Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
01445/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8364
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzettelijk voordeel trekken uit bijstandsfraude partner. Uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat het opzet van verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – er op was gericht dat de gezamenlijke huishouding geheel of ten dele werd bekostigd met door het in de bewezenverklaring omschreven misdrijf verkregen geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 190
JOL 2007, 246
RvdW 2007, 390

Conclusie

Nr. 01445/06

Mr Machielse

Zitting: 6 februari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft verdachte op 27 april 2005 ter zake "opzettelijk uit de opbrengst van enig misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot het verrichten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiar 120 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft Mr M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd doordat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad omtrent het onjuist invullen van de uitkeringsformulieren door zijn vriendin met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 juni 1994 tot en met 31 december 2001 te Nieuwegein opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van een door [medeverdachte 1], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Algemene Bijstandswet, door middel van het opzettelijk plegen van valsheid in geschrifte van de (Sociale Dienst van de) gemeente Utrecht, uit hoofde van de Algemene Bijstandswet verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte."

3.3. Het hof heeft aan deze bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

"1.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling te Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, pagina 048-050, gesloten op 5 augustus 2003, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 3], zakelijk weergegeven:

Ik ben bevoegd tot het doen van aangifte van valsheid in geschrifte en sociale zekerheidsfraude namens Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht. Door mij wordt aangifte gedaan van het volgende:

Bij of krachtens de Algemene Bijstandswet werd op verzoek van onderstaande persoon een uitkering verstrekt aan: [medeverdachte 1], geboren [geboortedatum] 1966, wonende [a-straat 1] te [woonplaats], voor de uitkeringsperiode 1 juni 1994 tot en met 30 juni 2003.

Uit een door sociale Zaken en Werkgelegenheid te Utrecht ingesteld onderzoek is in samenwerking met de sociale recherche SoZaWe Nieuwegein gebleken, dat er in ieder geval met ingang van 1 juni 1994 tot en met 31 maart 2000 sprake is van verblijf buiten de gemeente [woonplaats], en samenwoning met [verdachte] op het adres [b-straat 1] te [woonplaats].

Om het recht op een uitkering vast te stellen moest [medeverdachte 1] periodiek een vragenformulier met betrekking tot de gezins-, arbeids, vermogens- en inkomensomstandigheden invullen, dateren en ondertekenen en aan Sociale Zaken en Werkgelegenheid doen toekomen. Op basis van de door [medeverdachte 1] verstrekte informatie werd het recht op de hoogte van de bijstandsuitkering vastgesteld.

Uit het onderzoek bleek dat [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk onjuiste gegevens verstrekten aan Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Door hen werd niet opgegeven dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een gezamenlijke huishouding voerden buiten de gemeente [woonplaats] en dat [medeverdachte 1] werkzaamheden verrichtte en er door hen inkomsten werden ontvangen.

2.

Het door [verbalisant 4], brigadier van politie regio Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, pagina 331-334, gesloten op 4 augustus 2001, dat niet is ondertekend en derhalve door het hof gebezigd als een geschrift, bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

Ik heb 16 jaar samengeleefd met [medeverdachte 1]. We hebben op verschillende adressen samengewoond. Ook in [woonplaats] op de [b-straat 1]. We hebben samen zes kinderen. Vorig jaar, april 2000, zijn wij uit elkaar gegaan.

3.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 1], beiden sociaal rechercheur, werkzaam bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling te Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, pagina 85-86, gesloten op 7 juli 2003, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik woon sinds juli 1997 in deze woning op de [b-straat 2] te [woonplaats]. In de hoekwoning, nummer [1], naast mijn hoekwoning, woonden op dat moment [verdachte], [medeverdachte 1], de oudste dochter [betrokkene 1], zij was de dochter van [verdachte]. Daarna kwamen [betrokkene 2], de dochter van beiden volgens mij, dan [betrokkene 3], de zoon van beiden, [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Een jaar later beviel [medeverdachte 1] van [betrokkene 7]. [Verdachte] had het altijd over zijn vrouw.

4.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 6], beiden sociaal rechercheur, werkzaam bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling te Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, pagina 101, gesloten op 3 juli 2003, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben woonachtig op [b-straat 3] te [woonplaats] vanaf 1974. Ik begrijp dat u een onderzoek doet naar de bewoners van nummer [1]. Ik weet dat [verdachte] lange tijd heeft samengewoond met ene [medeverdachte 1]. Ik weet dat zij beiden zo'n tien jaar samenwoonden. [Medeverdachte 1] was permanent in de woning aanwezig. Ik schat, dat zij ongeveer drie jaar geleden opeens is vertrokken met de kinderen.

5.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], sociaal rechercheur, werkzaam bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling te Utrecht, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal, pagina 9, gesloten op 12 augustus 2003, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Inkomstenverklaringen:

Ingevolge artikel 65 lid 2 Abw worden door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan belanghebbenden, maandelijks, voor de verstrekking van gegevens, formulieren (inkomstenverklaringen) verstrekt. Zo ook aan de belanghebbende [medeverdachte 1].

De inkomstenverklaringen zijn geschriften als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

Om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen, moesten op de inkomstenverklaringen vragen beantwoord en/of eventuele veranderingen aangegeven worden met betrekking tot onder andere de gezins-, woon-, arbeids- en inkomensomstandigheden.

Deze formulieren werden, na invulling, dag- en ondertekening terugbezorgd bij SZW, kennelijk door [medeverdachte 1].

Op grond van de door belanghebbende gegeven informatie bleek dat deze recht had op een verstrekking/tegemoetkoming (uitkering), waarop SZW maandelijks de uitbetalingen continueerde.

Ik, verbalisant, verklaar dat de terugontvangen inkomstenverklaringen vanaf 1997 door de SZW, bij binnenkomst, worden gescand en digitaal ingelezen waarna zij worden opgeslagen in het interne geheugen van het computernetwerk van de SZW Utrecht.

6.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], sociaal rechercheur, werkzaam bij de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling te Utrecht, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal, pagina 34, gesloten op 12 augustus 2003, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:

Inkomstenverklaringen fraudeperiode:

Door middel van een computer met beeldscherm werd een onderzoek ingesteld naar de digitaal vastgelegde inkomstenverklaringen ten name van verdachte [medeverdachte 1].

Ik zag, dat niet was opgegeven, dat verdachte [medeverdachte 1] buiten de gemeente [woonplaats] zou verblijven. Tevens zag ik, dat verdachte [medeverdachte 1] geen melding had gemaakt van de werkzaamheden, die zij verrichtte en de inkomsten, die zij daaruit genereerde.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat op de geprinte versies van de digitaal opgeslagen inkomstenverklaringen, betrekking hebbend op de periode 1 juli 1994 t/m 21 juni 2003 niet was aangegeven dat er een wijziging was in de woonsituatie en dat er op deze vragenformulieren maandgegevens, op de vraag "Er is een wijziging in de samenstelling van mijn/ons gezin, burgerlijke staat of woonsituatie", geantwoord was met "nee" doordat het bij dat antwoord behorende hokje was ingevuld.

Tevens zag ik dat niet was aangegeven dat er onlangs een verhuizing had plaatsgevonden of zou gaan vinden. Ik zag dat bij de vraag "Ik ben/wij zijn onlangs verhuisd of ik ga/wij gaan binnen één maand verhuizen" met "nee" geantwoord was, doordat het bij dat antwoord behorende hokje was ingevuld."

3.4. Voorts heeft het hof in een aanvullende bewijsoverweging, zoals opgenomen in de aanvulling ex art. 365a Sv, als volgt overwogen:

"Het hof heeft uit de bovenstaande bewijsmiddelen, behelzende dat verdachte jarenlang met [medeverdachte 1] en hun gezamenlijke kinderen in één woning heeft samengewoond, alsmede het uit het dossier (pagina 23) blijkende gegeven, dat verdachte al sedert februari 1987 een bijstandsuitkering van de gemeente Nieuwegein had, als vaststaand aangenomen, dat verdachte met [medeverdachte 1] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 3 lid 3 ABW, zoals die bepaling luidt sinds 1997."

3.5. In lijn met HR 21 juni 2005, LJN AT1756 heeft de Hoge Raad in HR 9 mei 2006, NJ 2006, 297 in een zaak waarin de verdachte ook was veroordeeld op grond van art. 416 lid 2 Sr, als volgt overwogen:

"3.4. Uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan het bewezenverklaarde niet volgen. In het bijzonder blijkt niet dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door misdrijf verkregen geld. Uit die bewijsmiddelen heeft het Hof weliswaar kunnen afleiden dat de verdachte en [medeverdachte 1] samenwoonden op het adres [b-straat 1] te [woonplaats] en hij aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres, maar de bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, die voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van de - door valsheid in geschrift verkregen - uitkering van [medeverdachte 1], dan wel dat de verdachte telkens wist dat die voorzieningen geheel of ten dele werden bekostigd met door dat misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed (vgl. HR 21 juni 2005, LJN AT1756)."

3.6. Mede naar aanleiding van het middel acht ik het bewezenverklaarde ook in deze zaak ontoereikend gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid dat het door misdrijf verkregen geld werd besteed aan het huishouden waarvan verdachte deel uitmaakte en evenmin dat de verdachte wist dat het gezamenlijke huishouden geheel of ten dele werd bekostigd met door misdrijf verkregen geld.

3.7. Het gezamenlijke huishouden als zodanig en de uit de bewijsoverweging blijkende omstandigheid dat verdachte sinds februari 1987 zelf een bijstandsuitkering ontving, zijn voor het bewijs van die wetenschap niet voldoende. Dat zijn zij evenmin als zij worden beoordeeld in samenhang met de enkele vermelding in het voor het bewijs onder 1. gebezigde proces-verbaal, dat uit onderzoek bleek dat medeverdachte en verdachte kennelijk onjuiste gegevens verstrekten aan Sociale Zaken en Werkgelegenheid en dat door hen niet werd opgegeven dat zij een gezamenlijke huishouding voerden buiten de gemeente [woonplaats] en dat medeverdachte werkzaamheden verrichtte en er door hen inkomsten werden ontvangen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet van enige betrokkenheid van verdachte bij het verstrekken van deze gegevens. Waarom in bewijsmiddel 1 wordt gezegd dat verdachte en zijn medeverdachte kennelijk onjuiste gegevens verstrekten aan Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht is mij niet duidelijk geworden. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

4.1. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn. De verdachte heeft op 10 mei 2005 cassatie ingesteld. De stukken zijn bij de Hoge Raad binnengekomen op 11 mei 2006. Dit komt neer op een overschrijding van de inzendtermijn met vier maanden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Nu ik concludeer tot vernietiging van het arrest op andere gronden, zal het hof dat de zaak opnieuw dient te berechten met deze strafvermindering rekening dienen te houden.

4.2. Ook het tweede middel is terecht voorgesteld.

5. De voorgestelde middelen zijn terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden