Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8362

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
01402/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8362
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn in de fase tussen het bij verstek gewezen arrest en de betekening daarvan. In de tussenliggende periode had verdachte tijdelijk een bekend adres, waardoor het verstekarrest betekend had kunnen worden. HR toetst aan het betekeningsarrest NJ 2000, 721 en verwijst naar NJ 2005, 385. Anders dan de AG voorstelde, inhoudende dat met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden kon worden volstaan, geeft de HR korting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 01402/06

Mr Machielse

Zitting 6 februari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 21 augustus 1998 voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen weken.

2. De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn omdat na het verstekarrest het openbaar ministerie niet met de nodige voortvarendheid heeft getracht de veroordeling aan verdachte te betekenen. Uit de stukken van geding zou niet kunnen blijken dat de verstekmededelingen aan de griffie van het hof zijn betekend ex art. 588, derde lid aanhef onder c, Sv en evenmin dat de verstekmededelingen als gewone brief zijn verzonden. Voorts zou niet getracht zijn te betekenen aan het adres [f-straat 1] te [plaats B], zijnde het adres dat verdachte heeft opgegeven bij het instellen van hoger beroep. De schending van de redelijke termijn zou moeten resulteren in de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, in aanmerking genomen (a) dat het bewezenverklaarde ruim vijftien jaar geleden is begaan (b) de verjaringstermijn van het bewezenverklaarde (twaalf jaren) en (c) de betrekkelijke - geringe - ernst van het bewezenverklaarde gezien de opgelegde gevangenisstraf van negen weken.

3.2. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.19). In datzelfde arrest is aangegeven wanneer van de hierbedoelde vertraging in elk geval geen sprake is.

3.3. Uit het GBA-overzicht opgevraagd in het kader van de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv blijkt dat verdachte:

- vanaf 16 mei 1997 tot 22 september 1998 ingeschreven heeft gestaan op het adres [a-straat 1] te [plaats A];

- vanaf 22 september 1998 tot 24 maart 2000 zonder vaste woon- of verblijfplaats was;

- vanaf 24 maart 2000 tot 2 maart 2001 ingeschreven heeft gestaan op het adres [b-straat 1] te [plaats B];

- vanaf 2 maart 2001 tot 9 mei 2001 ingeschreven heeft gestaan op het adres [c-straat 1] te [plaats B];

- vanaf 9 mei 2001 tot 21 mei 2001 ingeschreven heeft gestaan op het adres [e-straat 1] te [plaats B];

- vanaf 21 mei 2001 tot 4 september 2001 ingeschreven heeft gestaan op het adres [c-straat 1] te [plaats B];

- vanaf 4 september 2001 tot 19 december 2005 zonder vaste woon- of verblijfplaats was en

- vanaf 19 december 2005 ingeschreven staat op het adres [d-straat 1] te [plaats B].

3.4. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoren onder andere:

(i) het bestreden verstekarrest van 21 augustus 1998;

(ii) een akte van uitreiking inhoudende dat op 20 november 1998 is getracht de mededeling uitspraak in persoon uit te reiken op het sinds 22 september 1998 niet meer actuele GBA-adres van verdachte, zijnde [a-straat 1] te [plaats A];

(iii) een verzoek d.d. 27 juli 1999 aan het Landelijk Coördinatiepunt Arrestiebevelen (LCA) om verdachte, zijnde zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, in het opsporingsregister te doen opnemen;

(iv) een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 13 augustus 2001, waaruit blijkt dat verdachte sinds 21 mei 2001 ingeschreven staat op de [c-straat 1] te [plaats B];(1)

(v) een akte van uitreiking inhoudende dat op 24 augustus 2001 is getracht de mededeling uitspraak in persoon uit te reiken op het GBA-adres van verdachte, zijnde [c-straat 1] te [plaats B] en dat een bericht van aankomst is achtergelaten. Op 31 augustus 2001 is de gerechtelijke brief teruggezonden aan het Ressortsparket Amsterdam;

(vi) een akte van uitreiking inhoudende dat op 11 september 2001 is getracht de mededeling uitspraak in persoon uit te reiken op het adres [c-straat 1] te [plaats B] (dat sinds 4 september 2001 niet meer het GBA-adres van verdachte was) en dat een bericht van aankomst is achtergelaten. Op 21 september 2001 is de gerechtelijke brief teruggezonden aan het Ressortsparket Amsterdam;

(vii) een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 12 juli 2002, waaruit blijkt dat verdachte sinds 4 september 2001 is geëmigreerd (een buitenlands adres ontbreekt);

(viii) een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 22 mei 2003, waaruit blijkt dat verdachte sinds 4 september 2001 is geëmigreerd (een buitenlands adres ontbreekt);

(ix) een verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 12 december 2003, waaruit blijkt dat verdachte sinds 4 september 2001 is geëmigreerd (een buitenlands adres ontbreekt);

(x) een formulier inhoudende signaleringsgegevens van 6 februari 2004 waaruit blijkt dat verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats is hier te lande;

(xi) een formulier inhoudende signaleringsgegevens van 8 maart 2005 waaruit blijkt dat verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats is hier te lande alsmede een uitdraai persoonsgegevens van 8 maart 2005 waaruit blijkt dat verdachte vanaf 4 september 2001 zonder bekende woon- of verblijfplaats is hier te lande;

(xii) een akte van uitreiking inhoudende dat de mededeling uitspraak op 15 november 2005 in persoon aan de verdachte is uitgereikt en

(xiii) een vervallenverklaring signalering van 21 december 2005.

3.5. Ten eerste het onderdeel dat ten onrechte niet is getracht de mededeling uitspraak uit te reiken op het adres [f-straat 1] te [plaats B]. De akte hoger beroep van 10 juli 1997 houdt inderdaad in dat voornoemd adres opgegeven is als post/verblijf/huidig adres. Op 10 juni 1998 is getracht de appèldagvaarding uit te reiken op dat opgegeven adres. De uitreiking heeft niet kunnen plaatsvinden omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar niet woonde of verbleef. Kennelijk is wel een bericht van aankomst achtergelaten want op 17 juni 1998 is de appeldagvaarding door het postkantoor teruggezonden aan het Ressortsparket Amsterdam. Vervolgens is op 29 juni 1998 de appèldagvaarding nog als gewone brief verzonden.

Bij die stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat niet is getracht de mededeling uitspraak op voornoemd adres uit te reiken. Kennelijk was men bij het ressortsparket van mening dat het door verdachte opgegeven adres inmiddels, bijna een jaar na het instellen van hoger beroep, achterhaald was. Dit onderdeel van de klacht faalt derhalve.

3.6. Er kan niet worden gezegd dat er tot het moment van het verzoek tot het opnemen van verdachte in het opsporingsregister (27 juli 1999) sprake is geweest van een rechtsgeldige betekening. De betekeningspoging van 20 november 1998 aan het adres [a-straat 1] te [plaats A], waarbij degene die zich op dat adres bevond mededeelde dat verdachte daar niet woonde of verbleef, betrof een achterhaald GBA-adres. Uit de stukken blijkt ook niet dat de mededeling uitspraak is betekend aan de griffier ex art. 588, eerste lid aanhef sub b onder 3, Sv. De vertraging die is opgetreden vanaf de datum van het verstekarrest tot het verzoek de verdachte in het opsporingsregister op te nemen behoeft niettemin niet voor rekening van het openbaar ministerie te komen. Verdachte stond immers vanaf 22 september 1998, zijnde een maand na de datum van het arrest, tot 24 maart 2000 niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente in Nederland en er was van de verdachte evenmin een woon- of verblijfplaats bekend. Tussen de datum van het arrest en 27 juli 1999 is van overschrijding van de redelijke termijn dus geen sprake geweest.(2)

In 2000 heeft er geen poging tot betekening van de verstekmededeling plaatsgevonden.Op 24 maart 2000 is verdachte weer in de gemeentelijke basisadministratie van [plaats B] ingeschreven. Nu niet blijkt dat de verstekmededeling binnen een jaar nadat de verdachte zich weer heeft ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, rechtsgeldig is betekend hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij op de voet van art. 588, tweede of derde lid, Sv komt de vertraging na ommekomst van dat jaar, dus met ingang van 24 maart 2001, voor rekening van het Openbaar Ministerie.(3)

De betekeningspogingen in 2001 zijn niet rechtsgeldig. De poging op 24 augustus 2001 op het toenmalige GBA-adres van verdachte is niet afgerond met een betekening aan de griffier en verzending als gewone brief conform art. 588, derde lid aanhef onder c, Sv. De poging op 11 september 2001 vond plaats op het inmiddels achterhaalde GBA-adres. Niettemin ben ik van mening dat de niet succesvolle poging op 24 augustus 2001, waarbij wel een bericht van aankomst is achtergelaten, een voldoende inspanning van het openbaar ministerie heeft opgeleverd. Verdachte heeft klaarblijkelijk geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen getroffen om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven, of heeft nagelaten zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet gereageerd, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven. De periode vanaf 24 augustus 2001 dient derhalve weer voor rekening van verdachte te komen. In ieder geval geldt dat voor de periode vanaf 4 september 2001, de dag waarop verdachte weer zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande was.

In de jaren 2002, 2003, 2004 hebben er diverse GBA-controles plaatsgevonden waaruit bleek dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had in Nederland. De vertraging in die jaren dient ook voor rekening van verdachte te komen.

Op 15 november 2005 is de verstekmededeling in persoon aan de verdachte uitgereikt.

3.7. Op basis van het voorgaande kan derhalve gezegd worden dat van de ruim zeven jaren tussen het wijzen van het verstekarrest op 21 augustus 1998 en de betekening van het verstekarrest op 15 november 2005, het tijdsverloop tussen 24 maart 2001 en 24 augustus 2001 voor rekening van het openbaar ministerie dient te komen. Dat leidt tot het oordeel dat in die fase van het geding de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de aan verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden meen ik dat strafvermindering in dit geval niet aangewezen is, en dat volstaan kan worden met de vaststelling dat de redelijke termijn na het wijzen van de bestreden uitspraak is overschreden.(4) Het middel behoeft daarom niet tot cassatie te leiden.

4.1. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat uit het gebruik van de valselijk opgemaakte geschriften enig nadeel kon ontstaan.

4.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 9 februari 1990 en 8 februari 1991 te [plaats B], tezamen en in vereniging met een ander, als degene aan wie een uitkering was toegekend, telkens een Inlichtingenformulier Heronderzoek, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn medeverdachte/partner opzettelijk valselijk niet op genoemd geschrift vermeld of doen vermelden dat hij en/of zijn medeverdachte/partner inkomsten ontvingen en/of hadden ontvangen uit werkzaamheden en genoemd geschrift telkens voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat geschrift telkens als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik telkens enig nadeel kon ontstaan;"

4.3. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. Een proces-verbaal met nummer 1432a/95, opgemaakt op ambtsbelofte op 14 augustus 1995 door de buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte:

Ik heb een uitkering van de Sociale Dienst (: [plaats B] in 1990 en 1991, naar het hof begrijpt) ontvangen samen met [betrokkene 1]. De uitkering was voor mijn vrouw en ik bestemd; we hebben twee kinderen samen. Ik heb de uitkering opgezegd in 1992, als ik het wel heb. Opdat de dienst kon controleren of wij recht hadden op de uitkering, ontvingen wij formulieren van de Sociale Dienst, die wij moesten invullen en opsturen naar de dienst. [Betrokkene 1] heeft mij vaak gewaarschuwd dat ik alles moest opgeven aan de Sociale Dienst; ik kon het niet. Ik wist wel dat ik mijn inkomsten en mijn werkzaamheden moest doorgeven aan de dienst. Ik weet dat het niet goed is wat ik heb nagelaten. De formulieren zijn door mij niet naar waarheid ingevuld in de tijd dat ik naast de uitkering nog werkte. Ik heb (in de periode 28 mei 1990 tot en met 4 juni 1991, begrijpt het hof) onder meer gewerkt bij [A] en (in de periode van 25 januari 1990 tot en met 31 december 1991, begrijpt het hof) inkomsten heeft ontvangen van [B]. De Inlichtingenformulieren Heronderzoek van februari 1990 en februari 1991, die mij worden getoond, zijn in [plaats B] voor een deel door [betrokkene 1] ingevuld en voor een deel door mij. De formulieren zijn [betrokkene 1] en mij ondertekend. Ik heb deze inkomsten nooit opgegeven aan de Sociale Dienst. Ik wist wel dat ik mijn inkomsten moest doorgeven aan de Sociale Dienst. Ik heb mijn inkomsten bewust verzwegen voor de Sociale Dienst.

2. Een proces-verbaal met nummer 1432b/95, opgemaakt op ambtsbelofte op 14 augustus 1995 door de buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1]:

Vanaf 1989 hadden [verdachte] en ik samen een uitkering van de Sociale Dienst [plaats B] voor ons en de kinderen. Om de uitkering te kunnen behouden, moesten wij formulieren van de dienst invullen en opsturen. Ik weet nog dat er onder meer gevraagd werd of wij werk en/of inkomsten hadden. [Verdachte] stond erop dat we geen inkomsten en werkzaamheden zouden doorgeven aan de Sociale Dienst. De Inlichtingenformulieren Heronderzoek van de Sociale dienst, die mij worden getoond, van februari 1990 en februari 1991 hebben wij samen ingevuld en ondertekend (in [plaats B], begrijpt het hof). Ik zie dat wij de inkomsten niet op de formulieren hebben vermeld. U zegt mij dat [verdachte] onder meer heeft gewerkt bij [A] en inkomsten heeft ontvangen van [B]. Ik wou het wel doorgeven maar ik kon het niet. [Verdachte] wist zelf dat hij fout was. Hij wist dat hij zijn inkomsten moest doorgeven aan de Sociale Dienst.

3a. Een Inlichtingenformulier Heronderzoek van de Gemeentelijke Sociale Dienst [plaats B], gedateerd 9 februari 1990, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraag: ontvangt u naast de uitkering van de Sociale Dienst nog andere inkomsten? Antwoord: Nee.

Vraag: verricht u betaald werk? Antwoord: Nee.

Plaats: [plaats B].

Het formulier is ondertekend door verdachte en [betrokkene 1].

3b. Een Inlichtingenformulier Heronderzoek van de Gemeentelijke Sociale Dienst [plaats B], gedateerd 8 februari 1991, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraag: ontvangt u naast de uitkering van de Sociale Dienst nog andere inkomsten? Antwoord: Nee.

Vraag: verricht u betaald werk? Antwoord: Nee.

Plaats: [plaats B].

Het formulier is ondertekend door verdachte en [betrokkene 1]."

4.4. Het vereiste dat uit het gebruik van een geschrift enig nadeel kon ontstaan stond inderdaad tot 1 augustus 1992 in de tekst van art. 225 Sr opgenomen. Deze passage stelde eigenlijk niet veel voor. De Hoge Raad legde haar zo liberaal uit dat nauwelijks een geval viel te bedenken dat er niet onder zou vallen. Zo eiste de Hoge Raad niet dat het nadeel moest ontstaan bij degene tegenover wie het valse stuk was gebruikt (HR 7 mei 1994, NJ 1974, 289) en behoefde het nadeel niet van vermogensrechtelijke aard te zijn (HR 8 april 1975, NJ 1975, 310).(5)

4.5. Ik meen dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat uit het gebruik van de formulieren nadeel kon ontstaan. Ten onrechte uitbetaalde uitkeringsgelden zijn sowieso nadelig voor de overheidsfinanciën maar zeker ook nadelig voor het systeem van sociale voorzieningen als geheel. Misbruik ervan bedreigt het politieke draagvlak voor de (mate van) instandhouding ervan.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

5. Gronden voor ambtshalve vernietiging heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich na het wijzen van de bestreden uitspraak een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding kan worden volstaan, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Een verwerkingsoverzicht van 7 augustus 2001 vermeldde nog dat van verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was.

2 Vgl. HR 24 september 2002, LJN AE4156. Hierbij ga ik wel vanuit dat er vanuit mocht worden gegaan dat het adres [f-straat 1] te [plaats B] inmiddels een achterhaald adres was.

3 HR 12 april 2005, LJN AS4741 rov. 3.6.

4 Vgl. HR 12 april 2005, NJ 2005, 385 en HR 18 juni 2002, LJN AE2759.

5 Aldus Van Dorst in NLR, aant. 8 bij art. 225 Sr, suppl. 112 (januari 2001), p. 643.