Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8745

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
R06/029HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8745
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak; familierecht. Geschil tussen voormalige levenspartners over de wijziging van kinderalimentatie en kwijtschelding van ontstane betalingsachterstand (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-04-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 270
RvdW 2007, 418
NJB 2007, 1011
JWB 2007/147

Conclusie

Rek.nr. R06/029HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 16 febr. 2007

conclusie inzake

[De vader]

tegen

[De moeder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze Antilliaanse zaak betreft een verzoek tot wijziging van een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde kinderalimentatie in dier voege dat kwijtschelding wordt verzocht van de ontstane betalingsachterstand.

2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Thans verweerster in cassatie, hierna: de moeder, is de moeder van [de dochter], geboren te Bonaire op [geboortedatum] 1996, hierna: het kind.

(ii) Thans verzoeker tot cassatie, hierna: de vader, is de vader van het kind.

(iii) De moeder woont op Bonaire, de vader woont in Nederland.

(iv) Op verzoek van de Voogdijraad op Bonaire en de moeder heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, hierna: het GEA, bij beschikking van 9 april 1998 de vader veroordeeld om maandelijks en ingaande op 1 mei 1998 voor de verzorging en opvoeding van het kind f 175,- te voldoen.

(v) Op verzoek van de vader heeft het GEA bij beschikking van 6 mei 2004 de beschikking van 9 april 1998 gewijzigd en de bijdrage voor de verzorging en opvoeding van het kind vastgesteld op nihil.

3. Op 12 mei 2005 heeft de vader bij het GEA een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt dat het GEA de beschikking van 9 april 1998 intrekt in dier voege dat de daarbij ontstane achterstand in betaling (ad Euro 8.072,31) kwijtgescholden wordt, althans met terugwerkende kracht over de periode mei 1998 tot 5 mei 2004 op nihil wordt gesteld. De vader heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de uitspraak van 9 april 1998 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, en dat hij gelet op zijn huidige financiële omstandigheden niet in staat is de achterstand te voldoen.

4. Na verweer door de moeder, heeft het GEA bij beschikking van 24 augustus 2005 het verzoek afgewezen. Daartoe overwoog het GEA onder meer:

"Niet alleen heeft rekwestrant in 1998 aangeboden een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van zijn minderjarige dochter te betalen en heeft hij na de vaststelling van dat bedrag zeven jaar stil gezeten, maar daarenboven is geenszins komen vast te staan dat hij gedurende de gehele periode vanaf mei 1998 tot mei 2004 niet in staat is geweest de bijdrage te betalen."

5. De vader is van de beschikking van het GEA in hoger beroep gegaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, doch tevergeefs: bij beschikking van 31 januari 2006 heeft het hof de bestreden beschikking bevestigd.

6. Het hof was, met het GEA, van oordeel dat de door de vader aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de beschikking van 9 april 1998 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Het hof overwoog daartoe onder meer (r.o. 2.2):

"In de procedure die tot de beschikking van 9 april heeft geleid, heeft [de vader] ten verwere aangevoerd dat hij geen vast werk had en thuis zat met zijn echtgenote en twee kleine kinderen. Niet is aannemelijk gemaakt dat bij die beschikking geen rekening is gehouden met die gegevens. Niet is voldoende gesteld dat die gegevens toen onjuist of onvolledig waren."

Voorts verwierp het hof het door de vader in hoger beroep gedane beroep op de vervaltermijn van art. 1:403 BW, zulks op grond van de overweging dat het verzoek dat tot de alimentatieverplichting heeft geleid, op 9 februari 1998 is ingediend en de alimentatieverplichting ziet op een daarna liggende periode (r.o. 2.3). Ook het beroep van de vader op strijd met de Nederlandse openbare orde van de beschikking van 9 april 1998 faalt naar 's hofs oordeel. Het is niet aan het hof de naar Nederlands-Antilliaans recht gewezen beschikking van 9 april 1998 te toetsen aan de Nederlandse openbare orde, aldus het hof (r.o. 2.4).

7. De vader is van de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met drie middelen. De moeder heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de middelen bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

8. Middel 1 keert zich tegen r.o. 2.2 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof geen acht heeft geslagen op het feit dat de vader in de periode van de vaststelling van de kinderalimentatie gehuwd was en uit dit huwelijk drie kinderen zijn geboren en de vader geen inkomsten had.

9. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de bestreden rechtsoverweging heeft het hof acht geslagen op het verweer van de vader dat hij in 1998 geen vast werk had en thuis zat met zijn echtgenote en kleine kinderen. Het hof heeft evenwel geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat bij de beschikking van 9 april 1998 geen rekening is gehouden met die gegevens, en voorts geoordeeld dat niet voldoende is gesteld dat die gegevens toen onjuist of onvolledig waren.

10. Middel 2 keert zich tegen de verwerping door het hof - in r.o. 2.3 - van het beroep van de vader op de vervaltermijn van art. 1:403 BW. Volgens het middel is de overweging op grond waarvan het hof dit beroep heeft verworpen onbegrijpelijk en in strijd met het recht, aangezien de vader in zijn beroepschrift heeft gesteld dat de moeder pas zeven jaar na de beschikking van 9 april 1998 de achterstand opeist. Voorts stelt het middel dat voordien met die beschikking geen maatregelen zijn getroffen en dat deze beschikking niet aan de vader is betekend, zodat het bedrag aan achterstand is verjaard.

11. Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat het middel niet erover klaagt dat het hof het onderhavige verweer van de vader heeft uitgelegd als een beroep op de vervaltermijn van art. 1:403 BW. Voor zover het middel wil betogen dat de door het middel bedoelde omstandigheden meebrengen dat de alimentatievordering is verjaard, faalt het derhalve reeds wegens gebrek aan belang. De vraag of de door het middel bedoelde omstandigheden ook reeds in feitelijke instantie zijn aangevoerd (het middel noemt geen vindplaatsen) en, zo ja, of die omstandigheden de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de alimentatievordering is verjaard, kan in het midden blijven.

12. Ingevolge art. 1:403 (NA)BW is geen uitkering verschuldigd over de tijd, die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken. De achterstand die de vader heeft opgelopen in de alimentatiebetaling betreft niet de periode vóór de indiening van het verzoek, maar de periode daarna. Het oordeel van het hof dat het beroep op de vervaltermijn van 1:403 BW verworpen dient te worden, omdat het verzoek dat tot de alimentatieverplichting heeft geleid, op 9 februari 1998 is ingediend en de alimentatieverplichting ziet op een daarna liggende periode, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Middel 2 is daarom tevergeefs voorgesteld.

13. Middel 3 neemt stelling tegen de verwerping door het hof - in r.o. 4.3 - van het beroep van de vader op strijd met de Nederlandse openbare orde van de beschikking van 9 april 1998. Zie ik het goed, dan verwijt het middel het hof te hebben miskend dat, nu de vader inmiddels in Nederland woont en de beschikking van 9 april 1998 in Nederland ten uitvoer wordt gelegd, de tenuitvoerlegging van die beschikking in Nederland kan afstuiten, en in dit geval, gelet op de draagkracht van de vader, ook moet afstuiten, op strijd met de Nederlandse openbare orde.

14. Het middel faalt, omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het verliest uit het oog dat ingevolge art. 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden de rechtskracht, dat wil zeggen zowel de bindende kracht en de bewijskracht als de executoriale rechtskracht, van rechterlijke uitspraken, gegeven in enig deel van het Koninkrijk, in alle delen van het Koninkrijk gelijk is, zonder dat daarbij plaats is voor toetsing aan de in het internationaal privaatrecht gebruikelijke voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke uitspraken, zoals de openbare orde-toets. Zie HR 14 januari 1994, NJ 1994, 403 nt. WH-S. Zie ook L.Th.L.G. Pellis, Alimentatie, Praktijkreeks IPR, deel 6, 1996, nr. 346. Het oordeel van het hof dat het beroep van de vader op strijdigheid van de beschikking van 9 april 1998 met de Nederlandse openbare orde faalt, is derhalve juist, wat er verder ook zij van de gronden waarop dat oordeel berust.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden