Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8175

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
R06/149HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8175
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-04-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 255
RvdW 2007, 402
NJB 2007, 996

Conclusie

R06/149HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 9 februari 2007

Conclusie inzake:

[de vrouw]

tegen

[de man]

In deze alimentatiezaak komt de problematiek van het deelvonnis, in casu: de deelbeschikking, aan de orde. Daarnaast wordt de beslissing bestreden met motiveringsklachten.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn met elkaar gehuwd op 12 juni 1987. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, respectievelijk op [geboortedatum] 1988 en [geboortedatum] 1990.

1.1.2. Bij beschikking van de rechtbank te Leeuwarden van 20 januari 1994 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 20 april 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.3. Met wijziging van een alimentatiebeschikking van de rechtbank te Leeuwarden, heeft de rechtbank te Arnhem bij beschikking van 22 april 1997 de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 1996 vastgesteld op f 100,- per maand.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 28 maart 2003, ingekomen 31 maart 2003, heeft de vrouw aan de rechtbank te Leeuwarden verzocht de bovengenoemde beschikking van de rechtbank te Arnhem te wijzigen en de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 28 maart 1998, dus met terugwerkende kracht, te bepalen op € 3.000,- per maand. Aan dit verzoek heeft zij, onder meer, ten grondslag gelegd dat de rechtbank te Arnhem in de beschikking van 22 april 1997 ervan is uitgegaan dat de man geen betaald werk had. Inmiddels heeft de man een betrekking aanvaard, maar hij is niet bereid gebleken inzicht te geven in zijn inkomsten uit arbeid.

1.3. De man heeft verweer gevoerd ten aanzien van de behoefte van de vrouw, ten aanzien van zijn draagkracht en ten aanzien van de verzochte ingangsdatum. Bij beschikking van 28 januari 2004 heeft de rechtbank te Leeuwarden overwogen dat het verzoek van de vrouw om 28 maart 1998 aan te merken als ingangsdatum voor de wijziging van alimentatie niet toewijsbaar is, nu dit in strijd komt met de rechtszekerheid. Voor zover wijziging van de alimentatie in de rede ligt, zal de datum van indiening van het verzoekschrift (31 maart 2003) worden aangemerkt als de ingangsdatum. In het dictum heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw uitdrukkelijk afgewezen voor zover het betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003. De rechtbank heeft hieraan toegevoegd:

"bepaalt dat hoger beroep van voormelde beslissing kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing in deze procedure".

1.4. Met betrekking tot het tijdvak na 31 maart 2003 heeft de rechtbank reden gezien voor een nieuwe mondelinge behandeling. Na een tweede tussenbeschikking, gedateerd 12 mei 2004, heeft de rechtbank bij beschikking van 24 november 2004 de beschikking van 22 april 1997 gewijzigd en de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 vastgesteld op € 1.942,- per maand.

1.5. De man heeft tegen deze laatste beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De vrouw heeft op 21 februari 2005 incidenteel hoger beroep ingesteld tegen deze laatste beschikking en tegen die van 28 januari 2004. Bij beschikking van 4 augustus 2006 heeft het hof:

a. de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 en tegen de beschikking van 24 november 2004 voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de beslissing op het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie voor de periode tot 31 maart 2003;

b. de beschikking van 24 november 2004 voor het overige vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 vastgesteld op € 966,- per maand.

1.6. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Namens de man is het cassatieberoep tegengesproken.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I klaagt over het tijdstip waarop het hof uitspraak heeft gedaan. Het wijst erop, dat de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 juni 2005 en dat, blijkens het proces-verbaal van die zitting, aan partijen is medegedeeld dat het hof op 7 september 2005 uitspraak zou doen, met de kanttekening dat sprake was van achterstanden. Deze datum is overschreden. Het middel verwijt het hof onvoldoende klantgerichtheid en klaagt dat niet blijkt van een kennisgeving van de zijde van het hof aan partijen omtrent een nadere uitspraakdatum.

2.2. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Art. 286 Rv schrijft voor dat de rechter in verzoekschriftprocedures na afloop van de mondelinge behandeling de dag bepaalt waarop hij uitspraak zal doen en deze datum mededeelt aan de verzoeker en de verschenen belanghebbenden. De rechter kan, indien daartoe redenen zijn, de uitspraakdatum verzetten. Het systeem van art. 286 Rv brengt mee dat in dat geval aan partijen mededeling moet worden gedaan van de nieuwe uitspraakdatum(2). Indien dit laatste niet is geschied - uit de door partijen overgelegde procesdossiers blijkt dit niet -, is dat weliswaar onjuist, maar nog geen reden tot vernietiging van de desbetreffende uitspraak. Mededeling van de uitspraakdatum is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en het uitblijven van deze mededeling tast de inhoud van de beslissing niet aan. Voor zover de toelichting op het middel ("De grens van de afdoening binnen een redelijke termijn lijkt aldus overschreden") doelt op een schending van art. 6 lid 1 EVRM, is een vernietiging van de bestreden beschikking evenmin te beschouwen als een passende sanctie. Zij zou, integendeel, ertoe leiden dat een definitieve vaststelling van de burgerlijke rechten van partijen nog langer op zich laat wachten(3).

2.3. Middel II is gericht tegen rov. 11, waarin het hof overwoog dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 met betrekking tot de beslissing over de alimentatie in het tijdvak vóór 31 maart 2003. Waar de rechtbank de bevoegdheid heeft om tussentijds hoger beroep uit te sluiten moet, aldus het middel, worden aangenomen dat zij ook de bevoegdheid heeft om te bepalen dat het hoger beroep tegen deze beschikking eerst kan worden ingesteld tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking (alinea's 5.4 - 5.5). Aan het slot (alinea's 5.7 - 5.8) is het middel mede gericht tegen rov. 13, waarin het hof constateerde dat overigens geen bezwaren zijn ingebracht tegen de in de beschikking van 24 november 2004 gehanteerde ingangsdatum.

2.4. Met betrekking tot de beslissing over het verzoek tot wijziging van alimentatie over het tijdvak tot 31 maart 2003 is de beschikking van 28 januari 2004 aan te merken als een eindbeschikking. Door in een uitdrukkelijk dictum dit gedeelte van het verzoek af te wijzen heeft de rechtbank in zoverre een eind aan het geding gemaakt(4). Ingevolge het bepaalde in art. 358 lid 2 Rv had een eventueel hoger beroep tegen die beslissing moeten worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Dat is niet gebeurd.

2.5. Ik wil veronderstellenderwijs aannemen dat de vrouw op het verkeerde been is gezet doordat de rechtbank in de beschikking van 28 januari 2004 heeft bepaald dat hoger beroep van voormelde beslissing kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing in deze procedure. De rechtbank was evenwel niet bevoegd de wettelijke beroepstermijn opzij te zetten of de datum van ingang van die termijn te wijzigen. Indien de vrouw hoger beroep had willen instellen, had zij deze bepaling in de beschikking van 28 januari 2004 moeten negeren en binnen drie maanden na de uitspraak hoger beroep moeten instellen. Ik realiseer mij dat deze uitkomst voor de betrokkene weinig bevredigend is wanneer sprake is van een onjuiste `Rechtsmittelbelehrung' in het vonnis waarvan beroep. Echter, vergelijkbare problemen zijn al eens eerder in de rechtspraak aan de orde geweest.

2.6. In het tot 1 januari 2002 geldende burgerlijk procesrecht gold de regel dat van een tussenvonnis hoger beroep kon worden ingesteld vóór het eindvonnis, tenzij de rechter had bepaald dat hoger beroep slechts kon worden ingesteld tegelijk met het beroep tegen het eindvonnis. Indien sprake was van een zgn. deelvonnis - d.w.z. een vonnis waarin door een uitdrukkelijk dictum voor een gedeelte van de vordering een eind aan het geding is gemaakt - kon de rechter niet uitsluiten dat tegen die beslissing hoger beroep werd ingesteld vóór het eindvonnis. Bepaalde de rechter abusievelijk toch in het (deel-)vonnis dat hoger beroep was uitgesloten vóór het eindvonnis, dan diende een partij die hoger beroep wenste in te stellen deze uitsluiting te negeren(5). In het huidige procesrecht is de regel omgekeerd: van tussenvonnissen, die niet inhouden het treffen of weigeren van een voorlopige voorziening, kan hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 337, lid 2, Rv). Eenzelfde bepaling bestond (art. 429n lid 3 (oud) Rv) en bestaat (art. 358 lid 4 Rv) met betrekking tot het hoger beroep van tussenbeschikkingen.

2.7. De rechtspraak over de problematiek van het deelvonnis onder het vroegere recht kan ook worden aangehouden onder het huidige procesrecht(6). Hieruit volgt m.i., dat het hof terecht de vrouw wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004.

2.8. De redenering in het middel, dat de rechter de bevoegdheid heeft om tussentijds hoger beroep uit te sluiten, miskent dat die regel alleen onder het oude recht gold voor rolzaken. Overigens gaat de redenering in het middel hoe dan ook niet op, omdat de wettelijke regeling zowel onder het oude als onder het nieuwe recht verhindert dat de rechter zou kunnen bepalen dat hoger beroep kan worden ingesteld nadat de wettelijke appeltermijn is verstreken of de aanvangsdatum van de wettelijke appeltermijn zou kunnen verschuiven. De klacht faalt. In de beschikking van 24 november 2004 heeft de rechtbank slechts herhaald dat de verzochte wijziging van de alimentatie in het tijdvak vóór 31 maart 2003 niet meer aan de orde was. Daarom faalt ook de klacht in de alinea's 5.7 en 5.8 van het middel.

2.9. Middel III komt in alinea 6.2 op tegen rov. 21, waarin het hof, bij gebreke van nadere gegevens, voor wat betreft de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk is uitgegaan van een verondersteld inkomen van de man in 2003 (geïndexeerd) van f 5.326,- netto per maand. Na aftrek van kosten van de kinderen zou tijdens de laatste jaren van het huwelijk aldus een bedrag van f 3.260,- netto per maand ter beschikking van partijen hebben gestaan. Het hof heeft mede dit gegeven gebruikt bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan levensonderhoud(7). Anders dan het middel veronderstelt, is deze overweging niet "rechtens onjuist" - de klacht is niet nader bepaald dan met die woorden -, noch onbegrijpelijk. Het argument in het middel, dat de man van baan is veranderd, doet geen afbreuk aan 's hofs oordeel. Bij gebreke van nadere gegevens is het hof uitgegaan van een verondersteld inkomen van de man in die periode. Voor zover het middel in alinea 6.4 klaagt dat de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud doorwerkt in de rov. 26, 29, 47 en 48 en in de uiteindelijke alimentatiebeslissing, kan de klacht om dezelfde reden niet slagen.

2.10. In de alinea's 6.5 en 6.6 klaagt het middel dat het hof in rov. 37 ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, overweegt rekening te zullen houden met de volle woonlasten. Het hof, dat in rov. 38 vaststelt dat partijen niet erover van mening verschillen dat de man jaarlijks € 9.276,- aan hypotheekrente en € 191,- aan premie levensverzekering betaalt, heeft volgens het middel verzuimd rekening te houden met de mogelijkheid van fiscale aftrek van die lasten. Het middel vermeldt nog dat de vrouw in hoger beroep het hof had verzocht, rekening te houden met eventuele fiscale voordelen.

2.11. Uit de draagkrachtberekening in rov. 47 volgt dat het hof met de genoemde woonlasten rekening heeft gehouden. Het hof heeft deze in mindering gebracht op het belastbaar inkomen. Of bij de vaststelling van het belastbaar inkomen rekening is gehouden met een fiscale aftrek van woonlasten, kan uit de berekening niet zonder meer worden afgeleid. Hoe dan ook, de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige en de behoeften van de alimentatiegerechtigde komt toe aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zij kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. De motivering van de vaststelling van de draagkracht voldoet aan de eisen die aan deze categorie beslissingen worden gesteld. Middel III faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1 - 3 van de bestreden beschikking.

2 Aldus ook de uniforme procesreglementen familierecht rechtbanken (te raadplegen via www.rechtspraak.nl). Het op 1 juli 2006 in werking getreden Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken bevat geen bepaling hierover.

3 Zie meer in het algemeen hierover: R.A. Lawson en K. Teuben, De redelijke termijn in het Nederlands burgerlijk procesrecht, in: E.M. Hoogervorst e.a. (red.), BW-krant jaarboek 20, 2004, blz. 153 - 189, par. 3.5.

4 Zie voor deze maatstaf onder meer: HR 31 januari 2003, NJ 2003, 657 m.nt. DA; HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709.

5 HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS; HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482; HR 8 juni 2001, NJ 2001, 434 (t.a.v. de vergelijkbare regel voor tussentijds cassatieberoep); HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510, rov. 3.2, m.nt. DA onder nr. 511, ook gepubliceerd in JBPr 2004, 22, m.nt. HWW; Hof 's-Hertogenbosch 19 juli 2005, JBPr 2006, 15 m.nt. HWW. Zie voorts: Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 6 op art. 337 (K.E. Mollema); Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, blz. 85; Asser/Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 2005, nr. 60.

6 Vgl. HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709, rov. 3.3.

7 Vgl. HR 19 december 2003, NJ 2004, 140; Asser-De Boer, 2006, nr. 622.