Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8171

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
R06/082HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8171
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 252
RvdW 2007, 401
NJB 2007, 953
JWB 2007/128

Conclusie

Rekestnr.: R06/082HR

Mr. J. Wuisman

Parket, 5 februari 2007

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. R.A. van der Hansz,

tegen

[De man],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 10 september 2003 is tussen partijen, hierna: de man en de vrouw, de echtscheiding uitgesproken. Op 15 oktober 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In dezelfde beschikking is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.000 per maand door de rechtbank afgewezen op de grond dat de man geen draagkracht had om enige uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

1.2 In de onderhavige procedure heeft de vrouw de rechtbank opnieuw verzocht de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van € 1.000 per maand te betalen voor haar levensonderhoud. Daartoe heeft zij aangevoerd((1)) dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie tijdens (het uitspreken van) de echtscheiding, daarin bestaande dat de man inmiddels twee ondernemingen heeft en uit deze bronnen een inkomen van tenminste € 3.000 per maand ontvangt.

1.3 De man heeft zich tegen het verzoek van de vrouw verweerd met de stelling, kort gezegd, dat de vrouw geen wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd ten opzichte van de situatie ten tijde van het afwijzen van het eerdere verzoek om alimentatie en dat zijn draagkracht (nog steeds) onvoldoende is om enige alimentatie aan de vrouw te betalen ((2)). De man heeft, onder overlegging van jaarstukken, uitdrukkelijk betwist dat hij een inkomen heeft van tenminste € 3.000 per maand.

1.4 Na de mondelinge behandeling van de zaak op 8 maart 2005, heeft de rechtbank bij beschikking van 24 maart 2005 het verzoek van de vrouw (opnieuw) afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe:

"De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige situatie geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man had immers ten tijde van de echtscheiding reeds twee ondernemingen, te weten een computerwinkel annex internetcafé en dat is thans nog steeds het geval. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op geen enkele wijze haar stellingen heeft onderbouwd, noch heeft zij gesteld dat de rechtbank destijds is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Artikel 401 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek beoogt niet alsnog een heroverweging mogelijk te maken van hetgeen reeds door de rechtbank bij gewijsde is beslist. De vrouw had feiten en omstandigheden dienen aan te voeren waarmee de rechtbank bij de bestreden beschikking geen rekening heeft gehouden en waardoor de overwegingen en de beoordeling in een ander licht zijn komen te staan. Dit heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. De vrouw heeft bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat de man thans over meer inkomen beschikt dat ten tijde van de echtscheiding het geval was."

1.5 De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In haar beroepschrift heeft de vrouw het volgende tegen de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank ingebracht:

"Uit de beschikking van 10 september 2003 blijkt dat appellante de stukken die geïntimeerde heeft overgelegd, waaronder de jaarstukken, heeft bestreden. Wat geïntimeerde aan inkomen heeft gehad blijkt niet uit deze beschikking. Uit de beschikking van 10 september 2003 blijkt niet dat er rekening is gehouden met het fiscaal voordeel dat de man heeft, aangezien hij reeds toen een flexibel krediet had.

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat geïntimeerde een dure wagen heeft en veel reist. Uit de jaarstukken blijkt dat geïntimeerde geen draagkracht heeft om de auto te betalen, zodat appellante de juistheid van deze stukken bestrijdt. Appellante is van oordeel dat geïntimeerde thans over meer inkomen beschikt dan ten tijde van de echtscheiding het geval was. Met de fiscale voordelen die geïntimeerde met zijn leningen heeft is geen rekening gehouden.

dat appellante zich het recht voorbehoudt alsnog een rapport (commentaar) terzake de financiële bescheiden van geïntimeerde over te leggen"

1.6 De man heeft met een verweerschrift van 4 augustus 2005 het beroep bestreden. De vrouw heeft vervolgens met een brief van 29 augustus 2005 nog een commentaar van de door haar ingeschakelde boekhouder, [de boekhouder], hierna: [de boekhouder], op de door de man overgelegde jaarstukken in het geding gebracht.

1.7 Na de mondelinge behandeling op 22 februari 2006 heeft het hof bij beschikking van 29 maart 2006 de bestreden beschikking bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof als volgt:

"4. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Uit de echtscheidingsbeschikking van 10 september 2003 blijkt niet wat de man aan inkomen heeft gehad en evenmin dat er rekening is gehouden met het fiscale voordeel dat de man had in verband met zijn flexibel krediet. De vrouw bestrijdt de juistheid van de door de man overgelegde jaarstukken. De man rijdt in een dure auto en reist veel, terwijl uit de jaarstukken blijkt dat hij geen draagkracht heeft.

5. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden tot haar oordeel is gekomen, welke het hof overneemt. Ook in hoger beroep heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een wijziging van de omstandigheden die meebrengt dat de uitspraak van 10 september 2003 niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is artikel 1:401 BW niet bedoeld om een beschikking die kracht van gewijsde heeft, alsnog te toetsen. De stelling van de vrouw over de auto en het reisgedrag van de man heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd en wordt bovendien bestreden door de man die verklaard heeft geen auto te bezitten.

6. Voor zover de vrouw betoogd mocht hebben dat de rechtbank van onjuiste gegevens is uitgegaan, is het hof van oordeel dat de door de man overgelegde jaarrekeningen een consistent beeld hebben gegeven. Bovendien correspondeert de door de man overgelegde jaarrekening 2003 met de eveneens overgelegde aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003, welke aan de belastingdienst is gezonden en waarvan het hof niet is gebleken dat deze is verworpen. Voorts is hetgeen de vrouw tegen de jaarstukken heeft ingebracht, dermate algemeen en ongespecificeerd dat het hof hier geen onderbouwing van de stellingen van de vrouw in kan lezen.

7. Aangezien de rechtbank bij de uitspraak waarvan thans wijziging wordt verzocht, zoals uit het voorgaande blijkt niet van onjuiste gegevens is uitgegaan en reeds met de omstandigheden welke de vrouw aan haar verzoek ten grondslag legt, rekening heeft gehouden, doet zich geen wijzigingsgrond voor als bedoeld in artikel 1:401 BW zodat het beroep van de vrouw moet worden afgewezen."

1.8 De vrouw is van de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen onder aanvoering van vier middelen. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Middel 1 neemt met enkele klachten stelling tegen hetgeen het hof in r.o. 5 van zijn beschikking heeft overwogen.

2.2 De eerste klacht van het middel verwijt het hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het in r.o. 5 heeft miskend dat art. 1:401 BW juist is bedoeld om een beschikking, die kracht van gewijsde heeft, alsnog te toetsen. Daartoe voert het middel aan dat blijkens art. 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud gewijzigd of ingetrokken kan worden indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De klacht berust op een onjuiste lezing van de beschikking. Met zijn overweging dat art. 1:401 BW niet is bedoeld om een beschikking die kracht van gewijsde heeft, alsnog te toetsten, heeft het hof niet meer willen zeggen dan dat een wijziging of intrekking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, die kracht van gewijsde heeft, buiten de in dat artikel genoemde situaties niet kan plaatsvinden.

2.3 Vervolgens wordt betoogd dat de vrouw als zodanig niet heeft gesteld dat er gewijzigde omstandigheden zijn, doch heeft gesteld dat de uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan.

Indien dit betoog ertoe strekt om te klagen over een onbegrijpelijke uitleg van wat de vrouw aan haar wijzigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, mist de klacht doel omdat niet wordt uiteengezet waarom de uitleg onbegrijpelijk is.

Voor zover in de stelling de klacht ligt besloten dat het hof heeft miskend dat de vrouw met een beroep op art. 1:401 lid 4 BW heeft betoogd dat de beschikking van de rechtbank van 10 september 2003 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, kan de klacht bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof is in r.o. 6 van zijn beschikking immers op dit betoog ingegaan.

2.4 Voorts wordt opgekomen tegen de overweging van het hof, dat de vrouw haar stelling over de auto en het reisgedrag van de man op geen enkele wijze heeft onderbouwd en dat deze stelling bovendien wordt bestreden door de man die verklaard heeft geen auto te bezitten.

Gesteld wordt dat het een feit is dat de man in een dure auto rijdt en veel reist. Met zo'n blote stelling wordt de onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel van het hof niet aangetoond.

Het ontbreken van de noodzaak van onderbouwing van de stellingen van de vrouw omtrent de auto en het reisgedrag van de man wordt niet aangetoond met de bewering, dat uit de jaarstukken blijkt dat de man "deze bezigheden niet kan financieren". De bewering onderstreept veeleer de noodzaak van onderbouwing.

2.5 Tenslotte bevat het middel de klacht, dat de beschikking van het hof onvoldoende gemotiveerd is nu het hof zich niet heeft uitgelaten over hetgeen de vrouw in reactie op het verweerschrift van de man nog heeft aangevoerd. Het middel verwijst daartoe naar "de stukken". Hiermee wordt, zo komt het voor, gedoeld op het commentaar van het boekhoudbureau [A] op de door de man in het geding gebrachte jaarstukken.

De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 6 heeft het hof immers overwogen dat hetgeen de vrouw tegen de jaarstukken heeft ingebracht, dermate algemeen en ongespecificeerd is dat het hof daarin geen onderbouwing van haar stellingen kan lezen.

2.6 Vorenstaande leidt tot de slotsom dat middel 1 niet tot cassatie kan leiden.

2.7 Middel 2 komt met drie klachten op tegen hetgeen het hof in r.o. 6 heeft overwogen omtrent de door de vrouw betwiste juistheid van de jaarrekeningen. In die overweging beoordeelt het hof of de rechtbank in 2003 bij de afwijzing van het verzoek van de vrouw om alimentatie van onjuiste gegevens is uitgegaan.

2.8 Ten eerste voert het middel aan dat nergens is gebleken dat de door de man overgelegde jaarrekening 2003 correspondeert met de eveneens overgelegde aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003. Deze klacht faalt omdat zij onvoldoende aangeeft in welk opzicht de feitelijke vaststelling van het hof dat genoemde stukken met elkaar corresponderen, onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. De enkele stelling dat hetgeen het hof heeft vastgesteld "nergens uit is gebleken", is daartoe in ieder geval onvoldoende.

2.9 Voorts klaagt het middel erover dat het hof het commentaar van [de boekhouder] op de door de man overgelegde jaarstukken ten onrechte als ongespecificeerd en zonder onderbouwing heeft afgedaan, nu uit de opmerkingen van [de boekhouder] blijkt dat de jaarstukken niet compleet zijn en vragen oproepen. Ook voor deze klacht geldt dat daarin onvoldoende duidelijk wordt gemaakt waarom op grond van genoemd commentaar zou moeten worden geconcludeerd dat in 2003 de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw om alimentatie van onjuiste gegevens is uitgegaan.

2.10 Tenslotte klaagt het middel er nog over dat het hof niet is ingegaan op het verzoek van de vrouw om inzage in de complete administratie van de man. Deze klacht strandt wegens gemis aan feitelijke grondslag. De vrouw heeft in haar verzoekschrift in hoger beroep niet een dergelijk verzoek aan het hof gericht.

2.11 Vanwege het bovenstaande kan middel 2 evenmin tot cassatie leiden.

2.12 Met middel 3 wordt rov. 7 bestreden. Daarin concludeert het hof dat uit de voorafgaande overwegingen volgt dat er geen aanleiding bestaat tot wijziging van de alimentatiebeschikking uit 2003, want (a) niet is gebleken dat de rechtbank daarbij van onjuiste gegevens is uitgegaan en (b) de rechtbank is toen al uitgegaan van de omstandigheden die de vrouw nu aan haar wijzigingsverzoek ten grondslag legt. Het hoger beroep van de vrouw dient dan ook, aldus het hof, te worden afgewezen. Ook hiertegen worden enkele klachten aangevoerd.

2.13 De klacht over het niet reageren op de stellingen van de vrouw omtrent de fiscale voordelen bij de man kan niet slagen, omdat het hof aan die stellingen kon voorbijgaan. Niet alleen houden die stellingen niet in op welke fiscale voordelen wordt gedoeld, maar ook wordt niet uit de doeken gedaan wat die voordelen voor de inkomsten aan de zijde van de man betekenen.

2.14 De klacht dat het hof niet heeft onderzocht of de door de rechtbank Rotterdam op 10 september 2003 gedane uitspraak wel/niet gewijzigd dient te worden, is onbegrijpelijk. De bestreden beschikking van het hof is uitsluitend aan dat vraagpunt gewijd.

2.15 Voor de klacht omtrent het passeren van de conclusies van [de boekhouder] zij verwezen naar wat hierboven onder 2.9 en 2.10 is opgemerkt.

2.16 De klacht over het handelen in strijd met artikel 19 Rv. door het hof stuit hierop af dat niet aangegeven wordt waaruit die beweerde strijd bestaat.

2.17 Het vorenstaande brengt mee dat ook middel 3 niet tot cassatie kan leiden.

2.18 Middel 4 klaagt erover dat het hof in r.o. 9 ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw de procedure in hoger beroep nodeloos heeft ingesteld.

2.19 De reden dat het hof het instellen van het hoger beroep als nodeloos heeft aangemerkt, moet - naar het toeschijnt - hierin worden gezocht dat de hoger beroepprocedure aan de zijde van de vrouw zodanig is opgezet dat daarvan in redelijkheid geen succes kon worden verwacht. Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Hieraan kon het hof een veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep verbinden.

2.20 Voor de klacht/opmerking dat de vrouw de behandeling van het hof niet anders kan begrijpen dan dat het hof het heeft gemunt op de persoon van de vrouw en/of haar raadsman en dat het hof vooringenomen was, ontbreekt iedere grond.

2.21 Bovenstaande leidt ertoe dat ook middel 4 vergeefs is voorgesteld.

3. Conclusie

3.1 De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij

de Hoge Raad der Nederlanden

1. Blijkens de beschikking van 24 maart 2005 van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling op 8 maart 2005.

2. Vgl. het vonnis van de rechtbank van 24 maart 2005 onder het kopje "De beoordeling", alsmede het verweerschrift van de man in eerste aanleg van 16 november 2004, onder 2 en 5.