de ABN Amro-bank te Amsterdam, althans een deel daarvan gelijk aan het wettelijk erfdeel van de kinderen, aan de kinderen als erfgenamen van de erflater af te geven;

II. rekening en verantwoording af te leggen van het door hen gevoerde beheer over al hetgeen zij aan goederen en gelden behorende tot de nalatenschap van de erflater onder zich hebben;

III. van het door de rechtbank vast te stellen saldo een zodanige som aan de kinderen te betalen als hen blijkens de rekening en verantwoording zal toekomen, vermeerderd met de wettelijke rente;

IV. de door de kinderen geleden en nog te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.4. Aan deze vorderingen hebben de kinderen ten grondslag gelegd dat de goederen en gelden op bepaalde rekeningen bij de ABN Amro-bank behoren tot de nalatenschap van de erflater, ook al staan deze rekeningen inmiddels op naam van (een van) de neven. Volgens de kinderen komen de tegoeden op deze rekeningen aan hen toe, omdat zij de erfgenamen van de erflater zijn. De neven handelen onrechtmatig door hun weigering deze tegoeden aan de kinderen af te geven.

1.5. De neven hebben verweer gevoerd en een (voor de behandeling van dit cassatieberoep niet meer relevante) voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld. De neven hebben tot verweer onder meer aangevoerd dat de erflater op 2 mei 1986 het tegoed op zijn rekening bij de ABN Amro-bank te Amsterdam aan hen `in eigendom' heeft overgedragen, ter aflossing van een schuld die de erflater aan de neven had. Deze schuld is volgens de neven ontstaan doordat zij jarenlang financiële ondersteuning aan de erflater hebben verleend. In dit verband hebben de neven gewezen op een schriftelijk vastgelegde overeenkomst tussen hen en de erflater van 23 december 1980.

1.6. De kinderen hebben de stellingen van de neven tegengesproken. Bij vonnis van 4 oktober 1995 heeft de rechtbank aan de neven bewijs opgedragen van hun stelling dat de erflater op 2 mei 1986 de tegoeden op zijn rekening bij de ABN Amro-bank in eigendom heeft overgedragen, ter aflossing van een schuld die hij jegens hen had.

1.7. De neven hebben tegen dit tussenvonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam; de kinderen hebben incidenteel geappelleerd. Bij arrest van 5 juni 1997 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Tegen dit arrest hebben de neven beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 16 april 1999, NJ 1999, 600, heeft de Hoge Raad het arrest van 5 juni 1997 vernietigd op een punt van internationaal privaatrecht en het geding verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

1.8. Na verwijzing heeft het hof beslist dat Nederlands recht van toepassing is. Vervolgens heeft het hof het tussenvonnis van 4 oktober 1995 bekrachtigd en de zaak naar de rechtbank verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Bij arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2001, NJ 2002, 255 m.nt. ThMdB is het door de neven tegen die beslissing ingestelde cassatieberoep verworpen.

1.9. Na verhoor van getuigen heeft de rechtbank bij vonnis van 17 november 2004, zoals gecorrigeerd bij herstelbeslissing van 22 december 2004, overwogen dat de neven het verlangde bewijs niet hebben geleverd. De rechtbank stelde vervolgens vast dat de neven sinds het overlijden van de erflater het beheer hebben gevoerd over banktegoeden die tot diens nalatenschap behoren en dat zij over dit beheer rekening en verantwoording moeten afleggen aan de kinderen (rov. 7 Rb). Nu het bewijs niet is geleverd komt ook de vordering van de kinderen tot afgifte van goederen en gelden bij de ABN Amro-bank voor toewijzing in aanmerking (rov. 8 Rb). De rechtbank heeft vervolgens de neven veroordeeld tot afgifte van de op hun naam gestelde goederen en gelden bij de ABN Amro bank te Amsterdam (in het bijzonder die op rekeningnummers [001], [002] en [003] en daaraan gerelateerde rekeningen) aan de kinderen als erfgenamen, zulks binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. De rechtbank heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.10. De neven hebben bij het gerechtshof te Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 november 2004. De neven hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld(3), welke primair strekte tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 november 2004 (art. 351 Rv). Subsidiair strekte zij ertoe dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis de voorwaarde zal worden verbonden dat de kinderen zekerheid stellen tot het door hen te incasseren bedrag, althans tot een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren (art. 235 Rv).

1.11. Het hof heeft beide incidentele vorderingen van de neven afgewezen bij arrest van 2 juni 2005, waarover hieronder nader.

De kortgedingprocedure

1.12. Enige maanden vóórdat het vonnis van 17 november 2004 zou worden gewezen, hebben de neven de kinderen gedagvaard voor een rechtbank te Antwerpen (de rechter van de laatste woonplaats van de erflater). In de procedure te Antwerpen hebben de neven gesteld dat zij, in ieder geval, een vordering op de erfgenamen hebben uit hoofde van de in alinea 1.5 bedoelde schuld van de erflater.

1.13. Daarnaast hebben de neven op 1 oktober 2004 de kinderen in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam. De vordering strekte ertoe dat de tenuitvoerlegging door de kinderen van een eventueel - op dat moment nog toekomstig - toewijzend vonnis in de Amsterdamse bodemprocedure zal worden geschorst, althans de tenuitvoerlegging daarvan aan de kinderen zal worden verboden, totdat in de Antwerpse procedure onherroepelijk zal zijn beslist over de genoemde vordering van de neven.

1.14. De kinderen hebben verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de neven zullen worden veroordeeld om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, een eventueel toewijzend vonnis in de Amsterdamse bodemprocedure na te leven.

1.15. Bij vonnis van 21 oktober 2004 heeft de voorzieningenrechter zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd.

1.16. De neven hebben tegen dit kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De kinderen hebben van hun kant incidenteel hoger beroep ingesteld (dit incidenteel hoger beroep is nadien weer ingetrokken(4)).

1.17. Ter terechtzitting van 25 februari 2005 heeft het hof met partijen de gewijzigde situatie besproken die inmiddels was ontstaan doordat de ABN Amro-bank na het toewijzend vonnis van 17 november 2004 is overgegaan tot afgifte van de omstreden tegoeden aan de kinderen. De neven hebben naar aanleiding daarvan conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de Stichting Beheer Derdengelden Boekel de Nerée (het kantoor van de raadsman van de kinderen)(5). Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden. Vervolgens hebben de kinderen hun eis in reconventie in het kort geding aangevuld met een vordering tot opheffing van het zo-even genoemde, door de neven onder de Stichting gelegde conservatoire derdenbeslag(6).

1.18. Ook de neven hebben naar aanleiding van de gewijzigde situatie hun vordering in kort geding gewijzigd(7). Hun gewijzigde eis behelst kort samengevat:

I. een rechterlijk bevel aan de kinderen om de door hen van de ABN Amro-bank ontvangen tegoeden terug te storten op de rekening waarvan deze tegoeden afkomstig zijn en wel: onmiddellijk na de opheffing van het op 2 februari 2005 door de neven gelegde conservatoir derdenbeslag;

II. onverminderd de in de bodemprocedure door het hof te nemen incidentele beslissing:

(primair) dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 november 2004 zal worden geschorst tot het moment waarop in de Antwerpse procedure onherroepelijk zal zijn beslist dat de neven geen vordering op de kinderen hebben (althans een lagere vordering dan de beslagen tegoeden bij de ABN Amro-bank te Amsterdam);

(subsidiair) een rechterlijk verbod aan de kinderen om het vonnis van 17 november 2004 ten uitvoer te leggen vóórdat in de Antwerpse procedure onherroepelijk zal zijn beslist dat de neven geen vordering op de kinderen hebben (althans een lagere vordering dan de beslagen tegoeden bij de ABN Amro-bank te Amsterdam);

III. (meer subsidiair): een rechterlijk verbod aan de kinderen om het vonnis van 17 november 2004 ten uitvoer te leggen zonder ten behoeve van de neven zekerheid te stellen voor het op grond van dat vonnis te incasseren bedrag.

1.19. In zijn arrest van 2 juni 2005 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders (dan in eerste aanleg) gevorderde afgewezen.

de procedure in cassatie

1.20. De neven hebben - tijdig(8) - beroep in cassatie ingesteld bij twee afzonderlijke, doch wat de cassatiemiddelen betreft inhoudelijk gelijkluidende dagvaardingen(9).

1.21. De kinderen hebben in de bodemprocedure primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de neven in hun cassatieberoep - waarover hieronder nader - en subsidiair tot verwerping van dit beroep. V.w.b. de kortgedingprocedure hebben de kinderen geconcludeerd tot verwerping van het beroep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Nadat de neven op het incidenteel cassatieberoep hadden geantwoord, hebben partijen hun standpunten schriftelijk laten toelichten met re- en dupliek.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep (m.b.t. het incident in de bodemprocedure)

2.1. Namens de kinderen is aangevoerd dat de neven niet ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen de beslissing over de incidentele vorderingen van de neven in de bodemprocedure in hoger beroep(10).

2.2. Art. 401a Rv houdt in dat van een tussenarrest beroep in cassatie slechts kan worden ingesteld tegelijk met dat tegen het eindarrest, tenzij de rechter anders heeft bepaald (lid 2). In dit geval heeft het hof niet `anders bepaald'. Van uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd kan beroep in cassatie worden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen (lid 1). Het eerste lid ziet alleen op de gevallen waarin op de voet van art. 223 Rv een voorlopige voorziening is gevorderd voor de duur van het geding (de zgn. provisionele vorderingen). In de onderhavige zaak gaat het niet om een beslissing op een provisionele vordering, maar om een beslissing op een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de eerste rechter (als bedoeld in art. 351 Rv) en subsidiair om een incidentele vordering tot zekerheidstelling door de partij die het vonnis executeert (als bedoeld in art. 235 Rv)(11). In dit geval is derhalve het tweede lid van art. 401a Rv van toepassing.

2.3. Vonnissen of beschikkingen waarin door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een eind wordt gemaakt aan het geding en waarin omtrent het overigens gevorderde of verzochte een tussenbeslissing wordt genomen, plegen te worden aangeduid als `deelvonnis' of `deeluitspraak'. In het hoger beroep of cassatieberoep tegen een deelvonnis kunnen klachten mede worden gericht tegen het gedeelte van de uitspraak dat als tussenvonnis moet worden beschouwd, ook al heeft de rechter die het deelvonnis wees geen verlof verleend tot een tussentijds beroep als bedoeld in art. 337 lid 2 resp. art. 401a lid 2 Rv. De Hoge Raad heeft hieromtrent overwogen:

"Naar het thans geldende procesrecht, waarin (...) ook in dagvaardingsprocedures tussentijds beroep van rechtswege is uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat dit wettelijk verbod om tussentijds beroep in te stellen wordt doorbroken in een geval zoals in eerstgenoemd arrest aan de orde was, waarin tussen dezelfde partijen meer vorderingen ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde had gemaakt, maar voor een ander gedeelte een interlocutoir tussenvonnis wees. In een zodanig geval moet ook naar het thans geldende recht worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen dit vonnis, ook wat betreft het interlocutoire gedeelte daarvan, steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden gesplitst, hetgeen onwenselijk is, onder andere omdat dit kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen."(12)

2.4. Het thans bestreden arrest maakte door een uitdrukkelijk dictum een einde aan hetgeen (in conventie en in reconventie) in het kort geding werd gevorderd. In de bodemprocedure daarentegen is niet door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt aan hetgeen in die procedure werd gevorderd. Het bestreden arrest bevat slechts een tussenbeslissing in de bodemprocedure, te weten een beslissing in het incident. De kinderen hebben op basis hiervan hun conclusie getrokken: de neven zijn op grond van art. 401a, tweede lid, Rv niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep voor zover dit betrekking heeft op de beslissing in het incident in de bodemprocedure.

2.5. De neven hebben echter in hun verweerschrift en hun s.t. bepleit dat zij niettemin in hun cassatieberoep worden ontvangen. Hun belangrijkste argumenten zijn dat beide procedures tussen dezelfde procespartijen worden gevoerd en dat de te nemen beslissingen in beide zaken nauw met elkaar samenhangen en door het hof dan ook gezamenlijk zijn beoordeeld in één arrest. Tot slot hebben zij betoogd dat door een gezamenlijke behandeling in cassatie van de klachten tegen de beslissing in het incident in de bodemprocedure en die in het kort geding tegenstrijdige beslissingen kunnen worden voorkomen.

2.6. Er is, tot op zekere hoogte, een precedent. In HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS, is onder het vroegere procesrecht de doorbreking van een verbod van tussentijds hoger beroep aanvaard indien het desbetreffende vonnis deels interlocutoir en deels eindvonnis is. In HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482, werd eenzelfde regel aanvaard voor de doorbreking van een verbod van tussentijds cassatieberoep. De Hoge Raad voegde hieraan toe: "Hetzelfde moet worden aangenomen indien het een in conventie en in reconventie gegeven vonnis betreft en het vonnis in conventie een interlocutoir karakter heeft en in reconventie een eindvonnis is, of omgekeerd." Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht is de hoofdregel weliswaar omgedraaid(13), maar de zo-even genoemde jurisprudentie is bruikbaar gebleven. Indien twee zaken (een in conventie en een in reconventie) tussen dezelfde procespartijen(14) aanhangig zijn bij dezelfde rechter en hierover in een en hetzelfde vonnis of arrest wordt beslist, in die zin dat in de ene zaak een tussenbeslissing wordt gegeven en in de andere zaak door middel van een uitdrukkelijk dictum voor (een deel van) het gevorderde een einde wordt gemaakt aan het geding, is het naar geldend recht mogelijk ook grieven respectievelijk klachten te richten tegen de tussenbeslissing.

2.7. Het is slechts een kleine stap, deze jurisprudentieregel door te trekken naar een geval als het onderhavige. Weliswaar is hier niet een beslissing conventie/reconventie aan de orde, maar een incident in een bodemprocedure naast een kortgedingprocedure, doch dit neemt niet weg dat het hof zijn beslissingen in één arrest en zelfs in dezelfde rechtsoverwegingen heeft neergelegd, dat de beslissingen inhoudelijk nauw zijn verweven, dat zij tussen dezelfde procespartijen zijn genomen en - last but not least - dat de kinderen niet hebben aangegeven op enigerlei wijze in een processueel belang te worden geschaad indien de klachten van de neven tegen de beslissing in het incident in de bodemprocedure in de beoordeling van dit cassatieberoep worden `meegenomen'. In het vervolg van deze conclusie wordt daarom uitgegaan van de veronderstelling dat de Hoge Raad het cassatieberoep ontvankelijk zal achten, ook voor zover dit is gericht tegen de beslissing in het incident in de bodemprocedure.

3. Bespreking van de middelen in het principaal cassatieberoep

3.1. Middel I heeft betrekking op het volgende. Het hof is ervan uitgegaan dat de ABN Amro-bank na het vonnis van 17 november 2004 de omstreden tegoeden heeft afgegeven aan de (raadsman van de) kinderen. Het hof is van oordeel dat de (gewijzigde) vordering in kort geding, welke ertoe strekt dat deze afgifte zal worden teruggedraaid en de afgegeven tegoeden door de kinderen zullen worden teruggestort op de ABN Amro-rekening waar zij vandaan kwamen, niet voor toewijzing in aanmerking komt (rov. 4.4 en 4.5). Bijgevolg heeft het hof aangenomen dat de neven niet langer belang hebben bij hun incidentele vorderingen in de bodemprocedure (rov. 4.6).

3.2. Het middel verwijt het hof een "cirkelredenering"(15). De klacht in onderdeel I.4 houdt in dat het hof heeft miskend dat het oordeel dat de vordering in kort geding niet voor toewijzing in aanmerking komt, niet zonder meer meebrengt dat ook de incidentele vorderingen in de bodemprocedure moeten worden afgewezen. De incidentele vorderingen in de bodemprocedure hadden volgens het middel op hun eigen merites moeten worden beoordeeld, waarbij de kans van slagen van het hoger beroep van de neven tegen het vonnis van 17 november 2004 in beginsel buiten beschouwing behoort te blijven.

3.3. Het incident in het hoger beroep in de bodemprocedure betrof, zoals gezegd, een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (art. 351 Rv), en subsidiair een vordering tot zekerheidstelling bij executie (art. 235 Rv). In de rechtspraak over vorderingen tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en, omgekeerd, over vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een reeds bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis, is de rechter gehouden tot een afweging van belangen. Bij deze belangenafweging behoort de kans van slagen van het tegen het desbetreffende vonnis aangewende rechtsmiddel in beginsel(16) buiten beschouwing te blijven(17). Voor de beoordeling van de incidentele vordering tot zekerheidstelling bij de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is evenzeer een belangenafweging vereist. De stelling dat enig restitutierisico bestaat is niet zonder meer toereikend voor toewijzing van een incidentele vordering tot zekerheidstelling(18): bij vrijwel elke uitvoerbaarverklaring bij voorraad is uit de aard der zaak enig restitutierisico aanwezig.

3.4. Indien in kort geding een beslissing moet worden genomen over een gevorderde voorlopige voorziening nadat in de bodemprocedure reeds een vonnis is gewezen, dient de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel. Dit kan het geval zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

3.5. Hieruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat een vordering in kort geding, tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis, wordt afgewezen op grond van dit criterium en dat nadien, in een incident in de bodemprocedure, tóch een belangenafweging plaatsvindt die ertoe leidt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst, althans niet zonder zekerheidstelling zal mogen voortgaan.

3.6. De hierop gebaseerde klacht in het middel baat de neven niet, omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet rechtstreeks overwogen dat de vorderingen in het incident worden afgewezen omdat de vordering in kort geding is afgewezen. Dát zou inderdaad blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft slechts overwogen dat de neven bij hun incidentele vorderingen geen belang meer hebben. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk. Klaarblijkelijk zijn alle door de kinderen opgeëiste tegoeden door de bank na het vonnis van 17 november 2004 afgegeven aan (de raadsman van) de kinderen. Of de afgifte nu juist of onjuist is geweest ten opzichte van de neven, het feit blijft dat de afgifte heeft plaatsgevonden. De afgifte van de tegoeden aan (de raadsman van) de kinderen heeft tot gevolg dat een (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 november 2004 door de kinderen niet te verwachten is. Vanwege dit laatste hebben de neven het belang verloren bij hun incidentele vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging, respectievelijk tot het stellen van zekerheid.

3.7. Onderdeel I.5, dat op de voorgaande klacht voortbouwt, faalt om dezelfde reden. Zelfs al zou het hof de volgorde van behandeling hebben omgedraaid en de incidentele vorderingen in de bodemprocedure in beginsel toewijsbaar hebben geacht na een afweging van belangen, dan neemt dit niet weg dat de incidentele vorderingen niet behoefden te worden toegewezen: in de gegeven feitelijke omstandigheden viel van de zijde van de kinderen geen voortzetting van de executie van het vonnis van 17 november 2004 te verwachten.

3.8. Onderdeel I.6 keert zich in het bijzonder tegen de beslissing in het kort geding. Het hof heeft in rov. 4.4 vooropgesteld dat de kortgedingrechter zich in beginsel dient te richten naar de beslissing van de rechter in de bodemprocedure(19), in dit geval: naar de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 17 november 2004. Dit brengt volgens het hof mee, dat (ook) in dit kort geding ervan moet worden uitgegaan dat niet de neven, maar de kinderen, als erfgenamen van de erflater, rechthebbenden zijn op de omstreden tegoeden bij de ABN Amro-bank. Het hof verbond hieraan deze gevolgtrekking:

"Dit brengt reeds mee dat [lees: de] vordering van de neven (...) tot ongedaanmaking van de afgifte door ABN Amro bank van de tegoeden aan de kinderen (...) door terugstorting van de gelden op de desbetreffende bankrekeningen niet voor toewijzing in aanmerking komt." (rov. 4.5; zie ook rov. 4.6, tweede alinea).

3.9. In het subonderdeel wordt geklaagd dat de vorderingen tot ongedaanmaking van de afgifte (de vordering onder I in het kort geding) en de vorderingen tot schorsing of zekerheidstelling (de vorderingen onder II en III in het kort geding) niet hadden mogen worden afgewezen op de grond dat de rechtbank in de bodemprocedure op bedoelde wijze heeft beslist en/of dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in de bodemprocedure in feite reeds heeft plaatsgevonden.

3.10. Het hof heeft als kortgedingrechter, voor de beantwoording van de vraag of de kinderen een recht hadden op de tegoeden op de desbetreffende rekeningen bij de ABN Amro-bank, een belangrijke betekenis toegekend aan het laatst bekende oordeel van de bodemrechter, in dit geval het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 17 november 2004. Dit geeft, gelet op de aangehaalde jurisprudentie, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De kinderen waren in beginsel gerechtigd tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 17 november 2004: het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis alleen indien daarbij niet is bepaald dat hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd (art. 350 lid 1 Rv).

3.11. Wat het middel in wezen beoogt is een andere afweging van de betrokken belangen. Het door de neven ter toelichting op de klacht aangevoerde belang houdt in dat zij een vordering op de kinderen als erfgenamen van de erflater pretenderen, welke vordering zij vanwege de toepasselijke bevoegdheidsregels aanhangig hebben gemaakt bij de rechtbank te Antwerpen. Zij stellen niet bekend te zijn met een object, waarop die vordering ten laste van de erfgenamen kan worden verhaald. Daarom hebben zij er belang bij, dat een eventuele verplichting van hen tot afgifte van de banktegoeden aan de kinderen wordt opgeschort - c.q. dat de afgifte door de bank van deze tegoeden aan de kinderen wordt teruggedraaid - totdat in de Antwerpse procedure onherroepelijk zal zijn beslist over het bestaan van de door de neven gepretendeerde vordering.

3.12. Het belang van de neven bij de door hen gevorderde voorzieningen is het hof niet ontgaan(20). In de afwijzing van de gevorderde voorzieningen ligt besloten dat het hof dit belang van de neven van minder gewicht heeft geacht dan het belang van de kinderen bij het voortbestaan van een feitelijke toestand die aansloot bij de rechten die de kinderen aan het vonnis van 17 november 2004 konden ontlenen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De redengeving is niet onbegrijpelijk en kan het oordeel dragen. De neven hebben niet gesteld - ook niet in het middelonderdeel - dat op de kinderen een bepaalde rechtsplicht rustte om zich van medewerking aan de afgifte van de banktegoeden aan hen te onthouden, louter op de grond dat hierdoor enig verhaalsbelang van de neven zou (kunnen) worden geschaad. De slotsom is dat onderdeel I geen doel treft. De vraag of de kinderen om een andere reden gehouden waren tot teruggave van de door hen ontvangen banktegoeden, komt hierna aan de orde bij de bespreking van middel II.

3.13. Middel II is gericht tegen de tweede alinea van rov. 4.5, waarin het hof overwoog:

"Het feit dat de ABN Amro bank de gelden - waarop door de kinderen een conservatoir (verhaals)beslag was gelegd - op verzoek van de kinderen (...) heeft afgegeven zonder de neven (...) daarin te kennen (laat staan een opdracht daartoe te hebben ontvangen), heeft wellicht consequenties in het kader van de relatie van de neven (...) tot de bank doch brengt niet mee dat aan de kinderen (...), die krachtens het vonnis van de rechtbank als rechthebbenden op de banktegoeden moeten worden aangemerkt, en derhalve aanspraak hadden op de afgifte daarvan, thans in kort geding kan worden bevolen om de door hen ontvangen gelden terug te storten."

In onderdeel II.3 wordt geklaagd dat deze overweging rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. In onderdeel II.2 wordt gewezen op het door de neven in de feitelijke instanties gevoerde betoog dat de kinderen conservatoire verhaalsbeslagen onder de ABN Amro-bank hadden gelegd (art. 718 e.v. Rv), maar niet een beslag tot afgifte van zaken en levering van goederen (zoals bedoeld in art. 730 e.v. Rv; revindicatoir beslag). De neven voeren in dit verband aan dat het vonnis in de bodemprocedure niet een geldvordering van de kinderen tegen de neven toewijst, maar de neven verplicht tot afgifte. Het middel leidt hieruit af dat de kinderen op basis van dit vonnis de ABN Amro-bank niet tot afgifte van de banktegoeden hadden mogen bewegen, omdat het derdenbeslag onder de bank slechts tot verhaal van een geldvordering diende(21). Nu de afgifte tóch heeft plaatsgevonden, doet de enkele omstandigheid dat de kinderen volgens het - nog niet onherroepelijk geworden - vonnis rechthebbende op de tegoeden zijn, volgens het middel niet af aan hun verplichting tot ongedaanmaking van deze afgifte en in elk geval niet aan de mogelijkheid om in kort geding aan de kinderen de terugstorting van het ontvangen bedrag te bevelen.

3.14. De klacht mist m.i. feitelijke grondslag. Het bestreden arrest is niet gegrond op de redenering dat sprake zou zijn geweest van een revindicatoir beslag ten verzoeke van de kinderen, dat door het vonnis van 17 november 2004 zou zijn omgezet in een executoriale titel op grond waarvan de kinderen de afgifte van de omstreden tegoeden konden afdwingen. Het bestreden arrest is, zoals gezegd, hierop gegrond dat in dit kort geding (op grond van het vonnis van 17 november 2004, dus in de rechtsverhouding tussen de kinderen en de neven) het ervoor moet worden gehouden dat de kinderen de rechthebbenden zijn op deze tegoeden. Daaruit volgt, in de redenering van het hof, dat op de kinderen geen rechtsplicht jegens de neven rustte om de tegoeden, die zij via de ABN Amro-bank in handen hadden gekregen, terug te storten op de rekening van de ABN Amro-bank.

3.15. De onderdelen II.4 - 6 zijn gericht tegen de laatste alinea van rov. 4.5, waarin het hof het beroep van de neven op de nietigheid van het exploot verwerpt. Volgens de neven zou het exploot tot betekening aan hen van het vonnis van 17 november 2004 nietig zijn omdat het is uitgebracht aan het verkeerde parket (dat van de officier van justitie te Amsterdam in plaats van dat van de officier van justitie te 's-Gravenhage)(22). Voor zover het hof van oordeel is dat de neven geen belang hebben bij het beroep op nietigheid (art. 66 Rv), wijst onderdeel II.6 erop dat de neven in hoger beroep hebben aangevoerd dat hen geen afschrift van een exploot van betekening had bereikt; zij waren hierdoor niet in de gelegenheid tijdig passende rechtsmaatregelen te treffen om te voorkomen dat de derde-beslagene de tegoeden zou afgeven(23). Volgens de neven was hiermee hun belang bij hun beroep op de nietigheid van het exploot gegeven.

3.16. Art. 430 lid 3 Rv bepaalt dat executoriale titels niet ten uitvoer kunnen worden gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten. Hierop zijn de gewone regels voor het doen van exploten, neergelegd in afd. 6 van Titel 1 van Boek 1 (art. 45 - 66) Rv van toepassing. Art. 66 lid 1 Rv bepaalt dat de niet-naleving van hetgeen in deze afdeling is voorgeschreven slechts nietigheid meebrengt voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Kennelijk heeft het hof het oog op deze wettelijke bepaling.

3.17. De bestreden overweging geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het nalaten van betekening maakt de executie van een vonnis van de burgerlijke rechter nietig(24). In dit geval is de betekening niet achterwege gebleven, maar volgens de neven ten onrechte geschied aan het parket van de officier van justitie te Amsterdam in plaats van aan het parket van de officier van justitie te 's-Gravenhage. Het doel van een betekening ten parkette is de zekerheid voor degene die opdracht geeft tot betekening dat in Nederland een adres aanwijsbaar is waar het exploot kan worden uitgereikt en dat zekerheid kan worden verkregen over het tijdstip van betekening. Voor degene voor wie het exploot bestemd is, is het belang aan de orde dat hij van de inhoud van het exploot - in dit geval: van het vonnis van 17 november 2004 - op de hoogte geraakt. Het hof is klaarblijkelijk van oordeel dat, met het oog op laatstgenoemd belang, het voor de neven niets uitmaakt of het exploot is uitgereikt aan het parket te Amsterdam dan wel aan het parket te 's-Gravenhage. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De stellingen in feitelijke aanleg gaven het hof geen aanleiding tot een nadere uitwerking van dit oordeel; ook in zoverre is geen sprake van een lacune in de motivering. De slotsom is dat middel II niet tot cassatie leidt.

3.18. Middel III is gericht tegen de laatste alinea van rov. 4.6, waar het hof heeft overwogen dat ook de oorspronkelijke vordering van de neven in kort geding niet voor toewijzing in aanmerking kwam. Onderdeel III.1 gaat met zoveel woorden uit van de veronderstelling dat deze overweging (mede) de beslissing draagt tot afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vordering van de neven. Deze klacht mist feitelijke grondslag. In de laatste alinea van rov. 4.6 spreekt het hof uitsluitend over de vordering van de neven in kort geding zoals deze oorspronkelijk luidde (nl. strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging totdat in de procedure te Antwerpen bij gewijsde zal zijn beslist, respectievelijk tot zekerheidstelling). Deze overweging was nodig in verband met de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg, die volgens het hof in stand kan blijven.

3.19. Voor zover onderdeel III.2 opkomt tegen de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg, faalt de klacht. Het hof heeft de oorspronkelijke vordering in kort geding van de neven beoordeeld aan de hand van de hoofdregel, die in alinea 3.4 hiervoor werd besproken, en daarbij overwogen dat de neven onvoldoende hebben gesteld voor het aannemen van een uitzondering op deze regel. Het hof heeft onderkend dat de neven een concreet belang hadden bij de door hen gevorderde schorsing van de executie van het Amsterdamse vonnis, resp. belang hadden bij een zekerheidstelling in geval van executie van dat vonnis, voor de periode totdat in de Antwerpse procedure bij gewijsde zou zijn beslist, maar het hof heeft dit belang onvoldoende geacht om een uitzondering op de hoofdregel te maken. Die beslissing geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, zeker voor een proceskostenbeslissing, toereikend gemotiveerd.

4. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

4.1. Bij de behandeling van het hoger beroep tegen het kortgedingvonnis hebben de kinderen in reconventie alsnog de opheffing gevorderd van het conservatoir derdenbeslag dat de neven inmiddels hadden gelegd onder de Stichting Beheer Derdengelden Boekel De Nerée (zie alinea 1.17 hiervoor). Het hof heeft deze vordering afgewezen in rov. 4.8. Daarbij heeft het hof de stelling van de kinderen verworpen dat over de vordering die de neven pretenderen (nl. het bestaan van de schuld van de erflater aan hen) reeds een beslissing is genomen in het vonnis van 17 november 2004. Volgens het hof is de `inzet' van de bodemprocedure die tot het vonnis van 17 november 2004 heeft geleid, een andere dan de vordering van de neven.

4.2. De primaire rechtsklacht, in onderdeel 2 van het incidenteel middel, houdt in dat het hof ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat de gepretendeerde vordering van de neven niet de `inzet' vormde van de onderhavige bodemprocedure. Ter toelichting wordt verwezen naar HR 21 december 2001, NJ 2002, 145: volgens het middel kan reeds sprake zijn van gezag van gewijsde indien in een eerdere uitspraak over de desbetreffende rechtsbetrekking een beslissing is gegeven, ook als het geschilpunt toen niet de `inzet' van de procedure was.

4.3. Art. 236 lid 1 Rv (vgl. art. 67 (oud) Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Aan de conclusie van collega Wesseling-van Gent voor het arrest van 21 december 2001 ontleen ik de volgende vuistregels. Het gezag van gewijsde komt toe aan de beslissingen in een vonnis waarin de rechter aan bepaalde feiten bepaalde rechtsgevolgen heeft verbonden, ongeacht of deze beslissingen zijn neergelegd in het dictum dan wel enkel deel uitmaken van de overwegingen in het vonnis. In essentie strekt het leerstuk van gezag van gewijsde ertoe, een einde te maken aan geschillen die in wezen dezelfde rechtsbetrekking betreffen ongeacht welke vorderingen uit hoofde van die rechtsbetrekking geldend worden gemaakt. Onjuist is derhalve het uitgangspunt dat slechts een beroep op het gezag van gewijsde zou kunnen worden gedaan indien in de volgende procedure hetzelfde wordt gevorderd als in de eerdere procedure(25). Niet nodig is dat het desbetreffende punt `allesoverheersend' is geweest(26). De strekking van het gezag van gewijsde brengt mee dat partijen een eerder door de rechter beslist geschilpunt niet telkens opnieuw aan de orde kunnen stellen, zich daarbij beroepend op nieuwe juridische en feitelijke stellingen op grond waarvan thans anders zou moeten worden geoordeeld. Hiervan moet worden onderscheiden het geval dat de vordering wordt herhaald op een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich eerder nog niet had uitgelaten.

4.4. In de onderhavige bodemprocedure ging - en gaat - het om de vraag, wie de rechthebbende is van de omstreden tegoeden op de rekeningen bij de ABN Amro-bank: de erflater, c.q. de kinderen als diens erfgenamen, òf de neven. Omtrent dit geschilpunt is aan de neven bewijs opgedragen. Omdat het bewijs niet is geleverd, heeft de rechtbank in het vonnis van 17 november 2004 de neven veroordeeld tot afgifte van deze tegoeden aan de kinderen. De rechtbank heeft zich niet uitgesproken over de vraag of de kinderen uit hoofde van de gestelde schuld van de erflater enig bedrag verschuldigd zijn aan de neven.

4.5. De stelling van de neven omtrent het bestaan van een schuld van de erflater aan hen heeft in de onderhavige procedure veeleer het karakter van een hulpfeit, d.w.z. een feit dat, indien het komt vast te staan, slechts tezamen met andere feiten of omstandigheden kan bijdragen tot het bewijs van hetgeen bewezen moet worden. Op zichzelf is niet ondenkbaar dat de rechter in een vonnis vaststelt dat een dergelijk hulpfeit - in dit geval: de schuld van de erflater aan de neven - bestaat, ook al heeft die vaststelling niet het door de neven beoogde gevolg gehad, namelijk dat zij - en niet de kinderen als erfgenamen van de erflater - rechthebbende zijn op de banktegoeden.

4.6. Het hof heeft in rov. 4.8 gewezen op zijn eerdere overweging, in het arrest van 5 juni 1997 (rov. 4.18 - 4.20), dat uit de door de neven overgelegde documenten het bestaan van de door hen gestelde schuld van de erflater niet valt af te leiden. Het hof heeft deze overweging niet uitgelegd als een (positieve) vaststelling dat de door de neven gepretendeerde schuld van de erflater niet heeft bestaan, maar als slechts een (negatieve) constatering dat uit de overgelegde documenten het bestaan van de gestelde schuld niet valt af te leiden. Het hof heeft dienovereenkomstig kunnen oordelen dat over de vraag of de gestelde schuld van de erflater, c.q. van de kinderen als diens erfgenamen, aan de neven wel of niet bestaat nog geen onherroepelijke rechterlijke beslissing is genomen.

4.7. In onderdeel 8, in samenhang met de onderdelen 2 - 7 van het incidenteel cassatiemiddel, ligt een motiveringsklacht besloten. De kinderen hebben aandacht gevraagd voor verscheidene, aldaar genoemde passages in de gedingstukken en in de eerdere uitspraken in de bodemprocedure. Zij leiden hieruit af dat de vraag naar het bestaan van de beweerde schuld van de erflater aan de neven uitdrukkelijk onderdeel heeft uitgemaakt van het debat tussen partijen in de bodemprocedure - dit lijkt mij juist - en dat zowel de rechtbank als het hof aan de stellingen ter zake rechtsgevolgen hebben verbonden. Dit laatste lijkt mij minder juist: de beperkte strekking van de eerder gegeven rechterlijke oordelen is in de voorgaande alinea's reeds besproken.

4.8. In de onderdelen 9 en 10 van het incidenteel cassatiemiddel wordt de klacht toegespitst op de overweging in rov. 4.6, dat de neven hun vordering, die thans de inzet vormt van de procedure in Antwerpen, hadden kunnen inbrengen in de bodemprocedure die in Amsterdam werd gevoerd. Hiervoor (alinea 3.18) kwam al aan de orde dat rov. 4.6 uitsluitend betrekking heeft op de juistheid van de proceskostenbeslissing in eerste aanleg. Rov. 4.6 geeft niet de redenen voor de beslissing tot afwijzing van de vordering van de kinderen tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag, dat de neven veel later onder de Stichting Beheer Derdengelden Boekel De Nerée hebben gelegd. De motiveringsklachten van onderdeel 9 treffen daarom geen doel.

4.9. In onderdeel 10 wordt geklaagd over een innerlijke tegenstrijdigheid van rov. 4.6 met rov. 4.8 en 4.9. Ook deze motiveringsklacht faalt. Anders dan het middelonderdeel stelt, brengt de omstandigheid dat het hof in kort geding heeft geweigerd het conservatoir derdenbeslag onder de Stichting op te heffen, geenszins mee dat de kortgedingrechter - in strijd met de in rov. 4.6 bedoelde hoofdregel - ingrijpt in de beslissing in de bodemprocedure. De beslissing dat het conservatoir derdenbeslag, strekkende tot verhaal van de in de Antwerpse procedure gepretendeerde vordering van de neven op de kinderen, kan blijven voortduren is niet onverenigbaar met het oordeel dat er voor de kortgedingrechter onvoldoende grond bestaat om in te grijpen in een (destijds nog uit te spreken en inmiddels op 17 november 2004 uitgesproken) vonnis in de bodemprocedure over de vraag wie van partijen als rechthebbende moet worden beschouwd op de tegoeden op de rekeningen bij de ABN Amro-bank.

4.10. De slotsom is, dat zowel het principaal als het incidenteel cassatieberoep kan worden verworpen.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal en het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 3 en 4.2 - 4.3 van het bestreden arrest, in samenhang met rov. 1 a tot en met h van het vonnis in kort geding van 21 oktober 2004 en rov. 1 a tot en met d van het tussenvonnis van 4 oktober 1995 in de bodemprocedure.

2 Vgl. rov. 3.2 van HR 16 april 1999, NJ 1999, 600.

3 Zie de memorie van eis in het incident d.d. 2 december 2004.

4 Zie de brief van de raadsman van de kinderen aan het hof d.d. 18 februari 2005.

5 Dit beslag werd gelegd tot verhaal van de vordering waarover in Antwerpen wordt geprocedeerd. Het beslag heeft slechts voor een beperkt bedrag doel getroffen (zie rov. 4.3 hof).

6 Zie de akte houdende wijziging van eis ter zitting van 22 april 2005.

7 Zie de brief van de raadsman van de neven d.d. 17 april 2005 aan het hof, met als bijlage de nieuwe tekst van het petitum in kort geding in conventie. Gelet op de omvang van het petitum zal ik met een korte samenvatting volstaan.

8 Voor wat betreft de kort gedingprocedure: binnen acht weken. Zie art. 339 lid 2 in verbinding met art. 402 lid 2 Rv.

9 Blijkens de stelbrieven van de advocaat van de neven hield deze manoeuvre verband met onzekerheid over de vraag of een gezamenlijke dagvaarding in beide zaken mogelijk was. Zie voor de toepasselijke maatstaf: HR 7 maart 1980, NJ 1980, 611 en HR 27 februari 2004, NJ 2004, 239. Ter rolle van de Hoge Raad zijn beide dagvaardingen onder één gezamenlijk rolnummer ingeschreven.

10 CvA in cassatie onder A.II; cassatiedupliek onder 2.

11 Zie voor het onderscheid tussen de diverse categorieën vonnissen o.m.: Asser procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 54 - 60; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 54 - 57 en 274-275.

12 HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510 m.nt. DA onder nr. 511.

13 Het vroegere stelsel liet tussentijds hoger beroep en tussentijds cassatieberoep toe, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Het huidige stelsel verbiedt tussentijds hoger beroep en tussentijds cassatieberoep, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

14 Dat het om dezelfde procespartijen gaat, is wel een strikte voorwaarde: vgl. HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510, reeds aangehaald, rov. 3.3.

15 S.t. blz. 5.

16 Zie over dit "in beginsel": alinea 3 van de noot van H.J. Snijders onder HR 29 april 2005, NJ 2006, 457.

17 HR 19 juni 1992, NJ 1992, 626; HR 28 mei 1993, NJ 1993, 468; HR 3 december 1993, NJ 1994, 189; HR 17 juni 1994, NJ 1994, 591; HR 20 januari 1995, NJ 1995, 413 m.nt. HER; HR 3 november 1995, NJ 1996, 258; HR 29 november 1996, NJ 1997, 684; HR 10 april 1998, NJ 1998, 710 m.nt. JBMV. Overigens is bij de belangenafweging een uitgangspunt dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft verkregen, vermoed wordt het vereiste belang te hebben bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad: HR 27 februari 1998, NJ 1998, 512.

18 Vgl. HR 5 januari 1996, NJ 1996, 334; HR 2 mei 2003, NJ 2004, 291 m.nt. HJS.

19 Vgl. HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 m.nt. WHH; HR 19 mei 2000, NJ 2001, 407 m.nt. HJS, en inmiddels ook HR 30 juni 2006, LJN: AV1559.

20 Zie onder meer in rov. 4.6: "het aangevoerde belang bij de incasso van de vordering die inzet vormt van de Belgische procedure".

21 Daarbij is verwezen naar de pleitnota van de neven in hoger beroep van 22 april 2005 (blz. 5 bovenaan).

22 De redenering van de neven is klaarblijkelijk de volgende: op grond van art. 55 jo. art. 54 lid 4 Rv had de betekening behoren te geschieden aan het parket te 's-Gravenhage. Voor zover de kinderen hebben gemeend dat het exploot een te voeren of aanhangige procedure betreft en om die reden op de voet van art. 55 jo. art. 54 lid 2 Rv kon worden uitgebracht aan het parket te Amsterdam, gaat dit argument volgens de neven niet op; zie ook de cassatierepliek van de neven, punt 10.

23 Bijvoorbeeld het betekenen aan de ABN Amro-bank van een dagvaarding tot schorsing van de executie, zoals bedoeld in het tweede lid van art. 476 Rv.

24 MvT op art. 430 Rv; zie Parl. Gesch. wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6) blz. 88.

25 HR 18 september 1992, NJ 1992, 747.

26 HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413.