Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ7732

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
01342/06
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AU8671
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ7732
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer (een oudere man, aan wie hij had aangeboden te helpen bij het dragen van een zware boodschappentas naar diens huis) in diens woning doodgeschoten. Vlgs. eerdere verklaringen wilde hij de man beroven. Op de ttz in appel verklaart hij niet het oogmerk te hebben gehad om door de doodslag de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Verdachte zou a.g.v. seksueel misbruik in zijn jeugd zijn “getriggered” door de openstaande gulp van het slachtoffer en uit kwaadheid het slachtoffer gericht hebben doodgeschoten. HR: Het hof heeft, zich baserend op een PBC-rapportage, het o.g.v. het onderzoek ttz onaannemelijk geacht dat de door en namens verdachte aangevoerde omstandigheden duiden op een affectief-defensieve reactie n.a.v. een vermeende seksuele “trigger”, het onwaarschijnlijk geacht dat een openstaande gulp voldoende “trigger” is geweest tot de gestelde impulsief reactieve daad van het doodschieten van het slachtoffer en ook de aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning moeilijk inpasbaar geacht in het door verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren. Het hof heeft, zonder miskenning van het voorschrift van art. 359.2 Sv, voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht waarom het bij de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal de inhoud van de ttz in appel afgelegde verklaring van verdachte in dit opzicht terzijde heeft gelaten en de inhoud van de eerder afgelegde verklaringen van verdachte voor het bewijs heeft gebezigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 216
RvdW 2007, 372
NJB 2007, 903
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01342/06

Mr Bleichrodt

Zitting 30 januari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte op 23 december 2005 ter zake van 1. primair "doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken", 2. primair "verkrachting" en 3. "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toegewezen en, voor zover het [benadeelde partij 1] betreft, aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. Het Hof heeft de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

2. Namens verdachte heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1.

3.2 Ten laste van verdachte is onder 1. primair bewezen verklaard dat:

"hij op 16 januari 2003 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een pistool één kogel in de borststreek van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van enig geldbedrag, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om die uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken."

3.3 Die bewezenverklaring berust volgens de aanvulling op het verkorte arrest op de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2005, voorzover inhoudende (bewijsmiddel 1):

"Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een boodschappentas. Ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht. In zijn woning pakte ik mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst. Ik heb zijn portemonnee uit zijn zak gehaald en er een paar euro uitgehaald."

- een geschrift, zijnde een bijlage bij een niet voor kopie conform origineel getekend proces-verbaal met nr. PL1521/2003/3290-30, d.d. 18 maart 2003, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende onder meer als de op 20 februari 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van verdachte (bewijsmiddel 2):

"Ik heb de tas neergezet. Ik vroeg of ik even naar de wc kon. Ik had het vuurwapen in mijn broek. Toen ik weer in de kamer kwam, haalde ik het pistool uit mijn broek en zei ik tegen de man: "Mag ik geld alsjeblieft?" Toen richtte ik op hem. Ik stond 50 centimeter van hem af. Ik heb de portemonnee van het slachtoffer op de tafel gelegd. Ik pakte het geld en ben weggegaan."

- een sectierapport van het NFI met nr. 2003-030/T012, d.d. 28 januari 2003, opgemaakt door de arts en patholoog H.A. Tromp, inhoudende voorzover hier van belang als relaas van voornoemde deskundige (bewijsmiddel 3):

"Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer 1] is het navolgende gebleken:

Het lijk van een man met een inschot in de borst, schotkanaal verlopend van rechts naar links en rugwaarts en iets voetwaarts. Perforatie van de borstkas rechts voor, de 3e rib rechts voor, de rechter long (2x), het hartzakje rechts boven, verscheuring van de lichaams-slagader juist boven de oorsprong, perforatie van de rechter aftakking van de longslagader (2x), het hartzakje midden achter, verscheuring van de slokdarm, verscheuring van een deel van de lichaamsslagader, perforatie van de 9e rib links achter met een kogel in de weke delen van de rug aldaar.

Bij de sectie werd een inschot gezien in de borstkas met perforatie en verscheuring van weefsel, waaronder de lichaamsslagader en de longslagader. Dit letsel is bij leven ontstaan en verklaart het overlijden volledig door verbloeding en weefselschade.

Conclusie: bij [slachtoffer 1] is de dood ingetreden door verbloeding en weefselschade ten gevolge van een inschot in de borst."

- een proces-verbaal van de rechter-commissaris van 21 februari 2003, voorzover inhoudende als de op 21 februari 2003 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 4):

"Ik heb op 16 januari 2003 in Den Haag een oudere man aangeboden hem te helpen met het dragen van zijn tas. Toen we bij zijn woning kwamen, heeft die meneer de deur opengedaan. Op die manier kon ik ook binnenkomen. Ik wilde die man beroven.

Ik weet dat [betrokkene 1] het wapen bij de politie heeft ingeleverd. Ik had het in de schuur gelegd."

- een geschrift, zijnde een niet voor kopie conform origineel getekend proces-verbaal met nr. PL1521/2003/3290-27, d.d. 4 februari 2003, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende onder meer als relaas van deze opsporingsambtenaar (bewijsmiddel 5):

"Aan het bureau gaf op 23 januari 2003 een man op te zijn genaamd: [betrokkene 1]. Hij gaf aan dat hij vrijwillig een vuurwapen kwam inleveren. Het betrof een pistool, merk Makarov 9 mm. Ik nam het vuurwapen vervolgens in beslag."

- een geschrift, zijnde een niet voor kopie conform origineel getekend proces-verbaal met nr. PL1521/2003/3290-2, d.d. 23 februari 2003, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], en een andere daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover onder meer inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 5):

"In de kelderbox van mijn woning trof ik heden een vuurwapen aan. Ik had dat wapen nog nooit eerder gezien. Ik denk dat het vuurwapen afkomstig is van de broer van mijn vrouw. Hij heet [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) [verdachte]. [Verdachte] belde mij op mijn mobiele telefoon. Hij vroeg mij of ik iets gevonden had in mijn kelder. Ik heb gezegd dat ik een vuurwapen heb gevonden en het aan de politie heb gegeven. [Verdachte] zei hierop dat hij dan een probleem had, omdat hij het nog niet had betaald."

- een rapport van 29 januari 2003 van het NFI met nr. 03.01.24.041, opgemaakt door de deskundige T. Dijkman, inhoudende onder meer als relaas van deze deskundige (bewijsmiddel 6):

"Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het inleveren van een pistool in Den Haag op 23 januari 2003.

Het omgebouwde pistool [W1], merk Makarov, is geschikt voor het automatisch verschieten van pistoolpatronen kaliber 9 mm Browning Kort.

De volmantelkogel, volgnummer 5212, aangetroffen bij een schietincident in Den Haag op 16 januari 2003 waarbij [slachtoffer 1] om het leven kwam, is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit de loop van het pistool [W1]."

3.4 Alle drie klachten van het middel zijn in de kern genomen gericht tegen de bewezenverklaring van het oogmerk waarmee de doodslag zou zijn gepleegd, te weten het oogmerk om de diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Allereerst wordt door de steller van het middel aangevoerd dat dit oogmerk niet uit de bewijsmiddelen kan volgen; daarnaast zou het Hof niet hebben gerespondeerd op een Meer- en Vaart verweer met betrekking tot de beweegreden van de verdachte om te schieten en tot slot wordt gesteld dat het Hof niet heeft geantwoord op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging zoals bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv, over het bij verdachte aanwezige oogmerk.

3.5 Door verdachte is ter terechtzitting bij het Hof van 18 februari 2005, voorzover hier van belang, het volgende verklaard:

"De verklaringen die ik eerder heb gegeven over hetgeen in de woning van [slachtoffer 1] is gebeurd, kloppen niet. Door mijn onzekerheid over mijn sexuele geaardheid heb ik een verkeerde gang van zaken verteld. Het doodschieten van [slachtoffer 1] was een ongeluk. Ik kwam uit een koffieshop. Ik zag [slachtoffer 1] op straat lopen met een zware boodschappentas en ik bood aan hem te helpen. Ik heb de tas naar zijn woning gebracht. Ik vroeg om een glas water en of ik naar de wc mocht. Toen ik uit de wc kwam, had [slachtoffer 1] zijn gulp open en deed hij zijn riem los. Ik dacht toen dat hij sex met mij wilde hebben. Ik schrok en ik werd kwaad. In het verleden ben ik sexueel misbruikt. Ik pakte mijn wapen, laadde het door en ik schoot gewoon gericht op [slachtoffer 1]. Ik had de geluiddemper er eerst op geplaatst.

Om het te laten lijken op roof heb ik het slachtoffer omgedraaid en heb ik zijn portemonnee uit zijn zak gehaald. Ik heb er een paar euro uitgehaald. Ik heb rommel in de woning gemaakt.

Ik had elke dag mijn wapen bij mij. Ik had het in bewaring voor een vriend. Het wapen was niet doorgeladen. De geluiddemper had ik in mijn zak. Ik heb de geluiddemper toch niet gebruikt, ook al heb ik zoëven verklaard van wel."(1)

Voorts heeft de raadsman op die zitting onder meer aangevoerd:

"De raadsman verzoekt aanhouding van de behandeling van de zaak en opname van de verdachte in het Pieter Baan Centrum voor rapportage.

De raadsman verklaart dat zich op pagina 71 van het technisch proces-verbaal een foto van het slachtoffer bevindt met zijn gulp en zijn riem open. De verdachte praat normaal alles van zich af, er zijn eindeloze videoverhoren geweest. Als het op sex komt dan slaat hij dicht. Het rapport van het Pieter Baan Centrum vermeldt dat er een gering verband is, omdat er weinig gegevens door verdachte zijn verstrekt. Impulsen hebben invloed op verdachte. Hij kan extreem reageren en wordt agressief. Van Harpen was misschien gewend om thuis zijn gulp open te doen en zijn riem los te maken, maar de verdachte reageerde hierop."

3.6 Het Hof heeft de zaak vervolgens aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris teneinde - voorzover hier van belang - door het Pieter Baan Centrum een aanvullend rapport omtrent de verdachte op te laten maken, onder meer gelet op de ter terechtzitting van 18 februari 2005 afgelegde verklaring van verdachte (zoals hiervoor weergegeven onder 3.5) over zijn seksuele geaardheid en de omstandigheden waaronder het onder 1 tenlastegelegde feit zich zou hebben voorgedaan. Dit rapport is door de rapporteurs Kruisdijk en De Groot opgemaakt op 12 augustus 2005 en bevindt zich bij de stukken.

3.7 Op de terechtzitting van 9 december 2005 heeft de raadsman blijkens zijn aldaar overgelegde pleitnotities onder meer het volgende aangevoerd:

"2.1.2. Motief

Cliënt heeft het om het leven brengen van [slachtoffer 1] bekend. De reden dat het misging in de woning van [slachtoffer 1] heeft weinig tot niets met een beroving van doen.

Cliënt worstelt sinds zijn puberjaren met zijn seksuele identiteit. Tijdens het eerste persoonlijkheidsonderzoek in 't Nieuwe Loyd is dat al duidelijk (hierna daarover meer specifiek). Ook bij zijn verhoor naar aanleiding van de zaak [benadeelde partij 2] (p. 45 dossier [benadeelde partij 2] onderaan) komt dit duidelijk naar voren. Hij stelt ook daar nog 100% heteroseksueel te zijn en beroept zich verder op zijn zwijgrecht. In het PBC merkt men terecht op dat het feit rond [benadeelde partij 2] sterk homoseksueel gekleurd is. Cliënt kon of wenste daarover echter geen helderheid te verschaffen.

De verdediging meent dat de aanleiding tot de zaak [slachtoffer 1] eveneens moet worden gezocht in deze problematiek. Cliënt hielp [slachtoffer 1] met diens zware boodschappentas. Zonder bijbedoelingen en werkelijk omdat het hem een goed gevoel gaf oudere mensen te helpen. Ook bij zijn werk in de kapsalon had hij het erg naar zijn zin gehad, met name omdat mensen weer wat vertrouwen in hem leken te stellen. Hetgeen getuige [getuige 1] daarover verklaart is ook treffend. Ook in de rapportages van de Kijvelanden wordt cliënt als hulpvaardig getypeerd.

Op het moment dat cliënt bij [slachtoffer 1] thuis vroeg om gebruik te mogen maken van het toilet was er nog niets aan de hand.

Als hij daarna terugkomt van het toilet ziet hij dat [slachtoffer 1] zijn broek openmaakt en op hem toe komt lopen. Dit beeld heeft cliënt sterk in verwarring gebracht. Hij maakte onmiddellijk de associatie dat hij van doen had met een oude alleenstaande homoseksuele man die zijn vrijblijvende hulp bij het dragen van de boodschappentas misinterpreteerde en meer van hem verlangde.

Gevoelens van teleurstelling overmannen hem op dat moment. Hij dacht gewoon aardig te kunnen zijn tegen een oude man door hem te helpen. Cliënt vermoedt dat de oude man hem door heeft voor wat betreft zijn geaardheid en in hem door zijn aardige behulpzame gedrag een "homoseksueel" herkent. Dat wil hij niet. Cliënt raakt hiervan in een fractie van seconden stevig in de war en wordt kwaad over deze ontmaskering. In de plotseling opwellende woede trekt hij zijn pistool en schiet. Van Harpen valt achterover op de grond.

De psychiater en de psycholoog van het PBC achten in het rapport van 12 augustus 2005 deze situatie van een zogeheten 'arousal'-reactie verklaarbaar, maar gelet op de oude rapportages over cliënts gedrag niet de meest waarschijnlijke.

Op p. 35 wordt geschreven:

"Vanuit de instrumentele, opportunistische kant bij betr. is er een kans dat hij zich hernomen heeft na het doden van het slachtoffer en alsnog de bezittingen heeft geroofd. Vanuit dezelfde psychopathforme sturing kan betr. evenzeer een geplande roofactie met dodelijke afloop hebben ondernomen."

Belangrijk is te constateren dat de deskundigen blijkens de PBC-rapportage niet uitsluiten dat het zo gegaan is als cliënt stelt.

Cliënt stelt dat hij is geschrokken van zijn daad en zoekt naar een "meer neutrale" verklaring voor hetgeen gebeurd is. Hij neemt zich de dood van [slachtoffer 1] onmiddellijk zeer kwalijk. Hij besluit dat "iets seksueels" laat staan iets "homoseksualiteit gerelateerds" niet het motief mag zijn. Dat kan hij zichzelf niet verkopen.

Hij pakt een glas water in de keuken, wordt rustiger en denkt na. Zijn eigen homoseksueel getinte interpretatie van [slachtoffer 1] gedrag verdringende, besluit hij dat het moet lijken op een roofmoord. Minder raar, meer alledaags.

Hij draait [slachtoffer 1] om (zie ook het technisch rapport over het bloedspoor op de vloerbedekking) doorvoelt zijn zakken, waarna hij hem terugdraait. De buit is verwaarloosbaar, maar doet in feite ook niet ter zake. Cliënt beschikte zelf op dat moment over voldoende contanten. Om de ware reden voor het delict te verdoezelen haalt cliënt in hoog tempo het huis overhoop. Zonder verder nog iets mee te nemen vertrekt hij kort daarna.

(...)

2.1.3. Voorbedachte raad 289 Sr en oogmerk 288 Sr niet bewezen

De verdediging meent dat doodslag op [slachtoffer 1] bewezen kan worden (...)

De mogelijkheid dat cliënt om een andere reden op [slachtoffer 1] heeft geschoten dan om hem vervolgens gemakkelijker te kunnen beroven is volledig opengebleven. Het wettig en overtuigend bewijs dat cliënt het oogmerk had om door [slachtoffer 1] om het leven brengen de uitvoering van een vermogensdelict voor te bereiden en/ of mogelijk te maken ontbreekt daarmee. (...)"

3.8 Aldus heeft de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv ingenomen. Het is immers door argumenten geschraagd en voorzien van de ondubbelzinnige conclusie dat het onder 1 primair tenlastegelegde oogmerk niet bewezen is nu van een - beoogd - instrumenteel verband tussen de doodslag en de diefstal geen sprake is.

Indien de rechter van een zodanig standpunt afwijkt, moet hij daarvan in het bijzonder de redenen opgeven. Het Hof is van bedoeld standpunt van de verdediging afgeweken. Het heeft echter, mijns inziens ten onrechte, geen aanvullende bewijsoverweging gewijd aan de terzijdestelling van de door de verdediging gestelde alternatieve aanleiding voor het schietincident. De vraag is wat in deze zaak de consequenties daarvan zijn.

3.9 Bij de beantwoording van die vraag dient het volgende te worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2006, NJ 2006, 393 betrekking hebbende op het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv onder meer beslist:

"Omvang van de motiveringsplicht

3.8.1. Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wet brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zat dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.

3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.

Dit neemt niet weg

(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;

(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit - mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht - geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;

(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt."

3.10 Ik meen dat vooral wat in het hiervoor geciteerde arrest onder 3.8.2 onder (i) en (ii) is overwogen, hier relevant is.

Ik stel voorop dat uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen 1, 2 en 4 kan worden afgeleid dat bij de verdachte het oogmerk om het slachtoffer te beroven van het begin af aan heeft bestaan, terwijl het plaatsen van de geluiddemper op het pistool direct voorafgaand aan de fatale confrontatie, erop wijst dat een daadwerkelijk gebruik van dat wapen beoogd, althans voorzien was. Maar dat lijkt mij in het licht van het aangevoerde op zichzelf onvoldoende. Want hoewel de hoofdregel dat de feitenrechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal voorop blijft staan, is hier door de verdediging uitvoerig betoogd dat en waarom de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het Hof van 18 februari 2005 de juiste was, waaruit voortvloeit dat voor zover eerdere verklaringen van de verdachte (zoals de verklaringen vervat in genoemde bewijsmiddelen) daarmee in strijd komen, deze buiten beschouwing moeten worden gelaten.

3.11 Verder heeft het Hof echter in zijn strafmotivering, zoals hieronder opgenomen onder 5.3, wel een passage uit het aanvullende rapport d.d. 12 augustus 2005 geciteerd die betrekking heeft op verdachtes verklaring over zijn reactie op de openstaande gulp van het slachtoffer.

Die passage is door het Hof kennelijk (mede) opgenomen als reactie op hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de "trigger" van het schieten op [slachtoffer 1], waarbij deze dodelijk is getroffen. Het Hof heeft de conclusie van de rapporteurs inhoudende - voorzover hier van belang - dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde feit gelet op de afwezigheid van een aantoonbaar verband tussen de beschreven stoornis en het gepleegde delict, tot de zijne gemaakt. Daarbij heeft het onder meer gewezen op de passages uit dat rapport inhoudende dat "het onwaarschijnlijk is dat een openstaande gulp alleen voldoende trigger is geweest om tot een dergelijke impulsief reactieve daad over te gaan", dat "de aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning eveneens moeilijk in te passen zijn in het door verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren" en dat "verwacht(2) zou worden dat verdachte dan zo geschrokken was van de bedreiging met vermeend seksueel misbruik en het besef het slachtoffer gedood te hebben dat hij spoorslags de plaats delict verlaten zou hebben".

3.12 Zoals volgt uit wat hiervoor onder 3.5 en 3.6 is weergegeven is juist de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 18 februari 2005 (in verband waarmee de raadsman ook een verzoek heeft gedaan om een nader rapport) voor het Hof aanleiding geweest om een nader onderzoek te doen verrichten door het PBC.(3) Die verklaring wees niet alleen in de richting van een "irresistable impulse", maar strekte er ook toe dat, ondanks hetgeen de verklaringen van de verdachte, opgenomen in bewijsmiddelen 1,2 en 4 inhielden, van het in de tenlastelegging genoemde oogmerk geen sprake kan zijn geweest.

3.13 Gelet op een en ander meen ik dat, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting, de bestreden uitspraak, als men de strafmotivering in de beschouwing betrekt, voldoende gegevens bevat waarin de motivering van de afwijking van het onderbouwde standpunt van de verdediging besloten ligt. De Hoge Raad spreekt in bovengenoemd arrest onder 3.8.2 sub (i) van een gemotiveerde verwerping die "bijvoorbeeld" kan zijn gelegen in een aanvullende bewijsoverweging. Mijns inziens zou ook een redenering die bijvoorbeeld ten onrechte onder een hoofd als "strafbaarheid van het feit" of "strafbaarheid van de verdachte" is opgenomen, in aanmerking mogen worden genomen bij de beantwoording van de vraag of in een geval als dit aan art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv is voldaan. Dat geldt dan ook voor passages die verzeild zijn geraakt in de strafmotivering. Aanbeveling verdient een zodanige werkwijze zeker niet. Maar de bestreden uitspraak in zijn geheel is gelet op het bovenstaande, lijkt mij, wel toereikend gemotiveerd. Daarin ligt immers besloten dat en waarom het Hof de nadere lezing van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht.

3.14 Uit het voorgaande vloeit voort dat de derde klacht van het middel ongegrond is.

3.15 Hetzelfde geldt voor de eerste en tweede klacht. In de eerste plaats kan, zoals opgemerkt, op zichzelf uit de gebezigde bewijsmiddelen het onder 1 bewezenverklaarde worden afgeleid, terwijl, zoals uit het voorgaande volgt, het Hof het zogenaamde Meer-en Vaartverweer heeft verworpen, immers het alternatieve scenario dat de verdediging heeft geschetst, niet aannemelijk heeft geacht, welk oordeel niet onbegrijpelijk is.

Het voorgaande brengt mee dat het bewezenverklaarde oogmerk toereikend is gemotiveerd.

3.16 Het middel faalt dus.

4.1 Het tweede middel behelst de klacht dat het onder 3 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2 De feiten 2 primair en 3 hangen met elkaar samen voor wat betreft tijd, plaats en de persoon, waartegen de feiten zijn gericht. Het Hof heeft de bewijsconstructie ten aanzien van die feiten dan ook niet gesplitst. Daarom geef ik hieronder ook de bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 2 weer.

4.3 Ten laste van verdachte is onder 2. primair en 3. bewezen verklaard dat:

"2. primair

hij op 16 november 1992 te 's-Gravenhage door een feitelijkheid en bedreiging met een feitelijkheid [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2], hebbende verdachte zijn penis in de anus en de mond van die [benadeelde partij 2] gebracht en bestaande die feitelijkheid en die bedreiging met die feitelijkheid hierin dat verdachte

- misbruik heeft gemaakt van uit een feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht van hem, verdachte op die [benadeelde partij 2] (te weten de omstandigheid dat hij, verdachte, wist dat die [benadeelde partij 2] verstandelijk gehandicapt was);

- die [benadeelde partij 2] gezegd heeft dat hij met hem, verdachte, de bosjes in moest lopen omdat hij, verdachte, anders zou gaan gillen en

- die [benadeelde partij 2] gezegd heeft dat hij door de politie zou worden meegenomen als hij niet mee de bosjes in ging en

- de broek en/of de gulp van die [benadeelde partij 2] heeft geopend en

- de penis van die [benadeelde partij 2] heeft betast en

- de broek en de onderboek van die [benadeelde partij 2] naar beneden heeft geduwd

en (aldus) voor die [benadeelde partij 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

3. hij op 16 november 1992 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 7 gulden en een tramkaart en een donorcodicil toebehorende aan [benadeelde partij 2], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een mes aan die [benadeelde partij 2] en het (daarbij) zeggen: "als jij iemand vertelt wat hier gebeurd is dan vermoord ik je"."

4.4 De aanvulling op het bestreden arrest houdt de volgende bewijsmiddelen in:

"Ten aanzien van de feiten 2 primair en 3:

1. Een proces-verbaal van de gemeentepolitie Den Haag, nr. 28.182/1992, d.d. 11 februari 1993, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 16 november 1992 afgelegde verklaring van [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], die aangifte deed:

Op 16 november 1992 werd ik aangesproken door een voor mij onbekende Surinaamse man. Deze man stond op de hoek van de Broekslootkade alhier en de Noordpolderkade. Hij vroeg mij of ik een homo-tent wist. Toen vroeg de man aan mij of ik het met hem wilde doen. Ik gaf duidelijk aan dat ik dat niet wilde en dat ik naar huis moest. Ook vertelde ik hem dat ik geestelijk niet helemaal in orde ben. De man zei toen toch tegen mij dat ik mee de bosjes in moest. Ik gaf hem weer te kennen dat ik dat niet wilde maar ik moest mee anders zou hij gaan gillen en dan zou de politie gebeld worden en dan zou ik door de politie meegenomen worden. Ik werd toen wel erg bang en ik ben toen maar meegelopen. Toen wij in de bosjes waren, voelde ik dat hij mijn gulp open maakte. Ik voelde dat hij over mijn kleren heen aan mijn piemel begon te voelen. Ik voelde dat hij mijn broek en onderbroek naar beneden deed. Hierna zei hij dat ik krom moest gaan staan met mijn bips naar achter. Ik deed dat en voelde ineens pijn. Ik voelde dat hij zijn penis in mijn anus bracht. Ik voelde dat hij heen en weer ging en hij stopte daar mee nadat hij had gezegd dat hij klaar was gekomen. Hierna kwam hij voor mij staan en moest ik op mijn knieën gaan zitten. Ik moest toen zijn piemel in mijn mond nemen en ik moest hem aftrekken. Ik durfde mij niet te verzetten omdat hij veel sterker is dan ik. Ik was bang van deze jongen.

Ik heb hem nog wel gezegd dat ik dit allemaal niet wilde maar hij vertelde weer het verhaal dat hij dan zou gaan gillen en dat ik dan veel problemen zou krijgen omdat hij zou doen alsof ik degene was die hem dit aandeed.

Nadat hij zijn piemel uit mijn mond haalde, vroeg hij mij wat ik bij had. Terwijl hij dat vroeg, voelde ik direct dat hij mijn zakken begon door te zoeken. Hij haalde uit mijn portemonnee een bedrag van ongeveer 7 gulden en hij nam mijn tramkaart alsmede mijn donorcodicil. Hij gaf vervolgens mijn portemonnee leeg terug.

Hierna liet hij mij een mes zien en ik hoorde dat hij zei: "Als jij iemand vertelt wat hier gebeurd is dan vermoord ik je."

als relaas van voornoemde opsporingsambtenaar:

Op 16 november 1992 heeft aangever [benadeelde partij 2], in het Leyenburgziekenhuis, een gynaecologisch onderzoek ondergaan, waarbij cytologieuitstrijkjes alsmede bloedmonsters van genoemd slachtoffer zijn afgenomen. Op 17 november 1992 werden deze uitstrijkjes en bloedmonsters gezonden aan het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Op 18 november 1992 is de kleding van het slachtoffer [benadeelde partij 2], te weten een pantalon, kleur rood en een onderbroek, via het Bureau Technische Recherche, verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk voor nader onderzoek.

2. Een proces-verbaal van de politie Haaglanden, District Den Haag/Loosduinen -Laak-Escamp, nr. PL1531/2003/17136 -14, d.d. 8 mei 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], en een andere bevoegde opsporingsambtenaar (als bijlage gevoegd bij het onder 8 vermelde proces-verbaal). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 8 mei 2003 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [benadeelde partij 2], die aangifte deed:

U stelt dat ik op 16 november 1992 op een sociale werkplaats werkte en aan mij toch wel te zien is dat ik anders ben dan anderen. Dat klopt. Ik ben geboren met een geestelijke handicap.

3. Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk, betreffende sperma,- haar- en vezel-onderzoek, opgemaakt en ondertekend op 22 januari 1993 door drs. J.M. Kockx, zaaknummer 92.11.19.023 (als bijlage gevoegd bij het onder 8 vermelde proces-verbaal). Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

Op de pantalon van het slachtoffer werd de aanwezigheid van sperma vastgesteld. De spermasporen blijven op het Gerechtelijk Laboratorium bewaard voor een eventueel te volgen vergelijkend onderzoek naar erfelijke factoren, bij het bekend worden van een verdachte.

4. Een deskundigenrapport van het Ministerie van Justitie, Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 03.01.21.030, opgemaakt en ondertekend op 14 april 2003 door dr. A.D. Kloosterman (als bijlage gevoegd bij het onder 8 vermelde proces-verbaal). Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] is op 28 maart 2003 opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de in het systeem aanwezige profielen. Bij vergelijking is een overeenkomstig profiel gevonden dat is verkregen van het sporenmateriaal in een zaak met de volgende gegevens:

NFI-zaaknummer: 1992.11.19.023;

Spermaspoor vanaf de broek van het slachtoffer [benadeelde partij 2] (het hof leest: [benadeelde partij 2]);

Frequentie DNA-profiel: minder dan 1 op de miljard.

5. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2004 verklaard - zakelijk weergegeven - :

"Ik heb op 16 november 1992 te 's-Gravenhage gemeenschap gehad met [benadeelde partij 2]."

4.5 In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof nog overwogen:

"Nadere overweging ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij 2].

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnota bepleit dat, nu de verklaringen van de getuige [benadeelde partij 2] onderling sterk van elkaar afwijken op essentiële punten, deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, zodat deze verklaringen door het hof zonder steunbewijs niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof heeft bij zijn onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de door het slachtoffer [benadeelde partij 2] afgelegde verklaringen. De omstandigheid dat de latere verklaringen van het slachtoffer, afgelegd bij de rechter-commissaris op 10 november 2004 en bij de politie op 8 mei 2003, op enkele punten afwijken van de aangifte van het slachtoffer van 16 november 1992, doet, gelet op de lange duur van de tussenliggende periode, niet af aan de betrouwbaarheid van de door het hof als bewijsmiddel gebezigde verklaring van het slachtoffer d.d. 16 november 1992, de dag waarop het onder 2 en 3 tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden. Het hof heeft dan ook deze door [benadeelde partij 2] afgelegde verklaring gebezigd tot het bewijs."

4.6 In het middel wordt aangevoerd dat het Hof de bewezenverklaring van feit 3 slechts heeft gestoeld op de verklaring van [benadeelde partij 2], hetgeen onvoldoende zou zijn voor een bewezenverklaring.

4.7 Volgens vaste jurisprudentie geldt de in art. 342, tweede lid, Sv neergelegde bewijsminimumregel slechts ten aanzien van de gehele tenlastelegging.(4) Aan het genoemde voorschrift is al voldaan als naast de getuigenverklaring één ander bewijsmiddel wordt gebruikt dat geen betrekking hoeft te hebben op een wezenlijk onderdeel van de bewezenverklaring. Naast een verklaring van het slachtoffer over de tegen hem of haar door de dader gepleegde handelingen, is dus bijvoorbeeld een verklaring van een ander dan het slachtoffer dat de dader ter plekke aanwezig was voldoende om tot een veroordeling te kunnen komen.

4.8 Verdachte heeft bekend op 16 november 1992 gemeenschap te hebben gehad met [benadeelde partij 2]. Dat verdachte die dag seksuele handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer wordt, naast de verklaring van [benadeelde partij 2] zelf, voorts ondersteund door de resultaten van het DNA-onderzoek naar de spermasporen die zijn aangetroffen op de broek van het slachtoffer en die in de richting van verdachte wijzen. Die bewijsmiddelen plaatsen verdachte derhalve op de in feit 3 vermelde tijd en plaats, welk feit volgens de aangifte direct na het onder 2 tenlastegelegde is begaan, in de directe nabijheid van het slachtoffer. Dit lijkt mij, hoewel het inderdaad geen overvloedige bewijsconstructie oplevert, tezamen met de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van [benadeelde partij 2], omtrent de betrouwbaarheid waarvan het Hof zich nog afzonderlijk rekenschap heeft gegeven, voldoende. Het Hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

4.9 Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5.1 Het derde middel behelst de klacht dat het Hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd.

5.2 Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

" Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, nadat hij na een proefverlof niet was teruggekeerd naar zijn TBS-instelling, een hoogbejaarde man doodgeschoten teneinde hem van zijn geld of bezittingen te beroven. De verdachte had de man eerst geholpen zijn tas naar diens woning te dragen. Eenmaal in de woning van de man aangekomen, heeft de verdachte een pistool getrokken en de man in zijn borststreek geschoten, waardoor de man is overleden. De verdachte heeft vervolgens de woning van het slachtoffer doorzocht, teneinde spullen van zijn gading mee te kunnen nemen. De verdachte heeft het slachtoffer zelfs nog omgedraaid om de portemonnee uit zijn zak te halen. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van een buitengewoon ernstig misdrijf. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen, namelijk het recht op leven. De nabestaanden van het slachtoffer is door dit misdrijf een immens leed aangedaan. Naar de ervaring leert, zullen zij nog zeer lange tijd de psychische gevolgen van dit voor de rechtsorde zeer schokkende misdrijf ervaren.

Daarenboven heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een geestelijk gehandicapte man. Hij heeft daartoe het slachtoffer, van wie de verdachte wist dat deze geestelijk gehandicapt was, de bosjes ingelokt door gebruik te maken van het psychische overwicht dat hij op het slachtoffer had.

Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer verkracht, zowel anaal als oraal. Na de verkrachting heeft de verdachte het slachtoffer onder bedreiging met geweld bestolen van enkele goederen. De verdachte heeft aldus ten koste van de lichamelijke - én psychische - integriteit van het slachtoffer de bevrediging van zijn eigen seksuele gevoelens afgedwongen. Het slachtoffer van het onderhavige feit, dat naar het oordeel van het hof een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt, heeft geruime tijd geleden en zal naar alle waarschijnlijkheid ook nog enige tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte hem heeft aangedaan. Immers, de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in 1992 en blijkens het voegingsformulier van de beledigde partij/slachtoffer [benadeelde partij 2], d.d. 17 november 2003, leed het slachtoffer toen nog steeds aan de psychische gevolgen van het destijds elf jaar eerder gepleegde misdrijf. Doordat hij na het voorval niet meer kon functioneren, is hij zijn baan kwijtgeraakt.

Al deze feiten brengen bovendien bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 november 2005, reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van zeer ernstige strafbare feiten, te weten verkrachting, gijzeling, diefstal met geweld, afpersing en poging tot verkrachting, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof heeft voorts onder ogen gezien dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, zoals door de verdediging is aangevoerd.

Tevens heeft het hof bij de strafoplegging acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 28 november 2003, opgemaakt door A.J. de Groot, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater.

De conclusie van dat rapport luidt - kort en zakelijk weergegeven - :

"Wij concluderen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het hem onder 1 tenlastegelegde feit weliswaar lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, doch dat dit feit indien bewezen hem volledig kan worden toegerekend.

Wij zijn van mening dat de verdachte ten tijde van het plegen van de hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid overeenkomstig een dergelijk besef te bepalen.

Wij concluderen dat de verdachte ten tijde van het plegen van de hem onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten indien bewezen hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend. "

Het advies van het rapport luidt - kort en zakelijk weergegeven - :

"De verdachte is een man met een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale (psychopathiforme) trekken. Naast het recente feit 1 is hem, na DNA bewijs, nog een andere zaak tenlastegelegd onder de feiten 2 en 3.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 lijkt sprake van een grote mate van berekening die teruggevonden wordt in het delictscenario. De verdachte kiest een minder weerbaar slachtoffer (een zwakbegaafde man) en misbruikt deze. Bij onderzoek wordt mede gelet op de periode waarin deze feiten plaatsvonden en de destijds geconstateerde problematiek bij de verdachte weliswaar een verband met de identiteitsdiffusie bij de verdachte verondersteld met een eventuele onduidelijke seksuele identiteit (het delict is sterk homoseksueel gekleurd), doch wegens de beperkte mededelingen hierover van de verdachte kon slechts een gering verband geconstateerd worden. De verdachte ontkent feit 1, waardoor bij de behandeling van dit feit slechts kan worden uitgegaan van de informatie uit het strafdossier. Bij feit 1 valt dan een planmatig optreden op van de verdachte, indien dat feit wordt bewezen: in bezit zijn van een vuurwapen, helpen met oversteken en toegang tot de woning verschaffen.

Het is onduidelijk gebleven of dit feit mogelijk drugs gerelateerd is. Zou dit zo zijn, is de verdachte echter geheel verantwoordelijk te houden voor de keuze om drugs te gebruiken en het hieruit voortvloeiende criminele gedrag. Hij was hierin voldoende voorgelicht binnen zijn tbs behandeling.

Wegens het geringe verband (feiten 2 en 3) c.q. bij afwezigheid van een aantoonbaar verband (feit 1) tussen verdachtes persoonlijkheidspathologie en de tenlastegelegde feiten onthoudt het onderzoekend team zich van een advies tot behandeling van de verdachte in een strafrechtelijk kader."

Het hof heeft voorts acht geslagen op het (aanvullende) rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 12 augustus 2005, opgemaakt door A.J. de Groot, psycholoog en F.R. Kruisdijk, psychiater.

De conclusie van dit rapport is gelijkluidend aan de hierboven aangehaalde conclusie van het rapport d.d. 28 november 2003. Het advies wijkt echter af van het eerder hierboven aangehaalde advies. Het advies uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 luidt - kort en zakelijk weergegeven - :

"In tegenstelling tot de vorige observatieperiode werkt de verdachte nu mee aan de rapportage in die zin dat hij een bekennende verdachte is ten aanzien van de feiten 1 en 3, hoewel hij verkrachting ontkent.

Door de medewerking kon een volledig hernieuwd onderzoek uitgevoerd worden en werd een toenemend inzicht verkregen in de ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling. Hierbij valt een ernstige persoonlijkheidsstoornis vast te stellen met een fragmentarische borderline organisatie met narcistische kenmerken en een antisociale ontwikkeling, die als psychopathiform kan worden beschreven. Er is sprake van een seksuele identiteitsdiffusie die voortkomt uit zijn algehele identiteitsdiffusie, passend bij een borderline organisatie van de persoonlijkheid. De (rand)psychotische en depressieve reactie en seksuele drang c.q. dwanghandelingen passen bij de symptomatologie van een gedecompenseerde borderline organisatie als de draaglast de draagkracht van zijn psyche heeft overschreden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat dit toestandsbeeld randpsychose, depressie en dwangmatigheid aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Evenmin zijn er aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van het door de verdachte opgevoerde seksuele misbruik in zijn jeugd. De verdachte neigt doorgaans eerder tot uitageren ('acting out') als hij plotseling onder druk komt te staan of zich bedreigd voelt, dan tot internalisering van spanning (dissociatie).

De door de verdachte opgevoerde verklaring voor het doden van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1) zoals weergegeven op bladzijde 30/31 van het rapport: dat hij de oude man hielp met de boodschappen over straat brengen, vervolgens de boodschappen naar boven droeg en even van het toilet gebruik maakte; dat - toen hij gebruik had gemaakt van het toilet - het slachtoffer met de gulp open en met zijn riem los in de kamer stond; dat hij dacht dat de man iets van hem moest, iets van sexuele aard; dat hij vervolgens geen moment aarzelde, het pistool uit zijn zak pakte, dit doorlaadde en gericht op het slachtoffer schoot; dat hij al geschoten had voordat hij het wist en dat hij niemand meer aan zich laat komen na sexueel misbruikt te zijn; dat hij het op een overval wilde doen lijken en daarom de portemonnee van het slachtoffer heeft afgenomen en de woning heeft doorzocht] kan door het ontbreken van een posttraumatische stressstoornis in ieder geval vanuit de stresstheorie moeilijk geplaatst worden als een affectief defensieve reactie, waarbij hij sneller handelde, naar aanleiding van een vermeende seksuele trigger, dan hij kon denken. Zijn geheugen rondom het tenlastegelegde is intact, het slachtoffer was van een hoge leeftijd in tegenstelling tot degene die hem misbruikt zou hebben, zodat onwaarschijnlijk is dat een openstaande gulp alleen voldoende trigger is geweest om tot een dergelijke impulsief reactieve daad over te gaan. De aanwezigheid van een vuurwapen, het afnemen van geld en het doorzoeken van de woning zijn eveneens moeilijk in te passen in het door de verdachte opgeroepen beeld van een affectieve reactie om het gevaar te bezweren.

Op bladzijde 35 van het rapport wordt bovendien gesteld: Verwacht zou worden dat de verdachte dan zo geschrokken was van de bedreiging met vermeend seksueel misbruik en het besef het slachtoffer gedood te hebben dat hij spoorslags de plaats delict verlaten zou hebben.

Ten aanzien van het tenlastegelegde met betrekking tot het slachtoffer [benadeelde partij 2] blijft de verdachte het verkrachtingsaspect ontkennen zodat er feitelijk weinig meer informatie over deze zaak is verkregen dan bij het vorige onderzoek.

Voorzover hij een bekennende verklaring afgeeft, is er en associatie met seksuele spelletjes met een homoseksuele kleuring vanuit zijn seksuele identiteitsdiffusie, doch het gebrek aan wezenlijke informatie staat geen verder verband met zijn persoonlijkheidsstoornis toe.

Wegens het zwakke verband c.q. de afwezigheid van een verband tussen de beschreven stoornis en de bovenbeschreven tenlastegelegde feiten kan vanuit deze delicten op dit moment geen aanleiding worden gevonden een maatregel-advies te geven.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat de verdachte wel onverminderd als zeer recidivegevaarlijk moet worden beschouwd op basis van zijn pathologie voor seksuele delicten, waarvoor hij in 1996 de tbs behandeling met verpleging kreeg opgelegd. Hierbij speelden meer interactionele en dynamische (en derhalve meer wilinperkende) kenmerken vanuit zijn stoornis een rol, terwijl bij de huidige delicten een meer opportunistische en psychopathiforme sturing, met meer controle op de wilsvrijheid, lijkt te overheersen.

In die zin zou behandeling binnen de tbs van de meer dynamische pathologie, zo deze doorwerkt in de verkrachtingsdelicten, in de meer relationele sfeer nog kunnen bijdragen aan de inperking van het delictgevaar."

Het hof neemt de conclusie uit het rapport d.d. 12 augustus 2005 - die gelijk is aan de bovengenoemde conclusie uit het hierboven aangehaalde rapport d.d. 28 november 2003 - over en maakt deze tot de zijne. Het hof acht de verdachte terzake van de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit volledig toerekeningsvatbaar.

Het hof neemt echter het advies uit het rapport d.d. 12 augustus 2005, inhoudende dat een behandeling binnen de TBS van de meer dynamische pathologie, in de meer relationele sfeer, nog kan bijdragen aan de inperking van het delictgevaar, niet over. Het hof acht met de onderzoekers de verdachte zeer recidivegevaarlijk, doch zal niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. De verdachte bevond zich reeds voor het plegen van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit in het traject van terbeschikkingstelling met dwang-verpleging, welke behandeling kennelijk het gedrag van de verdachte niet heeft kunnen veranderen en het recidiverisico niet heeft kunnen inperken. De verdachte heeft het onder 1 bewezenverklaarde feit gepleegd tijdens een proefverlof.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de reeds eerder opgelegde terbeschikkingstelling met dwangverpleging, het nogmaals opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging het gedrag van de verdachte niet in een zodanige mate kan veranderen en het recidiverisico niet in een zodanige mate kan verminderen dat een - voor de maatschappij veilige - terugkeer in die maatschappij een reële en haalbare mogelijkheid is. Derhalve acht het hof het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet geïndiceerd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit - kort en zakelijk weergegeven - dat, indien het hof tot een strafoplegging komt, de Staat der Nederlanden verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het op proefverlof laten gaan van de verdachte, alsmede voor de gebrekkige informatievoorziening die tot dat proefverlof heeft geleid. Deze omstandigheid dient, aldus de raadsman, bij een eventuele bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit - hetwelk hij pleegde vlak na dat proefverlof - te leiden tot strafvermindering.

Het hof zal echter met deze door de raadsman genoemde omstandigheid geen rekening houden. Uit het bovengenoemde rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 12 augustus 2005 blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van het onder 1 primair tenlastegelegde feit volledig toerekeningsvatbaar was. De verdachte kan aldus zelf strafrechtelijk geheel verantwoordelijk worden gehouden voor dit door hem gepleegde feit. Wat er ook van zij van eventuele door de TBS-instelling begane beoordelingsfouten met betrekking tot het op proefverlof laten gaan van de verdachte, dit doet niet af aan de omstandigheid dat het onder 1 primair bewezenverklaarde feit volledig aan de verdachte kan worden toegerekend.

De raadsman van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat, nu de verdachte reeds een maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd heeft gekregen, het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onmogelijk dan wel uiterst problematisch is. Het hof is echter van oordeel dat het eventueel opleggen van een levenslange gevangenisstraf wel tot de mogelijkheden behoort, ondanks het feit dat de verdachte reeds de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd heeft gekregen. Immers, die oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden in een andere dan de onderhavige strafzaak. Deze terbeschikkingstelling is overigens ook thans opgeschort.

Zoals reeds door het hof hierboven is uiteengezet, is het hof van oordeel dat het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in de onderhavige strafzaak het genoemde recidiverisico niet kan inperken tot een voor de samenleving acceptabel en veilig niveau.

Het hof heeft zich nadrukkelijk beraden over de thans resterende vraag of aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf van tijdelijke aard dan wel een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Het hof heeft bij de beantwoording van deze vraag vooropgesteld dat de verdachte, ook bij zeer ernstige misdrijven als de onderhavige, uit humanitaire overwegingen in beginsel uitzicht behoort te hebben op een terugkeer in de samenleving.

Het hof heeft in het bijzonder gelet op de vraag of te verwachten valt dat de verdachte, indien een gevangenisstraf van tijdelijke aard zou worden opgelegd, na zijn vrijlating wederom strafbare feiten zal gaan plegen. Het hof is, onder andere op grond van het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 12 augustus 2005, alsmede op grond van verdachtes Justitiële Documentatie, van oordeel dat de kans op herhaling van soortgelijke ernstige dan wel andere strafbare feiten zeer groot is. De verdachte is in 1993 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en in 1996 tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Het opleggen van langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen weerhoudt de verdachte er kennelijk niet van om wederom ernstige strafbare feiten te plegen. De kans op herhaling wordt naar het oordeel van het hof derhalve niet verminderd door het opleggen van een (langdurige) tijdelijke gevangenisstraf. Het onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde kan de verdachte in enigszins verminderde mate worden toegerekend. Het onder 1 primair bewezenverklaarde, voor welk feit een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd, kan aan de verdachte daarentegen volledig worden toegerekend.

Al het bovenstaande in overweging genomen, is het hof van oordeel dat slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot preventie van soortgelijke delicten door de verdachte in de toekomst, tot adequate vergelding van de door verdachte begane misdrijven en tot effening van de schade die de verdachte door die feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht. Het hof zal derhalve aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf opleggen."

5.3 Blijkens de toelichting gaat het de steller van het middel er vooral om dat het Hof ontoereikend zou hebben gemotiveerd waarom het een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd in plaats van een tijdelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarbij is van belang dat de verdachte ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit een TBS onderging, die na expiratie van een tijdelijke gevangenisstraf zou "herleven".

5.4 De steller van het middel voert aan dat uit de overwegingen van het Hof niet zou blijken dat de eerder opgelegde maatregel van TBS vruchteloos was gebleven en op zichzelf niet tot inperking van het recidivegevaar zou kunnen leiden. Evenmin zou uit die overwegingen de reden kunnen volgen die ertoe heeft geleid dat het Hof de in het aanvullende PBC-rapport neergelegde conclusie - dat een behandeling binnen een TBS-setting nog kan bijdragen aan inperking van het delictgevaar - naast zich neer heeft gelegd. Het Hof zou derhalve ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden hebben overwogen dat "slechts een levenslange gevangenisstraf kan leiden tot preventie van soortgelijke delicten door de verdachte in de toekomst".

5.5 Laat ik vooropstellen dat het Hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf, gelet op de onder 5.2 opgenomen motivering, niet enkel heeft gebaseerd op de noodzaak van preventie van soortgelijke delicten in de toekomst, doch die straf tevens geïndiceerd achtte op grond van twee andere factoren, namelijk als adequate vergelding van de door verdachte begane misdrijven en ter effening van de schade die de verdachte door die feiten aan de rechtsorde heeft toegebracht. De steller van het middel moet wel worden toegegeven dat de speciale preventie in 's Hofs overwegingen een prominente plaats inneemt, in het bijzonder in de uiteenzetting waarom niet (mede gelet op de nog van kracht zijnde TBS) met een langdurige vrijheidstraf kon worden volstaan.

5.6 Het lijkt mij voorts dat de omstandigheid dat verdachte, zoals het Hof heeft overwogen, feit 1 heeft gepleegd tijdens een proefverlof, zijn conclusie kan wettigen dat de TBS met dwangverpleging kennelijk het gedrag van verdachte niet heeft kunnen veranderen en het recidiverisico niet heeft kunnen inperken. Dat de behandeling op het moment van het feit nog niet was afgerond doet daaraan niet af, nu mag worden aangenomen dat verdachte pas op proefverlof mocht gaan op een moment dat zijn behandelaars van mening waren, zij het naar achteraf is gebleken ten onrechte, dat verdachte onder bepaalde condities in de vrije samenleving kon verblijven.

5.7 Voorzover in het middel wordt geklaagd dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het - in tegenstelling tot de rapporteurs die het aanvullende rapport hebben opgesteld - van mening is dat een behandeling binnen een TBS-setting niet kan bijdragen aan inperking van recidivegevaar, verdient opmerking dat de rechter niet is gebonden aan een oordeel van deskundigen of een advies als bedoeld in art. 37, tweede lid Sr, ook niet in die zin dat de rechter zou moeten motiveren waarom hij het oordeel van die deskundigen niet volgt.(5) De waardering van de rapporten en adviezen die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht zoals die bedoeld in art. 37a, derde lid en vierde lid, Sr is immers voorbehouden aan de rechter in feitelijke aanleg.(6) Overigens houdt bedoeld rapport van 12 augustus 2005 slechts in dat door oplegging van de maatregel mogelijk het recidivegevaar kan worden ingeperkt wat betreft seksuele delicten; verdachte is in het verleden onder meer meermalen wegens (poging) tot verkrachting veroordeeld. Op feit 1 ziet die passage dus niet. Ten aanzien daarvan is door de deskundigen ook niet een verband tussen de geconstateerde stoornis en het delict vastgesteld en heeft het Hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar geoordeeld.

5.8 Anders dan de steller van het middel meen ik dat het Hof niet heeft miskend dat de opgelegde TBS-maatregel op grond van art. 38f Sr is opgeschort en derhalve zou kunnen worden voortgezet nadat verdachte een (langdurige) tijdelijke gevangenisstraf zou hebben ondergaan. Het Hof heeft aangegeven waarom het geen heil ziet in een hernieuwde (feitelijk gezien een voortzetting van de reeds opgelegde) TBS-behandeling van verdachte en heeft voorts zijn keuze voor een levenslange gevangenisstraf, ook met andere argumenten dan die betrekking hebben op de speciale preventie, uitgebreid gemotiveerd.

Dat het Hof voormelde mislukte behandelpoging in zijn overwegingen omtrent de strafoplegging heeft betrokken is op zichzelf niet onbegrijpelijk.(7)

5.9 In cassatie kan niet worden beoordeeld of de juiste straf is opgelegd. Het is verder vaste jurisprudentie dat het tot het domein van de feitenrechter behoort de factoren die hij voor de bepaling van de straf van belang acht, te kiezen en te waarderen.(8)

Hier gaat het om de zwaarst denkbare straf (met name vanwege het in beginsel ontbreken van perspectief voor de veroordeelde), die mijns inziens met de grootst mogelijke terughoudendheid moet worden toegepast. Zeker als men daarbij bedenkt dat de Nederlandse regelgeving met betrekking tot de tenuitvoerlegging gebrekkig is, of eigenlijk ontbreekt.(9) Zij voorziet, anders dan in de meeste Europese landen gebruikelijk is en internationaal als wenselijk wordt gezien, er bijvoorbeeld niet in dat na een bepaalde periode de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging wordt getoetst waardoor ook de levenslang gestrafte enig perspectief wordt geboden en wordt voorkomen dat de beslissing van de strafrechter een periode bestrijkt die hij in feite niet kan overzien.(10)

5.10 De oplegging van een levenslange gevangenisstraf vergt daarom een zorgvuldige weging van de relevante factoren en een even zorgvuldige als duidelijke weergave van de gedachtegang van de rechter in zijn strafmotivering.(11) Zoals uit het voorgaande voortvloeit meen ik echter, anders dan de steller van het middel, dat de keuze van de straf niet onbegrijpelijk is. De motivering van de strafoplegging kan mijns inziens de toetsing in cassatie doorstaan.

5.11 Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

6. Ik heb geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Op de volgende zitting, waarop de zaak inhoudelijk aan de orde is gekomen, te weten de zitting van 7 september 2005, heeft verdachte overigens verklaard dat zijn verklaring, zoals weergegeven in het proces-verbaal van 18 februari 2005, klopt.

2 Te weten in de lezing die de verdachte van de gebeurtenissen heeft gegeven in zijn verklaring ter terechtzitting van het Hof van 18 februari 2005 (C.B.).

3 Nadat de Advocaat-Generaal had medegedeeld aan nadere rapportage geen behoefte te hebben.

4 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 195-197 en Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, p. 663.

5 Zie Handboek Strafzaken 53.3.5.a en E.J. Hofstee in T&C Sr, 5e druk, aant. 3b bij art. 37a Sr alsmede: idem, TBS, Studiepocket strafrecht, 2e druk, blz. 89-99.

6 HR 9 juni 1998, nr. 107.759.

7 De steller van het middel voert nog aan dat de overweging "dat het opleggen van langdurige gevangenisstraffen (...) de verdachte er kennelijk niet van [weerhoudt] om wederom ernstige strafbare feiten te plegen" enkel kan zien op het onder 1 bewezenverklaarde feit, hetgeen volgens hem onvoldoende zou zijn om tot dit oordeel te komen. Het is juist dat de feiten 2 en 3 zijn gepleegd vóórdat verdachte voor andere feiten tot twee langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld en in zoverre eigenlijk dus niet kunnen bijdragen aan vorenbedoeld oordeel van het Hof. Maar het Hof, dat art. 63 Sr heeft toegepast, heeft dat m.i niet miskend. Het ziet hier kennelijk op de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 1] en heeft met die formulering niet tot uitdrukking willen brengen dat ook feit 2 en feit 3 in dit opzicht meetellen.

8 Vgl. A.A.J. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e dr., blz. 220 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

9 De vroegere periodieke toetsing en de daarmee samenhangende mogelijkheid om bij wege van ambtshalve gratie de veroordeelde "op jaren te stellen" bestaat blijkbaar ook niet meer.

10 Zie het advies van 1 december 2006 van de van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming "Levenslang, perspectief op verandering" vooral blz. 8-11. Zie ook EHRM, 11 april 2006, Léger v. France, nr. 19324/02. Het is de vraag of de Nederlandse praktijk de toetsing aan het EVRM kan doorstaan.

11 Vgl. HR 28 februari 2006, LJN AU 9381, NS 2006, 112, waarin de motivering van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende werd bevonden. De zaak verschilt echter op verschillende punten van de onderhavige waarin de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is geacht.