Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ9346

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
02434/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ9346
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Regiezitting en voorlopige beslissing. 2. Art. 322.4 Sv. Ad 1. De wetgever heeft onmiskenbaar voor ogen gehad dat op een zgn. regiezitting, dus voorafgaand aan de ttz(en) waarop de zaak inhoudelijk zal worden behandeld, een definitieve beslissing wordt gegeven op verzoeken van de verdediging tot het doen oproepen van getuigen en deskundigen. Als de rechter op die regiezitting over onvoldoende gegevens meent te beschikken, ligt het niet in de rede dat niettemin toch hij in voorlopige zin een dergelijk verzoek afwijst. Nog daargelaten dat de wet een zodanige voorlopige beslissing niet kent, verdient het de voorkeur dat de rechter in een dergelijk geval de beslissing op het verzoek aanhoudt. Het Hof heeft overwogen “voorshands” van oordeel te zijn dat het verzoek tot het horen van getuigen diende te worden afgewezen. Nu niet blijkt dat het Hof een nadere beslissing op het verzoek heeft gegeven of dat het verzoek alsnog door of namens verdachte met zoveel woorden is ingetrokken, moet de voorlopige beslissing niettemin worden beschouwd als de (definitieve) beslissing op het verzoek. Ad 2. Bij de wetswijziging horen getuigen (zie hieromtrent ook HR 19 juni 2007, LJN AZ1702) is een vierde lid aan art. 322 Sv toegevoegd, waardoor beslissingen a.b.i. art. 287 of 288 Sv, inzake het horen of de oproeping van getuigen en deskundigen, in stand blijven, ook in het geval dat het onderzoek ttz opnieuw wordt aangevangen. Dit brengt mee dat i.c. in cassatie kan worden geklaagd over de afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige of deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2007, 671
JOL 2007, 446
NJB 2007, 1547
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02434/06

Mr. Vellinga

Zitting: 20 februari 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. "opzettelijk voordeel trekken uit sexuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is, gepleegd door twee of meer verenigde personen", 2. en 3. "opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Er is samenhang met de zaak met nummer 02402/06 waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verdachte heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 2. onvoldoende met redenen is omkleed.

5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 2 april 2003 tot en met 11 mei 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, een ander, genaamd [betrokkene 1], door feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en onder voornoemde omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die (sexuele) handelingen beschikbaar stelde, bestaande die feitelijkheden en die feitelijke verhoudingen hieruit:

- dat verdachte die [betrokkene 1] dwong tot het ondergaan van seksuele handelingen met hem, mede omvattende het binnendringen van het lichaam van die [betrokkene 1], en

- dat verdachte en zijn mededader wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die [betrokkene 1] niet legaal in Nederland verbleef en dat verdachte tegen die [betrokkene 1] zie dat ze moest verblijven op de door hen aangegeven locatie ([b-straat 1]) en tegen haar zeiden dat zij niet alleen naar buiten mocht omdat de politie haar dan aan zou houden en

- dat die [betrokkene 1] als er in de seksinrichting van zijn mededader politiecontrole plaatsvond zich moest verstoppen onder een jacuzzi of door een opening in een keukenkastje naar de naastgelegen woning ([b-straat 1]) moest gaan."

6. De bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen die in de aanvulling op 's Hofs verkorte arrest zijn opgenomen:

"1. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, district Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J0/2003/681 -1 dossierpagina 85, d.d. 26 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 8 mei 2003 te 20.30 uur werd er in een besloten seksinrichting genaamd "[A]", gelegen aan de [b-straat 1] te [vestigingsplaats], een reguliere controle uitgevoerd. Na controle bleek dat er twee aanwezige en werkende prostituees illegaal in Nederland waren en geen arbeid mochten verrichten. De twee prostituees, waarvan een minderjarig, werden staande gehouden involge de Vreemdelingenwetgeving en overgebracht naar de Vreemdelingenpolitie Haaglanden.

Betrokkene 1 gaf op te zijn genaamd: [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].

Uit onderzoek bij de afdeling bevolking van de gemeente 's-Gravenhage en uit de exploitatievergunning seksinrichting is gebleken dat de exploitant [medeverdachte 1] en haar vriend [verdachte] zijn genaamd: [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1964 (roepnaam [medeverdachte 1]) en [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959 (roepnaam [verdachte]).

2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2005 - zakelijk weergegeven -:

Club [A] is het bedrijf van mijn vrouw. Ik kwam vrijwel dagelijks in de club. Ik ken de meisjes die in de club werken. Ik was aanwezig toen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] kwamen. Het is juist dat ik mijn vrouw op zakelijk gebied behulpzaam was.

3. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, Centraal Justitiële Dienst, Pv nummer: PL15J0/2003/650-6 dossierpagina 60 e.v., d.d. 12 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden brigadier van Politie Haaglanden.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 12 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Met een busje ben ik naar Nederland gekomen. Toen dit busje in Den Haag aankwam heeft de chauffeur mij voor de deur van het privéhuis club [A] afgezet. Toen ik naar binnenging heb ik gesproken met de eigenaar [verdachte]. Aan hem heb ik mijn Roemeense paspoort laten zien. Hij vertelde mij dat het in orde was en dat ik aan het werk mocht. Hij heeft mij niet verteld dat het voor mij niet mogelijk was om te werken met mijn Roemeense paspoort. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn beiden de baas van de club. [medeverdachte 1] is vaak overdag in de club. De verdeling van de verdiensten was 50% voor mij en 50% voor de club. Dit was zo afgesproken met [verdachte]. Dit werd aan het einde van de dag afgerekend. 15 minuten neuken kostte 30 euro, 30 minuten neuken kostte 55 euro, 1 uur neuken kostte 105 euro. Ik heb heel veel klanten gehad. Ik heb van 2 mei 2003 tot het moment dat u mij heeft meegenomen op 8 mei 2003 voor [verdachte] en [medeverdachte 1] gewerkt.

4. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J0/2003/650-10 dossierpagina 63 e.v., d.d. 13 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden brigadier van Politie Haaglanden.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 13 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Toen ik in club [B] kwam, moest ik mij presenteren aan [verdachte]. Ik moest mij uitkleden tot in mijn ondergoed en ik moest mijn lichaam tonen. Hij keek ook in mijn paspoort. U vraagt mij hoe hij reageerde op mijn leeftijd, omdat ik minderjarig was.

Hierop zei hij dat er geen problemen waren, want hij had connecties bij de politie. Ik heb hem toen nog zelf gevraagd of ik geen problemen kon krijgen doordat ik minderjarig was. Wederom antwoordde hij dat dit geen probleem was. Nadat hij mij had goedgekeurd werd ik door [medeverdachte 2], die ook kwam meegenomen naar de club [A]. Daar moest ik meteen de eerste dag gaan werken.

Aan het eind van de eerste dag gingen de legale meisjes weg uit de club. Ik werd toen door [verdachte] meegenomen naar het andere appartement. Ook [betrokkene 1] en [betrokkene 4] werden naar dit appartement gebracht. [betrokkene 4] is ook een Roemeens meisje.

Ik had van [betrokkene 4] gehoord over de opening in het keuken- kastje die toegang geeft tot het naastgelegen appartement en ik vroeg aan [verdachte] hoe of wat dat was. Hij vertelde toen dat ik vanaf dat moment alleen nog maar gebruik mocht maken van het luikje en dat ik niet meer zelfstandig over straat mocht en dat ik geen gebruik meer mocht maken van de normale voordeur.

Ik heb uiteindelijk een week in die woning verbleven. Ik mocht niet naar buiten, ik mocht niet eens op het balkon komen. Ik heb wel eens aan de voordeur gevoeld, maar die was op slot gedraaid. Ook de voordeur van de club was op slot gedraaid. Ik voelde mij wel opgesloten. Ik vroeg [verdachte] wel om mijn vrijheid, maar dat kreeg ik niet van [verdachte], want hij vertelde dat de politie mij anders zou oppakken. Dus ik moest kiezen of binnen blijven of gepakt worden. De reden waarom wij altijd via het gat naar het appartement moesten gaan was om te voorkomen dat de politie er achter zou komen dat wij Roemeense meisjes in de zijn club aan het werk waren.

U vraagt mij of [betrokkene 1] iets verteld heeft over het feit dat [verdachte] seks met haar gehad zou hebben. Daar heeft [betrokkene 1] inderdaad over verteld. Zij heeft verteld dat [verdachte] seks met haar wilde en dit ook uiteindelijk heeft gehad. Dit deed zij natuurlijk niet vrijwillig. Hij dwong haar gewoon om seks met haar te hebben. Eigenlijk verkrachtte hij haar dus.

5. Een proces-verbaal op 31 maart 2004 opgemaakt en ondertekend door G. Andries, Roemeense officier van Justitie aan het parket bij het Hof van Beroep Suceava, mede ondertekend door J.Th. Drop, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 31 maart 2004 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Ik ben met een meisje dat ik hier in Roemenië al kende naar Nederland afgereisd waar ik [betrokkene 5] heb ontmoet. Er zijn foto's van mij gemaakt. Daarna ben ik met [betrokkene 5] naar de andere club van [verdachte] gegaan. Ik had daar een gesprek met [verdachte]. [betrokkene 5] was daarbij. Tijdens dat gesprek heeft [verdachte] naar mijn paspoort gekeken. Hij heeft het goed bekeken en de heeft de gegevens met mij nagelopen en gevraagd of die klopten. Ik heb [verdachte] mijn gewone Roemeense paspoort laten zien. U toont mij de fotokopie van een Roemeens paspoort op blz 103 van het dossier. Dat is mijn paspoort en het paspoort dat ik bij evengenoemd gesprek aan [verdachte] heb laten zien. Op het moment van het gesprek was ik 16 jaar. In de club is over mijn verjaardag gesproken. Die verjaardag viel op zondag en zou op die dag worden gevierd met onder andere [medeverdachte 1] en [verdachte].

[medeverdachte 1] wist dat ik 16 jaar was, evenals de Roemeense dames.

In club [A] gebruikte ik alleen de naam [betrokkene 3].

Ik mocht 50% van het geld dat ik verdiende houden. De andere 50% ging naar [verdachte].

De klant betaalde ons. Wij gaven dat geld beneden af waarna dat werd opgeschreven in het schrift. 's Avonds werd de kas opgemaakt en werd er fifty fifty afgerekend. Dat deden de jongens van [verdachte].

6. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, Centraal Justitiële Dienst, Pv nummer: PL15J0/2003/650-8 dossierpagina 67 e.v., d.d. 12 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 5], beiden brigadier van Politie Haaglanden.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 12 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben op 2 april 2003 naar Nederland gekomen. Ik ben samen met een Roemeense jongen naar club [A] in Den Haag gegaan. Toen ik binnenkwam werd ik binnengelaten door [verdachte].

Ik heb mijn Roemeense paspoort aan [verdachte] laten zien. Hij heeft dit goed bekeken. Hij vertelde mij dat het goed was en dat ik kon komen werken.

[verdachte] vertelde mij dat ik mij [betrokkene 1] moest noemen.

Na het werk gingen alle andere meisjes naar huis. Ik wilde toen ook naar huis gaan. [verdachte] zei tegen mij dat ik niet naar huis mocht maar dat ik ergens anders moest gaan slapen. Hij liep toen naar een onderkastje van de keuken in de club. In dit keukenkastje was een gat door de muur gemaakt welke doorgang gaf tot de direct naastgelegen woning. [verdachte] vertelde mij dat ik door dat gat heen moest kruipen.

7. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J0/2003/650-9 dossierpagina 70 e.v., d.d. 13 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden brigadier van Politie Haaglanden.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 13 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Aan het eind van de dag gingen de meiden met legale papieren naar huis. Op dat moment waren wij met zijn drieën in de club aanwezig [verdachte], [medeverdachte 2] en ik. [verdachte] zei tegen mij: jij mag niet naar huis. [medeverdachte 2] vertelde mij dat mijn papieren niet in orde zouden zijn en dat [verdachte] bang was dat de politie zou komen om mij te pakken. [verdachte] en [medeverdachte 2] vertelden mij ook dat ik niet alleen naar buiten zou kunnen gaan omdat de politie mij zou oppakken. Zij deden het voorkomen alsof ik helemaal niet alleen naar buiten kon.

[verdachte] zei dat als ik er een tijdje zou zijn, ik dan wel naar buiten zou mogen. [verdachte] bepaalde wanneer en met wie ik dan naar buiten mocht.

Ik vroeg [verdachte] waarom ik niet gewoon door de deur van het appartement kon gaan om naar binnen te komen. [verdachte] vertelde mij toen weer dat ik door het gat moest gaan omdat ik niet buiten om kon, omdat er dan politie zou kunnen zijn die mij zou kunnen oppakken.

Behalve voor onze veiligheid diende het soort van alarm systeem ook als waarschuwingssysteem als de politie kwam.

[verdachte] vertelde mij, dat als er politie zou komen om te controleren, dat ik mij dan moest verstoppen. Als ik mij in de werkkamer boven zou bevinden dan moest ik mij verstoppen onder de jacuzzi.

Op het moment dat ik mij beneden bevond en wij kregen politie controle dan moest ik via de opening in het keukenkastje naar het appartement verdwijnen. In totaal hen ik mij twee maal moeten verstoppen voor de politie. Eenmaal onder de jacuzzi en eenmaal via de opening in het keukenkastje.

Met [betrokkene 3] gebeurde eigenlijk hetzelfde als met mij. Aan het eind van de dag mocht ook zij niet naar huis en zij moest samen met mij door het gat naar het appartement gaan om daar te gaan slapen.

Ik wist dat [betrokkene 3] minderjarig was. Zij had mij verteld dat zij pas 16 jaar was en dat zij 17 zou worden die zondag. Ik weet dat [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de hoogte waren van het feit dat [betrokkene 3] zondag jarig was. Zij spraken er namelijk over dat zij toch zouden proberen om [betrokkene 3] een leuke verjaardag te bezorgen.

Wij krijgen een naam van [verdachte] toebedeeld en die moesten wij gebruiken. [betrokkene 3] had de naam '[betrokkene 3]' en ik gebruikte de naam '[betrokkene 1]'. [verdachte] was de echte baas hij bepaalde alles, hij sprak met de meisjes, hij maakte de beslissingen, hij regelde de geldzaken, alles.

[verdachte] noteerde ook al de verdiensten van de meisjes in een soort kasboek. Hij hield hierin bij hoeveel klanten en wat de meisjes verdiend hadden.

U vraagt mij of ik seks moest hebben met [verdachte]. Ja, ik heb driemaal seks met hem gehad. Dit was meestal op zondag omdat hij dan dronken was. Ik had dan seks met hem omdat het moest. Ik deed dit niet uit liefde met hem. Tevens kreeg ik er ook geen geld voor. Ik moest seks met hem hebben omdat hij de baas was. [verdachte] vertelde ook dat hij altijd met nieuwe meisjes seks had om ze eigenlijk te testen voor de club. Ik probeerde hem van mij weg te drukken en te duwen maar hij zette gewoon door. Ik riep elke keer nee, ik wil niet. Hij drong zich aan mijn op. Eigenlijk ben ik gewoon verkracht door hem. Wat hij wilde gebeurde gewoon. Hij dwong mij om hem te pijpen en om met hem seks te hebben. Als ik het over seks heb, dan heb ik het over het feit dat hij zijn penis in mijn vagina bracht.

8. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J1/2003/681-64 dossierpagina 267 e.v., d.d. 22 januari 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1], beiden brigadier van Politie Haaglanden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 22 januari 2004 afgelegde verklaring van[betrokkene 4]okkene 4]:

Veel mensen noemen mij [betrokkene 4].

In september 2002 kwam ik voor het eerst naar Nederland. Ik kwam naar Nederland om te werken. In Roemenië heb ik een paspoort aangevraagd om te kunnen reizen. Ik werd door een ander Roemeens meisje geïntroduceerd bij [verdachte], de eigenaar van de club [A]. [verdachte] vond mij in eerste instantie te oud om bij hem in de club te gaan werken. Hij zei dat ik het die dag wel mocht komen proberen om te kijken hoe het ging.

Ik ging op basis van 50-50 werken. Ik moest ook nog andere kosten betalen. Ik huurde een appartement gelegen naast de club van [verdachte]. De voordeuren van het appartement en die van de club lagen tegenover elkaar. Ik moest als een rat door de muur door een keukenkastje kruipen om in het andere appartement te komen.

[verdachte] vertelde ons dat niemand ons mocht zien. Ik werd er bang van en deed dus wat [verdachte] zei. In het appartement mochten wij geen licht aan doen, geen geluid maken en wij mochten ook niet douchen. Wij mochten dit allemaal niet omdat de buurtbewoners - als zij er achter zouden komen dat wij daar verbleven - de politie zouden bellen.

Er waren verschillende Roemeense meisjes. Ik heb met een [betrokkene 1] en een [betrokkene 3] gewerkt.

Er is een camera aan het bordeel bevestigd die beeld gaf over het portiek. Als [verdachte] het niet vertrouwde wie er voor de deur stond, dan moesten de illegale meisjes via het keukenkastje naar het appartement ernaast. Als de illegale meisjes boven waren en er zou alarm zijn, dan moesten wij ons verstoppen onder de jacuzzi. Daar bevond zich namelijk een ruimte onder en er was een luikje wat toegang gaf tot die ruimte. Ik heb mij twee maal onder de jacuzzi moeten verstoppen en een paar keer moest ik via het keukenkastje naar het ernaast gelegen appartement om mij te verstoppen.

Ik ben in Nederland gebleven tot 25 mei 2003.

[verdachte] vertelde ons dat zijn vrouw [medeverdachte 1] op papier de eigenaar van de club was. [verdachte] vertelde ons dat hij eigenlijk de touwtjes in handen hield.

9. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J1/2003/681-66 dossierpagina 271 e.v., d.d. 26 januari 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], brigadier van Politie Haaglanden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 26 januari 2004 afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Ik vind dat [verdachte] misbruik heeft gemaakt van mijn illegale status en dat hij er financieel beter van is geworden.

10. Het proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Centrum, Pv nummer: PL15J0/2003/681-10 dossierpagina 77 e.v., d.d. 22 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1], beiden brigadier van Politie Haaglanden.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 22 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Ik ben beheerder in een seksinrichting genaamd [A]. Medio december 2002 kwamen er Roemeense meisjes. Ik wist dat het Roemeense meisjes waren omdat mijn ex-man van Roemeense afkomst is. Er kwamen drie meisjes, [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 4]. [betrokkene 4] werd eigenlijk door iedereen [betrokkene 4] genoemd. Later kwamen nog [betrokkene 1] en [betrokkene 3], dit waren de meisjes die uw collega's op donderdag 8 mei hebben aangehouden.

De meisjes hadden ongeveer 15 à 20 klanten per dag. [verdachte] stelde de identiteit van de meisjes vast. Hij controleerde dan hoe oud de meisjes waren en waar ze vandaan kwamen.

[verdachte] vertelde de meisjes, daar bedoel ik de illegale meisjes mee, dat als de politie kwam dat zij zich dan moesten verstoppen en dan wees hij hen de plaats waar dat was. Dit was onder andere het keukenkastje in de keuken, wat leidde naar een doorgang naar het pand ernaast.

De meisjes werden naar de schuilplaatsen gestuurd door [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en af en toe door mijzelf. Dit gebeurde op de momenten als wij zagen dat er politie voor de deur stond. Tevens was er nog een andere verstopplaats onder de grote jacuzzi. Deze meisjes moesten zich van [verdachte] verstoppen omdat zij illegaal waren.

11. De verklaring van [betrokkene 6] ter terechtzitting in eerste aanleg op 1 september 2003 inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik heb in de [A] gewerkt. Ik was daar eerst als meisje, daar bedoel ik mee als prostituee, en later als gastvrouw. [betrokkene 3] is begin mei 2003 aangenomen.

Het meisje rekent af met de klant, dat geld wordt in de kassa gedaan en aan het eind van de avond wordt het verdeeld. [verdachte] deed de identiteitscontrole, als hij er niet was deed [medeverdachte 1] het, of [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] is de eigenaar van [A]. [verdachte] is echter meer de baas, hij neemt de meisjes aan.

12. een geschrift, te weten een kopie van een paspoort (dossierpagina 103), welk geschrift onder meer inhoudt:

[nationaliteit]

Passport No [0001]

Surname: [betrokkene 3]

Given names: [betrokkene 3]

Date of Birth: [geboortedatum] 86

De bewijsmiddelen zijn -ook in hun onderdelen- slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben."

7. De in het middel verwoorde klacht komt er op neer dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachtes mededader wist dat hij het slachtoffer [betrokkene 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen met hem en dat daarmee het voor medeplegen vereiste bewijs van het (voorwaardelijke) opzet op het door middel van die feitelijkheid het slachtoffer ertoe brengen zich te prostitueren, ontbreekt.

8. Voor medeplegen van een doleus delict als het onderhavige is vereist dat het opzet van de medepleger in enigerlei vorm de objectieve omstandigheden van het delict omvat(1) voorzover deze niet aan de opzet-eis zijn onttrokken. Voor het onderhavige geval betekent dit dat het opzet van verdachtes medepleger de door haar partner gepleegde verkrachting dient te omvatten.

9. De bewijsmiddelen houden inderdaad niets in waaruit valt af te leiden dat verdachtes medepleger op de hoogte was van de herhaalde verkrachtingen van het slachtoffer [betrokkene 1] door verdachte. In zoverre is het middel dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden omdat het Hof daarnaast heeft bewezenverklaard dat de verdachte en haar mededader misbruik hebben gemaakt van het illegale verblijf van het slachtoffer in Nederland en haar voorts hebben belet het pand waar zij haar werkzaamheden als prostituee moest verrichten te verlaten.(2) Daar komt nog bij dat in het onderhavige geval geen sprake is van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in art. 250a, derde lid (oud) Sr.

10. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

11. Het tweede middel klaagt over de afwijzing ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2005 van een vóór die terechtzitting gedaan verzoek tot het horen van getuigen.

12. Het middel miskent dat het Hof het onderzoek ter terechtzitting op die datum heeft geschorst en dat vervolgens op de terechtzitting van 23 november 2005 het onderzoek ter terechtzitting, gelet op de omstandigheid dat het Hof ter terechtzitting van 23 november 2005 anders was samengesteld dan ter terechtzitting van 4 april 2005, gelet op de gang van zaken aldaar, in het bijzonder gezien in het licht van het bepaalde in art. 322 lid 3 jo. 415 Sv, alsmede gelet op het feit dat het Hof alleen het onderzoek ter terechtzitting van 23 november 2005 aan zijn arrest ten grondslag heeft gelegd, klaarblijkelijk opnieuw is aangevangen. Op die terechtzitting is geen hernieuwd verzoek tot het horen van getuigen gedaan. Kennelijk is verzuimd in het proces-verbaal van terechtzitting van 23 november 2005 te vermelden dat het onderzoek opnieuw is aangevangen. Een en ander betekent dat het middel feitelijke grondslag mist.

13. Ik merk nog op dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 november 2005 (p. 2) onder meer inhoudt dat op verzoek van verdachtes raadsman aan het dossier van de strafzaak tegen de verdachte zijn toegevoegd ten kantore van de raadsman van de medeverdachte afgelegde verklaringen van de bedoelde getuigen, [getuige 1] en [getuige 2]. Die omstandigheid wijst er op dat aan de zijde van de verdachte kennelijk geen behoefte bestond de getuigen, ten aanzien van wie een verzoek tot horen ter terechtzitting van 4 april 2005 was afgewezen, alsnog ter terechtzitting te doen horen.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer over de identiteit en de minderjarigheid van het slachtoffer van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

16. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 2 mei 2003 tot en met 8 mei 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een minderjarige (mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die minderjarige), genaamd [betrokkene 3] (geboren op [geboortedatum] 1986), met een derde tegen betaling, bestaande dat voordeel (telkens) uit het ontvangen door verdachte en/of zijn mededader van (een deel van) de door die [betrokkene 3] van die derde(n) ontvangen geldbedragen."

17. Ter verwerping van het bedoelde verweer heeft het Hof in het verkorte arrest het volgende overwogen:

"Bewijsverweer

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 tenlastegelegde feit nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de persoon die bij de verdachte werkzaam was de minderjarige [betrokkene 3] was. Naar het oordeel van de verdediging heeft de vrouw die bij de verdachte in dienst was gebruik gemaakt van een vals of vervalst paspoort op naam van [betrokkene 3].

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Blijkens het relaas-proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal d.d. 22 juni 2005 van de brigadier [verbalisant 1] heeft de politie op 8 mei 2003 bij een controle in het sekshuis van de verdachte onder meer een vrouw meegenomen die op het politiebureau opgaf [betrokkene 3] te zijn. Later is ook een Roemeens paspoort op die naam overgelegd; in het dossier bevindt zich een kopie van bladzijden van dat paspoort met de persoonsgegevens, waaronder het persoonsnummer. Deze vrouw is aan de vreemdelingenpolitie overgedragen die haar met dit paspoort op 13 mei 2003 naar Roemenië heeft uitgezet.

Kennelijk had de vreemdelingenpolitie geen enkele aanleiding te twijfelen aan de echtheid van dit reisdocument of de identiteit van de betrokken vrouw als rechthebbende op dat document.

In het kader van een rogatoire commissie is vervolgens in maart 2004 in Roemenië een vrouw gehoord die zich als [betrokkene 3] met een Roemeense identiteitskaart met hetzelfde persoonsnummer als in het hiervoor vermelde paspoort legitimeerde. Uit het ambtsbericht van de rechter-commissaris d.d. 1 juli 2005 blijkt dat deze identiteitskaart door de Roemeense officier van justitie is gecontroleerd. De rechter-commissaris verklaart tevens dat hij tijdens het verhoor of daarna geen enkele aanwijzing heeft gekregen dat de getuige niet degene was voor wie zij zich uitgaf dan wel niet uit eigen wetenschap over de seksclub verklaarde.

Hierop gelet mist het door de verdediging gestelde elke feitelijke onderbouwing. Die onderbouwing kan zeker niet gevonden worden in de zich in het dossier bevindende kopie van een Nederlandse identiteitskaart ten name van [...], waarover de bedoelde vrouw volgens de verdachte zou hebben beschikt. Enerzijds omdat het hier om de vervalsing van een gestolen identiteitskaart gaat; en anderzijds omdat uit het door de verdediging geëntameerde vergelijkende forensisch antropologische onderzoek blijkt dat het bij [...] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet om dezelfde persoon gaat als [betrokkene 3].

Het verweer wordt derhalve verworpen."

18. Het middel klaagt erover dat het Hof zonder nadere motivering voorbij is gegaan aan de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], waarop de verdediging zich bij pleidooi eveneens heeft beroepen ter ondersteuning van de stelling dat de identiteit en leeftijd van [betrokkene 3] onvoldoende vaststaan.

19. Het Hof heeft uitgebreid gemotiveerd uiteengezet waarom de door de verdediging geponeerde stelling iedere feitelijke grondslag mist. Daarbij heeft het Hof bijzondere aandacht geven aan de kopie van een identiteitskaart ten name van [...], waarop de verdediging zich beriep, alsmede op de het resultaat van door de verdediging geëntameerd onderzoek. Aldus heeft het Hof de verwerping van het standpunt van de verdediging, gelet op de verwijzing naar zich in het dossier bevindende stukken en naar het ambtsbericht van de rechter-commissaris, toereikend gemotiveerd, ook al is het niet afzonderlijk ingegaan op de inhoud van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. De motiveringsplicht van het Hof gaat immers niet zover dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(3)

20. Het middel faalt.

21. In het vierde middel wordt naar voren gebracht dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM en 14 IVBPR is overschreden omdat vanaf het moment waarop beroep in cassatie werd ingesteld teveel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.

22. Namens verdachte is op 12 december 2005 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 30 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat er tussen het instellen van het beroep in cassatie en de binnenkomst van de stukken meer dan de in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH, rov. 3.3 bedoelde maximale termijn van acht maanden is verstreken. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld. Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep kan afdoen indien vóór 12 april 2007 uitspraak wordt gedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan, wat betreft de totale duur van de berechting in cassatie, (voorshands) niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn.

23. Het middel faalt.

24. De middelen lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie hierover G. Knigge, Het opzet van de deelnemer, in Glijdende schalen. Liber amicorum J. de Hullu, WLP 2003, p. 291-321, i.h.b. p. 316 e.v.

2 Vgl. HR 6 juli 1999, NJ 1999, 701 en HR 18 april 2000, NJ 2000, 443.

3 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, rov. 3.8.4, d.