Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ8167

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
20-04-2007
Zaaknummer
C06/026HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Burengeschil over uitzicht vanaf een dakterras (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 280
RvdW 2007, 424
NJB 2007, 1009
BR 2007/199
JWB 2007/139
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/026HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 9 februari 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [verweerder 2]

Deze zaak betreft een burengeschil over uitzicht vanaf een dakterras in Amsterdam.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die in rov. 4 van het bestreden arrest zijn vastgesteld. Zij houden in het kort in:

1.1.1. Op het Borneo-eiland te Amsterdam is het woningbouwproject "Wonen in een huis naar eigen ontwerp" gerealiseerd. Voor het eigen ontwerp golden diverse eisen en architectonische spelregels. Volgens die spelregels waren patio's, dakterrassen en garages (carports) toegestaan en waren de daken in de eerste plaats bestemd voor dakterrassen. De bouwkavels zijn in 1996 uitgegeven. Thans eiser tot cassatie (hierna: eiser) enerzijds en thans verweerders in cassatie (hierna: de buren) anderzijds hebben naast elkaar gelegen kavels gekocht: eiser nummer [1] (later vernummerd tot [a-straat 2]) en de buren nummer [3] ([a-straat 4]). Beide partijen hebben een ontwerp voor een woning laten maken.

1.1.2. Van de zijde van de gemeente Amsterdam heeft het zgn. Stedebouwkundig Begeleidingsteam (SBT) begeleiding gegeven bij en toezicht gehouden op de voorbereiding van de woningontwerpen van de kopers van kavels en in dit verband bijeenkomsten van kopers (workshops) georganiseerd. Daarbij is erop gewezen dat bij het creëren van een dakterras niet alleen rekening moet worden gehouden met de eigen privacy, maar ook met die van de buren.

1.1.3. In het kader van een dergelijke workshop hebben de buren een maquette van hun woningontwerp gepresenteerd. Op 20 november 1996 is wederom een workshop gehouden in verband met de beoordeling van het daklandschap van de woningontwerpen. Bij deze gelegenheid heeft ook eiser het ontwerp van zijn woning gepresenteerd.

1.1.4. Partijen hebben met elkaar overleg gevoerd naar aanleiding van hun ontwerpen. Het ontwerp van de woning van de buren voorzag in een dakterras. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Wel had eiser bezwaar tegen een gemeenschappelijke muur die in het ontwerp van de buren was opgenomen; eiser wilde een deel van zijn kavel onbebouwd laten. De buren waren hierdoor genoodzaakt een buitenspouwblad aan te brengen. Partijen hebben daarover met elkaar overleg gevoerd. Hun correspondentie in mei en juni 1997 is in het bestreden arrest geciteerd.

1.1.5. SBT heeft de beide ontwerpen goedgekeurd, waarna de benodigde bouwvergunningen zijn verleend. Een half jaar nadat het ontwerp van de woning van de buren was gerealiseerd, is begonnen met de bouw van de woning van eiser.

1.1.6. Het dakterras van de woning van de buren heeft drie niveaus. Vanaf het laagste niveau bestaat bij normaal gebruik geen zicht op het erf van eiser. Het tussenniveau is zo ingericht dat verblijf niet plaatsvindt aan de zijde van het erf van eiser; het terras biedt daar geen zicht op het erf van eiser. De dakrand van het tussenniveau is 64 cm hoog en 46 cm breed.

1.2. Eiser heeft op 17 april 2003 de buren gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam, sector kanton. Eiser heeft, kort samengevat, gevorderd dat de buren zullen worden veroordeeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom, op hun terras een afscheiding aan te brengen, zodanig dat zij, vanaf de ingang van hun dakterras tot aan het einde daarvan, geen zicht hebben op de woning van eiser, althans te dulden dat eiser op hun kosten een zodanige afscheiding zal aanbrengen. Voorts vorderde eiser betaling van € 3.000,-- excl. BTW voor gemaakte kosten. Eiser baseerde zijn vordering op art. 5:50 lid 1 BW.

1.3. De buren hebben de vordering bestreden. De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast en een gerechtelijke plaatsopneming gehouden. Nadien heeft eiser aan zijn vordering toegevoegd dat het de buren, op straffe van verbeurte van een dwangsom, zal worden verboden binnen een afstand van 50 cm van de erfgrens plantenbakken of soortgelijke werken te plaatsen en/of te hebben.

1.4. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 21 april 2004 de vorderingen afgewezen. De rechtbank overwoog onder meer dat hier geen sprake is van een balkon of een soortgelijk werk in de zin van art. 5:50 lid 1 BW (rov. 4 - 7 Rb).

1.5. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. In hoger beroep heeft hij de grondslag van zijn vordering aangevuld met de stelling dat sprake is van een onrechtmatig handelen van de buren jegens hem, bestaande in de voortdurende inbreuk op zijn privacy omdat vanaf het dakterras zicht bestaat op een gang, de woonkamer en een slaapkamer in eisers woning. Ook de vordering zelf is in hoger beroep gewijzigd. Aan zijn vorderingen heeft eiser een meer subsidiaire vordering toegevoegd, inhoudend dat de buren zullen worden veroordeeld te gedogen dat eiser aan zijn kant van de erfgrens een scherm tegen de gemeenschappelijke muur aanbrengt. In dit verband heeft eiser gevorderd dat de buren zullen worden veroordeeld op straffe van verbeurte van een dwangsom mee te werken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid waarbij aan eiser een recht op aanhechting op de gemeenschappelijke muur wordt verleend, althans een verklaring voor recht te geven dat de gestelde op 9 mei 1997 gemaakte afspraken kwalitatieve rechten en verplichtingen hiertoe inhouden, althans dat de buren zullen worden veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom bij eventuele verkoop van hun woning een kettingbeding op te nemen t.a.v. de bedoelde verplichting, althans dat zij een strook van 7 cm van de kavel van gedaagden aan eiser overdragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het hof heeft het bezwaar van de buren tegen de wijziging van eis verworpen (rov. 4.5).

1.6. Het hof heeft bij arrest van 28 juli 2005 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. Het hof heeft in het midden gelaten of het dakterras van de buren kan worden aangemerkt als een `balkon of soortgelijk werk' in de zin van art. 5:50 lid 1 BW. Het hof was van oordeel dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat de toestemming, die eiser kan worden geacht te hebben gegeven, tot gevolg heeft dat het dakterras zoals de buren dit hebben ontworpen en gerealiseerd niet ongeoorloofd is in de zin van art. 5:50 lid 1 BW (rov. 4.11 - 4.13). Hierop stuit ook de vordering, voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad, af (rov. 4.15).

1.7. De vordering dat de buren zullen worden veroordeeld te gedogen dat eiser een scherm tegen de gemeenschappelijke muur aanbrengt is gebaseerd op afspraken die tussen partijen zouden zijn gemaakt (rov. 4.16). Hieromtrent overwoog het hof in rov. 4.17 dat de feiten en omstandigheden doen vermoeden dat het door eiser bedoelde recht van aanhechting begrepen moet worden in de context van de aansluiting van het ontwerp van eiser op dat van de buren; partijen hebben daarmee niet beoogd aan eiser een onbeperkt recht te geven om zaken aan de muur te hechten. Nu eiser overigens hiertoe onvoldoende heeft gesteld achtte het hof ook dit gedeelte van de vordering niet toewijsbaar.

1.8. Eiser heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld en dit schriftelijk laten toelichten. Tegen de buren is in cassatie verstek verleend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. De vordering was in de eerste plaats gebaseerd op art. 5:50 lid 1 BW:

"Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven."

De geschiedenis en de strekking van deze wettelijke bepaling zijn uitgebreid aan de orde gekomen in HR 13 juni 2003, NJ 2003, 507.

2.2. Onderdeel 1.1 bevat niet meer dan een inleiding. Hetzelfde geldt voor onderdeel 1.2 en 1.2.1. Onderdeel 1.2.2 opent met de klacht dat het hof ten onrechte onbesproken laat hetgeen aan feitelijke informatie en ter staving van de gestelde inbreuk op de privacy van eiser is vervat in de grieven 1 - 4. Het gaat om de stelling van eiser dat zowel via een dakopbouw met een deur naar het dakterras als vanaf een deel van het dakterras van de buren zicht kan worden verkregen op een gang (`overdekte binnenstraat') en enkele vertrekken van de woning van eiser. In het middelonderdeel wordt benadrukt dat de juistheid van deze stelling ook kan blijken uit de in eerste aanleg overgelegde foto's.

2.3. De klacht faalt, omdat het hof zich niet heeft beperkt tot de vaststelling of aan de vereisten van art. 5:50 BW is voldaan, maar ook heeft onderzocht of sprake is van een zo ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser dat de buren - ondanks de door eiser aan hen verleende toestemming voor de aanleg van dit dakterras -, onrechtmatig handelen door hun medewerking te onthouden aan het plaatsen van een scherm ter afscheiding. Het hof heeft uitdrukkelijk verwezen naar de overgelegde foto's (zie rov. 4.15), waarmee duidelijk is dat het hof de gehele situatie ter plaatse in zijn beoordeling heeft betrokken. Uit het arrest blijkt bovendien dat het hof heeft begrepen dat eisers grief was dat de buren vanaf het dakterras zicht kunnen hebben op zijn "doen en laten".

2.4. Onderdeel 1.2.3 klaagt dat in rov. 4.12 en 4.13 sprake is van een verboden aanvulling van de feiten en de verweermiddelen. De buren hebben gesteld dat overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden en dat overeenstemming is bereikt over het ontwerp van hun dakterras. Dit brengt volgens het middelonderdeel niet mee dat eiser toestemming heeft gegeven voor de hinder (in de vorm van inbreuk op zijn privacy) die het gevolg is van deze bouwwijze. In subonderdeel 1.2.3.1 voegt eiser hieraan toe dat eerst na de voltooiing van de bouw daadwerkelijk te zien was of vanaf het dakterras van de buren inkijk in de woning van eiser mogelijk is.

2.5. Deze klacht mist m.i. feitelijke grondslag. In de feitelijke instanties hebben de buren het verweer gevoerd dat eiser hen, zo al niet uitdrukkelijk dan ten minste stilzwijgend, in het tussen partijen over de ontwerpen gevoerde overleg toestemming heeft gegeven om het dakterras in deze vorm en op deze plaats te bouwen en te hebben. Zie de conclusie van antwoord onder 10 - 11 en 30 - 32 ("Benodigde toestemming is verkregen") en de akte van 7 januari 2004, waarin de buren onder 19 stelden:

"Door zijn stilzwijgen mocht [verweerster 1] er op vertrouwen dat zij de (impliciete) toestemming van [eiser] had om haar dakterras volgens plan te realiseren. Het stilzitten van [eiser] heeft niet alleen verwerking van zijn rechten tot gevolg. Het heeft tevens een gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerster 1] gewekt, welk vertrouwen - ook blijkens de tekst van artikel 5:50 BW - het recht van [eiser] beperkt."

In hoger beroep hebben de buren dit verweer gehandhaafd (zie MvA onder 7 - 10).

2.6. Eiser heeft in hoger beroep, naast de strijdigheid met art. 5:50 BW, gesteld dat de mogelijkheid om vanaf het dakterras van de buren zicht op en in zijn woning te verkrijgen ook een onrechtmatige daad jegens hem oplevert, vanwege de inbreuk op zijn privacy die dit zicht oplevert. Het verweer, dat eiser toestemming heeft verleend tot de aanleg van dit dakterras, had op beide aspecten betrekking. Voor zover eiser een onderscheid wil maken tussen enerzijds een toestemming tot het bouwen en hebben van dit dakterras en anderzijds een (afzonderlijke) toestemming tot het maken van inbreuk op eisers privacy, treft de klacht geen doel. Ik kan mij situaties voorstellen waarin dit onderscheid een rol speelt, bijvoorbeeld in het denkbeeldige geval dat de buren eiser in zijn woning bespieden met optische hulpmiddelen, zoals een camera of een spiegel, of wanneer de buren vanaf het dakterras het doen en laten van eiser in zijn woning systematisch zouden registreren(1). In de onderhavige zaak echter, bestaat de door eiser gestelde inbreuk op zijn privacy uit niets anders dan de omstandigheid dat vanaf het dakterras van de buren zicht op en in eisers woning zou kunnen worden verkregen. Wanneer, in de door het hof beschreven context van overleg, eiser aan de buren toestemming heeft gegeven tot de aanleg en het hebben van een dakterras in deze vorm en op deze plaats, mogen zowel de buren (in hun verweer) als het hof (in het arrest) ervan uitgaan dat eiser ook voor lief heeft genomen dat vanaf een gedeelte van het dakterras zicht kan worden verkregen op en in eisers woning. Het argument, dat eiser dit effect niet tevoren heeft kunnen voorzien, is door het hof uitdrukkelijk onder ogen gezien en (in de vierde volzin van rov. 4.12) verworpen.

2.7. In subonderdeel 1.2.3.2 wordt betoogd dat hoogstens sprake is van gedogen en dat het enkele gedogen geen toestemming oplevert, noch een 'op de zakenrechtelijke toestemming gerichte aanvaardings- of uitingswil' impliceert. Het bestreden oordeel zou op dit punt blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

2.8. De vraag of sprake is van een zakenrechtelijk gevolg, m.a.w. of de buren zich ook tegenover een eventuele rechtsopvolger van eiser op de toestemming van eiser zullen kunnen beroepen, is in dit geding niet aan de orde(2). Voor het overige kan tot uitgangspunt dienen dat in situaties als deze voor het aannemen van toestemming voldoende is dat eiser door zijn met betrekking tot het handelen van de buren aangenomen houding bij de buren de gerechtvaardigde indruk heeft gevestigd dat wat zij deden hen vrijstond(3). Dat het hof tot het oordeel is gekomen dat in dit geval sprake is van een ten minste stilzwijgend verleende toestemming, is niet onbegrijpelijk; de motivering kan het oordeel dragen en verschaft voldoende inzicht in de gronden van 's hofs beslissing. De feiten en omstandigheden, zoals door het hof genoemd in de rov. 4.11 en 4.12, zijn als zodanig door eiser niet betwist, terwijl daaruit zonder al te veel moeite kan worden afgeleid dat eiser door zijn houding in het overleg over het "daklandschap" van de buurpanden bij de buren de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat eiser instemde met de aanleg en het hebben door de buren van het dakterras in deze vorm en op deze plaats, met inbegrip van de (overigens: beperkte) mogelijkheid van zicht op eisers woning.

2.9. De klacht van subonderdeel 1.2.3.3 houdt in dat het hof heeft miskend dat een door eiser verleende instemming met (de bouwwijze van) dit dakterras niet uitsluit dat toch op de buren een verplichting rust tot (het verlenen van medewerking aan) het aanbrengen van aanvullende voorzieningen, zoals een scherm, indien na de bouw blijkt dat inkijk in de woning van eiser mogelijk is.

2.10. Deze klacht faalt reeds omdat het hof zich niet heeft beperkt tot het oordeel dat eiser toestemming tot de aanleg van het dakterras heeft gegeven. In rov. 4.15 heeft het hof onderzocht of het dakterras of het normale gebruik daarvan jegens eiser een onrechtmatige daad oplevert in verband met de gestelde inbreuk op diens privacy. Het hof heeft overwogen dat niet gebleken is dat sprake is van een zodanig zicht vanaf het dakterras op het doen en laten van eiser, en derhalve van een zo ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser, dat de buren onrechtmatig handelen door medewerking aan het plaatsen van het scherm te weigeren.

2.11. Subonderdeel 1.2.3.4 klaagt dat het hof zich in rov. 4.15 ten onrechte laat leiden door een 'normaal' gebruik van het terras, respectievelijk door de vraag of sprake is van een `zodanig' zicht op de woning en het doen en laten van eiser, als bedoeld in het arrest. Volgens het middelonderdeel heeft het hof miskend dat eiser moet worden beschermd tegen de inbreuk op zijn privacy door een, voor hem onopgemerkt, zicht vanaf het dakterras op hetgeen in zijn woning gebeurt. Aan dit beschermingsaspect is volgens het middel een recht op `afschotting' te ontlenen.

2.12. In het algemeen geldt dat in een dichtbebouwde stedelijke omgeving dikwijls onvermijdelijk is dat vanuit de ene woning zicht op - en tot op zekere hoogte inkijk in - een andere woning kan worden verkregen. Het hof heeft genoteerd dat in het onderhavige woningbouwproject dakterrassen waren toegestaan en de daken zelfs in de eerste plaats waren bestemd als dakterrassen. Waar het rov. 4.15 spreekt over het dakterras "of het normale gebruik ervan", heeft het hof kennelijk het oog op de vaststelling door de kantonrechter, die ter plaatse is geweest, dat vanaf het dakterras van de buren zicht op en in de woning van eiser slechts kan worden verkregen door voorover te hangen over de 46 cm brede balustrade (rov. 8 Ktr). Het arrest sluit niet uit dat incidenteel zicht op of in eisers woning kan worden verkregen vanuit de deuropening, op momenten waarop de buren het dakterras betreden. Dat het hof tot op zekere hoogte een belangenafweging heeft toegepast, en niet een absolute onmogelijkheid van zicht op eisers woning vanaf het dakterras van de buren vereist, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent eisers aanspraak op privacy.

2.13. Subonderdeel 1.2.3.5 klaagt dat een belangenafweging niet aan de orde kan zijn, omdat aan het hof slechts ter beoordeling voorlag of eiser - gegeven de mogelijkheid van inkijk in zijn woning vanaf het dakterras - misbruik van recht maakt door van de buren medewerking te vorderen aan het plaatsen van een scherm.

2.14. Deze klacht veronderstelt dat eiser zonder meer recht heeft op de medewerking van de buren bij het plaatsen van een scherm, zodat het hof hoogstens zou mogen beoordelen of eiser misbruik van dit recht maakt in de zin van art. 3:13 BW. Voor deze veronderstelling bestaat onvoldoende grond, zodat de klacht faalt.

2.15. Onderdeel 1.2.4 klaagt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of het dakterras onder de werking van art. 5:50 BW valt. Bij deze klacht heeft eiser uitsluitend belang indien één of meer van de voorgaande klachten gegrond zou zijn en in cassatie niet langer zou kunnen worden uitgegaan van 's hofs oordeel dat eiser aan de buren toestemming heeft verleend tot de aanleg en het hebben van dit dakterras. De klacht behoeft daarom geen bespreking.

2.16. Onderdeel 1.2.5 vormt een herhaling van de voorgaande klachten en deelt het lot daarvan. In de s.t. (blz. 5 - 7) heeft eiser deze klacht toegelicht met een verwijzing naar HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418 m.nt. CJHB. Dat arrest betrof de bouw van een uitbouw aan een woning nadat daarvoor een onherroepelijk geworden bouwvergunning was verkregen. Een buurman vorderde gedeeltelijke afbraak van de uitbouw. Aan zijn vordering lag ten grondslag dat de bouw onrechtmatig was omdat aan de buurman licht en uitzicht werden onthouden. De feitenrechter heeft in die zaak terecht tot uitgangspunt genomen dat het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.

2.17. Voor zover eiser met deze klacht bedoelt dat het hof de zaak had moeten beoordelen aan de hand van deze maatstaf voor hinder en dat de belangenafweging dan in het voordeel van eiser had moeten uitvallen, omdat eiser bereid was een bijdrage in de kosten van het scherm te leveren en de omvang van de door de buren te dragen kosten beperkt was, faalt deze klacht. De afweging en de waardering van de feiten zijn voorbehouden aan het hof als hoogste rechter die over de feiten oordeelt. Daarenboven is van belang dat de beslissing is gebaseerd op de door eiser verleende toestemming.

2.18. Onderdeel 1.2.6 strekt ten betoge dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan een ontoelaatbare aanvulling van de feiten of van de verweermiddelen, omdat de buren niet hebben gesteld wat het hof in rov. 4.17 overweegt, namelijk dat het recht op `aanhechting' moet worden begrepen in de context van de aansluiting van het ontwerp van de woning van eiser op het ontwerp van de woning van de buren.

2.19. Met het "recht op aanhechting" wordt in het middel kennelijk bedoeld een recht van eiser om aan zijn kant van de erfgrens een scherm tegen de gemeenschappelijke muur aan te brengen; zie de meer subsidiaire vordering van eiser. Eiser heeft deze vordering onderbouwd met een verwijzing naar afspraken die tussen partijen zouden zijn gemaakt. De buren hebben hun verweer daarop ingericht en hebben betwist dat zij aan eiser een zodanig recht hebben toegezegd. Ook het hof is ervan uitgegaan dat eiser dit gedeelte van de vordering heeft gegrond op door hem gestelde afspraken. De uitleg van de stellingen van partijen is voorbehouden aan de feitenrechter. Zij is niet onbegrijpelijk: eiser heeft ter toelichting op grief 11 verwezen naar gemaakte afspraken. Het hof mocht daarom concluderen dat het door eiser gepretendeerde recht op aanhechting, dat door de buren aan hem zou zijn verleend, moet worden begrepen in de context van de aansluiting van beide ontwerpen op elkaar(4).

2.20. De onderdelen 1.2.7 en 1.3 missen zelfstandige betekenis naast de voorgaande onderdelen. Het middel noopt niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. HR 9 januari 1987, NJ 1987, 928 m.nt. EAA.

2 S.D. Lindenbergh schrijft hierover: "Het geven van toestemming in de zin van art. 50, lid 1, is een rechtshandeling die voor de rechtstoestand van een registergoed van belang is en derhalve krachtens art. 3:17, lid 1, sub a, BW vatbaar is voor inschrijving in de openbare registers. (...) Is de toestemming (...) niet in de openbare registers ingeschreven, dan werkt zij niet tegenover latere verkrijgers van het registergoed, die van de toestemming geen weet hebben." (Zakelijke rechten, losbl., aant. 9 op art. 5:50 BW). Dit strookt met de parlementaire geschiedenis: MvA II, Parl. Gesch. Boek 5, blz. 205.

3 Zie uitgebreider: A.R. Bloembergen, Toestemming; een eenzijdige rechtshandeling, 1971, blz. 12; Onrechtmatige daad, losbl., aant. 189 e.v. op art. 6:162 lid 2 (C.H.M. Jansen). Bloembergen t.a.p. noemde in dit verband: HR 10 februari 1967, NJ 1967, 212 m.nt. GJS (rechtsverwerking, het achteraf prijsgeven van een recht); HR 31 januari 1969, NJ 1969, 241 m.nt. GJS (stilzwijgende instemming). Zie ook: HR 28 oktober 1977, NJ 1978, 86 m.nt. GJS (indruk gewekt geen bezwaar te hebben).

4 Ter vermijding van mogelijk misverstand: een bevoegdheid als bedoeld in art. 5:67 BW is in dit geding niet aan de orde gesteld.