Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ7838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
R06/077HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ7838
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalig samenwonende partners over kinderalimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 160
RvdW 2007, 275
NJB 2007, 705
JWB 2007/76
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/077HR

Mr. Timmerman

Parket, 8 december 2006

conclusie inzake:

[De man],

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw],

verweerster in cassatie

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Partijen zijn voormalige partners en hebben een relatie gehad van 2002 tot augustus 2004. Uit deze relatie zijn twee zoons geboren, [zoon 1] (geboren op [geboortedatum] 2002) en [zoon 2] (geboren op [geboortedatum] 2004). De man heeft de kinderen erkend. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.

1.2 Bij de beëindiging van de relatie van partijen zijn partijen op 25 augustus 2004 overeengekomen dat de man € 600,- per maand aan de vrouw zou betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

1.3 De vrouw heeft op 5 februari 2005 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend(2) en aan de rechtbank primair verzocht te bepalen dat de man conform de gemaakte afspraak een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 300,- per maand per kind en subsidiair verzocht te bepalen dat de man minstens € 300,- per maand betaalt in totaal.

1.4 De man is geboren op 22 mei 1974. Hij vormt samen met zijn huidige partner, haar twee kinderen uit een eerdere relatie en de op 18 mei 2005 uit hun relatie geboren dochter een gezin. De huidige partner van de man voorziet in haar eigen levensonderhoud. De man is tot 2 december 2005 in loondienst werkzaam geweest bij [A] B.V. Zijn fiscaal loon bedroeg in 2004 blijkens de jaaropgave over dat jaar € 25.611,-. Volgens een salarisspecificatie van augustus 2005 bedroeg zijn salaris € 2.095,- bruto per maand exclusief overwerkvergoeding, eenmalige uitkering en vakantiebonnen. De man is op 5 december 2005 in dienst getreden bij [B] B.V. als chauffeur. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de periode tot 5 juni 2006. Hij stelt dat zijn loon € 9,68 per uur bedraagt, inclusief 8% vakantietoeslag en 9,7% vakantieaanspraken. De man schat zijn huidige inkomen op € 1.000,- netto per maand. De lasten van de man bestaan uit de hypotheekrente van € 9.055,- per jaar, de premie van € 123,- per maand voor de daaraan gekoppelde levensverzekering, het eigen woningforfait van € 1.134,- per jaar, € 113,- per maand in verband met de premie ziektekostenverzekering, € 12,- per maand in verband met de premie voor een begrafenisverzekering en de kosten van kinderopvang die € 70,- per week bedragen.

1.5 De vrouw is geboren op 1 januari 1970. Zij vormt samen met de kinderen van partijen een eenoudergezin. Het fiscale loon van de vrouw bedroeg in 2004 € 5.590,-. In 2004 ontving de vrouw een bijstandsuitkering van in totaal € 2.496,- bruto. In 2005 ontving zij een bijstandsuitkering van in totaal € 15.950,- bruto. De lasten van de vrouw bestaan uit de huur van € 459,- en een premie zorgverzekering van € 101,- per maand.

1.6 De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat zij zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zou betalen van € 300,- per kind per maand.

1.7 Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven of is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (art. 1:401 BW).

1.8 De man heeft gesteld dat hij de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven zowel wat betreft de behoefte van de kinderen als wat betreft zijn draagkracht. De overeenkomst is uit schuldgevoel aangegaan toen de man de vrouw vijf dagen voor de bevalling van haar jongste kind had verlaten. Beide partijen waren op dat moment niet voorzien van juridische bijstand. De vrouw heeft gesteld dat de man deze bijdrage heeft voorgesteld. Aan hem is nog gevraagd of hij wel zeker wist dat hij dit bedrag wilde betalen. De man heeft dit niet betwist.

1.9 De rechtbank heeft zowel de behoefte als de draagkracht beoordeeld om tot een beoordeling te komen of de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De behoefte

De rechtbank heeft overwogen dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen het netto gezinsinkomen tijdens de samenwoning uitgangpunt is. Op grond van een netto gezinsinkomen van ongeveer € 2.270,- per maand, is de behoefte van de kinderen bepaald op € 530,- per maand, dat wil zeggen € 265,- per kind per maand. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze kosten geheel ten laste van de man dienen te komen, omdat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt.

De draagkracht

De rechtbank is bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgegaan van de norm voor een gezin en een draagkrachtpercentage van 45%. Verder is rekening gehouden met de inkomsten van de partner van de man. De in de alimentatieberekening in aanmerking te nemen inkomsten en lasten zijn door de rechtbank opgesomd.

1.10 De rechtbank heeft de man in staat geacht om € 200,- per kind per maand te betalen. Zij heeft geoordeeld dat het door partijen overeengekomen bedrag met betrekking tot de behoefte niet noemenswaardig afwijkt van het door partijen overeengekomen bedrag. Ten aanzien van dit punt is er geen sprake van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Over de draagkracht is de rechtbank evenwel van oordeel dat er een aanzienlijke discrepantie is tussen de onderhoudsbijdrage die door partijen is overeengekomen en die waartoe de rechter zou hebben beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is de overeenkomst op dit punt aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

1.11 De rechtbank heeft bij beschikking van 28 juni 2005 de met ingang van 1 oktober 2004 door de man te betalen kinderalimentatiebijdrage vastgesteld op € 200,- per kind per maand en heeft de overeenkomst van partijen (d.d. 25 augustus 2004) op dat punt gewijzigd.

1.12 De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank en heeft verzocht om de kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2004 op nihil te stellen. Hij heeft zowel de behoefte van de kinderen betwist als zijn draagkracht. De vrouw heeft zich tegen dit verzoek verweerd en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren althans het verzoek af te wijzen.

1.13 Met betrekking tot de behoefte van de kinderen heeft de man gesteld dat deze € 415,- per maand bedraagt. Het hof heeft geoordeeld dat, nu vaststaat dat de kosten geheel ten laste van de man dienen te komen -de moeder ontvangt immers een bijstandsuitkering en de in eerste aanleg bepaalde bijdrage gaat de gestelde behoefte niet te boven-, deze grief niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking en om die reden geen bespreking behoeft.

1.14 Met betrekking tot de bepaling van de draagkracht van de man is het hof uitgegaan van het salaris bij [A] B.V., omdat de man in redelijkheid wordt geacht dit inkomen te kunnen verwerven en onvoldoende de noodzaak heeft aangetoond van de verlaging van zijn salaris (rov. 4.4 van het bestreden arrest). Het hof heeft er rekening mee gehouden dat de man een dag per week minder werkt in verband met de verzorging en opvoeding van zijn jongste kind.

1.15 Het hof heeft verder rekening gehouden met de inkomsten en lasten die in eerste aanleg in de berekening in aanmerking zijn genomen en waartegen partijen in hoger beroep geen bezwaar hebben gemaakt. Het hof heeft geen rekening gehouden met de door de man betaalde premie aanvullende pensioenverzekering, omdat de man de noodzaak hiervan niet heeft aangetoond.

1.16 Het hof heeft geoordeeld dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals die zijn vermeld een bijdrage van € 200,- per kind per maand met ingang van 1 oktober 2004 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof heeft in zijn arrest van 23 maart 2006 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.17 De man heeft tijdig(3) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft in haar verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1 Het cassatieverzoekschrift bevat één middel dat bestaat uit twee onderdelen. Beide onderdelen bestaan uit verschillende subonderdelen die steeds gezamenlijk zullen worden behandeld. Het eerste onderdeel richt klachten tegen de rechtsoverwegingen 2.4 en 4.4 tot en met 5 en klaagt dat de uitkomst van de alimentatieberekening van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk is, nu het hof nagenoeg dezelfde uitgangspunten als de man heeft gehanteerd terwijl de uitkomst verschillend is. Immers, uit de berekening van de man volgt dat hij geen financiële draagkracht heeft. Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat de man voldoende financiële draagkracht heeft om € 200,- per kind per maand te kunnen betalen. De man klaagt dat het hof zijn motiveringsplicht heeft geschonden omdat uit het oordeel niet blijkt waarom de uitkomst van de man niet juist is. Het tweede onderdeel richt klachten tegen rechtsoverweging 4.8 en betoogt dat het hof een essentiële stelling van de man, namelijk dat hij financiële draagkracht mist om alimentatie te betalen, heeft gepasseerd. Het hof zou ook hier zijn motiveringsplicht hebben geschonden en zijn oordeel onvoldoende dan wel onvoldoende begrijpelijk hebben gemotiveerd omdat de vaststellingen uit het bestreden arrest niet kunnen worden opgevat als een voldoende motivering voor het gewezen oordeel.

Inleiding

2.2 Het oordeel van het hof over het bepalen van kinderalimentatie is van feitelijke aard en gebaseerd op de in de bestreden beschikking opgenomen en door het hof vastgestelde financiële gegevens. Dit oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De in hoger beroep oordelende rechter mag de alimentatie vaststellen op grond van een zelfstandig onderzoek. Hij is niet gehouden alle berekeningen die aan zijn beslissing ten grondslag liggen in zijn beschikking op te nemen, mits uit die beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt(4). In cassatie kan nog slechts de vraag aan de orde worden gesteld of het oordeel voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd(5). Vragen van draagkracht lenen zich niet voor een intensieve controle in cassatie. Voor een beslissing tot vaststelling van alimentatie geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet zijn gemotiveerd(6) dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang teneinde de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen- controleerbaar en aanvaardbaar te maken(7). Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter gaat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort in elk geval het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat.

Behandeling van onderdeel 1

2.3 Het hof heeft in zijn beschikking alle door de man gestelde posten de revue laten passeren en steeds overwogen waarom een post al dan niet (en op welke wijze deze) in aanmerking is genomen. Voldoende duidelijk is van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt. Nu de rechter niet gehouden is alle berekeningen die aan zijn beslissing ten grondslag liggen in zijn beschikking op te nemen, mits uit die beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt, gaat het middelonderdeel van een motiveringsplicht uit die te vergaand is. Het hof is niet gehouden uitdrukkelijk te motiveren op welke gronden de stellingen van de man dat hij onvoldoende financiële draagkracht bezit, niet juist zijn. Nu het middelonderdeel uitgaat van een te vergaande motiveringsplicht van de rechter dient het te falen.

2.4 Het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 2.4 en 4.4 is m.i. geenszins tegenstrijdig. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.4 de feiten op een rij gezet, terwijl in rechtsoverweging 4.4 uitdrukkelijk wordt overwogen dat het hof er rekening mee houdt dat de man een dag per week de zorg van zijn jongste kind voor zijn rekening neemt en die dag niet werkt.

Behandeling van onderdeel 2

2.5 Het middelonderdeel neemt als uitgangspunt dat het hof een essentiële stelling van de man heeft gepasseerd, te weten dat hij onvoldoende financiële draagkracht bezit om alimentatie te kunnen betalen. Echter, de overwegingen in de bestreden beschikking zijn er volledig op gericht in het eindoordeel een antwoord te geven op de vraag of de man -voldoende- financiële draagkracht bezit. Hierom dient het middelonderdeel m.i. te falen.

2.6 In het middelonderdeel kan eveneens een klacht worden gelezen met betrekking tot de reikwijdte van de motiveringsverplichting van de rechter. Hiervoor geldt m.i. hetgeen hiervoor aan de orde is geweest. De rechter is niet gehouden alle berekeningen die aan zijn beslissing ten grondslag liggen in zijn beschikking op te nemen, mits uit die beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt. Daaraan voldoet de bestreden beschikking. Uit het partijdebat in appel volgt m.i. geenszins dat het hof aspecten onderbelicht heeft gelaten dan wel in de bestreden beschikking onvoldoende heeft besproken. Ook hier gaat het middelonderdeel uit van een te vergaande motiveringsverplichting voor de rechter. Voor het overige bevat het middelonderdeel enige herhalingen van middelonderdeel 1 die hiervoor zijn besproken.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad

der Nederlanden

A-G

1 Zie de bestreden beschikking van 23 maart 2006, rov. 2.

2 Omdat de man was gestopt met het betalen van de overeengekomen bijdrage.

3 Art. 426 Rv: de bestreden beschikking dateert van 23 maart 2006 en het cassatieverzoekschrift is op 21 juni 2006 op de griffie ontvangen.

4 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.4.

5 Zie de conclusie van de toenmalige P-G Berger, eerste alinea bij HR 24 december 1982, NJ 1983, 389 en de conclusie van de toenmalige A-G Bakels, m.n. nrs 2.6 en 2.7 bij HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.

6 In art. 287 lid 1 jo. 230 lid 1 in verbinding met art. 121 Grondwet ligt het motiveringsbeginsel verankerd.

7 HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3.