Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8174

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
R06/125HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden; doel en strekking van afwijzingsgrond; gedrags- en beoordelingsmaatstaf.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 372 met annotatie van P. van Schilfgaarde
JOL 2007, 254
RvdW 2007, 396
NJB 2007, 950
JWB 2007/129
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/125HR

Mr. J. Wuisman

Parket, 9 februari 2007

CONCLUSIE inzake:

[Verzoekster],

verzoekster in cassatie,

advocaat: Mr. H.J.W. Alt.

1. Ter inleiding

1.1 Verzoekster in cassatie heeft op 2 december 2005 aan de rechtbank Haarlem verzocht op haar de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. De rechtbank bij vonnis van 14 maart 2006 en het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 12 september 2006 hebben het verzoek afgewezen. Verzoekster tot cassatie is bij een verzoekschrift, dat op 19 september 2006 per fax en op 20 september 2006 per gewone brief bij de Hoge Raad is binnengekomen, in cassatie gekomen van het arrest van het hof. Gelet op artikel 292, lid 4 Fw. heeft verzoekster het cassatieberoep tijdig ingesteld.

2. Feitelijke achtergrond

2.1 Uit het in cassatie overgelegde procesdossier blijkt van het volgende omtrent de persoon van verzoekster:

a. Zij is van Marokkaanse afkomst, maar verblijft sedert 1979 in Nederland.

b. Zij is blijkens de bij de rechtbank overgelegde Verklaring Schuldsanering op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] geboren en derhalve niet, zoals in rov. 3.2.1 van het bestreden arrest wordt vermeld, 47 maar 27 jaar oud.

c. Haar familie heeft haar uitgehuwelijkt. Op 22 september 2004 is zij in het huwelijk getreden met [betrokkene 1]. Hij verblijft nog in Marokko.

d. Verzoekster heeft een ernstige handicap. In rov. 3.2.1 van het bestreden arrest wordt gesproken van doofstomheid, in het verzoekschrift houdende beroep wordt gesteld dat verzoekster zeer slechthorend is.

e. Verzoekster spreekt geen Nederlands en is ook niet bij machte Nederlands of Arabisch te lezen.

f. Verzoekster is parttime werkzaam als schoonmaakster.

2.2 Omtrent de schuldenpositie van verzoekster verschaft het procesdossier de volgende gegevens:

a. Blijkens de op 29 november 2006 bij de rechtbank overgelegde Verklaring Schuldsanering bedroeg op dat moment de schuldenlast in totaal € 12.344,01.

b. Van deze schuldenlast maken deel uit enkele schulden aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van in totaal € 7.284,26 wegens ten onrechte genoten uitkeringen krachtens de Algemene Nabestaandenwet (Anw). Van het huwelijk in september 2004 is geen melding aan de SVB gedaan en ook niet van inkomsten uit arbeid in de periode maart 2004 tot september 2004. Zoals in rov. 3.2.3 van het bestreden arrest vermeld, bestrijdt verzoekster dat er sprake is geweest van frauduleus handelen harerzijds. Zij voert aan dat haar onwetendheid en verkeerde voorlichting parten hebben gespeeld.

3. De beslissingen in de vorige instanties.

3.1 De rechtbank Haarlem wijst na een hoorzitting op 2 februari 2006 het verzoek af op de grond dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden aan de SVB (artikel 288, lid 2, onder b Fw).

3.2 In hoger beroep, na een hoorzitting op 28 juli 2006, bekrachtigt het hof de uitspraak van de rechtbank. Het hof laat in het midden of verzoekster ten aanzien van het ontstaan van de schulden aan de SVB verwijtbaar heeft gehandeld. De bekrachtiging baseert het hof op artikel 288, lid 1, sub b Fw. Het hof acht gegronde vrees aanwezig dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder die tot het verschaffen van inlichtingen, niet naar behoren zal nakomen. Daartoe overweegt het hof in rov. 3.3, kort samengevat, dat het onvoldoende waarschijnlijk acht dat verzoekster een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling zal verlenen vanwege de gebleken beperkingen in de communicatie, de volledige afhankelijkheid van de familie onder meer ten aanzien van financiële zaken en de moeite die verzoekster, naar is gebleken, met de Nederlandse wet- en regelgeving heeft.

4. Het cassatieberoep

4.1 Er is een middel van cassatie voorgedragen bestaande uit een inleiding en een - per saldo - viertal klachten.

4.2 De eerste klacht is te vinden in de §§ 2 en 2.1.

Het hof begint rov. 3.3 met: "Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof gegronde vrees aanwezig dat Oulhadj de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen." Omdat niet voldoende duidelijk is waarop het hof doelt met de passage "gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep", heeft, zo wordt betoogd, het hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd.

4.3 De klacht faalt. Genoemde passage werkt het hof verderop in rov. 3.3 uit bij de vermelding van redenen voor de gegronde vrees. Deze redenen ontleent het hof aan wat hem uit de stukken en tijdens de hoorzitting in appel is gebleken. Het hof verwijst onder meer naar het moeizame verloop van de communicatie op de zitting ondanks de hulp van een tolk en naar de rapportage van de schuldhulpverlener.

4.4 De tweede klacht is te vinden in de §§ 2.2 t/m 2.2.5.

De tweede klacht komt, in de kern genomen, hierop neer dat het hof blijk geeft van een onjuiste opvatting over de afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1, sub b Fw, voor zover deze inhoudt 'gegronde vrees dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen'. Het hof heeft miskend, zo wordt betoogd, dat de aanwezigheid van 'gegronde vrees voor niet behoorlijke nakoming' alleen gebaseerd kan worden op feiten en omstandigheden die ofwel aangeven dat de schuldenaar van het te verwachten niet-nakomen een verwijt zal zijn te maken in de zin van dat hij de regels van de schuldsanering "aan zijn/haar laars zal lappen" (§ 2.2.1), ofwel, bij afwezigheid van verwijtbaarheid, zonneklaar doen zijn dat deugdelijke nakoming van de WSNP-verplichtingen zonder meer onmogelijk zal zijn (§ 2.2.5).

4.5 Op grond van de formulering ervan kan uit hetgeen in artikel 288, lid 1, onder b Fw is bepaald, het volgende worden afgeleid. De bepaling houdt twee afwijzingsgronden in. De ene is dat er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en de andere dat er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Tussen beide gronden kan men dit verband zien dat de eerste grond een voorbeeld is van de tweede. Het benadelen van de schuldeisers is een vorm van het niet naar behoren uitvoeren van een schuldsaneringverplichting. Van de tweede grond is de reikwijdte echter ruimer. Deze ziet op niet behoorlijk nakomen in meer algemene zin door de schuldenaar van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de wet tot invoering van artikel 288 Fw wordt over lid 1, onder b opgemerkt((1)): "Hierbij komt het in wezen dus neer op de vraag of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling te goeder trouw zal naleven. Bij die beoordeling kàn een rol spelen het (betalings)gedrag dat de schuldenaar vóór de indiening van het verzoek heeft getoond jegens zijn schuldeisers. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de schuldenaar voortdurend getracht heeft aan zijn betalingsverplichtingen te ontkomen en of getracht heeft executiemaatregelen te ontlopen, dat laatste wellicht door goederen waarop beslag gelegd zou kunnen worden te vervreemden of te verbergen." Een en ander houdt een illustratie van de eerste grond in. Hierin is, naar het voorkomt, echter geen aanleiding te vinden om aan de tweede grond niet een ruimere betekenis toe te kennen. Zou dat de bedoeling zijn geweest, dan zou de tweede grond, naar mag worden aangenomen, als overbodig niet in lid 1, onder b zijn opgenomen. Even boven de zojuist vermelde opmerking staat de volgende passage((2)): "De goede trouw van de schuldenaar speelt, zo stelt de Commissie Mijnssen verder, in zoverre wel een rol, dat de rechter bij zijn beslissing of de schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard kan betrekken de vraag of de schuldenaar - naar verwachting - zijn verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien op de juiste wijze zal nakomen, terwijl de rechter tevens tegen het einde van de periode waarvoor de schuldsaneringsregeling van kracht zal zijn, zal toetsen of de schuldenaar dat ook daadwerkelijk heeft gedaan". Hier wordt in veel algemenere zin over goede trouw van de schuldenaar gesproken. De tweede afwijzingsgrond sluit meer op deze passage aan.((3))

Er zijn geen uitspraken van de Hoge Raad voor handen over de reikwijdte van tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1 onder b Fw.

In de literatuur wordt ten aanzien van de tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1 onder b Fw niet steeds een eensluidend standpunt ingenomen. Zo schrijft H.H. Dethmers er onder meer het volgende over((4)): "Naast de in de vorige paragraaf besproken uitzonderlijke, althans zelden met voldoende waarschijnlijkheid vast te stellen omstandigheid dat de schuldenaar opzettelijk verplichtingen zal frustreren, zijn onder dit artikellid alle gevallen te plaatsen waarin schuldenaar ondanks alle goede bedoelingen met grote waarschijnlijkheid in de nakoming van op hem rustende verplichtingen zal tekortschieten. Ik zou deze afwijzingsgrond vooral willen plaatsen in de sleutel van de redelijke kans van slagen van de schuldsaneringsregeling." R.J. Verschoof neemt ten aanzien van de tweede afwijzingsgrond het volgende standpunt in ((5)): "Kort gezegd komt het hierop neer dat hier wordt getoetst of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling netjes zal naleven. Hier kan per definitie slechts aan het gedrag van de schuldenaar voordien worden getoetst. De memorie van toelichting wijst in dit verband op het betalingsgedrag van de schuldenaar. Heeft deze getracht goederen aan het verhaal van zijn schuldeisers te onttrekken (door verbergen of vervreemden) of voortdurend getracht zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, dan zou de hier afwijzingsgrond aan de orde zijn" en "Ik zou ervoor pleiten dat de rechter bij de beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zeer terughoudend is de gegronde vrees van benadeling respectievelijk toerekenbare tekortkomingen aan te nemen."((6))

Aangezien het uitvoering geven aan een saneringsregeling grote discipline van een schuldenaar vergt, het tot stand brengen en het volgen van een saneringsregeling de nodige gerechtelijke en niet-gerechtelijke maatregelen vergen met alle inspanningen en kosten van dien en het halverwege beëindigen van de uitvoering van een schuldsaneringsregeling wegens het niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen de schuldenaar automatisch in een faillissement doet belanden (artikel 350, lid 3, sub c en lid 5 Fw) en aangezien wettekst en wetsgeschiedenis zich daar ook niet tegen verzetten, verdient het aanbeveling om, zoals ook door Dethmers bepleit, de tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1, sub b op te vatten en te hanteren als een toets naar de haalbaarheid van (de nakoming door de betrokken schuldenaar van) een schuldsaneringsregeling. Het voorkomen van een te spoedig hanteren van de afwijzingsgrond zal vooral gezocht moeten worden in het niet te snel aanvaarden dat er sprake is van 'gegronde vrees'.

4.6 Het voorgaande voert tot de slotsom dat er onvoldoende steun is te vinden voor het stellen van de twee in klacht 2 genoemde eisen aan de tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1, onder b Fw. De klacht faalt derhalve.

4.7 De derde klacht bestaat uit een motiveringsklacht of samenstel van motiveringsklachten in de §§ 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4. en 2.2.5, hierop neerkomende dat de omstandigheden die het hof voor het aanwezig achten van gegronde vrees voor het achterwege blijven van voldoende actieve medewerking aan de uitvoering van de schuldsaneringsregeling in aanmerking neemt, onvoldoende zijn om tot de in art. 288 lid 1, sub b Fw verlangde gegronde vrees te kunnen concluderen. Daarbij wordt voortgebouwd op de hierboven bij klacht 2 vermelde opvatting omtrent de tweede afwijzingsgrond in genoemd artikel. Nu die opvatting geen steun in het recht vindt, is reeds om die reden de daarop voortbouwende motiveringsklacht gedoemd te falen.

4.8 De vierde klacht is in § 2.3 opgenomen.

De vierde klacht betreft ook een klacht over de motivering van het hof van diens oordeel dat er sprake is van gegronde vrees voor niet behoorlijke nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Bij deze motiveringsklacht wordt, zo lijkt het althans, niet uitgegaan van de bij klacht 2 verdedigde opvatting over de tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1, onder b Fw.

4.9 De omstandigheden waarop in § 2.3 een beroep wordt gedaan, maken niet duidelijk waarom het oordeel van het hof over de aanwezigheid van gegronde vrees dat verzoekster de verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, onbegrijpelijk is. De klacht treft dus geen doel.

5. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie TK 1992-1993, 22 969, nr 3 (MvT), blz. 13, onder § 18.

2. Zie TK 1992-1993, 22 969, nr 3 (MvT), blz. 12, onder § 17.

3. Bij de beoogde herziening van de schuldsaneringsregeling wordt artikel 288 Fw onder meer in die zin gewijzigd dat de eerste grond vervalt en de tweede grond als een toelatingsvoorwaarde wordt gehandhaafd. De schuldenaar moet voldoende aannemelijk maken dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daartoe zal hij globaal moeten aangeven wat hij denkt te kunnen verdienen, besparen, sparen en aflossen. Zie het wetsontwerp 29 942, TK 2004-2005, nr. 2 en nr. 3, blz. 19 en 20.

4. H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, AA Libri 2005, blz. 35.

5. R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE-reeks nr. 36, 1998, blz. 26 en 27.

6. Dethmers en Verschoof geven duidelijk een eigen, van elkaar afwijkende mening over de tweede afwijzingsgrond in artikel 288, lid 1, sub b. In andere (hand)boeken en geschriften wordt veelal volstaan met een referte naar de in noot 1 genoemde memorie van toelichting, blz. 13. Zie bijvoorbeeld: Polak-Pannevis, 2005, § 17.5; Polak-Wessels I, 1999, par. 9059-9064.