Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA0422

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
00357/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA0422
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) houdt niets in omtrent de toepassing van het voorschrift van art. 359.1 Sv, zoals dat luidt na 1 januari 2005, inzake de vermelding van de vordering van het OM in de uitspraak. Aangenomen moet worden dat aan art. 359.1 Sv is voldaan indien de vordering van het OM is weergegeven in dan wel is gehecht aan het pv van de ttz. Geen rechtsregel eist dat die vordering daarnaast wordt opgenomen in de aantekening van het mondeling arrest in het pv van de ttz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 598
RvdW 2007, 668
JOL 2007, 449
NJB 2007, 1487
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00357/06

Mr. Knigge

Zitting: 6 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is op 20 december 2005 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens diefstal veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak 00346/06 (dezelfde verdachte), waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft nagelaten de vordering van de Advocaat-Generaal op te nemen in de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting.

5. Art. 359 lid 1 Sv vereist sinds 1 januari 2005 dat het vonnis de vordering van de Officier van Justitie bevat. Dit voorschrift is van toepassing op de behandeling van de zaak in hoger beroep in zaken waarvan het onderzoek ter terechtzitting na 1 januari 2005 wordt gesloten, en dus ook op de onderhavige zaak.(1) Te verdedigen valt derhalve dat het mondelinge arrest in dit geval ook de vordering van de Advocaat-Generaal diende te bevatten.(2)

6. Een andere vraag is of de aantekening van dat mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting ook de vordering van de Advocaat-Generaal diende te bevatten. Art. 425 lid 4 Sv bepaalt voor zover hier van belang dat die aantekening geschiedt op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen. De stellers van het middel wijzen er terecht op dat de Regeling aantekening mondeling vonnis (Regeling van 2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197, p. 7), die in werking is getreden op 1 november 1996, zowel in de aanhef als in art. 3 gewag maakt van het vervallen art. 426d lid 2 Sv, maar niet van het thans geldende art. 425 lid 4 Sv.(3) De Minister heeft kennelijk nagelaten de Regeling aan de onderhavige wetswijziging aan te passen. Met de stellers van het middel ben ik van oordeel dat het er voor gehouden moet worden dat de Minister van Justitie in art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnis (hierna: de Regeling) de wijze heeft bepaald waarop de in art. 425 lid 4 Sv bedoelde aantekening dient te geschieden.

7. Nu is in genoemd art. 3 niet bepaald dat de aantekening de vordering van de advocaat-generaal dient te bevatten. Dat is door de stellers van het middel onderkend. Zij menen evenwel dat dit eenvoudig het gevolg is van een ander verzuim van de Minister: hij heeft nagelaten de Regeling aan te passen aan de op 1 januari 2005 in werking getreden wijziging van art. 359 lid 1 Sv. De ontstane leemte moet, zo begrijp ik, langs jurisprudentiële weg worden opgevuld.

8. Het argument dat ervan uitgegaan moet worden dat de wijziging van art. 359 Sv niet aan de aandacht van de Minister zal zijn ontsnapt, maar dat hij in die wijziging kennelijk geen reden heeft gezien voor te schrijven dat voortaan ook de in art. 425 lid 4 Sv bedoelde aantekening de vordering van de advocaat-generaal moet vermelden, is niet sterk. Art. 3 sub j van de Regeling, spreekt nog steeds van de motiveringseisen genoemd in art. 359, vierde, zesde, zevende en achtste lid Sv.(4) Men kan zich niet goed voorstellen dat de Minister het niet nodig vindt de regeling aan te passen aan de schrapping van het zevende lid van art. 359 Sv bij dezelfde wetswijzing en aan de vernummering die de leden 8 en 9 (oud) als gevolg daarvan hebben ondergaan. Dat er sprake is van achterstallig onderhoud is dus wel duidelijk. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de Minister bij de noodzakelijke update zal voorschrijven dat de vordering in de aantekening dient te worden vermeld en al helemaal niet dat het op de weg van de Hoge Raad ligt daarop vooruit te lopen. Anders gezegd: dat op dit punt sprake is van een kennelijke misslag van de Minister, is nog maar de vraag.

9. In dit verband is niet zonder betekenis dat de stellers van het middel aan het nieuwe voorschrift een groter belang toekennen dan gerechtvaardigd lijkt. Het nauwe verband dat zij leggen met art. 359 lid 7 (oud) Sv en hun daarop gebaseerde opvatting dat art. 359 lid 1 Sv voorschrijft dat de vordering van het Openbaar Ministerie in de strafmotivering wordt vermeld, vinden naar het oordeel van de Hoge Raad geen steun in het recht.(5)

10. De belangen die met vermelding van de vordering in het vonnis of het arrest worden gediend(6), zijn mijns inziens niet van dien aard, dat moet worden geoordeeld dat het ontbreken van de vordering in de aantekening van het mondeling vonnis strijdt met de beginselen van een goede procesorde. Daarin kan dus geen reden worden gevonden om langs jurisprudentiële weg de verplichting te creëren om de vordering in de aantekening te vermelden.

11. Ook via uitleg van de Regeling zoals die thans luidt, valt een dergelijke verplichting mijns inziens moeilijk te construeren. Ik wijs er daarbij op dat het eveneens in art. 359 lid 1 Sv voorkomende voorschrift om de tenlastelegging in het vonnis op te nemen, in de Regeling is verzacht: met een verwijzing naar de inleidende dagvaarding mag worden volstaan.(7) Waarom dan met betrekking tot het voorschrift dat de vordering wordt vermeld - dat mij van minder gewicht toeschijnt dan het voorschrift de tenlastelegging te vermelden - méér zou moeten worden geëist, valt niet goed in te zien. Als dus de Minister het al wenselijk zou vinden om het nieuwe voorschrift in de Regeling te vertalen, zou de uitkomst wel eens kunnen zijn dat de rechter met een verwijzing naar de overgelegde schriftelijke vordering kan volstaan.

12. Daar komt nog dit bij. Niet voorgeschreven is dat de personalia van de verdachte en de naam van de rechter - toch essentiële gegevens - in de aantekening worden vermeld. De reden ligt voor de hand: vermelding van deze gegevens is overbodig omdat zij reeds in het proces-verbaal zijn opgenomen. Wel nu, in het proces-verbaal dient te worden vermeld dat de advocaat-generaal overeenkomstig art. 415 jo. 311 lid 1 Sv het woord voert en zijn schriftelijke vordering, na voorlezing, overlegt. Indirect wordt dus al in het proces-verbaal van de zitting naar de vordering verwezen. Dikwijls wordt daarbij ook de inhoud van de vordering vermeld. Daarin kan een bijkomend argument worden gevonden om de rechter niet te verplichten de vordering in de aantekening op te nemen of daarnaar in de aantekening te verwijzen. De toegevoegde waarde daarvan zou uiterst beperkt zijn.

13. Dat brengt mij op de voorliggende zaak. In de aantekening mondeling arrest wordt de vordering van de Advocaat-Generaal inderdaad niet vermeld. Wel echter in het proces-verbaal van de zitting, dat inhoudt dat de Advocaat-Generaal een hechtenis van vier weken met aftrek vordert en niet-ontvankelijk verklaring van de nenadeelde partij in haar vordering. Ik heb mij afgevraagd of dat niet betekent dat het middel feitelijke grondslag mist: als het proces-verbaal de inhoud van de vordering vermeldt, is die vordering daar dan niet in aangetekend? Toch geloof ik niet dat die retorisch klinkende vraag bevestigend moet worden beantwoord. De aantekening van het vonnis is als een afgescheiden gedeelte van het proces-verbaal gedacht. Het is daarom dat gezegd kan worden dat de personalia van de verdachte - die in het proces-verbaal staan - niet in de aantekening van het mondeling vonnis behoeven te worden opgenomen. Wel onderstreept het voorgaande het geringe belang dat aan vermelding van de vordering in de aantekening moet worden gehecht.

14. Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het middel ongegrond is omdat de opvatting die daaraan ten grondslag ligt, geen steun vindt in het recht. Voorshands (wijziging van de Regeling kan daarin verandering brengen) is niet vereist dat de vordering van de advocaat-generaal in de aantekening van het mondeling arrest wordt vermeld. Hetzelfde zal hebben te gelden met betrekking tot de vermelding van de eis van de OvJ in de aantekening van het mondeling vonnis.

15. Ook indien de Hoge Raad daarover anders zou oordelen, kan het middel mijns inziens niet tot cassatie leiden. Dan namelijk zal moeten worden geoordeeld dat sprake is van een kennelijke misslag, die in cassatie, gezien de op het spel staande belangen, door verbeterde lezing kan worden hersteld.(8)

16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het onderzoek ter terechtzitting werd in casu op 20 december 2005 gesloten.

2 Vgl. Melai/Groenhuijsen, aant. 3.4 op de artt. 358-359 (suppl. 155).

3 De tweede afdeling van Titel II van het Derde Boek Sv, waartoe art. 426d Sv behoorde, is vervallen bij Wet van 6 december 2001, Stb. 584, inwerkingtreding 1 januari 2002 (Stb. 2001, 621). Bij dezelfde Wet is art. 425 Sv in werking getreden.

4 Zie ook art. 1 sub h en art. 2 sub h van de Regeling.

5 Zie het de stellers van het middel (naar ik aanneem) inmiddels welbekende HR 19 december 2006, LJN AZ1690.

6 Kortheidshalve veroorloof ik mij hier een verwijzing naar mijn conclusie voorafgaand aan HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 551.

7 Artt. 1 sub a, 2 sub a en 3 sub c.

8 Vgl. HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 550 en HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 551.