Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ9874

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
R06/043HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ9874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antillenzaak; incasso van studieleningsvorderingen. Toegewezen vordering tot terugbetaling van studieschulden op grond van art. 18 en 15 Landsstudietoelagenregeling; inningsbevoegdheid; bekrachtiging van onbevoegdelijk verrichte rechtshandelingen; bevrijdende verjaring, stuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 319
RvdW 2007, 490
NJB 2007, 1125
JWB 2007/176
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/043HR

mr. Keus

Zitting 2 maart 2007

Conclusie inzake:

[Eiser](1)

verzoeker tot cassatie

tegen

Stichting Studiefinanciering Curaçao

(hierna: SSC)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vraag of SSC de verjaring van de vordering van de Openbare Rechtspersoon de Nederlandse Antillen (hierna: het Land) op [eiser] ter zake van de aan deze verstrekte studietoelage kon stuiten, in een stadium waarin de op grond van het Comptabiliteitslandsbesluit(2) vereiste machtiging tot inning nog niet was geformaliseerd.

1. Feiten(3) en procesverloop

1.1 Bij inleidend verzoekschrift van 19 april 2004, op 21 april 2004 ingekomen ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het gerecht), heeft SSC gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van een hoofdsom van € 16.588,39, te vermeerderen met de contractuele rente (van 10 %) vanaf 15 december 2001 tot de dag der algehele voldoening, alsmede de incassokosten en omzetbelasting, kosten rechtens, waaronder begrepen de griffierechten en zegelkosten.

1.2 SSC heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het Land bij Ministeriële Beschikking van 7 oktober 1986 aan [eiser] een studielening heeft toegekend om in Nederland de studie Farmacie te volgen. Het Land heeft SSC opgedragen de door het Land verstrekte studiegelden terug te vorderen. Volgens SSC heeft zij de verjaring van de vordering bij brief van 9 november 2001, betekend bij deurwaardersexploot van 15 november 2001, gestuit en heeft [eiser] zich verbonden tot terugbetaling van de schuld. [Eiser] is naast de hoofdsom een rente van 10% per jaar verschuldigd. Die rente wordt gevorderd vanaf 15 december 2001, zijnde 30 dagen nadat de brief van 9 november 2001 aan [eiser] is betekend. De hoofdsom is voorts vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en omzetbelasting, nu [eiser] ondanks aanmaning en ingebrekestelling heeft geweigerd te betalen.

1.3 [Eiser] heeft als verweer gevoerd dat SSC niet tot inning bevoegd is en dat de door SSC verzonden en betekende brief de verjaring niet heeft gestuit, zodat de vordering is verjaard. Na verdere conclusiewisseling heeft het gerecht bij vonnis van 31 januari 2005 de vordering van SSC toegewezen, met dien verstande dat het gerecht ter zake van de rente tot en met 19 april 2004 een bedrag van € 4.180,32 heeft toegewezen en [eiser] voorts tot betaling van de overeengekomen rente over de hoofdsom vanaf 20 april 2004 tot de dag van voldoening heeft veroordeeld.

1.4 [Eiser] is door indiening op 1 maart 2005 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het gerecht van het vonnis van 31 januari 2005 bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen. Bij afzonderlijke memorie van grieven van 30 maart 2005, ingediend op 31 maart 2005, heeft hij negen grieven aangevoerd, deze toegelicht en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van SSC zal afwijzen, met veroordeling van SSC in de kosten van beide instanties. SSC heeft een memorie van antwoord ingediend, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Partijen hebben vervolgens pleitnotities overgelegd, waarna het hof bij vonnis van 10 januari 2006 het bestreden vonnis van het gerecht heeft bevestigd.

1.5 [Eiser] heeft van het vonnis van het hof - tijdig(4) - beroep in cassatie ingesteld. SSC heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat acht onderdelen (A-H). Onderdeel A voert aan dat SSC onbevoegd was de inning van de vordering (voor zover deze bestaat) op zich te nemen. Het Land had dit zelf moeten doen. Het onderdeel betoogt dat inning van een verleende studietoelage in geval van een afgebroken studie zonder geldige reden ingevolge art. 18 lid 4 jo art. 15 lid 2 van de Landsstudietoelagenregeling(5) door middel van een dwangschrift dient plaats te vinden. Volgens het onderdeel is volkomen onduidelijk waarom deze bijzondere en exclusieve rechtsgang niet is gevolgd, waarbij het onderdeel nog aantekent dat de kosten van het volgen daarvan, zowel voor het Land als voor [eiser], aanzienlijk lager zouden zijn geweest dan die van de onderhavige procedure.

2.2 Art. 18 Landsstudietoelagenregeling bepaalt:

"Artikel 18

1. De Minister trekt de studietoelage in:

a. (...)

b. (...)

c. indien de studie zonder geldige redenen wordt afgebroken."

2. (...)

3. In de gevallen als voorzien onder b en c van het eerste lid van dit artikel zijn de ouders en de student, indien hij meerderjarig is, hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van hetgeen het Land voor de student heeft uitbetaald aan studietoelage, uitrustings- en toezichtkosten, alsmede aan reiskosten, vermeerderd met tien ten honderd en verminderd met de eventuele eigen bijdrage."

4. De Directeur van het Departement van Financiën verstrekt een opgave van het bedrag dat ingevolge het derde lid van dit artikel verschuldigd is, aan de landsontvanger. Het tweede lid van artikel 15 is hierbij van toepassing."

Art. 15 van die regeling bepaalt:

"Artikel 15

1. Zodra de studietoelage is verleend, verstrekt de Directeur van het Departement van Financiën een opgaaf van het bedrag der eigen bijdrage aan de landsontvanger, met vermelding van de betalingstermijnen en de vervaldata.

2. De landsontvanger kan dit bedrag zonodig door middel van een dwangschrift invorderen. De bepalingen van de landsverordening van de 31ste december 1942, houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoeding (P.B. 1958, no. 164), zijn hierbij van toepassing."

2.3 Anders dan het onderdeel lees ik in deze bepalingen niet dat inning van een verleende studietoelage in een geval als het onderhavige door middel van een dwangschrift moet geschieden. Art. 15 lid 2 bepaalt immers dat de landsontvanger het bedrag zonodig door middel van een dwangschrift kan invorderen. Deze formulering laat mijns inziens ruimte voor andere methoden van inning naast invordering door middel van een dwangschrift. Ook uit de verwijzing in art. 15 lid 2 naar de regeling voor dwangschriften vloeit het tegendeel niet voort, nu deze verwijzing slechts van belang is, indien voor invordering door middel van een dwangschrift van het ter zake van studietoelagen verschuldigde bedrag wordt gekozen.

Overigens teken ik aan dat ook naar Nederlands recht de in bijzondere wetten voor andere instanties dan de fiscus geopende mogelijkheid om verschuldigde bedragen bij wege van dwangbevel in te vorderen, van oudsher niet als exclusief pleegt te worden opgevat. In dit verband kan onder meer worden gewezen op HR 9 oktober 1987, NJ 1988, 869, m.nt. MS, waarin de Hoge Raad de door art. 155 (oud) Gemeentewet geboden mogelijkheid om de kosten van de uitoefening van politiedwang bij wege van dwangbevel in te vorderen, niet exclusief oordeelde, waarbij hij mede betekenis toekende aan de "kan"-formulering van de betrokken bepaling. Dat de weg naar de burgerlijke rechter, zelfs nadat reeds dwangbevelen zijn uitgevaardigd, niet definitief is gesloten, blijkt onder meer uit HR 17 september 1993, NJ 1994, 118, m.nt. HER, met betrekking tot art. 15 van de inmiddels vervallen(6) Coördinatiewet Sociale Verzekering, op grond waarvan de invordering van door de werkgever verschuldigde premies bij een door het uitvoeringsorgaan uit te vaardigen dwangbevel kon geschieden. In zoverre verschilde de positie van zulke derden van die van de ontvanger, die (naar aan het slot van onderdeel C op zichzelf overigens terecht wordt gereleveerd) ingevolge de (oude) Invorderingswet (de wet van 22 mei 1845 op de invordering van 's Rijks directe belastingen, Stb. 1926, 334) geen andere middelen mocht toepassen dan die welke hem in die wet ter beschikking waren gesteld, maar aan wie sinds de invoering van de Invorderingswet 1990 op grond van art. 3 lid 2 van die wet ook alle invorderingsmogelijkheden van een gewone schuldeiser toekomen(7). Of het systeem van de Nederlands-Antilliaanse regeling ter zake van invordering(8) als gesloten, zoals dat van de (oude) Invorderingswet, dan wel juist als open, zoals dat van de Invorderingswet 1990, moet worden opgevat, kan verder in het midden blijven, nu die regeling niet rechtstreeks op de inning van studietoelagen van toepassing is en slechts toepassing vindt als de landsontvanger, gebruik makende van de "kan"-bepaling van de Landsstudietoelagenregeling, voor invordering door middel van een dwangschrift kiest.

Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, aan het volgen van de door hem voor exclusief gehouden rechtsgang lagere kosten dan aan de onderhavige procedure zijn verbonden, kan ik ten slotte niet onderschrijven. Gelet op het (ook inhoudelijke) verweer dat [eiser] in de onderhavige procedure heeft gevoerd, ligt alleszins voor de hand dat hij tegen een invordering bij wege van dwangschrift verzet zou hebben gedaan bij het gerecht en (in voorkomend geval) in hoger beroep bij het hof (zie art. 4 van de in voetnoot 8 genoemde landsverordening), in welk geval niet minder gerechtelijke kosten voor hem zouden zijn opgekomen.

2.4 Onderdeel B, dat lijkt op te komen tegen de rov. 4.2-4.7 (in het bijzonder de rov. 4.6-4.7), betoogt dat de vordering is verjaard, nu SSC, die daartoe op dat moment niet bevoegd was, de stuitingsbrief van 9 november 2001, betekend bij deurwaardersexploot van 15 november 2001, heeft doen uitgaan. Zoals uit de brief van de landsontvanger van 12 december 2001(9) blijkt, was de inningsbevoegdheid destijds immers niet aan SSC gemandateerd; dat is, aldus het onderdeel, pas bij Landsbesluit van 23 maart 2005 geregeld. De onderdelen E en F, kennelijk eveneens gericht tegen de rov. 4.6-4.7, betogen dat een zodanige mandatering of machtiging met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

2.5 Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen als volgt overwogen:

"4.2 Het Hof zal eerst ingaan op de grieven die zien op de bevoegdheid van de stichting om studieschulden als de onderhavige (langs civielrechtelijke weg) te innen en de verjaring van een dergelijke schuld te stuiten.

4.3 Bij memorie van antwoord heeft de stichting overgelegd een Landsbesluit van 23 maart 2005, no. 1, no 1628/RNA waarin is bepaald:

"(...) Op voordracht van de Minister van Onderwijs en Cultuur;

Overwegende:

dat op grond van de artikelen 15 en 22 van de "Landsstudietoelagenregeling" (P.B. 1961 no. 78) de invordering van de aldaar genoemde gelden geschiedt door de landsontvanger;

dat op grond van artikel 8 van het "Comptabiliteitsbesluit" (P.B. 1957 no. 58) alle ontvangsten ten bate van de begroting worden geïnd door landsontvangers;

dat het eerste lid van artikel 9 van vermeld landsbesluit bepaalt, dat in bijzondere gevallen de Minister van Financien andere, dan de in artikel 8 bedoelde ambtenaren, kan machtigen tot het innen van ontvangsten;

dat in evenaangehaald artikellid tevens is bepaald, dat ingeval deze landsdienaren niet onder de Minister van Financien ressorteren, zulk een machtiging wordt verstrekt in overleg met de betrokken Minister;

dat de Landsontvanger op Curaçao reeds bij brief van 12 oktober 2001 aan de Stichting Studiefinanciering Curaçao, hierna te noemen SSC, kenbaar heeft gemaakt voor de inning van de eigen bijdrage en studieleningen als hiervoren bedoeld gebruik te willen maken van de diensten en deskundigheid van de SSC;

dat de SSC hiertegen geen bezwaren heeft;

dat ter realisering van bedoeld doel en ter voldoening aan de bepalingen van het Comptabiliteitsbesluit (...) er aanleiding bestaat mevrouw drs. Joyce Fidelia Nahr (...) in 's Lands dienst te benoemen, met vergunning tegen betaling werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de SSC en met bepaling, dat de personeelskosten voortvloeiende uit haar benoeming in 's Lands dienst niet ten laste komen van het Land;

dat de benoeming in 's Lands dienst van mevrouw drs. Nahr, voornoemd, van tijdelijke aard zal zijn, aangezien het Land voornemens is de werkzaamheden verband houdende met het verlenen van studiefinanciering over te dragen aan de eilandgebieden;

(...)

Heeft goedgevonden:

1. Gerekend te zijn ingegaan 12 oktober 2001 en tot 12 oktober 2007 mevrouw drs. Joyce Fidelia Nahr, werkzaam bij de Stichting Studiefinanciering Curaçao (...) te benoemen tot administrateur in tijdelijke dienst bij het Ministerie van Onderwijs en Cultuur, Directie Onderwijs, Sport en Cultuur (...)"

4.4 Bij Ministeriële Beschikking van 23 maart 2005, no 1628/RNA heeft de Minister van Financiën, handelende in overleg met de Minister van Onderwijs en Cultuur besloten:

"Gerekend te zijn ingegaan 12 oktober 2001 en tot 12 oktober 2007 mevrouw drs. Joyce Fidelia Nahr (...) administrateur in tijdelijke 's Lands dienst, alhier, (...) te machtigen tot het innen van de gelden, bedoeld in de artikelen 15 en 22 van de Landsstudietoelagenregeling (...) zulks met het recht zich door anderen, waaronder de Stichting Studiefinanciering Curaçao, te doen bijstaan daaronder mede begrepen de mogelijkheid anderen op te dragen tot bovenbedoelde inning over te gaan en, waar nodig, gerechtelijke procedures te (doen) voeren; (...)."

4.5 [Eiser] heeft tegen het Landsbesluit en de Ministeriële Beschikking als hierboven aangehaald aangevoerd dat ze in strijd met de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht en het Comptabiliteitsbesluit en dat de inningsbevoegdheid niet met terugwerkende kracht geregeld mocht worden.

4.6 Het Hof overweegt als volgt. In zijn vonnis van 15 november 2005, nummer 502 (Stichting Studiefinanciering Curaçao tegen [...], AR 558/03 - H. 144/05) heeft het Hof geoordeeld dat met terugwerking tot 12 oktober 2001 geformaliseerd is dat de incasso van studieleningsvorderingen kan geschieden door Joyce Fidelia Nahr of in haar opdracht door de stichting, hetgeen naar vaste rechtspraak in beginsel meebrengt dat de stichting ook op eigen naam in rechte kan optreden. Daarbij is het betoog dat de terugwerkende kracht in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Het Hof ziet geen reden om op die beslissing terug te komen. Daarbij merkt het Hof volledigheidshalve nog op dat uit het onder 4.3 aangehaalde Landsbesluit genoegzaam blijkt dat de inningsbevoegdheid conform artikel 9 van het Comptabiliteitsbesluit is overgedragen. Het feit dat mogelijkerwijs bepaalde bepalingen van het Comptabiliteitsbesluit betreffende de machtiging tot ontvangst en de periodieke afdracht zijn geschonden, doet daarbij niet terzake nu die bepalingen niet dienen ter bescherming van het belang van [eiser]. Hetzelfde geldt voor een mogelijke strijdigheid met de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom artikel 5 van die Landsverordening in de weg zou staan aan een benoeming voor 6 jaren. Ten aanzien van de terugwerkende kracht merkt het Hof tot slot nog op dat de stelling van [eiser] dat aan niet van de formele wetgever afkomstige regelgeving nimmer terugwerkende kracht kan worden verleend, geen steun vindt in het recht (zie HR 25 maart 1988, NJ 1990, 233).

4.7 Het voorgaande brengt met zich dat de stichting ook bevoegd was de verjaring bij brief van 9 november 2001, door de deurwaarder aan [eiser] betekend op 15 november 2001, te stuiten. Ingevolge artikel 3:307 BW jo. artikel 8 van de Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek (P.B. 2000, no. 119) liep de verjaringstermijn af op 1 januari 2002, zodat de verjaring bij voormelde brief tijdig is gestuit. [eiser]s beroep op verjaring van de vordering is derhalve terecht door het GEA verworpen."

2.6 Het uitgangspunt van het onderdeel is dat SSC ten tijde van de op 15 november 2001 betekende stuitingsbrief van 9 november 2001 niet tot invordering bevoegd was, nu eerst bij Landsbesluit van 23 maart 2005 in mandaat (een machtiging tot inning) werd voorzien. Dit laatste is slechts in zoverre juist, dat, nadat mevrouw drs. Nahr bij landsbesluit van 23 maart 2005(10), maar over de periode van 12 oktober 2001 tot 12 oktober 2007, door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen tot administrateur in tijdelijke dienst bij het Ministerie van Onderwijs en Cultuur was benoemd, zij bij ministeriële beschikking van 23 maart 2005(11), maar "(g)erekend te zijn ingegaan 12 oktober 2001 en tot 12 oktober 2007" is gemachtigd tot het innen van de gelden, bedoeld in de art. 15 en 22(12) van de Landsstudietoelagenregeling, "zulks met het recht zich door anderen, waaronder de Stichting Studiefinanciering Curaçao, te doen bijstaan daaronder mede begrepen de mogelijkheid anderen op te dragen tot bovenbedoelde inning over te gaan en, waar nodig, gerechtelijke procedures te (doen) voeren." Benoemings- en machtigingsbesluit pretenderen terugwerkende kracht tot en met 12 oktober 2001. Zouden beide besluiten in zoverre civielrechtelijk effect sorteren, dan zouden mevrouw drs. Nahr en de SSC, voor zover deze laatste in haar opdracht handelde, ten tijde van de stuitingsbrief en de betekening daarvan, retrospectief tot inning bevoegd zijn geweest, en zou het onderdeel al om die reden falen.

2.7 In verband met het voorgaande is van belang dat de onderdelen E en F klagen dat mandatering (machtiging) met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

Bij de bespreking van beide onderdelen stel ik voorop dat het in de onderhavige zaak erom gaat of uit hoofde van een op 23 maart 2005 (maar met een pretentie van terugwerkende kracht tot en met 12 oktober 2001) verleende machtiging tot het innen van ontvangsten, een en ander in de zin van art. 9 lid 1 Comptabiliteitslandsbesluit, reeds op 9 c.q. 15 november 2001 een stuitingshandeling kon worden verricht die het beoogde civielrechtelijke effect sorteerde.

Ik meen (en in zoverre ben ik het eens met SSC; zie schriftelijke toelichting mr. Van Wijk onder 4.5) dat het althans naar de terminologie van de (Nederlandse) Awb (in de op 1 december 2001 in werking getreden Landsverordening administratieve rechtspraak(13) wordt de rechtsfiguur van het mandaat niet geregeld) minder juist is in dit verband van een mandaat te spreken. Bij een mandaat in de zin van de Awb gaat het om de bevoegdheid namens een bestuursorgaan besluiten te nemen (art. 10:3 Awb); in het bijzonder waar privaatrechtelijke rechtshandelingen of andere handelingen dan besluiten en privaatrechtelijke rechtshandelingen aan de orde zijn (vgl. art. 10:12 Awb), dient de rechtsfiguur van machtiging van die van het mandaat te worden onderscheiden. Alhoewel op voorhand niet valt uit te sluiten dat in verband met de inning van ontvangsten ook (bestuursrechtelijk relevante) besluiten worden genomen en alhoewel evenmin valt uit te sluiten dat aanvankelijk is beoogd SSC in de hiervoor bedoelde zin (rechtstreeks) te mandateren, is dat laatste uiteindelijk niet gebeurd en is, kennelijk om binnen de door art. 9 lid 1 Comptabiliteitslandsbesluit getrokken grenzen te blijven, voor de verlening van een machtiging met inachtneming van die bepaling gekozen.

Art. 9 lid 1 Comptabiliteitslandsbesluit bepaalt niet meer dan dat de Minister van Financiën in bijzondere gevallen een machtiging aan andere landsdienaren dan de landsontvanger kan verlenen. Anders dan SSC, die betoogt dat de ministeriële beschikking van 23 maart 2005 waarin de machtiging is vervat als een zogenaamde "ministeriële beschikking met algemene werking" in de zin van art. 2 sub 3e onder g van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen(14) moet worden opgevat en die daaruit afleidt dat voor de effecten van de gepretendeerde terugwerkende kracht slechts van belang zou zijn of is voldaan aan de voorwaarden die de rechtspraak aan terugwerkende kracht van lagere regelgeving stelt (zie schriftelijke toelichting mr. Van Wijk onder 4.8-4.9), meen ik dat in art. 9 lid 1 Comptabiliteitslandsbesluit, hoezeer ook een machtiging als daarin bedoeld een bevoegdheid tot inning voor een onbeperkt aantal gevallen jegens een onbepaalde groep personen kan scheppen, onmogelijk een delegatie van regelgevende bevoegdheid kan worden gelezen, laat staan een bevoegdheid om te derogeren aan hetgeen ter zake van machtigingen op grond van het BWNA geldt. Daarbij wijs ik er overigens op dat reeds de aanduiding "ministeriële beschikking", zoals gebruikt in verband met de litigieuze machtiging van 23 maart 2005, sedert de inwerkingtreding van de Landsverordening administratieve rechtspraak (op 1 december 2001) in een andere richting wijst. Op grond van art. 3 lid 1 van die verordening wordt onder beschikking immers verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is. Naar mag worden aangenomen, wordt de term "beschikking" sedert de inwerkingtreding van de Landsverordening administratieve rechtspraak nog slechts in laatstbedoelde zin gehanteerd. Of een machtiging met terugwerkende kracht civielrechtelijk effect kan sorteren, dient mijns inziens primair aan de hand van het BWNA, aan de bepalingen waarvan de Minister van Financiën, zoals gezegd, niet op grond van art. 9 lid 1 Comptabiliteitslandsbesluit kan derogeren, te worden beantwoord. Daarnaast is als afzonderlijke vraag denkbaar (maar naar mijn mening niet door het cassatiemiddel aan de orde gesteld) of het de Minister van Financiën steeds vrijstaat om, zo dit civielerechtelijk al mogelijk zou zijn, een machtiging met terugwerkende kracht te verlenen, in welk verband de rechtspraak over de toelaatbaarheid van terugwerkende kracht van lagere regelgeving wellicht als leidraad zou kunnen dienen.

In de onderdelen E en F lees ik de categorische stellingname dat een machtiging met terugwerkende kracht over het verleden geen effect kan sorteren ("onbestaanbaar" is). Alhoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat het Antilliaanse recht, evenmin als het Nederlandse recht, een machtiging met terugwerkende kracht als zodanig toelaat, kan zijn opvatting niet worden aanvaard. Het ligt immers voor de hand een machtiging met terugwerkende kracht op te vatten als een bekrachtiging, welke rechtsfiguur het Antilliaanse recht (in art. 3:69 BWNA), evenals het Nederlandse recht (in art. 3:69 BW), wèl kent. Met haar werking als bekrachtiging maakt een machtiging met terugwerkende kracht de in haar benaming besloten liggende pretenties slechts in zoverre niet waar, dat daardoor de in het verleden verrichte rechtshandeling niet alsnog, retrospectief, geldt als bevoegdelijk te zijn verricht, maar dat zij die rechtshandeling het (rechts)gevolg verschaft, alsof dit laatste het geval was. Al om die reden kunnen de onderdelen E en F, en daarmee ook onderdeel B, niet slagen. Ik voeg daaraan nog toe dat ook daarom alleszins voor de hand ligt het bestreden vonnis vanuit het perspectief van de toegelaten rechtsfiguur van de bekrachtiging te beoordelen, nu het hof zich niet van de kwalificatie machtiging of mandatering met terugwerkende kracht heeft bediend, maar, heel in het algemeen, van het met terugwerkende kracht regelen van de inningsbevoegdheid (rov. 4.5) en van het met terugwerkende kracht formaliseren dat de incasso van studieleningsvorderingen door Joyce Fidelia Nahr of in haar opdracht door SSC kan geschieden (rov. 4.6), heeft gesproken.

In verband met de rechtsfiguur van de bekrachtiging doet zich nog wel de complicatie voor dat zij geen gevolg heeft indien op het tijdstip waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds te kennen heeft gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat geen toereikende volmacht was verleend (art. 3:69 lid 3 BWNA; vergelijk art. 3:69 lid 3 BW). [Eiser] heeft aan zijn cassatieberoep echter niet (mede) ten grondslag gelegd dat bekrachtiging van een onbevoegdelijk verrichte stuiting met terugwerkende kracht weliswaar in de regel mogelijk is, maar dat zich in dit geval de uitzondering van art. 3:69 lid 3 BWNA voordeed en dat het hof zulks heeft miskend. [eiser] heeft de beperkingen die de wet aan een bekrachtiging stelt noch in zijn cassatierekest(15), noch overigens bij schriftelijke toelichting of (naar aanleiding van de schriftelijke toelichting van SSC, waarin uitdrukkelijk op de mogelijkheid van een bekrachtiging is gewezen en bovendien het standpunt is ingenomen dat de uitzondering van art. 3:69 lid 3 BWNA zich in het gegeven geval niet kon voordoen(16)) bij repliek ter sprake gebracht.

Voor zover onderdeel F, in verband met het kennelijke oordeel van het hof dat aan een bekrachtiging wel degelijk rechtsgevolgen met terugwerkende kracht kunnen toekomen, klaagt dat de enkele verwijzing naar het vonnis van het hof van 15 november 2005, nummer 502 (SSC tegen [...], AR 558/03 - H. 144/05)(17), niet ter motivering van dat oordeel volstaat ("de zaak niet verduidelijkt"), faalt het evenzeer, nu niet met succes over de motivering van een rechtsoordeel kan worden geklaagd.

Ten slotte wijs ik erop dat SSC het belang van [eiser] bij de klachten van de onderdelen B, E en F heeft betwist op de grond dat het beroep van [eiser] op verjaring hoe dan ook (los van de bestaanbaarheid van een machtiging met terugwerkende kracht) niet kan slagen. SSC heeft zich in dat verband onder meer op een ten tijde van de litigieuze stuiting in materieel opzicht reeds voltooide machtiging, op een stuitingshandeling "van de zijde van het Land"(18) en op een behoorlijke zaakwaarneming beroepen (schriftelijke toelichting mr. Van Wijk onder 4.18-4.29). Afgezien van de reeds besproken mogelijkheid van een bekrachtiging, die SSC eveneens in dat verband heeft opgevoerd (schriftelijke toelichting mr. Van Wijk onder 4.22-4.23), laat ik de verschillende door SSC verdedigde opties verder buiten beschouwing, reeds omdat zij nadere feitelijke vaststellingen vergen waartoe het geding in cassatie zich niet leent. Dat neemt overigens niet weg dat die mogelijkheden, zou het cassatieberoep van [eiser] slagen, alsnog aan de orde zullen moeten komen.

2.8 De onderdelen C en H, die kennelijk zijn gericht tegen rov. 4.10, klagen dat SSC in strijd met haar statuten, meer in het bijzonder met de doelomschrijving in art. 2 lid 1, heeft gehandeld. De genoemde bepaling luidt aldus:

"DOEL

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel het op basis van de desbetreffende publiekrechtelijke verordeningen toekennen van studiefinancieringsactiviteiten aan ingezetenen van het Eilandgebied Curaçao alsmede het verstrekken, beheren en innen van verstrekte studieleningen en het aantrekken van de daarvoor benodigde middelen, zomede al hetgeen daarmede verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn."

Volgens onderdeel C kan SSC dit doel slechts verwezenlijken vanaf de datum dat SSC bestaat, te weten 27 december 1999. Bovendien, zo stellen onderdelen de C en H, volgt uit de doelomschrijving dat SSC alleen die studieleningen kan innen, die zij zelf eerst heeft verstrekt.

2.9 Het hof heeft in rov. 4.10 geoordeeld dat in art. 2 lid 1 van de statuten van SSC de bevoegdheid om studieleningen te innen met zoveel woorden is opgenomen, terwijl niet blijkt dat het daarbij alleen om door SSC zelf verstrekte leningen zou mogen gaan. Dat oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, nu de uitleg van statuten van feitelijke aard is en derhalve aan de feitenrechter is voorbehouden(19). Het oordeel is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De formulering "verstrekte studieleningen" is immers zodanig ruim dat daaronder zowel door SSC als door het Land verstrekte studieleningen kunnen worden begrepen.

2.10 Voor zover onderdeel C met een beroep op het gesloten systeem van de oude (Nederlandse) Invorderingswet klaagt dat de verstrekte studietoelage ingevolge art. 15 lid 2 van de Landsstudietoelagenregeling door middel van een dwangschrift had moeten worden ingevorderd, vond het hiervóór (onder 2.3) bij de bespreking van onderdeel A reeds weerlegging.

2.11 De onderdelen D en G bestrijden het oordeel in rov. 4.9 (i) dat vaststaat dat [eiser] een studielening heeft ontvangen nu hij zulks in eerste aanleg heeft erkend en (ii) dat, gelet op die erkentenis, kan worden voorbijgegaan aan de bij memorie van grieven geponeerde stelling dat het ontbreken van een leningsovereenkomst ruimte laat voor de mogelijkheid dat van een beurs en dus een schenking sprake is. De onderdelen voeren daartoe aan dat [eiser] slechts heeft erkend dat hij een studietoelage heeft ontvangen, niet een studielening, dat er geen overeenkomst is geproduceerd die een lening aantoont, dat de beslissing van de Minister van 7 oktober 1986 slechts spreekt van een studietoelage en dat zijn ouders geen bijdragen hebben behoeven te leveren. In de schriftelijke toelichting heeft [eiser] hieraan nog toegevoegd dat van een schenking sprake is, nu minister Frank Rozendal [eiser] in een persoonlijk gesprek heeft aangeboden dat [eiser] zijn studie op kosten van de Nederlands-Antilliaanse overheid in Nederland zou kunnen voltooien.

2.12 De beide onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof, dat met voorbijgaan aan de in de memorie van grieven geponeerde stelling dat mogelijk van een schenking sprake is, heeft vastgesteld dat [eiser] een studielening heeft ontvangen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. [eiser] heeft immers in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg, onder 2, uitdrukkelijk de waarheid erkend van de stelling van SSC dat aan hem een studielening voor de studie Farmacie is toegekend ("[eiser] kan de stelling inzake de toekenning van een studielening aan hem voor de studie Pharmacie erkennen."). Ingevolge art. 133 lid 1 (oud) jo art. 128 lid 1 (oud) RvNA maakt een dergelijke gerechtelijke erkentenis bewijslevering overbodig. De partij die een gerechtelijke erkentenis heeft gedaan is daaraan gebonden (ook in latere instanties), tenzij hij op de voet van art. 133 lid 2 (oud) RvNA aannemelijk maakt dat de erkentenis door dwaling of niet in vrijheid is afgelegd(20). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de door [eiser] bij conclusie van dupliek en memorie van grieven geponeerde stellingen niet als een zodanige, op dwaling of dwang gegronde herroeping van de eerdere erkentenis opgevat.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In de vonnissen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 31 januari 2005 en van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 januari 2006 wordt de naam van verzoeker tot cassatie als "[eiser]" geschreven; uit een uittreksel uit de Basisadministratie (prod. 1 bij het inleidende verzoekschrift) volgt echter dat de in het cassatierekest gevolgde schrijfwijze "[eiser]" de juiste is.

2 Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 16de April 1957 ter uitvoering van de Comptabiliteitslandsverordening (P.B. 1953, no. 1), P.B. 1957, no. 58.

3 Zie rov. 1.1 van het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 10 januari 2006 jo de rov. 1-2.2 van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van 31 januari 2005 en de gedingstukken.

4 Het verzoekschrift tot cassatie is op 10 april 2006 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De cassatietermijn bedraagt drie maanden (art. 4 Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba).

5 Landsverordening van de 8ste mei 1961 tot regeling van de toekenning van landsstudietoelagen, P.B. 1961, no. 78.

6 De Coördinatiewet Sociale Verzekering is vervallen met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen van 16 december 2004, Stb. 2005, 37.

7 Zie J.J. Vetter, P.J. Wattel en M.H.M. van Oers, Invordering van belastingen (2005), p. 6-7.

8 Landsverordening van de 31ste december 1942 houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen (P.B. 1942, no. 246), zoals deze luidt na de daarin bij landsverordening van de 21ste oktober 1958 (P.B. 1958, no. 140) aangebrachte wijzigingen (P.B. 1958, no. 164).

9 Bedoeld zal zijn de als prod. 1 bij de conclusie van repliek overgelegde brief van 12 oktober 2001, waarin de landsontvanger in de laatste alinea van "het te formaliseren mandaat" en "het door SSC opgestelde concept-contract" spreekt.

10 Prod. 1 bij de memorie van antwoord.

11 Prod. 2 bij de memorie van antwoord.

12 Het cassatiemiddel stelt niet aan de orde dat in het onderhavige geval de inning voortvloeit uit een intrekking van de studietoelage op grond van art. 18 van de Landsstudietoelagenregeling. Overigens ligt het voor de hand dat het machtigingsbesluit, ondanks de verwijzing naar de gelden, bedoeld in art. 15 (waarin de invordering van de eigen bijdrage aan de orde is) en art. 22 (dat betrekking heeft op intrekking van de studietoelage in verband met de verplichtingen van de student na het volbrengen van de studie), beoogt te voorzien in alle gevallen waarin bedragen (eigen bijdrage of ingetrokken c.q. teruggevorderde studietoelage) moeten worden ingevorderd.

13 P.B. 2001, no. 79; zie ook Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak, P.B. 2001, no. 80; inwerkingtreding 1 december 2001.

14 De genoemde bepaling van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen luidt aldus:

"Art. 2. De wettelijke regelingen, in de Nederlandse Antillen geldig, zijn:

(...)

3. de algemene verordeningen, waaronder worden verstaan:

(...)

(...)

g. de ministeriële beschikking met algemene werking, door een of meer ministers binnen de grenzen zijner of hunner bevoegdheid uitgevaardigd;

(...)"

15 In zijn cassatierekest heeft [eiser] in onderdeel E, tweede volzin, wel gereleveerd dat "(p)as nadat [eiser] in hoger beroep was gekomen bij het hof (...) de mandatering (is) geregeld (....)".

16 Zie schriftelijke toelichting mr. Van Wijk onder 4.22-4.23.

17 Bijlage bij de schriftelijke toelichting mr. Van Wijk.

18 Ook [eiser] heeft in onderdeel E, voorlaatste tekstblok, gewezen op HR 2 maart 2001, NJ 2001, 304, welk arrest hij kennelijk abusievelijk als NJ 2001, 204 heeft aangeduid. In dit arrest (rov. 3.5) besliste de Hoge Raad dat onder omstandigheden een ander dan de gerechtigde zelf de verjaring van een rechtsvordering kan stuiten. [eiser] echter acht de omstandigheden in de onderhavige zaak niet met die in de door de Hoge Raad besliste zaak vergelijkbaar.

19 HR 7 juni 2002, JOR 2002, 133 (LJN: AE3758), rov. 3.7: "De rechtsklacht van het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. De uitleg van de statuten van een vereniging is van feitelijke aard. Rechterlijke oordelen over de uitleg van statuten kunnen daarom in cassatie in beginsel slechts op begrijpelijkheid en motivering worden getoetst. Nu de door het Hof aan de statuten gegeven uitleg niet onbegrijpelijk is en evenmin ontoereikend is gemotiveerd, faalt ook de motiveringsklacht."

20 Zie de memorie van toelichting bij het nieuwe RvNA (waarin dezelfde bepalingen terugkeren), p. 10 (Staten van de Nederlandse Antillen, zitting 2001-2002, no. 3). De bepalingen (art. 128 en 133) van het RvNA (oud) komen woordelijk overeen met de art. 149 en 154 Rv, zodat de Nederlandse parlementaire geschiedenis en literatuur over de gerechtelijke erkentenis mede van belang zijn. Zie in dat verband Parlementaire Geschiedenis Bewijsrecht (1988), p. 113-114 (met betrekking tot art. 181 (oud) Rv, de voorloper van het huidige art. 154); H.L.G. Wieten, Bewijs (2004), p. 18-19; Van Mierlo/Van Nispen/Polak, Burgerlijke Rechtsvordering, T&C (2005), art. 154, aant. 1-4.