Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ9338

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
01335/06 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ9338
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. 1. Ontoelaatbare uitbreiding basis vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel in aanvulling arrest. 2. Redelijke termijn. Ad 1. Ingevolge art. 511g.2 Sv jo. art. 415 Sv is art. 365a Sv ook in procedures tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van toepassing. Dit betekent dat in een dergelijke procedure alle beslissingen omtrent de opgelegde maatregel dienen te worden opgenomen in het verkorte arrest en dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, met inbegrip van eventuele nadere overwegingen omtrent het bewijs, mogen worden opgenomen in de aanvulling zoals bedoeld in art. 365a.2 Sv (HR NJ 2000, 475). Het hof heeft in de aanvulling op het verkorte arrest alsnog een andere grond aangewezen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten het voordeel verkregen d.m.v. of uit baten van soortgelijke feiten. Gelet op het hier van overeenkomstige toepassing verklaarde art. 365a jo. art. 138b Sv en het stelsel van de wet zoals daarvan onder meer uit art. 36e Sr blijkt, had deze beslissing, die een tweede grondslag in de zin van art. 36e.2 Sr toevoegt aan de in het verkorte arrest aangeduide grondslag, te weten de in de strafzaak onder 3 primair en 4 bewezenverklaarde feiten, in het verkorte arrest dienen te worden opgenomen. Het betreft hier een zo wezenlijke regel dat veronachtzaming daarvan nietigheid van het bestreden arrest meebrengt (HR LJN AL6471). Ad 2. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal in geval van het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de overschrijding van de redelijke termijn daarbij dienen te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 334
NJ 2007, 296
RvdW 2007, 511
JOW 2007, 24
NJB 2007, 1211
Verrijkte uitspraak

Conclusie

01335/06 P

Mr. Bleichrodt

Zitting 20 februari 2007

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 27 augustus 2004 de betrokkene de verplichting opgelegd aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.297.212,-

2.1 Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

2.2. Voor de goede orde vermeld ik dat de Hoge Raad bij arrest van 12 september 2006 de hoofdzaak tegen [betrokkene] heeft afgedaan. In die zaak ( 03080/05) is wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM de door het Hof opgelegde gevangenisstraf verminderd, doch is het cassatieberoep voor het overige verworpen.(1)

3.1 Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is geschonden en dat ook de totale vervolging niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

3.2 Het cassatieberoep is ingesteld op 9 september 2004. De stukken zijn op de Griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 11 mei 2006. Dat brengt mee dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Daarover klaagt het middel terecht.

3.3 Het middel wijst er in de toelichting verder op dat nu ook het Hof al een overschrijding van de redelijke termijn had geconstateerd, gelet op de overschrijding van de termijn in cassatie en de totale duur van de procedure, de Officier van Justitie alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.4 Het Hof heeft een desbetreffend verweer als volgt samengevat en daaromtrent overwogen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat er met betrekking tot de ontnemingsvordering sprake is van een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gelet op het tijdsverloop sedert de huiszoekingen of het leggen van conservatoir beslag, tussen 10 en 12 januari 1995, en de zitting in eerste aanleg op 5 juli 2000.

Daarnaast is de raadsman van mening dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn nu tussen het voormelde beginpunt van de redelijke termijn en de behandeling ter terechtzitting bij dit hof van 13 augustus 2004, meer dan 9,5 jaar is verstreken.

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie gezien de termijnoverschrijdingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Subsidiair dient er tot een hoger percentage dan tien procent matiging plaats te vinden van het te ontnemen bedrag.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof volgt de verdediging in zoverre dat veroordeelde op 10 januari 1995, de dag van de huiszoeking en het conservatoir beslag, mede gelet op de aard van de tegen hem gerezen verdenking, in redelijkheid kon verwachten dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel aanhangig gemaakt zou worden. Kort daarna, op 21 februari 1995, heeft de rechter-commissaris ook machtiging verleend tot het openen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Vanaf de gestelde aanvang van de redelijke termijn op 10 januari 1995 tot de dag waarop de ontnemingsvordering tegen veroordeelde door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht op 5 juli 2000 zou worden behandeld, na een eerste aanhouding op verzoek van de officier van justitie, is ongeveer 5 1/2 jaar verstreken.

Het hof acht deze termijn weliswaar onwenselijk lang, maar, gezien de omvang van de te verrichten onderzoekshandelingen, ook in het buitenland, de complexiteit van de zaak, alles in samenhang met de strafzaak tegen veroordeelde en de verwikkelingen daarin, niet zo lang dat dit een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM oplevert.

Wel is het hof van oordeel dat de gehele termijn waarbinnen de ontnemingsvordering tegen veroordeelde zch heeft afgespeeld, tot heden ruim 9 1/2 jaar, moet leiden tot het oordeel dat artikel 6, eerste lid van het EVRM is geschonden, in het bijzonder omdat niet in overwegende mate aan veroordeelde kan worden toegerekend dat de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering en de beslissing waarvan beroep eerst heeft plaats gevonden op respectievelijk 13 mei en 24 juni 2003.

Bij afweging van de belangen van enerzijds de maatschappij bij ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van delicten als waarvan hier sprake is, tegen anderzijds de belangen van de veroordeelde bij berechting binnen een redelijke termijn, moeten naar het oordeel van het hof in dit geval, ook nu er van een overschrijding van de redelijke termijn sprake is, de belangen van de maatschappij zwaarder wegen. Dat de gedupeerde beleggers zich hebben verenigd in een stichting ter behartiging van hun belangen doet daaraan niet af, noch de overige door de raadsman aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden van veroordeelde.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal om die reden worden verworpen. Wel zal met de schending van de redelijke termijn rekening worden gehouden door het matigen van het te ontnemen bedrag, in dier voege dat een korting van tien procent zal worden toegepast."

3.5 Het in cassatie niet bestreden oordeel van het Hof komt er op neer dat tussen medio 2000 (de eerste uitspraak van de Rechtbank; zie hieronder) en medio 2003, toen het tweede vonnis van de Rechtbank is gewezen, een vertraging is opgetreden die ook als men de complexiteit en omvang van de zaak en de samenhang met de strafzaak zelf in de beschouwingen betrekt, als onredelijk moet worden aangemerkt. Daardoor heeft ook de procedure in zijn geheel te lang geduurd. Het Hof heeft deze vertraging echter niet van dien aard geacht dat deze zou behoren te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.6. In de eerste plaats merk ik op dat het Hof zelf de zaak binnen 14 maanden na het instellen van het hoger beroep op 8 juli 2003, heeft afgedaan.

3.7. Voorts verdient ten aanzien van het onder 3.5 vermelde tijdsverloop het volgende opmerking. Nadat de betrokkene tegen het eerste vonnis van de Rechtbank Utrecht in de ontnemingszaak hoger beroep had ingesteld, heeft het Hof bij arrest van 21 augustus 2002 dat vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar die Rechtbank. De raadsman had toen bepleit dat, gelet op het feit dat het vonnis in de hoofdzaak was vernietigd met terugwijzing van de zaak naar die Rechtbank, vanwege de "onlosmakelijke verbondenheid tussen strafzaak en ontnemingszaak", de ontnemingszaak ook diende te worden teruggewezen, zich daarbij beroepende op de rechtspraak van de Hoge Raad dat de vordering tot ontneming geen nieuwe strafvervolging oplevert, maar moet worden gezien als een sequeel van de strafvervolging in de hoofdzaak. Het Hof heeft toen de raadsman gevolgd.

Het betoog van de raadsman was echter niet concludent omdat daarbij art. 511 i Sv over het hoofd werd gezien. Dat artikel bepaalt dat een uitspraak in een ontnemingszaak van rechtswege vervalt doordat, kort gezegd, een veroordeling in de hoofdzaak achterwege blijft.(2) Men kan van mening verschillen of een ontnemingsvordering in appel verder kan worden behandeld, als het aanvankelijk uitgesproken veroordelend vonnis in de hoofdzaak is vernietigd is, zodat er geen veroordeling meer is, hoewel NJ 1999, 75 daaraan, als ik het goed zie, niet in de weg staat.(3) Maar hoe dat ook zij, het Hof had de ontnemingszaak in ieder geval kunnen aanhouden totdat de Rechtbank in de hoofdzaak opnieuw zou hebben beslist, zoals de Advocaat-Generaal ook voorstond. Ik zie niet in waarom het Hof de uitspraak van de Rechtbank tot ontneming diende te vernietigen met terugwijzing van de zaak, zodat deze in eerste aanleg nog eens een keer moest worden overgedaan. Sterker nog, ik meen dat er geen grond bestond voor vernietiging en terugwijzing. (4)

3.8. Wat opvalt is dus, dat de verdediging in het "eerdere" hoger beroep een gang van zaken heeft bepleit en - ten onrechte, doch met succes - als noodzakelijk heeft geschetst, die onvermijdelijk tot extra vertraging van de afdoening van de ontnemingszaak moest leiden, terwijl thans in cassatie wordt betoogd dat de totale duur van de procedure niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg moet hebben. Hoewel het (tweede) Hof de hiervoor onder 3.7 vermelde gang van zaken niet in zijn beschouwingen heeft betrokken, zal de Hoge Raad dat mijns inziens wel moeten doen bij zijn beoordeling van de totale duur van de procedure.

3.9. Het Hof heeft de datum waarop conservatoir beslag - op onder meer aanzienlijke geldbedragen - is gelegd, aangemerkt als het begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. Het middel voert aan dat sinds dat tijdstip, 10 januari 1995, elf jaar en acht maanden (nu 12 jaar) zijn verstreken. Dat is heel lang en in een gewone strafzaak zou een zodanig tijdsverloop onder omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden. De ontnemingsprocedure kent echter, vergeleken met de gewone strafprocedure, een aantal bijzonderheden waarop de Hoge Raad met zoveel woorden heeft gewezen in zijn arrest van 20 juni 2006, LJN AW 0254. Vooral als er sprake is van conservatoir beslag dat wordt gelegd in de periode waarin ook het opsporingsonderzoek nog maar net is begonnen, en van de datum van die beslaglegging moet worden uitgegaan, kan de behandeling van de ontnemingsvordering in eerste aanleg veel meer tijd in beslag nemen dan twee jaar. Daarbij komt dat een strafrechtelijk financieel onderzoek, dat ook in deze zaak is ingesteld, de nodige tijd kan vergen.

3.10 Een overschrijding van de redelijke termijn dient in ontnemingszaken, zoals ook in bovengenoemd arrest is overwogen, in beginsel te leiden tot een vermindering van de betalingsverplichting. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier mijns inziens niet voor. Het gaat, zoals ook het Hof heeft overwogen, om een complexe fraudezaak, waarin een omvangrijk onderzoek, ook in het buitenland, moest worden verricht. Zoals opgemerkt, is 's Hofs oordeel, inhoudende dat de vertraging die was opgetreden tot aan zijn arrest niet diende te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, in cassatie niet bestreden. Dat oordeel geeft overigens ook niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Verder heeft het Hof de zaak op zichzelf voortvarend behandeld, zij het dat daarna de inzending van de stukken van het geding naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep was ingesteld, veel te veel tijd heeft gevergd.

Die overschrijding van de inzendtermijn met iets meer dan een jaar, die tot gevolg zal hebben dat het cassatieberoep zal worden afgedaan nadat ongeveer tweeënhalf jaar na het instellen van het beroep is verstreken, kan bij afweging van de in aanmerking komende belangen, mijns inziens niet de conclusie dragen dat thans niet-ontvankelijkverklaring moet volgen, ook niet wanneer de totale duur van de procedure wordt bezien.(5) Voor wat betreft dit laatste wijs ik mede op wat ik hiervoor onder 3.7 en 3.8 heb vermeld.

3.11 De tweede klacht van het middel faalt dus.

3.12 De gegrondheid van de eerste klacht zal moeten leiden tot een vermindering van de betalingsverplichting. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien Uw Raad relevant zou achten dat in de hoofdzaak tegen de betrokkene, zoals volgt uit wat hiervoor onder 2.2 is vermeld, de opgelegde vrijheidstraf al wegens een ook in die procedure opgetreden onredelijke vertraging is verminderd. Dat is wel eens reden geweest om geen "korting" toe te passen in de - tegelijkertijd ook in cassatie aan de orde zijnde - ontnemingszaak. Maar dan ging het wel om zaken die de Hoge Raad in samenhang kon bezien.(6) In casu heeft de Hoge Raad de hoofdzaak al eerder afgedaan. Al met al meen ik dat hier een vermindering van de betalingsverplichting op haar plaats is.

4.1 Het tweede middel bevat de klacht dat Het Hof ten onrechte in de aanvulling op het verkorte arrest heeft opgenomen dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede is gegrond op soortgelijke feiten, terwijl het Hof in het verkorte arrest slechts de in het arrest in de strafzaak van 27 augustus 2004 opgenomen bewezenverklaarde feiten heeft genoemd.

4.2.1 Het Hof heeft in het verkorte arrest voor zover hier van belang overwogen:

"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 27 augustus 2004 (parketnummer 21-003653-03) terzake van het onder 3 primair en 4, wegens het medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer (oud), terwijl de schuldige het feit opzettelijk begaat, meermalen gepleegd en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl de schuldige bestuurder van die organisatie is, veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt naar voren dat veroordeelde uit het onder die feiten 3 primair en 4 bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op (...)"

4.2.2 De aanvulling op het verkorte arrest houdt in:

" Het Hof heeft bij de uitwerking van het arrest geconstateerd dat abusievelijk in de uitspraak niet is vermeld, dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede is gebaseerd op soortgelijke feiten."

4.2.3 In laatstbedoelde passage heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede is gebaseerd op soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, terwijl in het verkorte arrest bij vergissing alleen maar sprake is van voordeel dat is voortgekomen uit de bewezenverklaarde feiten.

4.2.4 Ik wijs er verder op dat het Hof onder de bewijsmiddelen onder 1 heeft opgenomen het arrest van het Hof van 27 augustus 2004 in de hoofdzaak met vermelding dat dat arrest in kopie als bijlage I aan de bestreden uitspraak is gehecht en dat de inhoud als onder 1 ingelast dient te worden beschouwd.

Aan het zich bij de stukken van het geding bevindende exemplaar van de bestreden uitspraak is echter niet het volledige strafarrest van 27 augustus 2004 gehecht, doch slechts het verkorte arrest.

Aangenomen zal moeten worden dat hier sprake is van een misslag. Ik heb alsnog de aanvulling op dat verkorte arrest bij de stukken gevoegd. (7)

4.3 Nu er sprake is van een veroordeling ter zake van onder meer "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl de schuldige bestuurder

van die organisatie is" heb ik mij afgevraagd waarom het Hof die onder 4.2.2 weergegeven toevoeging noodzakelijk achtte. In een zodanige situatie hoeft de betrokkene immers in de regel niet feitelijk bij de concrete, voordeel opleverende, misdrijven van de organisatie betrokken te zijn om als bestuurder van of deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt als een persoon die (mede) voordeel heeft getrokken uit de misdrijven van die organisatie. Ook de schriftuur maakt niet duidelijk welk verschil de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen passage maakt en welke belangen van de verdediging in het geding zouden kunnen zijn nu een en ander niet al in het verkorte arrest is overwogen.

Dat neemt niet weg dat het in de eerste plaats het Hof niet zou hebben misstaan om hier nadere uitleg te geven.

4.4 Nadere beschouwing van de bestreden uitspraak en die gedaan in de samenhangende strafzaak tegen betrokkene leert dat de verklaring moet worden gezocht in het verschil tussen de tenlastelegging en de bewezenverklaring in de strafzaak voor wat betreft de tijdsaanduiding. In de strafzaak is voor wat betreft beide feiten van de tenlastegelegde periode bewezen verklaard de periode van1 augustus 1993 tot en met 10 januari 1995. Het begin van die periode was in de tenlastelegging echter telkens gesteld op 1 april 1993.

Het strafrechtelijk financieel onderzoek heeft betrekking op de periode van 1 april 1993 tot en met 10 januari 1995. (8)

De verdachte heeft, kort gezegd, verklaard (bewijsmiddelen 35 en 36) dat hij vanaf augustus 1993 in Nederland was, deelnam aan een samenwerkingsverband en de volle verantwoordelijkheid neemt voor "alles wat is gebeurd sinds augustus 1993". Mede gelet op deze verklaringen heeft het Hof blijkbaar bewezen geacht dat de betrokkene zich vanaf 1 augustus 1993 heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.

Voor feiten in de periode daarvoor heeft het Hof dat niet bewezen geacht maar kennelijk wel voldoende aanwijzingen aanwezig geoordeeld dat de betrokkene deze (samen met anderen) heeft begaan, zodat in zoverre aan het vereiste van 36 e, tweede lid Sr is voldaan. Op dat laatste kom ik hierna nog terug.

4.5. Op zichzelf heeft de steller van het middel gelijk dat in beginsel een wijziging als hier aan de orde is in de aanvulling op het verkorte arrest, niet kan worden aangebracht. Behalve op de in de schriftuur al genoemde arresten kan hier ook nog gewezen worden op HR 23 januari 2001 NJ 2001, 182. Uit die laatste uitspraak blijkt echter ook dat in het geval dat in het verkorte arrest op het in de aanvulling genoemde punt van een kennelijke misslag kan worden gesproken, de Hoge Raad het verkorte arrest zelf verbeterd kan lezen. Die methode wordt, ook in gewone strafzaken, geregeld toegepast.(9)

4.6 Ik meen dat hier inderdaad, mede gelet op het verloop van de procedure, van een kennelijke misslag in het verkorte arrest sprake moet zijn. Een misslag dus die daaruit bestaat dat in het verkorte arrest ten onrechte alleen wordt genoemd het wederrechtelijk voordeel dat is voortgevloeid uit de bewezenverklaarde feiten. Ik licht dit als volgt toe.

(i) na de vernietiging van het eerste vonnis van de Rechtbank en terugwijzing van de zaak, is deze opnieuw behandeld op basis van de vordering tot onttrekking van de Officier van Justitie (met oproeping voor de terechtzitting van 13 mei 2003), waarin overwogen wordt dat aannemelijk is dat ook andere dan de bewezenverklaarde feiten voordeel hebben opgeleverd;

(ii) op dat punt is in eerste aanleg uitvoerig verweer gevoerd. Zo is bijvoorbeeld gesteld dat de betrokkene niets te maken zou hebben gehad met [B] (10) in de periode dat [C] zaken met dat bedrijf deed en dat toen de betrokkene de aandelen van [B] had gekocht (in oktober 1993), [C] geen zakelijke relatie meer onderhield met [B]. Een daarmee verwant verweer was dat de betrokkene in elk geval vóór het najaar van 1993 ook met [C] niets te maken had. De Rechtbank heeft bedoeld verweer verworpen.(11)

(iii) in hoger beroep is het verweer herhaald, doch heeft het evenmin succes gehad.

4.7 In wezen ging het er dus telkens om of in weerwil van de bewezenverklaring en betrokkenes verklaringen voor zover deze ertoe strekten dat hij pas vanaf augustus 1993 in samenwerking met [persoon 1] en [persoon 2] actief is geworden en bij de feiten betrokken raakte (bewijsmiddelen 36 en 37), er niettemin voldoende aanwijzingen waren dat hij ook vóór augustus 1993 al soortgelijke feiten had begaan en daaruit voordeel had getrokken, of beter gezegd of 's Hofs kennelijke oordeel op dat punt de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan.

Ik meen dat die laatste vraag op grond van de in het arrest in de strafzaak opgenomen bewijsmiddelen, waaruit in algemene zin blijkt van een nauwe samenwerking tussen [betrokkene], [persoon 1] en [persoon 2], bevestigend moet worden beantwoord. Ik wijs dan nog in het bijzonder op:

(i) bewijsmiddel15 waaruit volgt dat [betrokkene] in de zomer van 1993 aan [persoon 3] mededeelde dat hij al veel zaken als broker deed met onder andere [C] en dat hij ook veel zaken gedaan had (mijn cursivering C.B.) met Nederlanders, waarbij hij de namen noemde van [persoon 1] en [persoon 2];

(ii) de bewijsmiddelen 10 en 11 waaruit mede kan worden afgeleid dat [C] ook in de eerste helft van 1993 al actief was;

(iii) de bewijsmiddelen 16, 21, 26, 28 en 29 waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene] wel degelijk veel te vertellen had binnen [C] en dat [C] voor hem (als bestuurder en eigenaar van [A]) niet alleen maar een zakenrelatie was. Van het In Zwitserland gevestigde [A] was de telefoon, naar de betrokkene wist, doorgeschakeld naar het adres in Laren, op welk adres [betrokkene] blijkbaar ook geregeld kwam en onder meer besprekingen had met [persoon 1] en [persoon 2].

(iv) bewijsmiddel 36 dat als verklaring van [betrokkene] inhoudt dat de activiteiten van [A] gewoon plaats vonden in Nederland en dat de klanten van [B] op een zeker moment werden overgedragen aan [A].(12)

Gelet op een en ander meen ik dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat voldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] in de periode van 1 april 1993 tot 1 augustus - in samenwerking met [persoon 1] en [persoon 2] - soortgelijke feiten heeft begaan als de bewezenverklaarde, niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

4.8 Nu er sprake is van een kennelijke misslag in het verkorte arrest, zal de Hoge Raad het verkorte arrest verbeterd kunnen lezen. Dat heeft tot gevolg dat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

4.9 Het middel is dus tevergeefs voorgesteld en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO te ontlenen motivering worden gedaan.

5. Ik heb geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

6. Nu het eerste middel ten dele gegrond is concludeer ik dat de Hoge Raad:

- de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de vastgestelde betalingsverplichting,

- die betalingsverplichting zal verminderen zoals hem gepast voorkomt en

- het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Tegen de medeverdachte [persoon 2] zijn er ook twee arresten van de Hoge Raad:

H.R. 4 februari 2003 (nr. 00244/02), de hoofdzaak, verwerping van het beroep.

H.R. 29 maart 2005 (nr. 02444/04 P), de ontnemingszaak, vermindering van de betalingsverplichting wegens undue delay.

Ten aanzien van [persoon 4] heb ik alleen een arrest in de hoofdzaak aangetroffen, HR 4 februari 2003, nr. 00243/02 ( verwerping van het beroep).

2 Zie HR 14 april 1998, NJ 1999, 75.

3 Het zal echter alleen al om praktische redenen vaak niet wenselijk zijn om voort te procederen omdat nog niet vaststaat dat en in hoeverre althans in eerste aanleg een veroordeling zal volgen.

4 Een bijkomend negatief effect is geweest dat de zaak in het tweede appel is berecht door het Hof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, en zo is losgeraakt van de zaken tegen [persoon 1] en [persoon 2] die (net als het eerste appel van [betrokkene]) door het "echte" Hof te Amsterdam zijn afgedaan.

5 Vgl. bijvoorbeeld: HR 2 november 2004, LJN AR 2439; HR 28 september 2004 AQ 4239 (ook een geval van terugwijzing naar de Rechtbank).

6 Zie bijv. HR 17 januari 2006, LJN AU6320; Zie ook HR 19 april 2005, LJNAS 9409.

7 Mr. Wolters trad ook in die zaak op als raadsman van de betrokkene.

Voorzover hieronder over bepaalde bewijsmiddelen wordt gesproken gaat het over de bewijsmiddelen in de strafzaak, tenzij anders is vermeld.

8 Zie blz. 2 Proces-verbaal van bevindingen uit het strafrechtelijk financieel onderzoek bekend onder de naam "Termijnteam".

9 Zie bijv. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548, HR 9 september 2003, LJN AF9708, H.R. 2 december 2003, NJ 2004, 119 en HR 24 januari 2006, LJN AU6787.

10 Bewijsmiddel 2 van het ontnemingsarrest houdt in dat het berekende voordeel is gerelateerd aan activiteiten in het kader van [C], [B] en [A].

11 De Rechtbank heeft het verweer uitdrukkelijk verworpen ( blz. 3 vonnis) met een beroep op een verklaring van [getuige 1] en een verklaring van [betrokkene] zelf tegenover de politie in Londen. Een zodanige uitdrukkelijke stellingname is uiteraard te prefereren.

12 Voor de goede orde wijs ik nogmaals op de, niet in de bewijsmiddelen opgenomen, eigen verklaring van [betrokkene] dat hij al veel eerder betrokken was bij [B], een van de onderzochte ondernemingen. Zie bovengenoemd proces-verbaal van bevindingen inzake het SFO blz. 35, waar naar die verklaringen wordt verwezen.